← België

Arrest 202351 - Varia (vreemdelingen) - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:

§ 1

bedoelde vreemdelingen het vereiste bewijs niet overleggen, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde hen, al naargelang het geval, kennis van een beslissing tot onontvankelijkheid van de aanvraag tot vestiging, tot verblijf, tot inschrijving in het vreemdelingenregister of tot het bekomen van een document overeenkomstig het model van de bijlage 22, door afgifte van een document overeenkomstig het model van de bijlage 19quinquies. Het gemeentebestuur maakt hiervan onmiddellijk een kopie over aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Indien de vreemdeling noch gemachtigd noch toegelaten is tot verblijf in het Rijk op grond van een andere bepaling van de wet, wordt hem kennisgegeven van het bevel om het grondgebied te verlaten door afgifte van een document model A of B, overeenkomstig de bijlage 12 of 13.” (markering toegevoegd) Verzoekster kan gevolgd worden waar zij stelt dat zij de nodige documenten heeft overgelegd aan de gemeente die krachtens de wet vereist zijn, zijnde bewijs van identiteit, bewijs van bloed- of aanverwantschap met de onderdaan van een lidstaat van de E.E.R. of de Belgische onderdaan met wie ze zich komen vestigen (…) en bewijs van identiteit van E.E.R. onderdaan of Belg. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat zij een originele huwelijksakte heeft overgelegd, gelegaliseerd door het bevoegde consulaat, alsook voorzien van een gelegaliseerde vertaling. Dit wordt overigens door de verwerende partij niet betwist. Het feit dat een advies werd gevraagd aan het openbaar ministerie doet geen afbreuk aan de voorafgaande vaststelling. Aldus concludeert verzoekster terecht dat dit document, behoudens wanneer ze het voorwerp zou uitmaken van het misdrijf ‘valsheid in geschrifte’, voldoende het bewijs levert van bloed- of aanverwantschap met de onderdaan van een lidstaat van de E.E.R., zijnde Nederland en dat de vestigingsaanvraag onterecht werd geweigerd op basis van artikel 44 van het KB van 8 oktober

  1. XIV-30.813-4/15 Het tweede middel is gegrond. Aangezien de overige onderdelen van het middel niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, dienen zij niet verder te worden onderzocht. Verzoeker heeft een gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, is derhalve zonder voorwerp. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWISTINGEN: Artikel 1 Vernietigd wordt de beslissing genomen ten aanzien van EL MESSAOUDI Fatima door de gemeente Sint-Jans-Molenbeek op 27 februari 2008 houdende de onontvanklijkheid van een aanvraag tot vestiging. Artikel 2 De vordering tot schorsing is zonder voorwerp.”.
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij als enig middel aanvoert: “Middel genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet (...), Van de algemene rechtsbeginselen (...) waarvan de algemene beginselen van publiekrecht en administratief recht deel uitmaken en die de beginselen van behoorlijk bestuur bevatten : het redelijkheidsbeginsel (vereiste van proportionaliteit), het principe dat alle elementen eigen aan een zaak in overweging dienen te worden genomen, Van artikel 39/65(...) van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, de vestiging, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen, Van artikel 44 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 12 juni 1998 met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, de vestiging, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen, Van de schending van de artikelen 21 en 31 van het Wetboek voor internationaal privaatrecht (B.S.27 juli 2004, p. 57 344) Overwegende dat de voorwaarden voor de betekening van een "Bijlage 19 quinquies" vermeld staan in artikel 44 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 12 juli 1998; dat dit artikel als volgt luidt: "TITEL II. - Aanvullende en afwijkende bepalingen betreffende bepaalde categorieën van vreemdelingen. HOOFDSTUK I. - Vreemdelingen, burgers van de Unie en hun familieleden, en vreemdelingen, familieleden van een Belg. Art.
