← België

Arrest 202348 - Bevolkingsregister - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.348 Rolnummer: A. 163194/XII-4472 Zaak: Arrest 202348 - Bevolkingsregister - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.348 van 25 maart 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bevolkingsregister Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.348 van 25 maart 2010 in de zaak A. 163.194/XII-

  1. In zake :
  2. Maryse DUBOIS, wonende te Ronse, Scheldekouter 283
  3. José VANHECKE, wonende te Ronse, Oude Vesten 23 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maryse Dubois en José Vanhecke op 20 mei 2005 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 10 maart 2005 (III.21/723/3.281/03) van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, strekkende tot inschrijving van de heer José Vanhecke in het bevolkingsregister van de stad Ronse, Scheldekouter, 283, vanaf 05 juni 2003, als een gezin vormend met mevrouw Maryse Dubois, komende van de Stationsstraat, 32 te Brakel”; Gelet op de beschikking van 24 juni 2005 waarbij aan de eerste verzoekster het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft het beroep tot nietigverklaring; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekers; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2009; XII-4472-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. Kympens, die loco advocaat T. Deputter verschijnt voor verzoekers, en van attaché F. Verduyn, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De gegevens van de zaak
  4. Een anonieme brief van 25 maart 2003, alsook een schrijven van 1 april 2003 van de burgemeester van de gemeente Brakel, brengen de algemene directie Instellingen en Bevolking van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken (hierna: “de FOD Binnenlandse Zaken”) ertoe de verblijfstoestand na te kijken van tweede verzoeker, die sedert 8 januari 2003 in het bevolkingsregister van de gemeente Brakel is ingeschreven op het adres Stationsstraat 32, maar die in werkelijkheid zou verblijven bij eerste verzoekster, wonende te Ronse, Scheldekouter
  5. Met een brief van 2 december 2003 vraagt de algemene directie Instellingen en Bevolking aan de burgemeester van Brakel een politieonderzoek in te stellen naar de verblijfstoestand van tweede verzoeker en daarover binnen vijftien dagen een omstandig rapport te bezorgen dat uitdrukkelijk de data en de uren vermeldt waarop de controles werden uitgevoerd. Het verslag van 16 december 2003 van inspecteur-wijkagent H. Verbeurgt bevat een opsomming van de verschillende momenten waarop de inspecteur zich op het adres Stationsstraat 32 aanbood, zonder dat daarbij ooit iemand kon worden aangetroffen. Wel zou via de interventiedienst twee keer zijn vastgesteld dat het voertuig waarmee hij zich verplaatst in de Stationsstraat stond ter hoogte van nr. 32 of
  6. XII-4472-2/11 Bevolkingsinspecteur W. Steyaert van de FOD Binnenlandse Zaken stelt eveneens een onderzoek in naar de verblijfstoestand van verzoeker. Hij besluit zijn verslag van 9 januari 2004 met het voorstel om tweede verzoeker op datum van 5 juni 2003, zijnde de de datum van aanvang van het onderzoek, in het bevolkingsregister van Ronse in te schrijven, op het adres Scheldekouter 283, als niet-verwant in het gezin van eerste verzoekster. Met aangetekende brieven van 13 en 21 januari 2004 deelt de regionaal afgevaardigde van de FOD Binnenlandse Zaken aan verzoekers en aan de burgemeesters van Brakel en Ronse mede dat uit het bevolkingsonderzoek is gebleken dat verzoeker zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd