← België

Arrest 202352 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.352 Rolnummer: A. 191027/XIV-30855 Zaak: Arrest 202352 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.352 van 25 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.352 van 25 maart 2010 in de zaak A. 191.027/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. BRIJS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 13 januari 2009 (griffie stempel) heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 20.146 van 9 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3962 van 2 februari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2010; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.855-1/13 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. BRIJS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Iraanse nationaliteit, komt samen met zijn ouders en zussen op 10 maart 2003 het Rijk binnen. 1.
  4. Op 9 april 2003 dient zijn moeder een asielaanvraag in. Zijn vader is inmiddels teruggekeerd naar Iran. 1.
  5. De asielaanvraag wordt op 24 april 2003 ontvankelijk verklaard. 1.
  6. Op 11 oktober 2004 weigert de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoekers moeder als vluchteling te erkennen. 1.
  7. Bij schrijven van 1 augustus 2005 dient verzoeker samen met zijn moeder een aanvraag in om “omwille van buitengewone omstandigheden, zoals vermeld in artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980” tot een verblijf in het Rijk gemachtigd te worden. 1.
  8. Op 22 augustus 2005 verwerpt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het beroep tegen de beslissing van 11 oktober 2004 van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Het cassatieberoep tegen de beslissing van 22 augustus 2005 wordt door de Raad van State bij arrest nr. 166.399 van 8 januari 2007 verworpen. XIV-30.855-2/13 1.
  9. De gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken willigt het verzoek om machtiging tot verblijf in en beslist op 5 december 2006 tot de afgifte van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister met een geldigheidsduur van één jaar. Tevens wordt beslist dat een verlenging van de machtiging tot verblijf slechts mogelijk is mits het voorleggen van een geldig nationaal paspoort, een geldige arbeidskaart, bewijzen van tewerkstelling en op voorwaarde dat verzoeker en zijn gezinsleden niet ten laste vallen van het OCMW. 1.
  10. De verblijfsmachtiging wordt op 21 november 2007 en op 11 juni 2008 telkens met drie maanden verlengd. 1.
  11. Op 26 augustus 2008 beslist de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten. Deze beslissing, die verzoeker op 12 september 2008 ter kennis wordt gebracht, is als volgt gemotiveerd: “(…) Art.13§3, 3e: De minster of zijn gemachtigde kan een bevel om het grondgebied te verlaten afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging van verblijf. Uit het administratief dossier van de betrokkene blijkt dat betrokkene samen met zijn ouders en zussen op basis van een visum type C naar België is gekomen in 2003 op familiebezoek. Zijn vader diende eerder terug te keren naar Iran, de rest van de familie bleef achter in België. Tijdens hun verblijf in België zou mijnheer in Iran zijn gearresteerd om politieke redenen. Om die reden diende de moeder van betrokkene een asielaanvraag in op 09/04/
  12. Hijzelf was op dit ogenblik minderjarig. De familie werd bij beslissing het CGVS op 13/10/04 en van de VBC op 22/08/05 niet erkend omdat de asielaanvraag ongeloofwaardig was. Op 01/08/2005 diende de betrokkene samen met haar moeder en zussen een regularisa- tieaanvraag om humanitaire reden in. Om de machtiging te bekomen werden volgende elementen ingeroepen: onmogelijke terugkeer naar Iran omdat zijn vader er gearresteerd was en de familie er gezocht werd, scolariteit en integratie. Op dit moment was betrokkene wel meerderjarig. Op 05/12/2006 werd hij samen met de rest van zijn familie in België gemachtigd tot een verblijf van beperkte duur op basis van artikel 9.3 van de wet van 15/12/1980 (gewijzigd naar artikel 9 bis bij wetswijziging van 15/09/2006) betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Op 05/06/07 vraagt zijn vader van wie de familie, volgens de regularisatieaanvraag, geen nieuws meer vernomen had sinds zijn terugkeer naar Iran in 2003, een visum type D (gezinshereniging) aan. Hiervoor legt hij een paspoort voor met nummer U8353798 afgeleverd op 09/05/2006 te Naja Passport office. Met dit paspoort had hij al twee Spaanse Schengenvisa gekregen, een met nummer E08609156 geldig van 22/08/2006 tot 08/10/2006 en een met nummer E09105435 geldig van 13/03/2007 tot 26/04/
