id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.353 Rolnummer: A. 191036/XIV-30856 Zaak: Arrest 202353 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.353 van 25 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.353 van 25 maart 2010 in de zaak A. 191.036/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. BRIJS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 13 januari 2009 (griffie stempel) heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 20.100 van 9 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3961 van 2 februari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2010; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.856-1/20 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. BRIJS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Iraanse nationaliteit, komt samen met haar ouders, broer en zus op 10 maart 2003 het Rijk binnen. 1.
- Op 9 april 2003 dient verzoekster een asielaanvraag in. Haar vader was inmiddels teruggekeerd naar Iran. 1.
- De asielaanvraag wordt op 24 april 2003 ontvankelijk verklaard. 1.
- Op 11 oktober 2004 weigert de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoekster als vluchteling te erkennen. 1.
- Bij schrijven van 1 augustus 2005 dient het gezin een aanvraag in om “omwille van buitengewone omstandigheden, zoals vermeld in artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980” tot een verblijf in het Rijk gemachtigd te worden. 1.
- Op 22 augustus 2005 verwerpt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het beroep tegen de beslissing van 11 oktober 2004 van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Het cassatieberoep tegen de beslissing van 22 augustus 2005 wordt door de Raad van State bij arrest nr. 166.399 van 8 januari 2007 verworpen. 1.
- De gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken willigt het verzoek om machtiging tot verblijf in en beslist op 6 december 2006 tot de afgifte van een XIV-30.856-2/20 bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister met een geldigheidsduur van één jaar. Tevens wordt beslist dat een verlenging van de machtiging tot verblijf slechts mogelijk is mits het voorleggen van een geldig nationaal paspoort, een geldige arbeidskaart, bewijzen van tewerkstelling en op voorwaarde dat betrokkene niet ten laste valt van het OCMW. 1.
- De verblijfsmachtiging wordt op 21 november 2007 en op 11 juni 2008 telkens met drie maanden verlengd. 1.
- Op 26 augustus 2008 beslist de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten. Deze beslissing, die verzoekers op 1 september 2008 ter kennis wordt gebracht, is als volgt gemotiveerd: “Art13§3, 3/: De minister of zijn gemachtigde kan een bevel om het grondgebied te verlaten afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging van verblijf. Uit het administratief dossier van de betrokkene blijkt dat zij samen met haar ouders en broer en zus op basis van een visum type C naar België is gekomen in 2003 op familiebezoek. Haar vader diende eerder terug te keren naar Iran, de rest van de familie bleef achter in België. Tijdens hun verblijf in België zou mijnheer in Iran zijn gearresteerd om politieke redenen. Om die reden diende betrokkene samen met haar moeder, broer en zus een asielaanvraag in. Ze werd door het CGVS op 13/10/2004 en vervolgens door de VBC op 22/08/2005 niet erkend omdat de asielaanvraag ongeloof- waardig was. Op 01/08/2005 diende de betrokkene samen met haar moeder, broer en zus een regularisatieaanvraag om humanitaire reden in. Om de machtiging te bekomen werden volgende elementen ingeroepen: onmogelijke terugkeer naar Iran omdat haar vader er gearresteerd was en de familie er gezocht werd, haar hogere studies en integratie. Op 05/12/2006 werd zij samen met de rest van haar familie in België gemachtigd tot een verblijf van beperkte duur op basis van artikel 9.3 van de wet van 15/12/1980 (gewijzigd naar artikel 9 bis bij wetswijziging van 15/09/2006) betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Betrokkene was meerderjarig bij haar asiel- en regularisatieaanvraag. Op 05/06/2007 vraagt haar vader van wie de familie, volgens hun regularisatieaanvraag, geen nieuws meer vernomen had sinds zijn terugkeer naar Iran in 2003, een visum type D (gezinshereniging) aan. Hiervoor legt hij een paspoort voor met nummer U8353798 afgeleverd op 09/05/2006 te Naja Passport office. Met dit paspoort had hij al twee Spaanse Schengenvisa gekregen, een met nummer E08609156 geldig van 22/08/2006 tot 08/10/2006 en een met nummer E09105435 geldig van 13/03/2007 tot 26/04/
- Het feit dat mijnheer een paspoort verkregen heeft in 2006 bewijst dat hij geen enkel probleem had met zijn autoriteiten. Op basis van de Spaanse visa is hij twee maal naar Europa gekomen via de luchthaven van Orly in Frankrijk. De eerste maal in 2006 toen de regularisatieaanvraag van betrokkene nog onbeslist was. De tweede maal in
- Betrokkene heeft op geen enkel ogenblik aan de Belgische autoriteiten melding gemaakt van het feit dat haar vader in staat was om een paspoort te bekomen en naar Europa te reizen. De eerste reden waarop de regularisatie steunde was, zo die ooit bestaan heeft (wat de asielinstanties steeds betwijfeld hebben) in ieder geval XIV-30.856-3/20 onbestaande toen de regularisatieaanvraag nog onbeslist was. Haar vader kon zich vrij bewegen in Iran en dus werd de familie er niet gezocht. Het kan niet aanvaard worden dat de betrokkene niet van de situatie van haar vader op de hoogte was. De visumaan- vraag voor gezinshereniging van mijnheer bewijst immers dat de betrokkenen nog steeds een gezin vormen. Het is dus niet aannemelijk dat mijnheer zijn familie niet op de hoogte zou gebracht hebben van zijn situatie maar wel naar Europa zou gereisd zijn. Betrokkene heeft dus valse of misleidende informatie gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het bekomen van de verblijfsmachtiging. Art7,1, 2e Betrokkene verblijft langer in het Rijk dan toegelaten Wettig verblijf verstreken.”. 1.
- Op 1 oktober 2008 vordert verzoekster bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van deze beslissing. 1.
- Dit beroep wordt door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behandeld op de openbare terechtzitting van 2 december
- Op deze zitting worden de partijen gehoord in hun opmerkingen, waarna de zaak in beraad wordt genomen. 1.
- Op 9 december 2008 neemt de waarnemende voorzitter van de IIde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen: “
- Over de ontvankelijkheid Verwerende partij voert in de nota een exceptie aan van onontvankelijkheid wegens gebrek aan belang. Zij stelt dat een schorsing of vernietiging van het bevel niets afdoet aan de illegale verblijfstoestand van verzoekster. Er dient te worden opgemerkt dat de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten de rechtstoestand van verzoekster beïnvloedt en dat verwerende partij met haar betoog verzuimt aan te tonen op welke grond zij in dit geval verplicht zou zijn om, na een eventuele vernietiging van het thans bestreden bevel om het grondgebied te verlaten, over te gaan tot het afleveren van een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten.
- Onderzoek van het beroep 3.
