← België

Arrest 202354 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.354 Rolnummer: A. 191475/XIV-30969 Zaak: Arrest 202354 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.354 van 25 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.354 van 25 maart 2010 in de zaak A. 191.475/XIV-30.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. VAN STEENBERGHE, kantoor houdende te 9300 AALST, Binnenstraat 39 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Afghaanse nationaliteit, op 16 februari 2009 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 21.579 van 20 januari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4180 van 18 maart 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2010; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.969-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VAN STEENBERGHE, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché H. JONCKHEERE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De echtgenoten XXX en XXX, van Afghaanse nationaliteit, komen op 22 februari 2008 in het Rijk aan en vragen dezelfde dag asiel aan. 1.
  6. Op 26 juni 2008 beslist de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat ze niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet erkend kunnen worden en dat ze ook niet in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. 1.
  7. Verzoekers dienen op 14 juli 2008 tegen deze beslissingen een beroep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  8. Op 17 juli 2008 zendt de toegevoegd griffier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit verzoekschrift met volgende brief terug: “Als bijlage zend ik u het verzoekschrift terug dat u hebt ingediend op 14 juli
  9. Met toepassing van artikel 39/69, §1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan uw beroep niet op de rol geplaatst worden omdat de volgende stukken ontbreken: - een afschrift van de bestreden akte of van het stuk waarbij de handeling ter kennis is gebracht van de verzoekende partij. Ik vestig hierbij uw aandacht op de volgende artikels van het Pr RvV: - Art.3: Alle processtukken worden aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toegezonden bij een ter post aangetekende brief. - Art.10: De verzoekende partij regulariseert het verzoekschrift ten laatste de eerste werkdag na de ontvangst van de brief van de griffie. Het aldus, binnen de verleende termijn, aangevulde verzoekschrift wordt verondersteld ingediend te zijn op de datum van de eerste verzending. XIV-30.969-2/6 Mag ik u verzoeken het in kenmerk vermelde nummer te vermelden.”. 1.
  10. Met een aangetekende brief van 1 augustus 2008 regulariseren verzoekers hun beroep. 1.
  11. Op 19 augustus 2008 legt de Commissaris-generaal een nota met opmerkingen en het administratief dossier neer. 1.
  12. Met een beschikking van 18 december 2008 worden de partijen opgeroepen om op 7 januari 2009 voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te verschijnen. In deze beschikking wijst de voorzitter erop dat “het verzoekschrift kennelijk onontvankelijk voorkomt wegens laattijdigheid”. 1.
  13. Op de zitting van 7 januari 2009 worden de partijen gehoord, waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. 1.
  14. Op 20 januari 2009 neemt de voorzitter van de IVde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest waarbij het beroep van verzoekers wordt verworpen. Dit arrest rust op volgende redengeving: “De bestreden beslissingen werden verstuurd op 27 juni 2008 naar de gekozen woonplaats van verzoekers. Verzoekers dienden op 14 juli 2008 per aangetekende brief één enkel verzoekschrift in tegen beide beslissingen. Dit verzoekschrift was echter niet vergezeld met het, krachtens artikel 39/69, §1, derde lid van voormelde wet van 15 december 1980, vereiste afschrift van de beslissing inzake verzoekster XXX. Bij aangetekende brief met ontvangstbewijs, verzonden door de griffie van de Raad op 17 juli 2008, werden verzoekers verzocht hun verzoekschrift, overeenkomstig artikel 10 PR RvV, ten laatste de eerste werkdag na de ontvangst van de brief van de griffie te regulariseren. Uit de poststempel op het ontvangstbewijs blijkt dat verzoekers de aangetekende zending van de griffie ontvingen op 18 juli
  15. Verzoekers gingen slechts op 1 augustus 2008 in op het regularisatieverzoek. Artikel 10 PR RvV luidt als volgt: “Indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980, de zaak niet op de rol wordt geplaatst, dan noteert de griffie de ontvangst in een daartoe voorzien register en zendt de griffie het verzoekschrift met inbegrip van de eventuele bijlagen, ten laatste op de eerste werkdag volgend op de dag van ontvangst, terug aan de verzoekende partij. Hierbij wordt de reden van terugzending vermeld. De verzoekende partij regulariseert het verzoekschrift ten laatste de eerste werkdag na de ontvangst van de brief van de griffie. Het aldus, binnen de verleende termijn, aangevulde verzoekschrift wordt verondersteld te zijn ingediend op de datum van de eerste verzending.” De Raad stelt vast dat verzoekers in gebreke zijn gebleven hun verzoekschrift binnen de toegemeten fatale termijn te regulariseren. Het beroep is bijaldien onontvankelijk. XIV-30.969-3/6 Het feit dat de bestreden beslissing inzake verzoeker Walid WAHEDI bij het verzoekschrift gevoegd was doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Verzoekers hebben immers hun vordering in haar geheel op onvolledige wijze ingeleid waardoor de procedure zijn normaal verloop niet kon kennen.”.