  4. § 1er.- De vreemdelingen bedoeld in artikelen 40, 55 3 tot 6, van de wet, kunnen enkel genieten van de bepalingen voorzien in de artikelen 49, 50, 52, 54, 55bis en 61, op voorwaarde dat ze voorafgaandelijk het bewijs overleggen aangaande de bloed- of aanverwantschap met de E.G. - vreemdeling of de Belgische onderdaan met wie ze zich komen vestigen. § 2.-

§ 1

bedoelde vreemdelingen het vereiste bewijs niet overleggen, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde hen, al naargelang het geval, kennis van een beslissing tot onontvankelijkheid van de aanvraag tot vestiging, tot verblijf, tot inschrijving in het vreemdelingenregister of tot het bekomen van een document overeenkomstig het model van bijlagen 22, door afgifte van een document overeenkomstig het model van de bijlagen 19 quinquies. XIV-30.813-5/15 Het gemeentebestuur maakt hiervan onmiddellijk een kopie over aan de Dienst Vreemdelingenzaken." Overwegende dat de « bijlage 19 quinquies » moet worden betekend indien « de in § 1 bedoelde vreemdelingen het vereiste bewijs niet overleggen », te weten het bewijs van hun niet- frauduleuze huwelijksband ; Overwegende dat een geheel aan overeenstemmende aanwijzingen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand een ernstig vermoeden van fraude heeft teweeggebracht toen hij werd geconfronteerd met de gebrekkige huwelijksakte; Dat de huwelijksakte gebrekkig lijkt in de mate dat de beweerde echtgenoten nooit de intentie hebben gehad om een duurzame levensgemeenschap op te bouwen; Dat terecht of ten onrechte werd aangehaald dat een som van 20 000 euro werd geschonken door mevrouw aan mijnheer teneinde - door het instituut huwelijk en het recht op gezinshereniging - de afgifte van een verblijfstitel te verkrijgen; Dat blijkt dat mevrouw niet met haar echtgenoot samenwoont in België; Dat blijkt dat de echtgenoot zich in België is komen vestigen teneinde de zeer strenge Nederlandse regelgeving met betrekking tot de schijnhuwelijken te omzeilen; Dat blijkt dat de echtgenoot reeds op 2 november 1995 in Marokko gehuwd was; dat hij is hertrouwd na echtscheiding 'volgens de herroepbare huwelijksakte' (zie de Marokkaanse huwelijksakte) in Nederland op 27 januari 1999; dat, verweerster zijn derde echtgenote zou zijn; dat de 'verklikkingsremail - die waard is hetgeen hij waard is - spreekt over een affectieve relatie in Marokko die nog steeds onderhouden wordt; Dat eveneens blijkt dat de echtgenoot een vals werkgeversattest heeft voorgelegd teneinde zijn vestiging in België te kunnen vragen; Overwegende dat, bijgevolg, de heer ambtenaar van de burgerlijke stand de overschrijving van het in het buitenland afgesloten huwelijk heeft geweigerd; dat, gezien het een probleem in verband met de inschrijving betreft, het artikel van H.Boularbah in punt 104 e.v. toelaat de context te evalueren waarin een weigering van inschrijving kan plaatsvinden (...): «104.- Principe. — Tout acte authentique étranger ou décision étrangère concernant l'état civil peut faire l'objet d'une mention en marge d'un acte de l'état civil ou être transcrit dans un registre de l'état civil après qu ait été vérifié qu'ils répondent aux conditions (de validité) [c'est nous qui soulignons] de l'article 27, § 1er, dans le cas des actes authentiques, ou aux conditions de reconnaissance des articles 24 et 25, dans le cas des décisions étrangères. Il faut encore signaler l'insertion dans le Code civil d'un nouvel article 48 qui régit spécialement la transcription des actes étrangers de l'état civil concernant des Belges. (vrije vertaling : Elke buitenlandse authentieke akte of buitenlandse beslissing aangaande de burgerlijke stand kan het voorwerp uitmaken van een vermelding in de marge van een akte van de burgerlijke stand of overgeschreven zijn in een register van de burgerlijke stand na te hebben nagegaan of deze beantwoorden aan de geldigheidsvoorwaarden (onze onderlijning) van artikel 27 § 1, in het geval van authentieke akten, of aan de voorwaarden van de erkenning van artikelen 24 en 25, in geval van buitenlandse beslissingen. Er dient te worden gewezen op de invoeging van nieuw artikel 48 van het burgerlijk Wetboek dat specifiek de overschrijving betreft van buitenlandse akten van burgerlijke stand van Belgen.) 105.- Modalités de vérification.