aan de Scheldekouter 283 te Ronse en dat het de bedoeling is betrokkene op datum van 5 juni 2003 in het bevolkingsregister van Ronse te doen inschrijven, op het adres Scheldekouter 283, als niet-verwant in het gezin van verzoekster. Met brieven van 22 en 29 januari 2004 maken verzoekers aan de bevolkingsinspecteur hun bezwaren, met stavingsstukken, kenbaar. Op 10 maart 2005 neemt de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken de thans bestreden beslissing. Ze telt acht bladzijden. De grond van de zaak A. Eerste middel Standpunt van verzoekers
  7. Verzoekers voeren in een eerste middel aan dat de kennisgeving van de bestreden beslissing aan tweede verzoeker gebrekkig is en dat uit geen enkel gegeven kan worden afgeleid dat tweede verzoeker een precieze kennis heeft gekregen van de in aanmerking genomen motieven. Beoordeling
  8. Het laat zich goed verstaan dat verzoekers in de memorie van wederantwoord meedelen zich met betrekking tot het middel “naar de wijsheid van de Raad van State” gedragen. Het administratief dossier doet er afdoende van XII-4472-3/11 blijken dat een afschrift van de beslissing op 4 mei 2005 persoonlijk aan tweede verzoeker is afgegeven. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoekers
  9. Verzoekers voeren in een tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 8, § 2, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen (hierna: de wet van 19 juli 1991). Zij betogen dat de aan de bestreden beslissing voorafgaande overwegingen hen niet in staat stellen uit te maken op welke gronden de ministeriële beslissing er is kunnen van uitgaan “dat de heer José Vanhecke op datum van 05 juni 2003 dient te worden ingeschreven in bevolkingsregister van de stad Ronse, Scheldekouter 283, als een gezin vormend met Mevrouw Maryse Dubois”. In een eerste onderdeel stellen zij dat geen enkel element een rechtstreeks en onweerlegbaar bewijs geeft dat wijst op een effectief verblijf van tweede verzoeker bij eerste verzoekster. Meer nog, volgens verzoekers zijn er “veeleer elementen en met elkaar overeenstemmende overwegingen die het tegendeel bewijzen”. Zij wijzen inzonderheid op de volgende elementen: - bij een onaangekondigd bezoek door de bevoegde inspecteur werd tweede verzoeker aangetroffen te Brakel en heeft hij daarbij kledij, mondvoorraad en een beslapen bed getoond; - de wijkagente L. Pollet van Ronse verklaart dat uit buurtonderzoek is gebleken dat bepaalde buren zijn verblijf te Ronse niet kunnen bevestigen; - in een brief van 1 april 2003 stelt “de stad Brakel” dat zij niet wil gebruikt worden in familieruzies en dat ze niet van plan is betrokkene in te schrijven op aanvraag van derden; - bij twee onaangekondigde controles door de wijkagent werd tweede verzoeker niet bij eerste verzoekster aangetroffen. XII-4472-4/11 Voorts wordt uiteengezet dat het onderzoek uitgaat van een aantal veronderstellingen en onwaarheden die niet nader onderzocht werden. De zogenaamde brief van 3 september 2003 van de “buren van de Scheldekouter” is niet door die vereniging verstuurd. Het artikel in het “Het Volk” van 10 oktober 2003, werd in een later artikel rechtgezet, waarbij duidelijk werd gesteld dat verzoekers geen koppel vormen. Ook zou verwerende partij zich schuldig gemaakt hebben aan “uitlokking” door doelbewust een brief voor tweede verzoeker naar het verkeerde adres, Scheldekouter 283 te Ronse, te hebben gestuurd. In een tweede onderdeel voeren zij aan dat de bestreden beslissing van 10 maart 2005 niet uitdrukkelijk motiveert waarom 5 juni 2003 als startdatum voor de inschrijving wordt gebruikt.