  13. Het feit dat mijnheer een paspoort verkregen heeft in 2006 bewijst dat hij geen enkel probleem had met zijn autoriteiten. Op basis van de Spaanse visa is hij twee maal naar Europa gekomen via de luchthaven van Orly in Frankrijk. De eerste maal in 2006 toen XIV-30.855-3/13 de regularisatieaanvraag van betrokkene nog onbeslist was. De tweede maal in
  14. Betrokkene heeft op geen enkel ogenblik aan de Belgische autoriteiten melding gemaakt van het feit dat zijn vader in staat was om een paspoort te bekomen en naar Europa te reizen. De eerste reden waarop de regularisatie steunde was, zo die ooit bestaan heeft (wat de asielinstanties steeds betwijfeld hebben) in ieder geval onbestaande toen de regularisatieaanvraag nog onbeslist was. Zijn vader kon zich vrij bewegen in Iran en dus werd de familie er niet gezocht. Het kan niet aanvaard worden dat de betrokkene niet van de situatie van zijn vader op de hoogte was. De visumaan- vraag voor gezinshereniging van mijnheer bewijst immers dat de betrokkenen nog steeds een gezin vormen. Het is dus niet aannemelijk dat mijnheer zijn familie niet op de hoogte zou gebracht hebben van zijn situatie maar wel naar Europa zou gereisd zijn. Betrokkene heeft dus misleidende informatie gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het bekomen van de verblijfsmachtiging. Art7, 1, 2e Betrokkene verblijft langer in het Rijk dan toegelaten. Wettig verblijf verstreken (…).”. 1.
  15. Op 13 oktober 2008 vordert verzoeker bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van deze beslissing. 1.
  16. Dit beroep wordt door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behandeld op de openbare terechtzitting van 1december
  17. Op deze zitting worden de partijen gehoord in hun opmerkingen, waarna de zaak in beraad wordt genomen. 1.
  18. Op 9 december 2008 neemt de waarnemende voorzitter van de IIde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen: “
  19. Ontvankelijkheid van het beroep. Verweerder werpt in een exceptie op dat verzoeker geen belang heeft bij het ingestelde beroep tot schorsing van de tenuitvoerlegging en nietigverklaring van het hem betekende bevel om het grondgebied te verlaten. Verweerder stelt dat een eventuele nietigverklaring van het bestreden bevel geen wijzigingen met zich meebrengt ten aanzien van de illegale verblijfssituatie van verzoeker en dat hij na een eventuele nietigverklaring van het bestreden bevel verplicht is om een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten af te leveren aan verzoeker. De Raad merkt op dat de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten de rechtstoestand van verzoeker, in casu, beïnvloedt en dat verweerder niet aantoont op welke grond hij verplicht zou zijn om, na een eventuele vernietiging van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten, over te gaan tot het afleveren van een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten. In zoverre verweerder de rechtspraak van de Raad citeert inzake de toepassing van artikel 52/3 van de Vreemdelingenwet, in combinatie met artikel 75, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, moet worden opgemerkt dat de bestreden beslissing niet werd genomen in toepassing van deze bepalingen, doch wel op grond van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet. Uit artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet kan evenwel geen gebonden bevoegdheid afgeleid worden. De opgeworpen exceptie dient derhalve te worden verworpen. XIV-30.855-4/13
  20. Gegrondheid van het beroep. 3.
  21. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 9, derde lid, artikel 13, § 3, 3/, en artikel 62 van de Vreemdelingenwet; van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen (hierna: de wet van 29 juli 1991); van artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM); van het proportionaliteitsbeginsel; het redelijkheidsbeginsel en het vertrou- wensbeginsel. 3.1.