- C 'est au dépositaire de l 'acte ou du registre qu'il appartient de vérifier que l 'acte authentique étranger ou la décision étrangère remplit les conditions de validité ou de reconnaissance en Belgique. En cas de doute sérieux, il peut néanmoins transmettre 'acte ou la décision pour avis au ministère public qui procède si nécessaire à des vérifications complémentaires (art. 31, ¢‘ 2, in fine). Afin de rendre la vérification des autorités concernées plus aisées, le Code habilite le roi créer et de fixer les modalités de la tenue d 'un XIV-30.813-6/15 registre des décisions et actes qui peuvent être transcrits ou faire 'objet d 'une mention en marge (art. 31, § 3). (vrije vertaling : Modaliteiten van de verificatie - het is aan de bewaarder van de akte of van het register dat het toekomt om na te gaan of de buitenlandse authentieke akte of de buitenlandse beslissing de geldigheidsvoorwaarden vervult of deze van erkenning in België. In geval van een ernstige twijfel, kan hij de akte of beslissing overmaken aan het openbaar ministerie die indien nodig bijkomende verificaties doet. (art. 31, § 2, in fine). Teneinde de verificatie van de betrokken overheden gemakkelijker te maken, heeft het Wetboek de Koning gehabiliteerd om de modaliteiten te bepalen en vast te leggen omtrent het houden van een register van beslissingen en akten die kunnen overgeschreven worden of het voorwerp kunnen zijn van een inschrijving in de marge (art. 31, §3)). 106.- Lorsque le dépositaire du registre refuse de procéder à la mention ou la transcription, un recours peut être introduit, par requête unilatérale, devant le tribunal de première instance de l'arrondissement dans lequel le registre est tenu (art. 31, § 1er). (vrije vertaling : Wanneer de bewaarder van het register weigert om over te gaan tot de inschrijving of overschrijving, kan hiertegen beroep worden aangetekend, door eenzijdig verzoekschrift, voor de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin het register wordt gehouden ») Overwegende dat dient te worden vastgesteld dat de ambtenaar van de burgerlijke stand, bewaarder van het register, volledig volgens de wet en zijn verplichtingen heeft gehandeld ; dat het hem inderdaad toekwam om na te gaan of de authentieke buitenlandse akte of de buitenlandse beslissing voldeed aan de geldigheidvoorwaarden of aan deze van erkenning; dat hij, gezien de ernstige twijfel die hieromtrent rees, de akte heeft overgemaakt aan het openbaar ministerie voor advies; Dat het handelen van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gebaseerd op artikel 31 § 2 van het Wetboek van internationaal privaatrecht: Vermelding en overschrijving van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten inzake staat en bekwaamheid Art.

  1. §
  2. Een buitenlandse authentieke akte betreffende de burgerlijke stand kan slechts worden vei meld op de kant van een akte van de burgerlijke stand, worden overgeschreven in een register van de burgerlijke stand of als basis dienen voor de inschrijving in een bevolkingsregister, een vreemdelingenregister of een wachtregister, na onderzoek van de voorwaarden bedoeld in artikel 27, §
  3. De vermelding of overschrijving van een buitenlandse rechterlijke beslissing kan slechts plaatsvinden na onderzoek van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 24 en 25 en, naargelang van het geval, in de artikelen 39, 57 en
  4. Ingeval de bewaarder weigert over te gaan tot de vermelding of tot de overschrijving, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin het register wordt gehouden, overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel
  5. §
  6. Dit onderzoek gebeurt door de bewaarder van de akte of van het register. De Minister van Justitie kan richtlijnen opstellen die de eenvormige toepassing waarborgen van de voorwaarden bedoeld in §
  7. De bewaarder van de akte of van het register kan bij ernstige twijfel bij de beoordeling van de voorwaarden bedoeld in § 1, de akte of de beslissing voor advies overzenden aan het openbaar ministerie dat, indien nodig, aanvullend onderzoek verricht. §
  8. De Koning kan een register aanleggen en zijn werking regelen, voor beslissingen en akten die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 1, wanneer zij betrekking hebben op een Belg of op een vreemdeling die in België verblijft. Overwegende dat er dient te worden verwezen naar de ratio legis van dit artikel 31 van het Wetboek; XIV-30.813-7/15 Dat, enerzijds, de wetgever een gerechtelijke procedure heeft voorzien die de rechten van de eisers waarborgt in geval van weigering om over te gaan tot de inschrijving van de akte van de burgerlijke stand; Dat immers, in geval van weigering, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin het register wordt gehouden (art. 31 § 1 Wetboek I.P.R.) ; Dat het toekomt aan de persoon die geconfronteerd wordt met een weigering van inschrijving en die van oordeel is dat dit ten onrechte