- Verzoeker voert een enig middel aan dat als volgt luidt: “UITEENZETTING VAN DE MIDDELEN ENIG MIDDEL GENOMEN UIT DE GELIJKTIJDIGE SCHENDING VAN: -ARTIKEL 9.3 (oud artikel) EN 13§3 3/ VAN DE WET VAN 15/12/1980BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED, HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN ZOALS INGEVOEGD DOOR DE WET VAN 15/09/2006 TOT WIJZIGING VAN DE WET VAN 15/12/1980 BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED, HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELING- EN - SCHENDING VAN DE MOTIVERINGSPLICHT ZOALS VOORZIEN IN ARTIKEL 62 VAN DE WET VAN 15/12/1980 BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED, HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN EN DE ARTIKELEN 1, 2 EN 3 VAN DE WET VAN XIV-30.856-4/20 29 JULI 1991 MET BETREKKING TOT DE UITDRUKKELIJKE MOTIVERING VAN BESTUURSHANDELINGEN. - ARTIKEL 8 VAN HET EUROPEES VERDRAG VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN - SCHENDING VAN HET BEGINSEL VAN BEHOORLIJK BESTUUR HOUDEN- DE HET PROPORTIONALITEITSBEGINSEL, HET REDELIJKHEIDSBEGINSEL EN HET VERTROUWENSBEGINSEL DOORDAT, Artikel 13§3, 3/ van de voornoemde Vreemdelingenwet voorziet: §
- De minister of zijn gemachtigde kan in één van de volgende gevallen een bevel om het grondgebied te verlaten afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België : 3/ indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging tot verblijf. EN DOORDAT, De bestreden beslissing als volgt gemotiveerd is: "(...) Op 01/08/2005 diende de betrokkene samen met haar moeder, broer en zus een regularisatieaanvraag om humanitaire redenen in. Om de machtiging te bekomen werden de volgende elementen ingeroepen: onmogelijke terugkeer naar Iran omdat haar vader er gearresteerd was en de familie er gezocht werd, haar hogere studies en integratie. Op 05/12/2006 werd zij samen met de rest van haar familie in België gemachtigd tot een verblijf van beperkte duur op basis van artikel 9.3 van de wet van 15/12/1980 (gewijzigd naar artikel 9 bis bij wetswijziging van 15/09/2006) betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Betrokkene was meerderjarig bij haar asiel- en regularisatieaanvraag. Op 05/06/2007 vraagt haar vader van wie de familie, volgend hun regularisatieaan- vraag, geen nieuws meer vernomen had sinds zijn terugkeer naar Iran in 2003, een visum type D (gezinshereniging) aan. Hiervoor legt hij een paspoort voor met nummer U8353798 afgeleverd op 08/05/2006 te Naja Passport office. Met dit paspoort had hij al twee Spaanse Schengenvisa gekregen, een met nummer E08609156 geldig van 22/08/2006 tot 08/10/2006 en een met nummer E09105435 geldig van 13/03/2007 tot 26/04/
- Het feit dat mijnheer een paspoort verkregen heeft in 2006 bewijst dat hij geen enkel probleem had met zijn autoriteiten. Op basis van de Spaanse visa is hij twee maal naar Europa gekomen via de luchthaven van Orly in Frankrijk. De eerste maal in 2006 toen de regularisatieaanvraag van betrokkene nog onbeslist was. De tweede maal in
- Betrokkene heeft op geen enkel ogenblik aan de Belgische autoriteiten melding gemaakt van het feit dat haar vader in staat was om een paspoort te bekomen en naar Europa te reizen. De eerste reden waarop de regularisatieaanvraag steunde was , zo dit ooit bestaan heeft (wat de asielinstanties steeds betwijfeld hebben) in ieder geval onbestaande toen de regularisatieaanvraag nog onbeslist was. Haar vader kon zich vrij bewegen in Iran en dus werd de familie er niet gezocht. Het kan niet aanvaard worden dat de betrokken niet van de situatie van haar vader op de hoogte was. De visumaan- vraag voor gezinshereniging van mijnheer bewijst immers dat de betrokkenen nog steeds een gezin vormen. Het is dus niet aannemelijk dat mijnheer zijn familie niet op de hoogte zou gebracht hebben van zijn situatie maar wel naar Europa zou gereisd zijn. Betrokkene heeft dus valse of misleidende informatie gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het bekomen van de verblijfsmachtiging." TERWIJL, De artikelen waarvan de schending wordt aangevoerd voorzien dat: » Artikel 9,3 van de wet van 15 december 1980 stelt: "In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de Burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over XIV-30.856-5/20 aan (de Minister) of diens gemachtigde. In dit geval zal ze in België worden afgegeven " • Artikel 62 van de wet van 15/12/1980 stelt: "De administratieve beslissingen worden met redenen omkleed" • De vermelde wet van 29/07/1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen stelt: Artikel 2: "De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd." Artikel 3: "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn." Het principe van behoorlijk en zorgvuldig bestuur houdende oa de beginselen van redelijkheid - billijkheid, proportionaliteit, rechtmatig vertrouwen en voorzorg, houdt in dat de overheid zijn beslissing zorgvuldig dient voor te bereiden. De beslissing dient zich te baseren op informatie die correct werd verkregen. De overheid dient zich ervan voldoende te vergewissen en te informeren teneinde een beslissing te nemen met volle kennis ter zake. De overheid dient tot een beslissing te komen op basis van een volledig en adequaat onderzoek van het concreet geval in redelijkheid en in billijkheid. Artikel 8 E.V.R.M, stelt : "Eenieder heeft het recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de -wet is voorzien en in een democrati- sche samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen. " EN TERWIJL, Eerste onderdeel. De bestreden beslissing manifest gebrekkig is gemotiveerd doordat zij op geen enkele wijze in de motivering een balans opmaakt van de verschillende motieven die hebben gespeeld bij de regularisatiebeslissing en dus niet aantoont op welke wijze de beweerde (zie hierna) "valse of misleidende" informatie doorslaggevend is geweest voor haar eerdere beslissing. Er kan dus ook op geen enkele wijze blijken uit de motivering hoe de gegevens voorgebracht in het kader van de asielaanvraag en nadien doorslaggevend zijn geweest bij de toekenning van de machtiging tot verblijf daar waar verzoekers verschillende motieven voor regularisatie hebben ingeroepen en de asielprocedure 13 maanden was afgesloten op het moment van de beslissing omtrent de aanvraag. Immers indien op het ogenblik van de beslissing tot regularisatie van verblijf de asielaanvraag van verzoekster en haar familie reeds meer dan 13 maanden afgesloten was mag er dus worden vanuit gegaan dat dit element dan ook van minder belang is geweest bij de beslissing tot machtiging van verblijf en dat in alle redelijkheid deze machtiging is afgeleverd omwille van het lange legaal verblijf gedekt onder AI (meer dan 3 jaar) en conform de instructies van de toenmalig bevoegde Minister, met name families die een excellente integratie aantonen, en met schoolgaande kinderen te regulariseren, ... Dat bovendien de regularisatiebeslissing is geconditioneerd op het vervullen van de voorwaarde van tewerkstelling binnen de termijn van 12 maanden. Bovendien moest verzoekster en de familie betrokken een nationaal paspoort voorleggen om de aflevering van de verblijfstitel te bekomen. Dit laatste houdt een automatische contact name in met de autoriteiten door verzoekster en de hele familie en relativeert zeer sterk het ingeroepen motief of zijn doorslaggevend karakter. Dat verder de initiële beslissing niet zoals duizenden andere beslissingen negatief werd gemotiveerd op grond van het feit dat de asielaanvraag een einde heeft genomen en XIV-30.856-6/20 dezelfde motieven ingeroepen in de aanvraag machtiging op grond van artikel 9.3 VW, ingevolge redelijk constante rechtsspraak dan ook niet dienstig door de aanvrager kunnen worden ingeroepen. Dat dit dus inhoudt, a contrario, dat dit vermoedelijk niet erg doorslaggevend kan geweest zijn bij de eerdere beoordeling in