  22. In een eerste, tweede en derde onderdeel van het middel voert verzoeker de schending aan van de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit artikel 62 van de Vreemdelingenwet en uit de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli
  23. Er dient te worden gesteld dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de administratieve beslissingen met redenen worden omkleed en dat de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 voorzien dat de beslissingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat de motivering de juridische en de feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. Deze uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid deze heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Het begrip “afdoende”, zoals vervat in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991, impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. De Raad stelt vast dat de bestreden beslissing duidelijk het determinerende motief aangeeft op grond waarvan deze werd genomen en dat dit motief draagkrachtig is. Er wordt immers, met verwijzing naar artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet, gesteld dat een bevel om het grondgebied te verlaten wordt afgeleverd omdat verzoeker misleidende informatie heeft gebruikt die van doorslagge- vend belang is geweest voor het verkrijgen van een verblijfsmachtiging. Er wordt tevens toegelicht op welke gegevens het bestuur zich baseert om deze stelling te onderbouwen. Nu de feitelijke gegevens en de juridische grondslag van de bestreden beslissing duidelijk in de bestreden beslissing zijn opgenomen kan geen schending van de formele motiveringsplicht weerhouden worden. De formele motiveringsplicht heeft voorts niet tot gevolg dat in een beslissing “een balans moet opgemaakt worden” of dat dient geduid te worden dat een proportionaliteitsonderzoek werd doorgevoerd. 3.1.
  24. In de mate dat verzoeker inhoudelijke kritiek uit met betrekking tot de motivering en de correctheid van het motief dat de beslissing onderbouwt in vraag stelt, voert hij een schending aan van de materiële motiveringsplicht die moet onderzocht worden in het kader van de toepassing van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet bevoegd zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad is bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet onredelijk tot haar besluit is gekomen (RvS 7 december 2001, nr. 101.624). Verzoeker voert in eerste instantie aan dat niet blijkt dat de valse of misleidende informatie die hij zou verstrekt hebben doorslaggevend is geweest voor het bestuur bij het toekennen van de verblijfsmachtiging, op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. Uit het administratief dossier dat door verweerder werd neergelegd, blijkt dat verzoeker in zijn aanvraag om tot een verblijf gemachtigd te worden in eerste instantie verwees naar het risico dat hij in zijn thuisland zou lopen om onderworpen te worden aan onmenselijke of mensonwaardige behandelingen. Hij benadrukte de repressie in Iran, het risico op arbitraire arrestaties en buitengerechtelijke executies. Hij stelde dat het niet uit te sluiten was dat hij ook het slachtoffer zou worden van een dergelijke behandeling XIV-30.855-5/13 bijvoor-beeld om druk uit te oefenen op zijn vader, die hij omschreef als “een gearresteerd journalist met oppositiesympathieën.” Pas in tweede instantie verwees hij, op zeer bondige wijze, naar zijn integratie en sportieve resultaten. Gelet op de zwaarwichtigheid van de argumentatie met betrekking tot het risico dat verzoeker liep om het slachtoffer te worden van de repressie in Iran kan er in redelijkheid worden uitgegaan van het feit dat dit argument, en niet zijn integratie of sportieve prestaties, doorslaggevend was om aan verzoeker een verblijfsmachtiging toe te staan. Verzoeker betoogt dat de door hem aangevoerde problemen in Iran niet doorslaggevend kunnen geweest zijn om hem een verblijfsmachtiging toe te staan aangezien het bestuur hem toch verplichtte om contact op te nemen met de Iraanse autoriteiten teneinde een paspoort te verwerven. Daar verzoeker zijn paspoort kon aanvragen, zonder zich naar Iran te begeven en dus blijvend kon genieten van de bescherming van de Belgische overheden, kan deze bewering echter niet overtuigen. De Raad merkt verder op dat het bestuur, nadat een verblijfsmachtiging