gebeurt, een eenzijdig verzoekschrift neer te leggen teneinde de uitvoerbaarverklaring van de in het buitenland opgestelde akte te bekomen (artikel 1024 tot 1034 gerechtelijk Wetboek en artikel 23 van het Wetboek I.P.R.); Dat terloops gezegd kan worden dat de Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen geen jurisdictionele bevoegdheid heeft om een controle uit te oefenen op het motief of de motieven die de administratie ertoe brengen de geldigheid van een huwelijksakte te weigeren (...); Overwegende dat, anderzijds, artikel 31 § 2 van het Wetboek I.P.R. expressis verbis voorziet in hetgeen de ambtenaar van de burgerlijke stand dient te doen ingeval van een ernstige twijfel of, anders geformuleerd, indien er overeenstemmende aanwijzingen zijn van bedrog; dat het toekomt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om deze akte over te maken aan het openbaar ministerie die, indien nodig, de nodige verificaties zal doen; Overwegende dat er dient te worden vastgesteld dat de ambtenaar van de burgerlijke stand, bewaarder van het register, volgens de wet en volgens zijn verplichtingen heeft gehandeld; dat het hem toekomt om na te gaan of de authentieke buitenlandse akte of buitenlandse beslissing de geldigheidsvoorwaarden vervult of deze van erkenning in België; dat hij, gezien de ernstige twijfel, de akte heeft overgemaakt aan het openbaar ministerie voor advies; Dat de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel vrij recent(...) een beschikking in kortgeding heeft gewezen die de ons voorgelegde vraag opheldert; dat een deel van deze beschikking als volgt luidt: « Attendu qu'en l'espèce, l 'Etat beige invoque le de'faut de transcription du mariage dans les registres belges et en conclut qu'il ne lui est partant pas opposable d'ores et déjà. Attendu que les pièces attestent de l 'absence à ce jour de la transcription et même d'une demande formelle à ce propos. Que visiblement, la demanderesse croyait que la seule mention de l'état de marié de son époux dans les registres des étrangers tenus en Belgique était suffisante. Que cependant, compte tenu de l 'attitude de l 'Etat beige qui a justifié une enquête auprès du procureur du roi, il est patent que cette mention ne lui suffit pas, actuellement pour lui rendre le mariage opposable. Qu'en réalité, depuis des mois, ce qui est discuté c 'est la validité du mariage, l'Etat beige émettant uniquement des soupçons tandis que l'office du procureur du roi ne prend pas attitude, que dès lors, il est patent que la demanderesse se heurte de fait sinon à un refus de reconnaissance, au moins une attente de reconnaissance. Que cette situation lui paraît intolérable car elle dure depuis plus de neuf mois, il faut observer qu'elle sait depuis longtemps et certainement depuis que son conseil a été avisé par l'Etat beige de l'ouverture d'une enquête auprès du parquet pour suspicion de mariage frauduleux et de l'attente de l'avis du procureur du roi pour se positionner, que la reconnaissance de son mariage pose question. Que dès lors, le recours normal qui lui est ouvert est celui d'une demande formelle de transcription formulée à l'égard de l'officier de l'état civil. Attendu que cette démarche n'a pas été accomplie jusqu 'ores ; que partant, la demanderesse ne peut prétendre que les demandes telles qu 'elle les a formulées se justifieraient déjà. XIV-30.813-8/15 Qu 'elle-même n 'apparaît en effet pas étrangère vu son comportement 'urgence dénoncée ; que la demande de transcription aurait pu être formulée depuis des mois et en cas de refus de reconnaissance, la juridiction de fond saisie (le Code de DIP le prévoit) ; (vrije vertaling : Aangezien dat in wezen, de Belgische staat de afwezigheid van overschrijving inroept van het huwelijk in de Belgische registers en concludeert dat het haar nog niet tegenwerpelijk is. Aangezien dat de stukken bewijzen dat er geen overschrijving is geweest of zelfs geen aanvraag tot overschrijving werd ingediend. Dat eiseres blijkbaar dacht dat de enkele melding van de gehuwde staat van haar echtgenoot in de vreemdelingenregisters in België gehouden voldoende was. Dat evenwel, gezien de houding van de Belgische staat, die een enquête heeft gerechtvaardigd bij de procureur des Koning, het duidelijk is dat deze melding onvoldoende is om het huwelijk tegenwerpelijk te maken. Dat in werkelijkheid, sinds maanden, de geldigheid van het huwelijk wordt gediscuteerd; Dat de Belgische staat verdenkingen uit, terwijl de Procureur des Koning geen beslissing neemt; Dat het duidelijk is dat eiseres een weigering van erkenning ondergaat of minstens een erkenning