- Er is dus manifeste schending in de motiveringsplicht en een schending van artikel 13§3, 3/ in de mate geen enkele pertinente motivering wordt gegeven of wordt aangetoond in welke mate de vroegere arrestatie van de vader, -die bovendien wel reëel was-, bepalend of doorslaggevend was voor de aflevering van de machtiging op het moment van de beslissing, daar waar de asielaanvraag was afgewezen. Het is dan ook volstrekt ongeloofwaardig heden voor te houden in een op zijn zachtst gezegd zeer lapidaire motivering van welgeteld één lijn en een half dat er valse of misleidende informatie is verschaft die doorslaggevend was voor het afleveren van de machtiging tot verblijf. De bestreden beslissing komt tekort in de op haar rustende motiveringsplicht. Tweede onderdeel, Diezelfde motiveringsplicht is geschonden op andere punten. Verzoekster was inderdaad op de hoogte van haar vaders verblijf in Europa. Op het ogenblik echter van het indienen van de regularisatieaanvraag op 01/08/2005, was verzoekers vader effectief opgesloten in Iran. Op dat ogenblik had de familie nog steeds geen nieuws over hun vader. De vader is pas later in 2006 vrijgekomen waarbij hij ten aanzien van de autoriteiten zijn activiteiten heeft moeten afzweren. Verzoekster en haar familie waren dus zeker niet ter kwader trouw op het ogenblik dat ze een regularisatieaanvraag indienden. Zij menen dan ook niet dat zij misleidende of valse informatie hebben gegeven. Wat moet verstaan worden onder het begrippen 'valse of misleidende informatie' en op welke wijze dit dient te worden geïnterpreteerd is niet nader bepaald of omschreven in de VW. De voorbereidende werken van de Wetten van 15 september 2006 geven daaromtrent weinig houvast, zodat dient te worden gegrepen naar de gebruikelijke inhoud van dergelijke begrippen zoals die in het algemeen worden gehanteerd door de Wetgever. Het verstrekken van misleidende informatie of valse gegevens veronderstelt dan ook een intentie tot frauduleus gedrag/misleiding/gebruik van valse stukken of informatie wat in redelijkheid en proportionaliteit niet kan worden weerhouden op grond van de motivering die wordt gegeven in de bestreden beslissing. De bestreden beslissing geeft niet aan in welke mate de verstrekte informatie vals is of misleidend en hoe zij daardoor op doorslaggevende wijze door zou zijn misleid, nog minder of er al sprake is van enige intentie daartoe in hoofde van verzoekster. Het gebrek aan motivering dienaangaande is des te frappanter gelet op de houding van de verwerende partij zelf die intussen sinds juni 2007, moment van de aanvraag visum gezinshereniging door de vader van verzoekster erin bestond : -het verblijf van de gehele familie eerder te verlengen -toch een visum gezinshereniging type D af te leveren aan de vader Hoogstens kan aan verzoekster en haar familie verweten worden dat zij niet diligent zijn geweest deze bijkomende info te verstrekken in het kader van de aanvraag regularisatie, immers de asielaanvraag was reeds afgesloten sinds augustus
- Een nalatigheid is geen valsheid, staat niet gelijk met misleidende informatie verstrekken, geeft geen blijk van een frauduleuze intentie. Verzoekers hebben nooit willen verbergen dat intussen de situatie van de vader was gewijzigd in
- Ook hijzelf heeft vrijelijk gereisd en geen angstvallige geheimhouding daaromtrent aangehouden. Hij heeft ook geheel openlijk de aanvraag gezinshereniging aangevraagd, wat opnieuw een element is dat er op wijst dat verzoeksters vader en zij zelf helemaal geen frauduleuze intenties hebben gehad en evenmin het geheel van de familie. XIV-30.856-7/20 Ook de verwerende partij heeft er eerst zo over gedacht nu zij zelfs het visum D hebben afgeleverd ! De houding van de verwerende partij zelf die intussen sinds juni 2007, moment van de aanvraag visum gezinshereniging door de vader van verzoekster staat haaks op de huidige beslissing en de ernst die zij toedicht aan de aangehaalde gegevens : -het verblijf van de gehele familie eerder te verlengen -toch een visum gezinshereniging type D af te leveren aan de vader Verzoekster wijst er tenslotte op dat artikel 13§3, 3/ VW is bovendien pas later ingevoerd en dat verzoekster tijdens de aanvraag steeds ter beschikking is gebleven om alle bijkomende informatie te verstrekken en heeft dit meermaals aan de gemeente/DVZ laten weten, ook bij monde van haar toenmalige raadsman. Verzoekster wenst niet voor te houden dat zolang het niet "gesanctioneerd wordt" in de Wet haar nalatigheid maar moet aanvaard worden, verzoekster wenst hiermede te onderlijnen dat geen enkele wettekst eerder er haar op attent maakte een bijzondere achtzaamheid aan de dag te leggen en dus in die zin de "nalatigheid" dient gerelativeerd en in proportionaliteit afgewogen, wat de bestreden beslissing niet doet. Derde onderdeel, Om dezelfde redenen hierboven vermeld verwijt verzoekster ook een schending van de motiveringsplicht én het beginsel van behoorlijk bestuur doordat de bestreden beslissing niet aantoont met de nodige zorgvuldigheid, redelijkheid, billijkheid te hebben geageerd zoals het aan de overheid betaamt en dit op diverse vlakken : -Afweging ten aanzien van de andere elementen van het dossier : de andere elementen ingeroepen in regularisatie en die manifest blijkbaar veel meer hebben doorgewogen in de beslissing tot machtiging van verblijf -Afweging ten aanzien van de andere elementen van het dossier : Het gegeven dat verzoekster en haar familie reeds sinds 2003 op het Belgische grondgebied en zijn ten volle geïntegreerd in de Belgische samenleving en sinds 2006, moment van de regularisatie van verblijf, nog twee jaar meer alle banden met België versterkt hebben, haar integratie perfect is enz. en dus in het algemeen de huidige situatie van verzoekster die de Universitaire studies als bachelor in de Interieurarchitec- tuur heeft aangevangen en die jaar haar diploma moet halen (zie stuk 4). - afweging ten opzichte van haar eigen houding : -eerder het verblijf van de gehele familie