  16. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  17. Overwegende dat de Raad van State in cassatiezaken uitspraak doet op basis van de samenvattende memorie, met andere woorden, van de argumentatie zoals deze door verzoekers in hun memorie van wederantwoord is samengevat; dat over een middel of een onderdeel van het middel dat niet (meer) in deze samenvatting is opgenomen geen uitspraak meer dient te worden gedaan; 2.1.
  18. Overwegende dat blijkens de memorie van wederantwoord verzoekers aanvoeren dat artikel 10 van het Procedurereglement RVV werd geschonden doordat de termijn waarover de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikt om het verzoek tot regularisatie te verzenden (één werkdag na de dag van ontvangst van het verzoekschrift) niet is nageleefd, dat het verzoekschrift dat op 14 juli 2008 werd verstuurd, op 15 juli 2008 werd ontvangen, hetgeen betekent dat 16 juli 2008 de eerstvolgende werkdag was en de griffie één dag te laat het verzoekschrift tot regularisatie verstuurde, dat door het te laat verzenden van het verzoekschrift tot regularisatie de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf een procedurefout heeft gemaakt, waardoor het beroep ten onrechte op die grond werd verworpen; 2.
  19. Overwegende dat artikel 39/69, § 1, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in een aantal gevallen voorziet waarin een bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingediend verzoekschrift niet op de rol wordt geplaatst; dat in de memorie van toelichting werd gesteld dat “dit impliceert dat deze zaken niet aanhangig zijn bij de Raad en dat zolang aan deze vereisten niet is voldaan, de beroepstermijn verder loopt. Het zal derhalve zaak zijn van de verzoekende vreemdeling om voor het einde van de beroepstermijn aan deze vereisten te voldoen, zoniet zal zijn beroep laattijdig zijn. (...). Zoals de Raad van State terecht opmerkt zal de verzoeker op de hoogte worden gebracht van het feit dat zijn verzoekschrift niet in aanmerking wordt genomen. De nadere modaliteiten ter zake worden geregeld in het procedurereglement (bv. terugsturen van het verzoekschrift; mededeling bij aangetekende brief ...)” (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, nr. 51-2479/001, blz. 130); dat de nadere regels volgens welke verzoekers op de hoogte worden gebracht van het feit dat hun verzoekschrift niet op de rol is geplaatst zijn opgenomen in artikel 10 van het XIV-30.969-4/6 koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat volgens deze bepaling de griffie ten laatste de eerstvolgende werkdag na de ontvangst van het verzoekschrift dat niet op de rol kan worden ingeschreven verzoekers hiervan moeten verwittigen; dat deze vervolgens over één werkdag, te rekenen vanaf de ontvangst van het bericht van de griffie beschikt om de tekortkoming recht te zetten; dat het aldus binnen de verleende termijn aangevulde verzoekschrift wordt verondersteld te zijn ingediend op de datum van de eerste verzending; dat indien de beroepstermijn is verstreken en verzoekers nalieten de werkdag volgend op de dag van ontvangst van het bericht van de griffie hun fout te herstellen, het verzoekschrift niet meer op de rol kan geplaatst worden; dat blijkens het rechtsplegingsdossier het verzoekschrift van 14 juli 2008 al de volgende dag, met andere woorden, op dinsdag 15 juli 2008, op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd ontvangen; dat de terugzending van het verzoekschrift door de griffie op donderdag 17 juli 2008 dan ook één dag te laat is gebeurd; dat uit niets blijkt dat de opstellers van het procedurereglement gewild hebben dat er gevolgen verbonden zijn aan de overschrijding door de griffie van de termijn voor terugzending van het verzoekschrift; dat door deze overschrijding de onregelmatigheid waarmee het verzoekschrift is behept geenszins wordt rechtgezet; dat dit alleen door een regularisatie door verzoekers zelf kan; dat één van de hoofdbekommernissen van de wetgever bij de recente hervorming van het vreemdelingencontentieux de snelle behandeling van de aanvragen en beroepen was; dat door een termijn van terugzending in het procedurereglement op te nemen men geheel in de lijn van deze hervorming ook op dit punt de duur van de rechtspleging bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo beperkt mogelijk heeft willen houden; dat men aldus wou bekomen dat snel zekerheid zou ontstaan over het lot van de beroepen die niet op de rol worden geplaatst; dat door de overschrijding van de terugzendingstermijn verzoekers niet worden benadeeld; dat ook dan zij immers de mogelijkheid hebben hun verzoekschrift te regulariseren; dat bij tijdige regularisatie het verzoekschrift wordt verondersteld te zijn ingediend op de datum van eerste verzending; dat aldus de tijd wordt geneutraliseerd die de griffie daadwerkelijk nodig had om het verzoekschrift terug te zenden; dat, zoals de verwerende partij terecht stelt de termijn die aan de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in artikel 10 van het koninklijk besluit van 21december 2006 wordt gegeven om het verzoekschrift aan verzoekers terug te zenden een termijn van orde is; dat niet-naleving van deze termijn niet tot cassatie van het bestreden arrest kan leiden; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  20. XIV-30.969-5/6 Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig maart tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.969-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.