  10. In de memorie van wederantwoord benadrukken verzoekers dat het onderzoek weliswaar op uitvoerige wijze werd verricht, maar slordig, waarbij “gezegden, geklaag en geroddel” niet nader op hun correctheid werden onderzocht en voor waarheid werden aangenomen. Verzoekers benadrukken dat tweede verzoeker op 8 april 2004 niet thuis te Brakel kon worden aangetroffen omdat hij van 7 tot en met 17 april 2004 in het ziekenhuis te Ronse verbleef, dat hij door het hof van beroep werd vrijgesproken van de strafklacht voor zwartwerk, dat de buur die verklaarde verzoeker op het adres te Ronse in zijn peignoir te hebben zien rondlopen, onder voogdij staat en zelf de hele dag in zijn peignoir rondloopt, dat er sprake is van “een familiale hetze” tegen tweede verzoeker, dat verzoeker te Brakel niet op het gelijkvloers woonde, maar op de eerste verdieping, zodat het zonder relevantie is dat het gelijkvloers niet bemeubeld is, dat hij niet verplicht was thuis te blijven zitten, dat hij inderdaad af en toe met de auto van eerste verzoekster reed, maar dat het feit dat de wagen soms te Brakel stond enkel maar kan bewijzen dat tweede verzoeker er woonde, en dat de schoenen die te Ronse werden aangetroffen niet die van tweede verzoeker kunnen zijn, vermits hij een andere schoenmaat heeft. Beoordeling
  11. Artikel 8, § 2, van de wet van 19 juli 1991 legt de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde de verplichting op de beslissing waarmee uitspraak wordt gedaan over een moeilijkheid of betwisting met betrekking tot het vaststellen van een hoofdverblijfplaats met redenen te omkleden. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de XII-4472-5/11 bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Artikel 3 van de wet schrijft voor dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en afdoende moet zijn.
  12. De bestreden beslissing telt acht bladzijden. Ze haalt uitdrukkelijk de verschillende stappen aan die in het onderzoek naar de verblijfstoestand van verzoeker zijn gezet, vermeldt de voor haar conclusie relevante bevindingen van dat onderzoek en wijst ook de juridische context aan waarin ze werd genomen. Naar deze motivering van de beslissing laat begrijpen is het uit het geheel van de bevindingen van het bevolkingsonderzoek dat de gemachtigde van de minister tot de overtuiging en de conclusie is gekomen dat tweede verzoeker zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd aan de Scheldekouter283 te Ronse, als een gezin vormend met eerste verzoekster. De beslissing doorstaat, alzo beschouwd, de toets aan de formele- motiveringseis. In zoverre is het eerste onderdeel ongegrond. In zoverre verzoekers in het middelonderdeel eigenlijk doen gelden dat de bestreden beslissing niet op voldoende deugdelijke gegevens steunt die haar in redelijkheid kunnen verantwoorden, wordt het hierna tezamen met het derde middel onderzocht en besproken.
  13. Wat het tweede middelonderdeel betreft, blijken verzoekers zeer goed te weten dat de datum vanaf wanneer tweede verzoeker op het adres van eerste verzoekster wordt ingeschreven, de aanvangsdatum is van het onderzoek door de bevolkingsinspecteur. De bestreden beslissing strekt ertoe de juridische verblijfstoestand van tweede verzoeker in overeenstemming te brengen met de feitelijke toestand. Het vergt dan ook geen bijkomende commentaar wanneer de gemachtigde van de minister daartoe doet overgaan vanaf het tijdstip waarop, naar zijn oordeel, het bestaan van die feitelijke toestand kan worden afgeleid uit de vaststellingen en conclusies van het speciaal daartoe gevoerde onderzoek. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. XII-4472-6/11 C. Derde middel Standpunt van verzoekers
  14. In een derde middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 en artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister. Verzoekers zetten uiteen dat een aantal beoordelingselementen “in casu niet zijn vervuld”: het blijkt niet dat het adres van eerste verzoekster de plaats is waarheen tweede verzoeker gaat na zijn beroepsuitoefening bij het OCMW van Brakel en zijn verblijf aldaar kan niet worden afgeleid uit het energieverbruik of de telefoonkosten, die trouwens niet werden onderzocht. De verblijfsituatie van tweede verzoeker werd niet grondig onderzocht en het dossier bevat onvoldoende gegevens die tot de conclusie konden leiden dat tweede verzoeker nooit daadwerkelijk op het adres te Brakel heeft verbleven. Bij het enige onaangekondigde bezoek door de gemachtigde onderzoeker op 5 juni 2003 werd hij trouwens te Brakel aangetroffen.