toch te verlengen -toch een visum gezinshereniging type D af te leveren aan de vader De verwerende partij heeft niet eens de moeite heeft genomen minstens verzoekster en haar familie op te roepen voor een interview, een verklaring te vragen voor de vastgestelde nalatigheid, meer uitleg te vragen naar de exacte omstandigheden van de vrijlating van de vader, haar huidige situatie te kennen, etc om deze gegevens te kennen en met kennis van zake te oordelen en tot een beslissing te komen etc. De intrekking zonder meer van de verblijfsmachtiging van beperkte duur is dan ook in volledige discrepantie met de beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald het proportionaliteitsbeginsel en redelijkheidbeginsel en is niet genomen met de nodige zorgvuldigheid. -afweging van de getroffen sanctie : Deze is dermate zwaar dat deze niet in verhouding staat tot de te weerhouden nalatigheid. De overheid dient rekening te houden bij de totstandkoming van haar beslissingen met het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van openbaar bestuur dat inhoudt dat gerechtvaardige verwachtingen die door het bestuur bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, zo mogelijk moeten worden gehonoreerd, op gevaar af anders het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden. Als zodanig vormt het beginsel een tegenwicht voor de geringere voorspelbaarheid van het bestuursoptreden ten gevolge van de aan het bestuur toekomende beleidsvrijheid. ( M. VAN DAMME en A. WIRTGEN, "het rechtszekerheids - en vertrouwensbegin- XIV-30.856-8/20 sel", in I. OPDEBEEK en M. VAN DAMME (ed) in Administratieve rechtsbibliotheek, Beginselen van behoorlijk bestuur, 2006, Die Keure, p. 349 e.v. - De Raad van State omschrijft het vertrouwensbeginsel als " één der beginselen van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk de burger moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan " (zi o.m. R. v. St. Eeckhout, nr. 32.893 van 28 juni 1989; vzw Vlaams Centrum voor Levensvorming, nr. 129.541,22 maart 2004). De tegenpartij heeft in casu het vertrouwen van verzoekster geschonden door haar voor voldongen feiten te stellen zonder kans op enige verdediging of verklaring. Zij had minstens verwacht bij dergelijke zware beslissing gehoord te kunnen worden of dat minstens met de nodige zorg tot een dergelijke beslissing zou worden gekomen, quod non. Verzoekster meent dat dit des te meer het geval is nu het gaat om een intrekkingsbeslis- sing van een eerder positieve beslissing tot machtiging en de overheid in dergelijke gevallen met bijzonder omzichtigheid dient te werk te gaan zonder het vertrouwen van de burger te beschamen. Het is duidelijk dat dit hier niet is gebeurd. Vierde onderdeel, Om dezelfde redenen als vermeld in de tweede en derde branche, meent verzoekster dat de beslissing een inbreuk uitmaakt op artikel 8 EVRM; Overeenkomstig artikel 8 eerste lid E.V.R.M. "heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. " Het tweede lid voorziet: "Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen. " Artikel 8 EVRM heeft directe werking in het Belgisch nationaal recht en de beslissing dient in overeenstemming te zijn met deze hogere rechtsnorm. De Belgische overheden zijn niet alleen gehouden passief enige schade toe te brengen aan de vrijheid van het individu om een normaal privé-leven of familieleven te leiden, eveneens dienen zij actief er voor te zorgen dat het aan het individu de facto mogelijk wordt gemaakt zijn gezinsleven en privéleven te leiden. Het recht op een privé-leven zoals voorzien in artikel 8 E.V.R.M. doet in hoofde van de Staat een middelenverbintenis ontstaan. De Staat ter zake dient zodanig te handelen dat betrokkenen een normaal privé-leven leven kunnen leiden en in het kader van dit familiaal en/of privé-leven duurzame en daadwerkelijke relaties kunnen opbouwen. (SUDRE, F., Droit international et européen des droits de l'homme, Presse Universitaire de France, Paris, 1999,258). Artikel 8 E.V.R.M. vermeldt in de tweede paragraaf een aantal uitzonderingen op de naleving van de rechten van lid
- Dat brengt met zich mee dat niet elke inbreuk ipso facto onwettelijk is. Wordt een inbreuk vastgesteld, dan dient deze getoetst te worden aan drie voorwaarden opgesomd in artikel 8, § 2 : de inbreuk moet voorzien zijn bij wet (legaliteitstoets), noodzakelijk zijn in een democratische samenleving (noodzakelijkheidstoets) en een legitiem doel nastreven (legitimiteitstoets). Wanneer een inbreuk voorligt, dient bij het onderzoek naar de verenigbaarheid met het Verdrag de vraag gesteld te worden of de inbreuk tot bescherming van één of meer van de in het tweede lid van artikel 8 E.V.R.M. opgesomde rechtsbelangen strekt. Naast deze "principes" doet het Hof een beroep op een aantal criteria, die toelaten uit te maken of zo'n daadwerkelijke maatschappelijke behoefte voorligt. Ten eerste is er het pertinentiecriterium. De maatregel moet relevant zijn om het beoogde doel te bereiken. XIV-30.856-9/20 Een tweede criterium is dat van de proportionaliteit. Hier is de essentiële vraag of er een redelijke verhouding bestaat tussen de aantasting van het recht enerzijds en de legitieme doelstelling die nagestreefd wordt anderzijds. Recentelijk schijnt het Hof een nieuw criterium te hebben geïntroduceerd, met name van de subsidiariteit. De overheid dient inbreuken op rechten van burgers zoveel mogelijk te minimaliseren door oplossingen te vergelijken en vervolgens te trachten haar doelen te bereiken "in the least onerous ways as regards human rights" (DE HERT, P., Artikel 8 Recht op privacy, in Handboek EVRM, Deel 2, volume 1, VANDE LANOTTE, J. En HAECK, Y. (ed.), Antwerpen, Intersentia, 2004, 719 en 720). De essentiële vraag is of er een redelijke verhouding bestaat tussen de aantasting van het recht enerzijds en de legitieme doelstelling die nagestreefd wordt anderzijds. In casu kan bezwaarlijk worden voorgehouden door de uiterst summiere "typeformule- ring" (poneren zonder meer zonder verdere motivering) dat de nodige "balans" is uitgevoerd in de zin van artikel 8 EVRM, in het licht van het geheel van de elementen die het dossier omvat maar die niet zijn in overweging genomen of zelfs niet onderzocht zoals hierboven betoogd. Er wordt immers vastgesteld dat op geen enkele wijze wordt afgewogen of de beslissing verantwoord is in het licht van de hierboven vermelde principes daar waar manifest de beslissing zeer direct ingrijpt op het privé-leven van verzoekster nu zij na meer dan 5 jaar zou dienen terug te keren naar Iran, haar scholing dient te beëindigen net voor het behalen van het diploma, de contacten in kennissen- en vriendenkring abrupt afgebroken ziet, etc.... De bestreden beslissing schendt dan ook manifest het recht op privé-leven gewaarborgd door artikel 8 EVRM. ZODAT, Het middel, alle onderdelen samengenomen, ernstig is (schorsing). Het middel, alle onderdein samengenomen, gegrond is (annulatie).” 3.