afwacht. Dat deze situatie haar ondraaglijk lijkt gezien ze sinds meer dan negen maanden duurt; Dat dient te worden opgemerkt dat ze sinds lange tijd zeker op de hoogte is, en minstens sinds haar raadsman door de Belgische staat verwittigd werd van de opening van een enquête bij het parket voor verdenking van vals huwelijk en wacht op het advies van het parket om standpunt in te nemen; Dat haar huwelijk in vraag kan gesteld worden. Dat bijgevolg, het normale beroep dat voor haar open staat, een formeel verzoek is tot inschrijving door de officier van de burgerlijke stand. Aangezien dat dit tot nu toe niet werd gedaan; Dat verzoekster niet kan rechtvaardigen dat de vorderingen zoals zij ze formuleert al gerechtigd zouden zijn. Dat zij zelf niet vreemd blijkt te zijn, gezien haar houding, aan de door haar ingeroepen hoogdringendheid; Dat de aanvraag tot overschrijving reeds sinds maanden bij de grondrechter had kunnen worden geformuleerd in geval van weigering van erkenning( de WIPR voorziet het uitdrukkelijk); » Overwegende dat uit deze beschikking voortvloeit dat zolang de huwelijksakte niet werd ingeschreven, deze niet tegenstelbaar is aan de gemeentelijke administratie ; Dat een eenzijdig verzoekschrift met het oog op de erkenning van de uitvoerbaarheid van een in het buitenland opgestelde akte had kunnen worden neergelegd bij de rechtbank van eerste aanleg; dat om een onbekende reden geen verzoekschrift werd ingediend; Dat, zolang geen gunstig advies wordt gegeven door het parket, zolang er geen vonnis tussenkomt met betrekking tot de geldigheid van het in het buitenland afgesloten huwelijk en zolang de inschrijving van het huwelijk wordt uitgesteld, een aanvraag tot vestiging in de hoedanigheid van echtgenoot van een Europese onderdaan voorbarig is en deze geen aanleiding kan geven tot de betekening van een "bijlage l9quinquies" omwille van het gebrek aan voorlegging van het bewijs van een tegenstelbare familieband, zijnde de ingeschreven huwelijksakte; Dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de inschrijving van een huwelijksakte dient te weigeren omwille van strijdigheid met de internationale openbare orde (...) ; Overwegende dat indien artikel 27 van het Wetboek van internationaal privaatrecht voorziet dat een buitenlandse authentieke akte wordt erkend in België zonder enige procedure indien de geldigheid ervan vaststaat conform de toepasselijke wetgeving, artikel 21 voorziet in de uitzondering van de openbare orde en in de mogelijkheid om het buitenlandse recht niet toe te passen indien het tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde: XIV-30.813-9/15 Art.
  9. De toepassing van een bepaling uit het door deze wet aangewezen buitenlands recht wordt geweigerd voor zover zij tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Bij de beoordeling van deze onverenigbaarheid wordt inzonderheid rekening gehouden met de mate waarin het geval met de Belgische rechtsorde is verbonden en met de ernst van de gevolgen die de toepassing van dat buitenlands recht zou meebrengen. Wanneer een bepaling van buitenlands recht niet wordt toegepast wegens deze onverenigbaarheid, wordt een andere relevante bepaling van dat recht of indien nodig, van Belgisch recht toegepast. Dat de mogelijkheid voor de gemeentelijke administratie om het advies in te winnen van het parket elke zin zou verliezen indien de persoon ten opzichte van dewelke er vermoedens bestaan van schijnhuwelijk een regularisatie van zijn verblijf zou verkrijgen, regularisatie die de wet in ieder geval wil vermijden in geval van een schijnhuwelijk, door de mogelijkheid te laten het parket te raadplegen; Dat door een beslissing te betekenen van onontvankelijkheid van een aanvraag tot vestiging, de gemeentelijke administratie heeft gehandeld conform de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het redelijkheidsbeginsel (vereiste van proportionaliteit) en het zorgvuldigheidsbeginsel ; Overwegende dat het toekwam aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om na te gaan of de ambtenaar van de burgerlijke stand een ernstige twijfel had of er overeenstemmende aanwijzingen waren van bedrog; dat het toekwam aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om na te gaan of de feitelijke situatie ten tijde van de indiening van de aanvraag tot vestiging een strijdigheid vertoonde met de openbare orde; dat het arrest niet heeft gemotiveerd in welk opzicht er geen ernstige twijfel bestond of een geheel van overeenstemmende aanwijzingen van bedrog, dat het arrest niet wordt gemotiveerd door het gebrek aan inbreuk op de openbare orde; Dat het bestreden