← België

Arrest 202355 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.355 Rolnummer: A. 191034/XIV-30857 Zaak: Arrest 202355 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.355 van 25 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.355 van 25 maart 2010 in de zaak A. 191.034/XIV-30.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. BRIJS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Iraanse nationaliteit, op 13 januari 2009 (griffiestempel) hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van het arrest nr. 20.144 van 9 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3960 van 2 februari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2010; XIV-30.857-1/13 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. BRIJS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX, van Iraanse nationaliteit, komt samen met haar echtgenoot en kinderen op 10 maart 2003 het Rijk binnen. 1.
  6. Op 9 april 2003 dient ze een asielaanvraag in. Haar echtgenoot was inmiddels teruggekeerd naar Iran. 1.
  7. De asielaanvraag wordt op 24 april 2003 ontvankelijk verklaard. 1.
  8. Op 11 oktober 2004 weigert de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen eerste verzoekster als vluchteling te erkennen. 1.
  9. Bij schrijven van 1 augustus 2005 dient eerste verzoekster samen met haar kinderen een aanvraag in om “omwille van buitengewone omstandigheden, zoals vermeld in artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980" tot een verblijf in het Rijk gemachtigd te worden. 1.
  10. Op 22 augustus 2005 verwerpt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het beroep tegen de beslissing van 11 oktober 2004 van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Het cassatieberoep tegen de beslissing van 22 augustus 2005 wordt door de Raad van State bij arrest nr. 166.399 van 8 januari 2007 verworpen. XIV-30.857-2/13 1.
  11. De gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken willigt het verzoek om machtiging tot verblijf in en beslist op 5 december 2006 tot de afgifte van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister met een geldigheidsduur van één jaar. Tevens wordt beslist dat een verlenging van de machtiging tot verblijf slechts mogelijk is mits het voorleggen van een geldig nationaal paspoort, een geldige arbeidskaart, bewijzen van tewerkstelling en op voorwaarde dat eerste verzoekster en haar gezinsleden niet ten laste vallen van het OCMW. 1.
  12. De verblijfsmachtiging wordt op 21 november 2007 en op 11 juni 2008 telkens met drie maanden verlengd. 1.
  13. Op 26 augustus 2008 beslist de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten. Deze beslissing, die verzoekers op 12 september 2008 ter kennis wordt gebracht, is als volgt gemotiveerd: “(…) Art13§3, 3/ De minster of zijn gemachtigde kan een bevel om het grondgebied te verlaten afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging van verblijf. Uit het administratief dossier van betrokkene blijkt dat de familie op basis van een visum type C naar België zijn gekomen in 2003 op familiebezoek. Mijnheer (P. M.) diende eerder terug te keren naar Iran, zijn vrouw en kinderen bleven achter in België. Tijdens hun verblijf hier zou mijnheer in Iran zijn gearresteerd om politieke redenen. Om die reden diende mevrouw samen met haar kinderen een asielaanvraag in op 09/04/
  14. De familie werd door het CGVS op 13/10/04 en vervolgens door de VBC op 22/08/05 niet erkend omdat de asielaanvraag ongeloofwaardig was. Op 01/08/2005 diende de vrouw voor zichzelf en haar kinderen de regularisatieaan- vraag. Om de machtiging te bekomen werden volgende elementen ingeroepen: onmogelijke terugkeer naar Iran omdat de echtgenoot er gearresteerd was en de familie er gezocht werd, opleiding en integratie van de kinderen. Op 05/12/2006 werd Mevrouw (S.) samen met haar kinderen gemachtigd tot een verblijf van beperkte duur op basis van artikel 9.3 van de wet van 15/12/1980 (gewijzigd naar artikel 9 bis bij wetswijziging van 15/09/2006) betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Op 05/06/07 vraagt de echtgenoot van wie de familie, volgens hun regularisatieaan- vraag, geen nieuws meer vernomen had sinds zijn terugkeer naar Iran in 2003, een visum type D (gezinshereniging). Hiervoor legt hij een Iraans paspoort voor met nummer U8353798 afgeleverd op 09/05/2006 te Naja Passport office. Met dit paspoort had hij eerder al twee Spaanse Schengenvisa gekregen, een met nummer E08609156 geldig van 22/08/2006 tot 08/10/2006 en een met nummer E09105435 geldig van 13/03/2007 tot 26/04/