- In de nota repliceert verwerende partij dat het bevel werd genomen omdat verzoekster valse of misleidende informatie heeft verstrekt die van doorslaggevend belang was voor het bekomen van een machtiging tot verblijf. Verzoekster riep indertijd drie redenen in om de machtiging tot verblijf te bekomen: het feit dat zij onmogelijk kon terugkeren naar Iran omdat haar vader gearresteerd was en de familie gezocht werd, haar hogere studies en integratie. De machtiging werd toegekend, maar de verlenging ervan kon enkel gebeuren mits grondig onderzoek van de toestand van verzoekster. Uit de visumaanvraag van de vader van verzoekster van 5 juni 2007, bleek dat hij al eerder twee maal een Spaans Schengenvisum had verkregen. Hieruit leidde verwerende partij af dat de vader blijkbaar zonder problemen kon reizen en nog steeds contact had met zijn familie. Nochtans had verzoekster voorgehouden geen informatie te hebben over de toestand van de vader, terwijl dit één van de drie argumenten was om een verblijfsmachtiging te verkrijgen. Verzoekster heeft de Belgische autoriteiten niet correct geïnformeerd en argumenten gebruikt voor het verkrijgen van een verblijfs- machtiging die achterhaald waren. Verwerende partij verwijst daarom naar artikel 13, § 3 van de Vreemdelingenwet dat ondermeer verwijst naar valse of misleidende informatie die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging tot verblijf. Uit de stukken van het dossier blijkt ondubbelzinnig dat verzoekster informatie heeft achtergehouden, of minstens op basis van gedeeltelijk misleidende en onvolledige informatie een verblijfsmachtiging heeft verkregen. Verzoekster is niet eerlijk geweest omtrent de evolutie van haar toestand en die van haar vader op een ogenblik dat haar aanvraag nog in onderzoek was. De beslissing is op afdoende wijze gemotiveerd. Aan het doel van de formele motiveringsplicht is voldaan, nu verzoekster de motieven van de bestreden beslissing aanvecht en dus kent. Betreffende de materiële motiveringsplicht kan de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen zich niet in de plaats stellen van het bestuur. Betreffende de aangevoerde schending van artikel 8 van het EVRM repliceert verwerende partij dat de niet noodzakelijk definitieve verwijdering van verzoekster van het grondgebied geen verboden inmenging vormt in de uitoefening door verzoekster XIV-30.856-10/20 van haar recht op privé- en gezinsleven. Het Europees Hof voor de rechten van de mens neemt aan dat uit artikel 8 van het EVRM niet kan worden afgeleid dat een vreemdeling er een staat toe kan verplichten om hem op zijn grondgebied te gedogen. Het is verwerende partij toegestaan om wetsontduiking tegen te gaan en daartoe de nodige maatregelen te nemen. Artikel 8 van het EVRM stelt de vreemdeling niet vrij van het verkrijgen van de vereiste documenten om het Rijk binnen te komen en een tijdelijke verwijdering is niet in strijd met dit verdragsartikel. Als verzoekster zich in het bezit zal hebben gesteld van de nodige documenten, zal zij mogen terugkeren. 3.3.
- In een eerste, tweede en derde onderdeel voert verzoekster de schending aan van de motiveringsplicht. De uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen (hierna: Wet 29 juli 1991) heeft tot doel de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de bestreden bestuurshandeling heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Hetzelfde kan worden gesteld voor artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). De artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze. Het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. In de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de juridische grondslag, met name artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet en naar het feit dat verzoekster valse of misleidende informatie heeft gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het verkrijgen van een verblijfsmachtiging. Dienvolgens moet worden vastgesteld dat verzoekster niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht. Verzoekster uit tevens kritiek op de motieven van de bestreden beslissing en voert in feite de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht komt het niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna : de Raad) toe om zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de overheid. De Raad is in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is gekomen. 3.3.1.
- Verzoekster voert aan dat er geen enkele pertinente motivering wordt gegeven of wordt aangetoond in welke mate de vroegere arrestatie van de vader bepalend was voor de aflevering van de machtiging tot verblijf, daar waar de asielaanvraag die hierop was gebaseerd, werd afgewezen. Daarom kan, volgens verzoekster, het ontbreken van problemen van de vader in Iran niet leiden tot het stopzetten van de machtiging tot verblijf. Zoals uit de feitenuiteenzetting blijkt, bevindt de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoekster zich niet in het administratief dossier. Beslissingen waarbij de machtiging tot verblijf wordt toegestaan, worden niet gemotiveerd. Uit de stukken van het dossier (nota aan de directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken) blijkt dat de machtiging tot verblijf werd toegestaan om volgende redenen: “Onmogelijkheid terugkeer Humanitair element: hoge opleiding kinderen Integratie: sport kinderen” In de bestreden beslissing wordt verwezen naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die als elementen bevatte: “onmogelijke terugkeer naar Iran omdat haar vader er gearresteerd was en de familie er gezocht werd, haar hogere studies en integratie”. XIV-30.856-11/20 Aangezien bij een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van het toen geldende artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet eerst de ontvankelijkheid wordt nagegaan (de mogelijkheid om de aanvraag in het land van herkomst in te dienen) en daarna de gegrondheid (elementen van integratie), kan worden aangenomen dat de door verzoekster aangevoerde onmogelijkheid tot terugkeer naar Iran omdat haar vader daar gearresteerd was en de familie er gezocht werd, van doorslaggevend belang is geweest voor de Dienst Vreemdelingenzaken om de machtiging toe te staan De Dienst Vreemdelingenzaken is niet gebonden door het oordeel van de asielinstanties bij het onderzoek naar een aanvraag om machtiging tot verblijf. Verzoekster heeft er bovendien geen belang bij om aan te voeren dat, nu haar asielaanvraag werd geweigerd, de gemachtigde van de minister daarom de problemen van haar vader niet had mogen betrekken bij het onderzoek van haar aanvraag om machtiging tot verblijf. Blijkens de bestreden beslissing zou verzoekster deze problemen zelf hebben aangevoerd in de aanvraag, zodat er rekening mee kon worden gehouden. In de bestreden beslissing wordt het volgende overwogen: “Het feit dat mijnheer een paspoort verkregen heeft in 2006 bewijst dat hij geen enkel probleem had met zijn autoriteiten. Op basis van de Spaanse visa is hij twee maal naar Europa gekomen (…). De eerste maal in 2006 toen de regularisatieaanvraag van betrokkene nog onbeslist was. (…) Betrokkene heeft op geen enkel ogenblik aan de Belgische autoriteiten melding gemaakt van het feit dat haar vader in staat was om een paspoort te bekomen en naar Europa te reizen. De eerste reden waarop de regularisatie steunde was (…) in ieder geval onbestaande toen de regularisatieaanvraag nog onbeslist was. Haar vader kon zich vrij bewegen in Iran dus werd de familie er niet gezocht. (…) Betrokkene heeft dus valse of misleidende informatie gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het bekomen van de verblijfsmachtiging”. Hieruit blijkt dat de gemachtigde van de minister op afdoende wijze heeft gemotiveerd waarom aan verzoekster een bevel om het grondgebied te verlaten wordt gegeven nu zij valse of misleidende informatie heeft gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het verkrijgen van de verblijfsmachtiging. Verzoekster toont niet aan dat deze motivering kennelijk onredelijk is of steunt op onjuiste feitelijke gegevens. 