arrest enkel stelt dat het feit dat de huwelijksakte in origineel werd voorgelegd, dat deze gelegaliseerd was door het bevoegde consulaat en vertaald was door een beëdigde vertaler voldoende was om aan de echtgenote toe te laten om een aanvraag tot verblijf in te dienen; Dat volgens de Raad van Vreemdelingenbetwistingen het feit dat advies werd gevraagd aan het openbaar ministerie op basis van een ernstige twijfel en van een geheel aan overeenstemmende aanwijzingen volgens dewelke de huwelijksakte een belangrijk gebrek zou kennen niet aan de ambtenaar van de burgerlijke stand toelaat om een beslissing van onontvankelijkheid van een aanvraag tot machtiging van verblijf te nemen;”; 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het middel herhaalt zoals uiteengezet in haar inleidend verzoekschrift; 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe zij “de algemene rechtsbeginselen waarvan de algemene beginselen van publiekrecht en administratief recht deel uitmaken en die de beginselen van behoorlijk bestuur omvatten” geschonden acht; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn arrest stelt dat “verzoekster kan gevolgd worden waar zij aanvoert dat zij de nodige documenten heeft overgelegd aan de gemeente die krachtens de wet vereist zijn, zijnde een bewijs van identiteit, bewijs van bloed- of aanverwantschap met de onderdaan van een lidstaat van de E.E.R. of de Belgische onderdaan met wie ze zich komt vestigen (...) en bewijs van identiteit XIV-30.813-10/15 van E.E.R. onderdaan of Belg”, dat “uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat zij een originele huwelijksakte heeft overgelegd, gelegaliseerd door het bevoegde consulaat, alsook van een gelegaliseerde vertaling”, dat “het feit dat een advies werd gevraagd aan het openbaar ministerie geen afbreuk (doet) aan de voorafgaande vaststelling” en dat “aldus verzoekster terecht (concludeert) dat dit document, behoudens wanneer ze het voorwerp zou uitmaken van het misdrijf ‘valsheid in geschrifte’, voldoende het bewijs levert van bloed- of aanverwantschap met de onderdaan van een lidstaat van de E.E.R., zijnde Nederland en dat de vestigingsaanvraag onterecht werd geweigerd op basis van artikel 44 van het KB van 8 oktober 1981”; dat aldus aan de in artikel 149 van de Grondwet vastgelegde motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat aangaande de schending van artikel 44 van het vreemdelingenbesluit de verzoekende partij stelt dat de voorwaarden voor de betekening van een bijlage 19 quinquies vermeld staan in het eerste lid van artikel 44, namelijk indien de vreemdeling niet het bewijs voorlegt aangaande de bloed- of aanverwantschap met de EG-vreemdeling of de Belgische onderdaan met wie ze zich komt vestigen, dat het gaat over een bewijs van hun niet-frauduleuze huwelijksband, dat in casu een geheel van overeenstemmende aanwijzingen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand een vermoeden van ernstige twijfel van fraude heeft teweeggebracht toen hij werd geconfronteerd met de huwelijksakte van verweerster en hij de overschrijving van het in het buitenland afgesloten huwelijk heeft geweigerd, dat de ambtenaar volledig volgens de wet heeft gehandeld aangezien dit handelen was gebaseerd op artikel 31, §2 WIPR, dat deze bepaling expressis verbis voorziet in hetgeen de ambtenaar van de burgerlijke stand dient te doen ingeval van ernstige twijfel, namelijk de akte overmaken voor advies aan het openbaar ministerie dat indien nodig, aanvullend onderzoek verricht, dat de wetgever een gerechtelijke procedure bij de rechtbank van eerste aanleg heeft voorzien die de rechten waarborgt van de eisers ingeval van weigering om over te gaan tot de inschrijving van de akten van de burgerlijke stand, dat het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toekwam om na te gaan of de ambtenaar van de burgerlijke stand een ernstige twijfel had of om na te gaan of er overeenstemmende aanwijzingen van bedrog waren, dat het arrest niet heeft gemotiveerd in welk opzicht er geen ernstige twijfel bestond of een geheel van overeenstemmende aanwijzingen van bedrog; dat artikel 44 van het vreemdelingenbesluit, zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van de oorspronkelijk bestreden beslissing, luidt als volgt: “§1 De vreemdelingen bedoeld in artikel 40, § §3 tot 6, van de wet, kunnen enkel genieten van de bepalingen voorzien in de artikelen 49, 50, 52, 54, 55bis en 61 op voorwaarde dat ze voorafgaandelijk het bewijs overleggen aangaande de bloed- of aanverwantschap met de E.G.-vreemdeling of de Belgische onderdaan met wie ze zich komt vestigen. §2.