  15. Het feit dat mijnheer een paspoort verkregen heeft in 2006 bewijst dat hij geen enkel probleem had met zijn autoriteiten. Op basis van de Spaanse visa is hij twee maal naar Europa gekomen via de luchthaven van Orly in Frankrijk. De eerste maal in 2006 toen de regularisatieaanvraag van mevrouw nog onbeslist was. De tweede maal in
  16. XIV-30.857-3/13 Mevrouw heeft op geen enkel ogenblik aan de Belgische autoriteiten melding gemaakt van het feit dat haar man in staat was om een paspoort te bekomen en naar Europa te reizen. De eerste reden waarop de regularisatie steunde was, zo ze ooit bestaan heeft (wat de asielinstanties steeds betwijfeld hebben), zeker onbestaande toen de regularisa- tieaanvraag nog onbeslist was. Haar echtgenoot kon zich vrij bewegen in Iran en dus werd de familie er niet gezocht. Het kan niet aanvaard worden dat mevrouw niet van de situatie van haar man op de hoogte was. De visumaanvraag voor gezinshereniging van mijnheer bewijst immers dat de betrokkenen nog steeds een gezin vormen. Het is dus niet aannemelijk dat mijnheer zijn familie niet op de hoogte zou gebracht hebben van zijn situatie maar wel naar Europa zou gereisd zijn. Daarenboven is mevrouw in maart 2007, kort na haar regularisatie en zelfs nog voor een verblijfstitel werd afgeleverd, teruggekeerd naar Iran. Dit blijkt uit informatie van de Belgische ambassade in Teheran. De visumbeambte herinnert zich dat mevrouw documenten heeft laten legaliseren en mijnheer heeft zelf ook tegenover onze ambassade bevestigd dat zijn vrouw met het Iraans nieuwjaar in maart 2007 naar Iran is teruggekeerd. Uit dergelijk gedrag blijkt dat mevrouw perfect naar Iran kon terugkeren en zij dus valse of misleidende informatie gebruikt heeft die van doorslaggevend belang was voor heb bekomen van de machtiging tot verblijf. Art 7.,1, 2/ betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn. Wettig verblijf verstreken (…)”. 1.
  17. Op 13 oktober 2008 vorderen verzoeksters bij de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van deze beslissing. 1.
  18. Dit beroep wordt door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behandeld op de openbare terechtzitting van 1december
  19. Op deze zitting worden de partijen gehoord in hun opmerkingen, waarna de zaak in beraad wordt genomen. 1.
  20. Op 9 december 2008 neemt de waarnemende voorzitter van de IIde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen: “
  21. Ontvankelijkheid van het beroep. Verweerder werpt in een exceptie op dat verzoekster geen belang heeft bij het ingestelde beroep tot schorsing van de tenuitvoerlegging en nietigverklaring van het haar betekende bevel om het grondgebied te verlaten. Verweerder stelt dat een eventuele nietigverklaring van het bestreden bevel geen wijzigingen met zich meebrengt ten aanzien van de illegale verblijfssituatie van verzoekster en dat hij na een eventuele nietigverklaring van het bestreden bevel verplicht is om een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten af te leveren aan verzoekster. De Raad merkt op dat de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten de rechtstoestand van verzoekster, in casu, beïnvloedt en dat verweerder niet aantoont op welke grond hij verplicht zou zijn om, na een eventuele vernietiging van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten, over te gaan tot het afleveren van een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten. In zoverre verweerder de rechtspraak van de Raad citeert inzake de toepassing van artikel 52/3 van de Vreemdelingenwet, in combinatie met artikel 75, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering XIV-30.857-4/13 van vreemdelingen, moet worden opgemerkt dat de bestreden beslissing niet werd genomen in toepassing van deze bepalingen, doch wel op grond van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet. Uit artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet kan evenwel geen gebonden bevoegdheid afgeleid worden. De opgeworpen exceptie dient derhalve te worden verworpen.