  15. In de memorie van wederantwoord trekken verzoekers verder de ernst en de grondigheid van het gevoerde onderzoek in twijfel: het onderzoek gaat uit van foute veronderstellingen en elementen, er wordt op foute uren aangebeld, namelijk tijdens werkuren, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats is een louter feitelijke aangelegenheid, waarbij men zich niet moet laten leiden door afgelegde verklaringen, de bevolkingsinspecteur heeft wel veel telefonische contacten gehad, maar zich voor het overige tot enkele bezoeken beperkt. Beoordeling
  16. Krachtens artikel 1, § 1, 1/, van de wet van 19 juli 1991 worden de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen of er te verblijven, met uitzondering van de vreemdelingen die zijn ingeschreven in het wachtregister, ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd. Luidens artikel 3 van dezelfde wet is de hoofdverblijfplaats “de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft”. Luidens artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit XII-4472-7/11 van 16 juli 1992 steunt het bepalen van de hoofdverblijfplaats op een feitelijke situatie, namelijk op de vaststelling van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar. Voormeld artikel somt exemplatief een aantal “elementen” op grond waarvan de hoofdverblijfplaats kan worden bepaald, “met name de plaats waarheen de betrokkene gaat na zijn beroepsbezigheden, de plaats waar de kinderen naar school gaan, de arbeidsplaats, het energieverbruik en de telefoonkosten, het gewone verblijf van de echtgenoot of van andere leden van het huishouden”. De vaststelling van de hoofdverblijfplaats is derhalve in wezen een feitenkwestie.
  17. Wat dat betreft wordt in het auditoraatsverslag, na een analyse van de bevindingen van het bevolkingsonderzoek en de betwistingen die verzoekers terzake opwerpen, op beargumenteerde wijze geconcludeerd “dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat het bevolkingsonderzoek voldoende, zorgvuldig verzamelde gegevens heeft opgeleverd, die de bestreden beslissingen kunnen schragen”. Onder meer motiveert de auditeur: “
  18. De verslaggever beschouwt de verklaring van de Ronsese wijkagente van 5 juni 2003, waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat ‘José Vanhecke aan te treffen is aan de Westkouter, vermoedelijk zelfs dagdagelijks’, als het objectieve, feitelijke gegeven, dat in redelijkheid geacht moet[...] worden aan te tonen dat José Vanhecke gewoonlijk op de Westkouter te Ronse verblijft. Deze verklaring spoort met het Brakelse politieverslag van 16 december 2003, waarin de Brakelse wijkagent verklaart dat betrokkene, lees José Vanhecke, (in Brakel) ‘vermoedelijk enkel sporadisch zijn post komt ophalen;’ en met het krantenartikel in Het Volk, waaromtrent, tot in de memorie van wederantwoord toe, geen bewijs wordt bijgebracht van de beweerde rechtzetting. 4.