3.3.1.2.Verzoekster erkent in het verzoekschrift dat zij op de hoogte was van haar vaders verblijf in Europa maar stelt dat hij op het moment van het indienen van de aanvraag, 1 augustus 2005, effectief nog steeds opgesloten was, zodat zij geen valse of misleidende informatie heeft verschaft. Zij voegt hieraan toe dat zij geen intentie had tot frauduleus gedrag. Bovendien is artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet pas later ingevoerd. Verzoekster ontkent niet dat zij op de hoogte was van haar vaders verblijf in Europa in
- De aanvraag om machtiging tot verblijf is ingewilligd op 6 december
- Verzoekster wist bijgevolg dat haar aanvraag, die vóór 6 december 2006 nog in behandeling was, en die volgens de bestreden beslissing en de gegevens van het dossier ondermeer steunde op de onmogelijkheid van terugkeer naar Iran wegens de arrestatie van haar vader, niet meer op correcte, actuele en met de waarheid strokende informatie steunde. Door het feit dat zij deze gewijzigde omstandigheid niet heeft meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken, is het niet kennelijk onredelijk dat de gemachtigde van de minister de informatie verstrekt in de aanvraag, minstens als misleidend heeft bestempeld. Het gegeven dat artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet pas op 1 juni 2007 in werking is getreden, sluit evenwel niet uit dat deze wetsbepaling toepasbaar is ten aanzien van vreemdelingen die voor deze datum een verblijfsmachtiging verwierven om voor beperkte tijd in het Rijk te verblijven. Er kan niet worden aangenomen dat verzoekster, toen zij in 2006 wist dat haar aanvraag niet meer op correcte informatie steunde, de overheid hiervan niet op de hoogte moest brengen omdat er nog geen wetsartikel bestond dat uitdrukkelijk stelde dat het gebruik van valse of misleidende informatie het verlies van de machtiging tot verblijf als gevolg kon hebben. Het beginsel fraus omnia corrumpit kon immers worden toegepast. XIV-30.856-12/20 De omstandigheid dat verzoekster nog een verlenging van haar verblijfsmachtiging kreeg en dat aan haar vader een visum door de Belgische autoriteiten werd toegestaan, kan niet leiden tot de vaststelling dat artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet niet correct zou zijn toegepast. Het bestuur diende immers, vooraleer een beroep te kunnen doen op deze wetsbepaling, een aantal gegevens te onderzoeken en diende in afwachting van de resultaten van deze onderzoeksverrichtingen de verblijfssituatie van verzoekster en haar vader te respecteren. Hieraan wordt toegevoegd dat verzoekster er geen belang bij heeft aan te voeren dat haar geen verlenging mocht worden toegestaan. De schending van de motiveringsplicht kan niet worden aangenomen. 3.3.1.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel legt aan de minister de verplichting op zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Uit de gegevens van het dossier en uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de gemachtigde van de minister op basis van een correcte feitenvinding tot zijn conclusie is gekomen. Waar verzoekster verder een schending van de hoorplicht lijkt aan te voeren, dient erop te worden gewezen dat de bestreden beslissing is gegrond op een gegeven dat voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar is, met name de vaststelling dat verzoekster een verblijfsmachtiging verkregen heeft op basis van misleidende inlichtingen. Verzoekster diende derhalve niet vooraf in de gelegenheid te worden gesteld om haar standpunt ter zake naar voor te brengen (RvS 22 maart 1996, nr. 58.737). Zoals reeds gesteld betwist verzoekster trouwens niet dat zij wist dat haar vader niet langer opgesloten was en vrij kon reizen. Verwerende partij beschikte over voldoende informatie op basis van de gegevens van het dossier. Verzoekster betwist de juistheid van deze informatie niet. De schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan niet worden aangenomen. De keuze die een bestuur in de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid maakt, schendt slechts het redelijkheidsbeginsel wanneer men op zicht van de opgegeven motieven zich tevergeefs afvraagt hoe het bestuur tot het maken van die keuze is kunnen komen. Met andere woorden, om het redelijkheidsbeginsel geschonden te kunnen noemen, moet men voor een beslissing staan waarvan men ook na lectuur ervan ternauwernood kan geloven dat ze werkelijk genomen is, wat in casu niet het geval is. Gelet op de omstandigheid dat het vaststaat dat verzoekster valse of misleidende informatie heeft gebruikt, minstens wist dat de door haar verschafte informatie niet meer correct en actueel was op het ogenblik dat haar aanvraag om machtiging tot verblijf nog in behandeling was, maakt verzoekster geen schending van het redelijk- heidsbeginsel aannemelijk of van het evenredigheidsbeginsel als toepassing hiervan. De gemachtigde van de minister heeft toepassing gemaakt van artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet en motiveert in de bestreden beslissing op omstandige wijze hoe hij hiertoe gekomen is. De Raad stelt, in het kader van zijn opdracht van wettigheids- toetsing, vast dat de overheid in redelijkheid tot de door haar gedane vaststelling komt en er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die onverenigbaar zijn met die vaststelling. De omstandigheid dat verzoekster niet werd gehoord, maakt evenmin een schending uit van het redelijkheidsbeginsel. Het vertrouwensbeginsel kan worden omschreven als een van de beginselen van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan (RvS 6 februari 2001, nr. 93.104). Het vertrouwensbeginsel houdt in dat door het bestuur bij een rechtsonderhorige gewekte rechtmatige verwachtingen zo mogelijk dienen te worden gehonoreerd (RvS 28 januari 2008, nr. 179.021). Aan verzoekster werd een machtiging tot verblijf toegekend en er werd haar twee maal een verlenging hiervan toegestaan. Verwerende partij heeft echter vastgesteld dat verzoekster valse of misleidende informatie had gebruikt die van doorslaggevend belang was om de verblijfsmachtiging te verkrijgen, zodat de machtiging werd stopgezet en aan verzoekster een bevel werd gegeven om het grondgebied te verlaten. Deze handelwijze houdt geen schending in van het vertrou- wensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel sluit niet uit dat indien de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid opmerkt dat een eerdere beslissing gebaseerd is XIV-30.856-13/20 op door verzoekster verstrekte misleidende informatie, hij toepassing maakt van artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet. Wat betreft de universitaire studies van verzoekster wordt opgemerkt dat zij op basis van de hiertoe voorziene specifieke procedure een aanvraag kan indienen. 3.3.