aan verzoeker werd toegestaan, vaststelde dat de vader van verzoeker op 9 mei 2006 door de Iraanse autoriteiten in het bezit gesteld werd van een paspoort en zonder enig probleem datzelfde jaar naar het Schengengrondgebied kon afreizen en vervolgens weer terugkeerde naar Iran. Het is derhalve niet kennelijk onredelijk dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid oordeelde dat de machtiging aan verzoeker werd toegestaan op basis van misleidende informatie. Verzoeker erkent in zijn verzoekschrift trouwens dat hij op de hoogte was van het verblijf van zijn vader in Europa. Zelfs indien de niet gestaafde bewering van verzoeker, dat zijn vader op het ogenblik van de machtigingsaanvraag effectief opgesloten was in Iran, correct is, dan nog is niet betwist dat verzoeker naliet het bestuur op de hoogte te brengen van de gewijzigde situatie. Verzoeker opteerde er daarentegen voor om zijn aanvraag, die grotendeels gebaseerd was op het risico dat hij zou gebruikt worden om druk uit te oefenen op zijn vader - gegeven dat minstens niet langer correct of actueel was - verder door het bestuur te laten behandelen. De loutere bewering van verzoeker dat hij niet te kwader trouw was en niet de intentie had om het bestuur te misleiden kan, mede gelet op de voorgaande vaststellingen, niet aanvaard worden. Verzoeker was bovendien meerderjarig op het ogenblik dat hij een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsmachtiging indiende, zodat hij niet kan gevolgd worden waar hij stelt dat hij gezien zijn minderjarigheid geen enkele verantwoordelijkheid droeg. Ook het feit dat verzoeker nog een verlenging van zijn verblijfsmachtiging kreeg en dat de Belgische autoriteiten zijn vader een visum toestonden, kan niet leiden tot de vaststelling dat artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet incorrect zou zijn toegepast. Het bestuur diende immers, vooraleer een beroep te kunnen doen op deze wetsbepaling, een aantal gegevens te onderzoeken en diende in afwachting van de resultaten van deze onderzoeksverrichtingen de verblijfssituatie van verzoeker en zijn vader te respecteren. Verzoeker voert nog aan dat artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet pas op 1 juni 2007, dus nadat hem een verblijfsmachtiging werd toegestaan, in voege is getreden. Het gegeven dat artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet pas op 1 juni 2007 in werking is getreden sluit evenwel niet uit dat deze wetsbepaling actueel toepasbaar is ten aanzien van vreemdelingen die voor deze datum een verblijfsmachtiging verwierven om voor beperkte tijd in het Rijk te verblijven. Een schending van de materiële motiveringsplicht of artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet wordt niet aannemelijk gemaakt. 3.1.
  25. Verzoeker voert de schending aan van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingen- wet, maar laat na toe te lichten op welke wijze de bestreden beslissing deze bepaling miskent, zodat dit onderdeel van het middel als onontvankelijk dient beschouwd te worden. 3.1.
  26. In zoverre verzoeker een schending inroept van het zorgvuldigheidsbeginsel moet worden gesteld dat dit beginsel de overheid de verplichting oplegt om haar beslissingen XIV-30.855-6/13 op zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Uit de gegevens van het dossier en uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid op basis van een correcte feitenvinding tot zijn conclusie is gekomen. Waar verzoeker verder een schending van de hoorplicht lijkt aan te voeren, nu hij stelt dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid nagelaten heeft om hem om een verklaring te vragen of om hem toe te laten nadere uitleg over bepaalde situaties te geven, dient erop te worden gewezen dat de bestreden beslissing is gegrond op een gegeven dat voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar is, met name de vaststelling dat verzoeker een verblijfsmachtiging verkregen heeft op basis van misleidende inlichtingen. Verzoeker diende derhalve niet vooraf in de gelegenheid te worden gesteld om zijn standpunt ter zake naar voor te brengen (RvS 22 maart 1996, nr. 58.737). Zoals reeds gesteld betwist verzoeker trouwens niet dat hij wist dat zijn vader niet langer opgesloten was en vrij kon reizen. Een schending, van de zorgvuldigheidsplicht, al dan niet samen met de hoorplicht, wordt niet aangetoond. 3.1.