  19. De voormelde verklaring van de Ronsese wijkagente is afkomstig van een wijkagente, die er blijk van geeft gedurende een lange periode vaststellingen te hebben gedaan in dit dossier. De verklaring herroept een eerder woonst- vaststelling en vindt bevestiging in de verdere houding van de gemeente Ronse, welke er blijk van geeft dat de gemeente Ronse er zich bij aansluit. Deze verklaring

(1)heeft tevens voldoende autoriteit in vergelijking met de verklaring van Maryse Dubois omtrent het resultaat van twee onaangekondigde politiebezoeken en
(2)maakt de discussie omtrent de schoenmaat van de mans- schoenen irrelevant. 4.2. Wat de verklaring van de Brakelse inspecteur-wijkagent betreft, stelt de verslaggever eveneens een betrokkenheid gedurende lange tijd vast bij dit dossier (zo telt de verslaggever op zijn minst tien andere pogingen tot huisbezoek, terwijl de memorie van wederantwoord slechts voor wat het op 7 april 2003 afgelegde huisbezoek een overtuigende weerlegging geeft - ziekenhuisopname). Mede in het licht van die vaststelling heeft de verklaring van deze wijkagent voldoende autoriteit in vergelijking met
(1)de vaststelling dat José Vanhecke door de bevolkingsinspecteur één keer ter plaatse werd aangetroffen,
(2)de XII-4472-8/11 vaststelling dat de wagen in december 2003 tot tweemaal toe ’s nachts in de Stationsstraat stond geparkeerd,
(3)de verklaring van mevrouw De Meyer, welke zich opstelt als een eerder onwetende buur, of
(4)feitelijke gegevens, als de discussie omtrent de bewoonde verdieping”.
  1. Het is niet aan de Raad om zelf alle aanwijzingen en elementen pro en contra een inschrijving van tweede verzoeker op het adres Scheldekouter 283 te Ronse dan wel Stationsstraat 32 te Brakel, heel precies tegen mekaar af te wegen en om in de plaats van de verwerende partij de feitelijke hoofdverblijfplaats van tweede verzoeker vast te stellen. In het kader van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad enkel na te gaan of de verwerende partij, na een voldoende onderzoek, aan de hand van de gegevens waarop zij zich heeft gesteund naar recht tot het besluit is kunnen komen dat tweede verzoeker op datum van 5 juni 2003 zijn hoofd- verblijfplaats had te Ronse en niet, zoals hij beweert, te Brakel. Terzake valt de Raad van State de zienswijze in het auditoraats- verslag bij. Het blijkt voor de Raad van State niet dat verwerende partij de grenzen van de wettigheid, inbegrepen van de redelijkheid, te buiten is gegaan door op basis van het te dezen gevoerde onderzoek en van de daaruit voortgekomen informatie, inzonderheid de verklaringen en vaststellingen van de wijkagente uit Ronse en de inspecteur-wijkagent te Brakel, de hoofdverblijfplaats van tweede verzoeker te Ronse, Scheldekouter 283, te hebben bepaald.
  2. Tevergeefs blijven verzoekers tot en met in de laatste memorie benadrukken dat “er een manipulatie van verschillende personen achter de feiten zit, waarbij de exacte, correcte situatie op de achtergrond is geraakt”. Zij doelen hiermee op de verklaringen van “de bijna ex” van tweede verzoeker en “de ex- bijzit” van eerste verzoekster. Zijn die verklaringen -omdat ze zogenaamd subjectief gekleurd zijn- mogelijk niet bij machte de verklaringen en vaststellingen van de wijkagenten kracht bij te zetten, evenmin echter zijn ze van aard, als ware het van de weeromstuit, van de geloofwaardigheid ervan af te doen. Voorts wordt in hun laatste memorie herhaald door verzoekers, die overigens niet ontkennen “dat zij elkaar steunden en soms samen waren, maar XII-4472-9/11 niet altijd”, dat er voldoende elementen zijn waaruit kan worden afgeleid dat tweede verzoeker in de Stationsstraat te Brakel woonde. De Raad van State begrijpt dat verzoekers hadden gewild dat de verwerende partij aan die elementen meer geloof of belang zou hebben gehecht. De Raad kan er evenwel geen onwettigheid in bespeuren dat de verwerende partij daarover anders heeft geoordeeld, nu tegenover die elementen de meer vernoemde verklaringen en vaststellingen van de wijkagenten staan.
  3. Het derde middel, en het eerste onderdeel van het tweede middel in de mate dat daarin het gebrek aan deugdelijke motieven wordt aangevoerd, zijn ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. XII-4472-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig maart 2010, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4472-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.