- In een vierde onderdeel voert verzoekster de schending aan van artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: EVRM). Artikel 8 van het EVRM luidt als volgt: “
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Wat de eerste voorwaarde van artikel 8, tweede lid van het EVRM betreft, wordt opgemerkt dat de “inmenging van het openbaar gezag” inderdaad bij de wet is voorzien, met name in de Vreemdelingenwet. Wat de tweede voorwaarde betreft, wordt vastgesteld dat deze inmenging in casu minstens één van de in artikel 8, tweede lid van het EVRM opgesomde doelen nastreeft: de handhaving van de verblijfsreglementering door de overheid is immers een middel ter vrijwaring van ‘s lands openbare orde. Inzake de derde voorwaarde geldt eveneens als uitgangspunt dat het volgens een vaststaand principe van internationaal recht aan de Verdragsluitende Staten toekomt de openbare orde te verzekeren door, meer in het bijzonder, de toegang en het verblijf van niet-onderdanen te regelen. Hierbij dient echter te worden nagegaan of bij het uitvaardigen van de bestreden beslissing een juist evenwicht werd geëerbiedigd tussen de belangen van verzoekster in het kader van de eerbied voor haar privé- en gezinsleven enerzijds en de belangen van de Belgische staat in het kader van de bescherming van de openbare orde anderzijds. Het is echter niet disproportioneel om een einde te stellen aan een verblijfsrecht dat slechts werd verkregen ingevolge misleidende verklaringen. De bestreden beslissing strekt er niet toe het privéleven van verzoekster te verhinderen of te bemoeilijken. De bestreden beslissing stelt vast dat verzoekster misleidende of valse informatie heeft gebruikt die van doorslaggevend belang was bij het verkrijgen van een verblijfsmachtiging. De beslissing houdt dienvolgens geen absoluut verbod in voor verzoekster om het Belgische grondgebied binnen te komen en er te verblijven. De bestreden beslissing heeft evenmin tot gevolg dat verzoekster van haar familie wordt gescheiden, uit de gegevens van het dossier blijkt dat inzake haar familie gelijkaardige beslissingen werden genomen. Verzoekster heeft de mogelijkheid om terug te keren nadat ze zich in het bezit heeft gesteld van de documenten die vereist zijn om tot binnenkomst in het Rijk te worden toegelaten. De bestreden beslissing voldoet verder aan het door verzoekster aangevoerde “pertinentiecriterium”. Teneinde te voorkomen dat verzoekster voordeel haalt uit een verblijfsmachtiging die ze verwierf op basis van misleidende informatie, is de beslissing om een einde te stellen aan deze onrechtmatig verkregen verblijfsmachtiging door haar een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis te brengen, immers zonder meer relevant om het beoogde doel -inbreuken op de verblijfswetgeving te bestrijden en de openbare orde te beschermen- te bereiken. Verzoekster verwijst verder nog naar het “subsidiariteitsbeginsel” en licht toe dat de overheid inbreuken op de rechten van de burgers zoveel mogelijk dient te minimalise- ren door oplossingen te vergelijken en vervolgens te trachten haar doelen te bereiken. De overheid dient evenwel steeds gebruik te maken van het bestaande juridische instrumentarium en verzoekster toont niet aan dat toepassing van artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet in casu niet de meest gepaste maatregel is om de nagestreefde XIV-30.856-14/20 legitieme doelstelling te bereiken. De bestreden beslissing heeft immers niet tot gevolg dat de toegang tot het Rijk op duurzame wijze aan verzoekster zou worden ontzegd. Verzoekster heeft in het kader van een aanvraag om machtiging tot verblijf gebruik gemaakt van valse of misleidende informatie, daarom wordt haar geen verdere verlenging van dit verblijf toegestaan en dient zij het grondgebied te verlaten. In het licht van deze feitelijke en juridische situatie, en gelet op de ruime appreciatiebevoegd- heid die artikel 8 van het EVRM biedt aan de gemachtige van de minister van Migratie- en asielbeleid, wordt besloten dat zelfs indien er van een inmenging in haar privéleven sprake zou zijn, deze in casu niet als onrechtmatig kan worden beschouwd. In de bestreden beslissing wordt op omstandige wijze uiteengezet waarom de gemachtigde van de minister tot deze conclusie is gekomen, er is geen sprake van een “typeformule- ring” zoals verzoekster in het middel aanvoert. Verzoekster maakt een schending van artikel 8 van het EVRM niet aannemelijk. Het enig middel is in al zijn onderdelen ongegrond.
- Uit het voorgaande blijkt dat de zaak slechts korte debatten heeft vereist. De verzoekende partij heeft geen middel aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, wordt derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel de schending aanvoert van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet van 17 februari 1994 en 39/65 van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15/09/2006 tot wijziging van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van 13, §3, 3/ van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15/09/2006 tot wijziging van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 39/2 van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15/09/2006 tot wijziging van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat zij in het eerste onderdeel laat gelden dat het bestreden arrest beweert dat niet duidelijk is gemaakt op welk punt de motivering haar niet in staat stelt de bestreden beslissing te begrijpen daar waar nochtans zeer duidelijk in het verzoekschrift is aangegeven dat ze de bestreden beslissing ten euvel duidt dat ze niet aantoont dat de misleidende informatie of fraude van doorslaggevend XIV-30.856-15/20 belang waren, dat artikel 13, § 3, 3/ van de vreemdelingenwet duidelijk wel een afweging vereist vermits deze bepaling voorziet dat de misleiding of fraude “van doorslaggevend belang” moet zijn geweest voor het bekomen van de machtiging, dat dit manifest, in tegenstelling tot hetgeen het bestreden arrest poneert, wijst op de noodzaak in de motivering van een afweging van de verschillende elementen die aanvankelijk werden ingeroepen in de aanvraag om machtiging en op een motivering waarom de misleiding of de fraude “doorslaggevend” geweest is bij de eerdere toekenning van de machtiging; dat zij in het tweede onderdeel laat gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet antwoordt op haar argumentatie volgens welke op geen enkele wijze uit de motivering van de bestreden beslissing kan blijken hoe de gegevens aangebracht in het kader van de asielaanvraag en later doorslaggevend zijn geweest bij de toekenning van de machtiging tot verblijf daar waar ze verschillende motieven voor regularisatie heeft ingeroepen, dat het niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is om in een motivering a posteriori alsnog motieven te gaan toevoegen of te gaan gissen welke motieven hebben gespeeld bij de regularisatie (voorlaatste alinea blad 9 arrest), dat het arrest geen wettigheidstoezicht doet maar het bestuur constant bijspringt door een motivering bij te voegen die de oorspronkelijk bestreden beslissing niet bevat; dat zij in het derde onderdeel laat gelden dat het bestreden arrest niet antwoordt op het onderdeel van het middel waarin ze stelde dat de gemachtigde van de minister het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door haar voor voldongen feiten te stellen zonder kans op enige verdediging of verklaring, dat de bestuurde mag verwachten bij dergelijke zware beslissing gehoord te kunnen worden of minstens dat met de nodige zorg tot een dergelijke beslissing zou worden gekomen; 2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord stelt dat ze de Raad van State niet vraagt als een beroepsrechter zelf in de beoordeling van de zaak te treden, maar dat ze hem verzoekt vast te stellen dat de Raad voor Vreemde-lingenbetwis- tingen niet louter heeft geantwoord op het opgeworpen middel omtrent de formele motiveringsplicht en zijn bevoegdheid heeft overschreden door zich zelf in de plaats te stellen van de administratieve overheid, dat ze helemaal niet vraagt dat de beginselen van behoorlijk bestuur zouden worden getoetst aan het bestreden arrest; dat ze aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nalaat te onderzoeken of de verwerende partij gehandeld heeft overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur en aldus niet heeft geantwoord op haar middel; 2.3.1.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, de verzoekende partij de Raad van State in het eerste onderdeel niet vraagt om de feitelijke beoordeling van de zaak over te doen; dat ze immers de Raad voor Vreemdelingen- XIV-30.856-16/20 betwistingen verwijt zijn arrest, wat de naleving door het bestuur van de formele motive- ringsplicht betreft, onwettig te hebben gemotiveerd; dat de exceptie van onontvankelijkheid van het eerste onderdeel niet opgaat; 2.3.1.