  27. Een schending van het redelijkheidsbeginsel wordt evenmin aangetoond. De keuze die een bestuur maakt, schendt immers slechts het redelijkheidsbeginsel wanneer men op zicht van de opgegeven motieven zich tevergeefs afvraagt hoe het bestuur tot het maken van die keuze is kunnen komen. Met andere woorden, om het redelijkheids- beginsel geschonden te kunnen noemen, moet men voor een beslissing staan waarvan men ook na lectuur ervan ternauwernood kan geloven dat ze werkelijk genomen is. Het redelijkheidsbeginsel staat de rechter niet toe het oordeel van het bestuur over te doen, maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat doordat de door het bestuur geponeerde verhouding tussen de motieven en het dispositief volkomen ontbreekt (RvS 20 september 1999, nr. 82.301). De Raad stelt, in het kader van zijn opdracht van wettigheidstoetsing, vast dat de overheid in redelijkheid tot de door haar gedane vaststelling komt en er in het dossier geen gegevens voorhan- den zijn die onverenigbaar zijn met die vaststelling. 3.1.
  28. Het vertrouwensbeginsel kan worden omschreven als een van de beginselen van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan (RvS 6 februari 2001, nr. 93.104). Het vertrouwensbeginsel houdt in dat het bestuur bij een rechtsonderhorige gewekte rechtmatige verwachtingen zo mogelijk dient te honoreren (RvS 28 januari 2008, nr. 179.021). Het vertrouwensbe- ginsel sluit evenwel niet uit dat indien de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid opmerkt dat een eerdere beslissing gebaseerd is op door een vreemdeling verstrekte misleidende informatie, hij toepassing maakt van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet. 3.1.
  29. In een vierde onderdeel van het middel voert verzoeker de schending aan van artikel 8 van het EVRM. Artikel 8 van het EVRM omvat het recht op eerbiediging van privé- en gezinsleven en luidt als volgt: “Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democrati- sche samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Wat de eerste voorwaarde van artikel 8, tweede lid, van het EVRM betreft, wordt opgemerkt dat de “inmenging van het openbaar gezag” inderdaad bij de wet is voorzien, met name in de Vreemdelingenwet. Wat de tweede voorwaarde betreft, wordt vastgesteld dat deze inmenging in casu minstens één van de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM opgesomde doelen nastreeft: de handhaving van de verblijfsreglementering XIV-30.855-7/13 door de overheid is immers een middel ter vrijwaring van ‘s lands openbare orde. Inzake de derde voorwaarde geldt eveneens als uitgangspunt dat het volgens een vaststaand principe van internationaal recht aan de Verdragsluitende Staten toekomt de openbare orde te verzekeren door, meer in het bijzonder, de toegang en het verblijf van niet-onderdanen te regelen. Hierbij dient echter te worden nagegaan of bij het uitvaardigen van de bestreden beslissing een juist evenwicht werd geëerbiedigd tussen de belangen van verzoeker in het kader van de eerbied voor zijn privé- en gezinsleven enerzijds en de belangen van de Belgische staat in het kader van de bescherming van de openbare orde anderzijds. Het is echter niet disproportioneel om een einde te stellen aan een verblijfsrecht dat slechts werd verkregen ingevolge misleidende verklaringen. De bestreden beslissing voldoet verder aan het door verzoeker aangevoerde “pertinentie- criterium”. Teneinde te voorkomen dat een vreemdeling voordeel haalt uit een verblijfsmachtiging die hij verwierf op basis van misleidende informatie is de beslissing om een einde te stellen aan deze onrechtmatig verkregen verblijfsmachtiging door hem een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis te brengen immers zonder meer relevant om het beoogde doel - inbreuken op de verblijfswetgeving te bestrijden en de openbare orde te beschermen - te bereiken. Verzoeker verwijst verder nog naar het “subsidiariteitsbeginsel” en licht toe dat de overheid inbreuken op de rechten van de burgers zoveel mogelijk dient te minimalise- ren door oplossingen te vergelijken en vervolgens te trachten haar doelen te bereiken. De overheid dient evenwel steeds gebruik te maken van