← België

Arrest 202336 - Voedselveiligheid (FAVV) - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.336 Rolnummer: A. 165161/VII-37470 Zaak: Arrest 202336 - Voedselveiligheid (FAVV) - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.336 van 25 maart 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.336 van 25 maart 2010 in de zaak A. 165.161/VII-37.

  1. In zake: Louis VAN DAMME wonende te Lokeren Sint-Jozefstraat 66 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Devroe tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te Brugge-Sint-Kruis Karel Van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 16 augustus 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 17 juni 2005 waarbij aan het bedrijf van Louis Van Damme een H-statuut wordt opgelegd voor een periode van 52 weken. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 150.982 van 7 november 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.470-1/5 Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart
  4. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die loco advocaat Jan Devroe verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Peter Eecloo, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 11 mei 2005 wordt in het slachthuis te Zele een monster genomen van een vrouwelijk rund dat eigendom is van de verzoeker. Het bemonsterde karkas wordt op 12 mei 2005 voorlopig in beslag genomen.
  7. De analyse geeft een concentratie van 9,57 ppb van het product dexamethasone. Op 19 mei 2005 wordt de verzoeker daarvan in kennis gesteld.
  8. Op 20 mei 2005 vraagt de verzoeker een tegenonderzoek. Het resultaat van dit tegenonderzoek is opnieuw niet-conform. Er is een concentratie dexamethasone vastgesteld van 6 :g/kg. Hierdoor wordt het karkas afgekeurd en gedenatureerd.
  9. Tijdens zijn daaropvolgend verhoor verklaart de verzoeker dat hij in het meel kruiden heeft gemengd die hij kocht bij een voederbedrijf. VII-37.470-2/5
  10. Diezelfde dag wordt de verzoeker in kennis gesteld van een verslag van het laboratoriumonderzoek dat werd uitgevoerd op een aantal deelmonsters van dieren. Het resultaat is conform.
  11. Op 17 juni 2005 legt de verwerende partij aan de verzoeker het H-statuut op voor een periode van 52 weken. Dit is de bestreden beslissing.
  12. Ter terechtzitting van de Raad van State op 17 oktober 2005 legt de raadsman van de verzoeker een document over waaruit blijkt dat de aangestelde van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen op 7 oktober 2005 aan de verzoeker onder meer heeft medegedeeld dat de bestreden beslissing wordt geschorst vanaf 7 oktober
  13. IV. Ontvankelijkheid
  14. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij, met verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr. 150.982 van 7 november 2005 inzake de schorsingsprocedure, dat, doordat zij is overgegaan tot de schorsing van de bestreden beslissing, die beslissing als ingetrokken moet worden beschouwd. Zij besluit dat het voorwerp van de vordering is verdwenen, en dat het beroep om die reden moet worden verworpen.
  15. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat hij inderdaad moet vaststellen dat de invulling die de Raad van State heeft gegeven aan de schorsing door de verwerende partij, er toe leidt dat hij geen belang meer zou hebben bij zijn beroep aangezien een vernietiging hem niet meer voordeel kan geven dan de intrekking van de beslissing. Niettemin meent hij dat de schorsing door de verwerende partij niet als een intrekking te beschouwen is doch wel als een opheffing, vermits de beslissing op hem van toepassing is geweest, in de periode voorafgaand aan de beslissing tot schorsing. Hij meent in ieder geval voor die periode een belang te hebben bij het beroep. VII-37.470-3/5 Beoordeling
  16. In zijn arrest nr. 150.982 van 7 november 2005 overweegt de Raad van State dat de schorsing voor onbepaalde duur, gepaard gaande met het bevel om de materiële gevolgen van de bestreden beslissing teniet te doen, niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een intrekking van het bestreden besluit, aangezien de verwerende partij het bedrijf van de verzoeker alleen met een nieuw besluit weer onder het H-statuut kan brengen, en dat de verzoeker zich tegen dergelijk nieuw besluit zal kunnen verzetten. De Raad van State stelt in voormeld arrest dan ook vast dat er geen beslissing meer bestaat die aan de verzoeker een nadeel berokkent. In een op 13 mei 2008 gedateerde brief deelt de verwerende partij mee dat, opdat men de aangevochten beslissing opnieuw zou kunnen van kracht laten worden, ontegensprekelijk een nieuwe beslissing moet worden genomen. Zij besluit dat de beslissing tot schorsing van 7 oktober 2005 "eveneens ab initio de effectieve en formele intrekking van de bestreden beslissing" met zich meebrengt. Aangezien, zoals de Raad van State heeft overwogen in voornoemd arrest, de schorsing van het bestreden besluit door het bestuur niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een intrekking, is het beroep doelloos geworden. Gelet op de omstandigheden eigen aan de zaak past het de kosten van de beroepen ten laste van de verwerende partij te leggen. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. VII-37.470-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, wnd. kamervoorzitter, staatsraad Pierre Barra, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-37.470-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.336 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.982 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.