  22. Gegrondheid van het beroep. 3.
  23. In een enig middel voert verzoekster de schending aan van artikel 9, derde lid, artikel 13, § 3, 3/, en artikel 62 van de Vreemdelingenwet; van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991); van artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM); van het proportionaliteitsbeginsel; het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. 3.1.
  24. In een eerste, tweede en derde onderdeel van het middel voert verzoekster de schending aan van de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit artikel 62 van de Vreemdelingenwet en uit de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli
  25. Er dient te worden gesteld dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de administratieve beslissingen met redenen worden omkleed en dat de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 voorzien dat de beslissingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat de motivering de juridische en de feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. Deze uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid deze heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Het begrip “afdoende”, zoals vervat in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991, impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. De Raad stelt vast dat de bestreden beslissing duidelijk het determinerende motief aangeeft op grond waarvan deze werd genomen en dat dit motief draagkrachtig is. Er wordt immers, met verwijzing naar artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet, gesteld dat een bevel om het grondgebied te verlaten wordt afgeleverd omdat verzoekster misleidende informatie heeft gebruikt die van doorslagge- vend belang is geweest voor het verkrijgen van een verblijfsmachtiging. Er wordt tevens toegelicht op welke gegevens het bestuur zich baseert om deze stelling te onderbouwen. Nu de feitelijke gegevens en de juridische grondslag van de bestreden beslissing duidelijk in de bestreden beslissing zijn opgenomen kan geen schending van de formele motiveringsplicht weerhouden worden. De formele motiveringsplicht heeft voorts niet tot gevolg dat in een beslissing “een balans moet opgemaakt worden” of dat dient geduid te worden dat een proportionaliteitsonderzoek werd doorgevoerd. 3.1.
  26. In de mate dat verzoekster inhoudelijke kritiek uit met betrekking tot de motivering en de correctheid van het motief dat de beslissing onderbouwt in vraag stelt, voert zij een schending aan van de materiële motiveringsplicht die moet onderzocht worden in het kader van de toepassing van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingen- wet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet bevoegd zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad is bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet onredelijk tot haar besluit is gekomen (RvS 7 december 2001, nr. 101.624). Verzoekster voert in eerste instantie aan dat niet blijkt dat de valse of misleidende informatie die zij zou verstrekt hebben doorslaggevend is geweest voor het bestuur bij het toekennen van de verblijfsmachtiging, op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. XIV-30.857-5/13 Uit het administratief dossier dat door verweerder werd neergelegd, blijkt dat verzoekster in haar aanvraag om tot een verblijf gemachtigd te worden in eerste instantie verwees naar het risico dat zij in haar thuisland zou lopen om onderworpen te worden aan onmenselijke of mensonwaardige behandelingen. Zij benadrukte de repressie in Iran, het risico op arbitraire arrestaties en buitengerechtelijke executies. Zij stelde dat het niet uit te sluiten was dat zij en haar kinderen ook het slachtoffer zouden worden van een dergelijke behandeling, bijvoorbeeld om druk uit te oefenen op haar echtgenoot, die zij omschreef als “een gearresteerd journalist met oppositiesympathie- en.” Pas in tweede instantie verwees zij, op zeer bondige wijze, naar haar integratie. Gelet op de zwaarwichtigheid van de argumentatie met betrekking tot het risico dat verzoekster liep om het slachtoffer te worden van de repressie in Iran kan er in redelijkheid worden uitgegaan van het feit dat dit argument, en niet haar integratie, doorslaggevend was om aan verzoekster een verblijfsmachtiging toe te staan. Verzoekster betoogt dat de door haar aangevoerde problemen in Iran niet doorslagge- vend kunnen geweest zijn om haar een verblijfsmachtiging toe te staan aangezien het bestuur haar toch verplichtte om contact op te nemen met de Iraanse autoriteiten teneinde een paspoort te verwerven. Daar verzoekster haar paspoort kon aanvragen, zonder