het bestaande juridische instrumentarium en verzoeker toont niet aan dat toepassing van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet in casu niet de meest gepaste maatregel is om de nagestreefde legitieme doelstelling te bereiken. De bestreden beslissing heeft, in tegenstelling tot een maatregel die zou gegrond worden op artikel 20 van de Vreemdelingenwet, immers niet tot gevolg dat verzoeker de toegang tot het Rijk op duurzame wijze zou ontzegd worden. Verzoeker heeft in het kader van een aanvraag om machtiging tot verblijf gebruik gemaakt van valse of misleidende informatie; daarom wordt hem geen verblijf toegestaan en dient hij het grondgebied te verlaten. In het licht van deze feitelijke en juridische situatie, en gelet op de ruime appreciatiebevoegdheid die artikel 8 van het EVRM biedt aan de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid, moet worden besloten dat zelfs indien er van een inmenging in zijn privéleven sprake zou zijn, deze in casu niet als onrechtmatig kan worden beschouwd. In de bestreden beslissing wordt op omstandige wijze uiteengezet waarom de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid tot zijn conclusie is gekomen; er is dan ook geen sprake van een “typeformulering” zoals verzoeker in het middel aanvoert. Verzoeker maakt enige schending van artikel 8 van het EVRM niet aannemelijk. Het enig middel is in al zijn onderdelen ongegrond. Verzoeker heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen. De vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, wordt derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen.”. XIV-30.855-8/13
  30. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  31. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet van 17 februari 1994 en 39/65 van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15/09/2006 tot wijziging van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van 13,§3, 3/ van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15/09/2006 tot wijziging van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 39/2 van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15/09/2006 tot wijziging van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat hij in het eerste onderdeel laat gelden dat artikel 13, § 3, 3/ van de vreemdeling- enwet duidelijk wel een afweging vereist vermits deze bepaling voorziet dat de misleiding of fraude “van doorslaggevend belang” moet zijn geweest voor het bekomen van de machtiging, dat dit manifest, in tegenstelling tot hetgeen het bestreden arrest poneert, op de noodzaak wijst in de motivering van een afweging van de verschillende elementen die aanvankelijk werden ingeroepen in de aanvraag om machtiging en op een motivering waarom de misleiding of de fraude “doorslaggevend” geweest is bij de eerdere toekenning van de machtiging; dat hij in het tweede onderdeel laat gelden dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen niet antwoordt op zijn argumentatie volgens welke op geen enkele wijze uit de motivering van de bestreden beslissing kan blijken hoe de gegevens aangebracht in het kader van de asielaanvraag en later doorslaggevend zijn geweest bij de toekenning van de machtiging tot verblijf daar waar hij verschillende motieven voor regularisatie heeft ingeroepen, dat het niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is om in een motivering a posteriori alsnog motieven te gaan toevoegen of te gaan gissen welke motieven hebben gespeeld bij de regularisatie (alinea 2 blad 5 van het arrest), dat het arrest geen wettigheidstoezicht doet maar het bestuur constant bijspringt door een motivering bij te voegen die de oorspronkelijk bestreden beslissing niet bevat; dat hij in het derde onderdeel laat gelden dat het bestreden arrest niet antwoordt op het onderdeel van het middel waarin hij stelde dat de gemachtigde van de minister het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door hem voor voldongen feiten te stellen zonder kans op enige verdediging of verklaring, dat de bestuurde mag verwachten bij dergelijke zware beslissing XIV-30.855-9/13 gehoord te kunnen worden of minstens dat met de nodige zorg tot een dergelijke beslissing zou worden gekomen; 2.