§1

bedoelde vreemdelingen het vereiste bewijs niet overleggen, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde hen, al naargelang het geval, kennis van een XIV-30.813-11/15 beslissing tot onontvankelijkheid van de aanvraag tot vestiging, tot verblijf, tot inschrijving in het vreemdelingenregister of tot het bekomen van een document overeenkomstig het model van bijlage 22, door afgifte van een document overeenkomstig het model van de bijlage 19quinquies. (...)”; dat artikel 49 van het vreemdelingenbesluit, zoals het gold op het ogenblik van het oorspronkelijk bestreden besluit, luidt als volgt: “Art. 49 §

  1. De vreemdeling bedoeld in artikel 40, § 3, van de wet, die zich komt vestigen met een E.G.-vreemdeling bedoeld in artikel 45, wordt, voor zover hij voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 44, § 1, en na inzage van de documenten die vereist zijn voor de binnenkomst in het Rijk, ingeschreven in het vreemdelingenregister. Bij zijn inschrijving moet hij een aanvraag tot vestiging overeenkomstig het model van bijlage 19 indienen. Al naargelang hij de nationaliteit van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen bezit of niet, wordt hij in het bezit gesteld van een attest van immatriculatie, model B of model A, overeenkomstig bijlage 5 of 4, met de in § 2 of § 3 bedoelde geldigheidsduur. Indien het gemeentebestuur het attest van immatriculatie model A afgeeft, schrapt zij de woorden "van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid of", die voorkomen in het tweede lid van de tekst op zijde 1 van het hogervermeld document. §
  2. Indien de E.G.-vreemdeling met wie de vreemdeling zich komt vestigen, reeds in het bezit is van een verblijfskaart van onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen, ontvangt de vreemdeling een attest van immatriculatie geldig vijf maanden vanaf de datum van afgifte en moet hij zich ten vroegste een maand na de aanvraag tot vestiging en ten laatste voor de afloop van de geldigheidsduur van zijn attest van immatriculatie bij het gemeentebestuur aanbieden ten einde zich de beslissing aangaande de aanvraag tot vestiging te laten betekenen. Indien de Minister of zijn gemachtigde het recht op vestiging erkent, schrijft het gemeentebestuur de vreemdeling in het bevolkingsregister in en geeft het hem al naargelang de vreemdeling de nationaliteit van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen bezit of niet, de verblijfskaart van onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen af, of een identiteitskaart voor vreemdelingen. (Wanneer het gemeentebestuur zich in de onmogelijkheid bevindt om onmiddellijk over te gaan tot afgifte van de verblijfs- of identiteitskaart, dient het attest van immatriculatie te worden verlengd tot de afgifte van de verblijfs- of identiteitskaart.) Indien de Minister of zijn gemachtigde evenwel van oordeel is dat bijkomend onderzoek verricht moet worden met betrekking tot de geldigheid van de documenten aangaande de bloed- of aanverwantschap met de E.G.-vreemdeling of aangaande de vestiging van de vreemdeling met de E.G.-vreemdeling, brengt hij de vreemdeling daarvan op de hoogte, die dan in het bezit blijft van zijn attest van immatriculatie. Indien de vreemdeling zich overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid aanbiedt bij het gemeentebestuur om zich de beslissing aangaande de aanvraag tot vestiging te laten betekenen en er geen enkele onderrichting gegeven werd door de Minister of zijn gemachtigde, handelt het gemeentebestuur overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid. §
  3. Indien de E.G.-vreemdeling met wie de vreemdeling zich komt vestigen, nog niet in het bezit is van een verblijfskaart van onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen, zijn de bepalingen van artikel 45 van toepassing, met dien verstande dat de vreemdeling een attest van immatriculatie ontvangt met dezelfde geldigheidsduur als het attest van immatriculatie van de E.G.-vreemdeling met wie hij zich komt vestigen. Voor het overige zijn de bepalingen van § 2 van toepassing. XIV-30.813-12/15 Al naargelang de vreemdeling de nationaliteit van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen bezit of niet, wordt hij in het bezit gesteld van een verblijfskaart voor onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen of een identiteitskaart voor vreemdelingen op voorwaarde dat de E.G.-vreemdeling met wie de vreemdeling zich komt vestigen, zelf in het bezit gesteld is van een verblijfskaart voor een onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen. §
  4. De Minister of zijn gemachtigde weigert de vestiging indien de voorwaarden tot vestiging niet vervuld zijn. De vreemdeling wordt van deze beslissing kennisgegeven door de afgifte van een document overeenkomstig het model van de bijlage