- Overwegende dat luidens artikel 13, § 3, 3/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen de minister of zijn gemachtigde een bevel om het grondgebied te verlaten kan afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging van verblijf; dat zo de gebruikte valse of misleidende informatie gewis van doorslaggevend belang moet zijn geweest voor het bekomen van een verblijfsmachtiging, uit deze wetsbepaling evenwel niet volgt dat het bestuur in de motivering van zijn beslissing moet vermelden waarom deze valse of misleidende informatie doorslaggevend is geweest bij de eerdere toekenning van de verblijfsmachtiging; dat ook de uitdrukkelijke motiveringsplicht dit niet inhoudt; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat, wat de feitelijke overwegingen betreft het derhalve volstaat dat -zoals in deze- duidelijk uit de beslissing kan worden afgeleid welke doorslaggevende valse of misleidende informatie destijds is gebruikt; dat uit de vaststelling dat in de motivering van de voor hem aangevochten beslissing “wordt verwezen naar de juridische grondslag (...) en naar het feit dat verzoekster valse of misleidende informatie heeft gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het verkrijgen van een verblijfsmachtiging” en dat “dienvolgens moet worden vastgesteld dat verzoekster niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht” de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wettig heeft kunnen afleiden dat de formele motiveringsplicht niet is geschonden; 2.3.2.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, de verzoekende partij de Raad van State in het tweede onderdeel niet vraagt om de feitelijke beoordeling van de zaak over te doen; dat zij in wezen aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, enerzijds, niet heeft geantwoord op bepaalde argumentatie en, anderzijds, door zelf motieven toe te voegen aan de bestreden beslissing zijn annulatiebe- XIV-30.856-17/20 voegdheid heeft overschreden; dat de exceptie van onontvankelijkheid van het tweede onderdeel niet opgaat; 2.3.2.
- Overwegende dat in haar beroepsakte aan de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen verzoekster onder meer aanvoerde : “De bestreden beslissing manifest gebrekkig is gemotiveerd doordat zij op geen enkele wijzing in de motivering een balans opmaakt van de verschillende motieven die hebben gespeeld bij de regularisatiebeslissing en dus niet aantoont op welke wijze de beweerde (zie hierna) "valse of misleidende" informatie doorslaggevend is geweest voor haar eerdere beslissing. Er kan dus ook op geen enkele wijze blijken uit de motivering hoe de gegevens voorgebracht in het kader van de asielaanvraag, en nadien, doorslaggevend zijn geweest bij de toekenning van de machtiging tot verblijf daar waar verzoekers verschillende motieven voor regularisatie hebben ingeroepen en de asielprocedure 13 maanden was afgesloten op het moment van de beslissing omtrent de aanvraag.”; dat uit de bespreking hierboven van het eerste onderdeel blijkt dat deze argumentatie juridische grondslag mist; dat indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop zou hebben geantwoord, hij het betreffend verweer dan ook zou hebben moeten verwerpen; dat het middel volgens welk het bestreden arrest in rechte niet voldoende is gemotiveerd, geen belang vertoont wanneer de beslissing op het betreffend punt wel degelijk in rechte verantwoord is; dat het niet beantwoorden van de door de verzoekende partij opgeworpen argumentatie de strekking van het bestreden arrest niet heeft kunnen beïnvloeden; dat de verzoekende partij er ten onrechte van uitgaat dat de initiële beslissing van 26 augustus 2008 geen motivering bevat over welk motief doorslaggevend geweest is voor de verblijfsmachti- ging; dat uit het geheel van de motivering van deze beslissing genoegzaam blijkt dat de misleidende informatie i.v.m. het risico dat men liep om slachtoffer te worden van de repressie in Iran doorslaggevend is geweest om een verblijfsmachtiging toe te kennen; dat waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanneemt “dat de door verzoekster aangevoerde onmogelijkheid tot terugkeer naar Iran (...) van doorslaggevend belang is geweest voor de Dienst Vreemdelingenzaken om de machtiging toe te staan”, hij in het kader van zijn onderzoek naar de naleving van de materiële motiveringsplicht slechts nagaat of het door het bestuur gehanteerd motief afdoende steun vindt in het administratief dossier; dat hij aldus geen eigen motieven a posteriori toevoegt en hij evenmin gaat gissen naar de precieze beweegredenen van het bestuur; dat niet blijkt -en de verzoekende partij ook niet aantoont- dat de Raad zijn wettigheidstoezicht te buiten zou zijn gegaan; 2.3.3.
- Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, het in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, niet de bedoeling van verzoekster is het bestreden arrest aan de beginselen van behoorlijk bestuur te doen toetsen; dat ze in XIV-30.856-18/20 werkelijkheid aanvoert dat door het rechtscollege niet is geantwoord op haar verweermiddel, afgeleid uit de schending van enkele beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel; dat de exceptie van onontvankelijkheid van het derde onderdeel niet opgaat; 2.3.3.
- Overwegende dat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekster onder meer liet gelden dat het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel werden geschonden doordat de verwerende partij de bestreden beslissing heeft genomen zonder enige kans op verdediging of verklaring harentwege; dat niet kan worden bijgetreden dat op dit onderdeel van het middel niet zou zijn geantwoord; dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen er duidelijk op wijst dat de als geschonden opgegeven beginselen van behoorlijk bestuur vreemd zijn aan de opgeworpen grief en deze enkel in verband kan worden gebracht met de hoorplicht; dat één en ander ondubbelzinnig blijkt uit de omschrijving in het bestreden arrest van het redelijkheids- en van het vertrouwensbeginsel alsmede uit de overweging dat “verzoekster een schending van de hoorplicht lijkt aan te voeren”; dat daarnaast wordt overwogen dat “de bestreden beslissing gegrond is op een gegeven dat voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar is, met name de vaststelling dat verzoekster een verblijfsmachtiging verkregen heeft op basis van misleidende inlichtingen” zodat ze “derhalve niet vooraf in de gelegenheid (diende) te worden gesteld om haar standpunt ter zake naar voor te brengen”; dat het enig middel in al zijn onderdelen niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.856-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig maart tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.856-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.