  32. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord stelt dat hij de Raad van State niet vraagt als een beroepsrechter zelf in de beoordeling van de zaak te treden, maar dat hij hem verzoekt vast te stellen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen niet louter heeft geantwoord op het opgeworpen middel omtrent de formele motiveringsplicht en zijn bevoegdheid heeft overschreden door zich zelf in de plaats te stellen van de administratieve overheid, dat hij helemaal niet vraagt dat de beginselen van behoorlijk bestuur zouden worden getoetst aan het bestreden arrest; dat hij aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nalaat te onderzoeken of de verwerende partij gehandeld heeft overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur en aldus niet heeft geantwoord op zijn middel; 2.3.1.
  33. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, de verzoekende partij de Raad van State in het eerste onderdeel niet vraagt om de feitelijke beoordeling van de zaak over te doen; dat zij immers de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen verwijt zijn arrest, wat de naleving door het bestuur van de formele motive- ringsplicht betreft, onwettig te hebben gemotiveerd, dat de exceptie van onont-vankelijkheid van het eerste onderdeel niet opgaat; 2.3.1.
  34. Overwegende dat luidens artikel 13, § 3, 3/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen de minister of zijn gemachtigde een bevel om het grondgebied te verlaten kan afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging van verblijf; dat zo de gebruikte valse of misleidende informatie gewis van doorslaggevend belang moet zijn geweest voor het bekomen van een verblijfsmachtiging, uit deze wetsbepaling evenwel niet volgt dat het bestuur in de motivering van zijn beslissing moet vermelden waarom deze valse of misleidende informatie doorslaggevend is geweest bij de eerdere toekenning van de verblijfsmachtiging; dat ook de uitdrukkelijke motiveringsplicht dit niet inhoudt; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat, wat de feitelijke overwegingen betreft, het derhalve volstaat dat -zoals in casu- XIV-30.855-10/13 duidelijk uit de beslissing kan worden afgeleid welke doorslaggevende valse of misleidende informatie destijds is gebruikt; dat uit de vaststelling dat de voor hem bestreden beslissing “duidelijk het determinerende motief aangeeft, op grond waarvan deze werd genomen. (...). Er wordt immers met verwijzing naar artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet gesteld dat een bevel om het grondgebied te verlaten wordt afgeleverd omdat verzoeker misleidende informatie heeft gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het verkrijgen van een verblijfsmachtiging. Er wordt tevens toegelicht op welke gegevens het bestuur zich baseert om deze stelling te onderbouwen” en dat “de feitelijke gegevens en de juridische grondslag van de bestreden beslissing duidelijk in de bestreden beslissing zijn opgenomen” de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wettig heeft kunnen afleiden dat “geen schending van de formele motiveringsplicht (kan) weerhouden worden”; dat, zoals terecht in het bestreden arrest wordt overwogen “heeft de formele motiveringsplicht niet tot gevolg dat in een beslissing “een balans (van de verschillende motieven die hebben gespeeld bij de toekenning van de verblijfsmachtiging) moet opgemaakt worden”; 2.3.2.
  35. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, de verzoekende partij de Raad van State in het tweede onderdeel niet vraagt om de feitelijke beoordeling van de zaak over te doen; dat zij in wezen aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, enerzijds, niet heeft geantwoord op bepaalde argumentatie en, anderzijds, door zelf motieven toe te voegen aan de bestreden beslissing zijn annulatiebe- voegdheid heeft overschreden; dat de exceptie van onontvankelijkheid van het tweede onderdeel niet opgaat; 2.3.2.