  5. Verder zijn ook de bepalingen van artikel 45, § 7, van toepassing. §
  6. De totale kostprijs die de gemeente kan vorderen voor de afgifte van een attest van immatriculatie en de identiteitskaart voor vreemdelingen of de verblijfskaart van onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen mag niet meer bedragen dan de prijs die geheven wordt voor de afgifte van een identiteitskaart aan Belgische onderdanen. De verlenging van het attest van immatriculatie overeenkomstig artikel 45, § 1, vierde lid, § 4, derde lid, en § 6, tweede lid, geschiedt kosteloos.”; dat uit artikel 49 blijkt dat indien de vreemdeling het vereiste bewijs aangaande de bloed- of aanverwantschap overlegt, hij door het gemeentebestuur wordt ingeschreven in het vreemdelingenregister en hij een aanvraag tot vestiging moet indienen; dat de vreemdeling op dat ogenblik in het bezit wordt gesteld van een attest van immatriculatie geldig voor de duur van 5 maanden of voor dezelfde geldigheidsduur als het attest van immatriculatie van de E.G.-vreemdeling met wie hij zich komt vestigen; dat uit het tweede lid van §2 blijkt dat het de Minister of zijn gemachtigde is die beslist over de erkenning van het recht op vestiging; dat de omstandigheid dat de burgemeester of zijn gemachtigde de aanvraag tot vestiging ontvankelijk zou verklaard hebben, niet betekent dat de vreemdeling op definitieve wijze in België mag verblijven; dat in het kader van artikel 44 van het vreemdelingenbesluit de burgemeester enkel kan nagaan of de bewijzen inzake bloed- en aanverwantschap zijn neergelegd, ongeacht of deze met frauduleuze bedoelingen zijn bekomen; dat zijn bevoegdheid hiertoe is beperkt; dat, overeenkomstig artikel 49 §2, derde lid van het vreemdelingenbesluit het de Minister of zijn gemachtigde is die oordelen of er bijkomend onderzoek moet worden verricht met betrekking tot de geldigheid van de documenten aangaande de bloed- of aanverwantschap; dat, zoals verweerster aangeeft, de verzoekende partij er ten onrechte van uitgaat dat door de gemachtigde van de burgemeester een beslissing tot weigering van overschrijving van de huwelijksakte is genomen; dat de oorspronkelijk bestreden beslissing is genomen in het kader van artikel 44 van het vreemdelingenbesluit, waarbij de burgemeester of zijn gemachtigde zich enkel dient uit te spreken over de omstandigheid of er al dan niet een ontvankelijke vestigingsaanvraag is ingediend; dat deze beslissing geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand zoals bepaald in artikel 31 WIPR (“Een buitenlandse authentieke akte betreffende de burgerlijke stand kan slechts worden vermeld op de kant van een akte van de burgerlijke stand, worden overgeschreven in een register van de burgerlijke stand of als basis dienen voor de inschrijving in een bevolkingsregister, een vreemdelingenregister of een XIV-30.813-13/15 wachtregister, na onderzoek van de voorwaarden bedoeld in artikel 27, §
  7. De vermelding of overschrijving van een buitenlandse rechterlijke beslissing kan slechts plaatsvinden na onderzoek van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 25 en 25 en, naargelang van het geval, in de artikelen 39, 57 en
  8. Indien de bewaarder weigert over te gaan tot de vermelding of tot de overschrijving, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin het register wordt gehouden, overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 23.”) om te weigeren de huwelijksakte over te schrijven, zelfs indien de Minister intussen het recht op vestiging op basis van de huwelijksakte zou hebben erkend; dat uit artikel 27, §1 WIPR (“Een buitenlandse authentieke akte wordt in België door alle overheden erkend zonder dat beroep moet worden gedaan op enige procedure indien haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld overeenkomstig het krachtens deze wet toepasselijk recht, en meer bepaald met inachtneming van de artikelen 18 en 21”) volgt dat elke administratieve overheid die, bij de uitoefening van haar bevoegdheden, van oordeel is dat ingevolge artikel 27 van het WIPR - en in het bijzonder ingevolgde de artikelen 18 en 21 waar op grond van artikel 27 moet worden gelet- een akte niet rechtsgeldig is, de erkenning van deze vreemde akte kan weigeren, dat het uiteindelijk de rechtbank van eerste aanleg zal zijn die zich zal uitspreken over de geldigheid van de akte, overeenkomstig artikel 27, § 1, derde lid WIPR; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op correcte wijze heeft overwogen dat de vestigingsaanvraag onterecht werd onontvankelijk verklaard op basis van artikel 44 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.813-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.813-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.351 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.