  36. Overwegende dat in zijn beroepsakte aan de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen verzoeker onder meer aanvoerde: “De bestreden beslissing manifest gebrekkig is gemotiveerd doordat zij op geen enkele wijzing in de motivering een balans opmaakt van de verschillende motieven die hebben gespeeld bij de regularisatiebeslissing en dus niet aantoont op welke wijze de beweerde (zie hierna) "valse of misleidende" informatie doorslaggevend is geweest voor haar eerdere beslissing. Er kan dus ook op geen enkele wijze blijken uit de motivering hoe de gegevens voorgebracht in het kader van de asielaanvraag, en nadien, doorslaggevend zijn geweest bij de toekenning van de machtiging tot verblijf daar waar verzoekers verschillende motieven voor regularisatie hebben ingeroepen en de asielprocedure 13 maanden was afgesloten op het moment van de beslissing omtrent de aanvraag”; dat in het bestreden arrest hierop terdege wordt geantwoord, met name waar wordt overwogen dat “de formele motiveringsplicht (...) niet tot gevolg (heeft) dat in een beslissing “een balans moet opgemaakt worden”.”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus duidelijk de argumentatie weerlegt van verzoeker in verband met het ontbreken in de XIV-30.855-11/13 motivering van de bestreden beslissing van een balans van de verschillende motieven die in de regularisatieaanvraag werden aangevoerd; dat uit het geheel van de motivering van deze beslissing genoegzaam blijkt dat de misleidende informatie in verband met het risico dat men liep om slachtoffer te worden van de repressie in Iran doorslaggevend is geweest om een verblijfsmachtiging toe te kennen; dat waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concludeert dat de argumentatie in verband met het gevaar in Iran in redelijkheid doorslaggevend is geweest om een verblijfsmachtiging toe te staan, hij in het kader van zijn onderzoek naar de naleving van de materiële motiveringsplicht slechts nagaat of het door het bestuur gehanteerd motief afdoende steun vindt in het administratief dossier; dat hij aldus geen eigen motieven a posteriori toevoegt en hij evenmin gaat gissen naar de precieze beweegredenen van het bestuur; dat er niet blijkt -en de verzoekende partij ook niet aantoont- dat de Raad zijn wettigheidstoezicht te buiten zou zijn gegaan; 2.3.3.
  37. Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, het in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, niet de bedoeling van verzoeker is het bestreden arrest aan de beginselen van behoorlijk bestuur te doen toetsen; dat hij in werkelijkheid aanvoert dat door het rechtscollege niet is geantwoord op zijn verweermiddel, afgeleid uit de schending van enkele beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel; dat de exceptie van onontvankelijkheid van het derde onderdeel niet opgaat; 2.3.3.
  38. Overwegende dat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeker onder meer liet gelden dat het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel werden geschonden doordat de verwerende partij de bestreden beslissing heeft genomen zonder enige kans op verdediging of verklaring zijnentwege; dat er niet kan worden bijgetreden dat op dit onderdeel van het middel niet zou zijn geantwoord; dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen er duidelijk op wijst dat de als geschonden opgegeven beginselen van behoorlijk bestuur vreemd zijn aan de opgeworpen grief en deze enkel in verband kan worden gebracht met de hoorplicht; dat één en ander ondubbelzinnig blijkt uit de omschrijving in het bestreden arrest van het redelijkheids- en van het vertrouwensbeginsel alsmede uit de overweging dat “verzoeker een schending van de hoorplicht lijkt aan te voeren nu hij stelt dat de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid nagelaten heeft om hem een verklaring te vragen om hem toe te laten nadere uitleg over bepaalde situaties te geven”; dat daarnaast wordt overwogen dat “de bestreden beslissing gegrond is op een gegeven dat voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar is, met name de vaststelling dat verzoeker een verblijfsmachtiging verkregen heeft op basis van misleidende inlichtingen” zodat hij “derhalve niet vooraf in de gelegenheid (diende) te worden gesteld XIV-30.855-12/13 om zijn standpunt ter zake naar voor te brengen”; dat het enig middel in zijn geheel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  39. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  40. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig maart tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.855-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.352 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.