zich naar Iran te begeven en dus blijvend kon genieten van de bescherming van de Belgische overheden, kan deze bewering echter niet overtuigen. De Raad merkt verder op dat het bestuur, nadat een verblijfsmachtiging aan verzoekster werd toegestaan, vaststelde dat de echtgenoot van verzoekster op 9 mei 2006 door de Iraanse autoriteiten in het bezit gesteld werd van een paspoort en zonder enig probleem datzelfde jaar naar het Schengengrondgebied kon afreizen en vervolgens weer terugkeerde naar Iran. Het is derhalve niet kennelijk onredelijk dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid oordeelde dat de machtiging aan verzoeker werd toegestaan op basis van misleidende informatie. Verzoekster erkent in haar verzoekschrift trouwens dat zij op de hoogte was van het verblijf van haar echtgenoot in Europa. Zelfs indien de niet gestaafde bewering van verzoekster, dat haar echtgenoot op het ogenblik van de machtigingsaanvraag effectief opgesloten was in Iran, correct is, dan nog is niet betwist dat verzoekster naliet het bestuur op de hoogte te brengen van de gewijzigde situatie. Verzoekster opteerde er daarentegen voor om haar aanvraag, die grotendeels gebaseerd was op het risico dat zij en haar kinderen zouden gebruikt worden om druk uit te oefenen op haar echtgenoot - gegeven dat minstens niet langer correct of actueel was - verder door het bestuur te laten behandelen. De loutere bewering van verzoekster dat zij niet te kwader trouw was en niet de intentie had om het bestuur te misleiden kan, mede gelet op de voorgaande vaststellingen, niet aanvaard worden. Waar verzoekster nog stelt dat een dergelijke intentie in alle geval niet aan de orde is inzake haar minderjarige dochter volstaat het er op te wijzen dat de toenmalig minderjarige dochter een verblijfsrecht verkreeg in functie van de verklaringen van verzoekster en de verblijfssituatie van verzoekster volgde. Ook het feit dat verzoekster nog een verlenging van haar verblijfsmachtiging kreeg en dat de Belgische autoriteiten haar echtgenoot een visum toestonden, kan niet leiden tot de vaststelling dat artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet incorrect zou zijn toegepast. Het bestuur diende immers, vooraleer een beroep te kunnen doen op deze wetsbepaling, een aantal gegevens te onderzoeken en diende in afwachting van de resultaten van deze onderzoeksverrichtingen de verblijfssituatie van verzoekster en haar gezinsleden te respecteren. Verzoekster voert nog aan dat artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet pas op 1 juni 2007, dus nadat haar een verblijfsmachtiging werd toegestaan, in voege is getreden. Het gegeven dat artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet pas op 1 juni 2007 in werking is getreden, sluit evenwel niet uit dat deze wetsbepaling actueel toepasbaar is ten aanzien van vreemdelingen die voor deze datum een verblijfsmachti- ging verwierven om voor beperkte tijd in het Rijk te verblijven. Een schending van de materiële motiveringsplicht of van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet wordt niet aannemelijk gemaakt. XIV-30.857-6/13 3.1.
  27. Verzoekster voert de schending aan van artikel 9, derde lid, van de Vreemdeling- enwet, maar laat na toe te lichten op welke wijze de bestreden beslissing deze bepaling miskent, zodat dit onderdeel van het middel als onontvankelijk dient beschouwd te worden. 3.1.
  28. In zoverre verzoekster een schending inroept van het zorgvuldigheidsbeginsel moet worden gesteld dat dit beginsel de overheid de verplichting oplegt om haar beslissingen op zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Uit de gegevens van het dossier en uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid op basis van een correcte feitenvinding tot zijn conclusie is gekomen. Waar verzoekster verder een schending van de hoorplicht lijkt aan te voeren, nu zij stelt dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid nagelaten heeft om haar om een verklaring te vragen of om haar toe te laten nadere uitleg over bepaalde situaties te geven, dient erop te worden gewezen dat de bestreden beslissing is gegrond op een gegeven dat voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar is, met name de vaststelling dat verzoekster een verblijfsmachtiging verkregen heeft op basis van misleidende inlichtingen. Verzoekster diende derhalve niet vooraf in de gelegenheid te worden gesteld om haar standpunt ter zake naar voor te brengen (RvS 22 maart 1996, nr. 58.737). Zoals reeds gesteld, betwist verzoekster trouwens niet dat zij wist dat haar echtgenoot niet langer opgesloten was en vrij kon reizen. Een schending, van de zorgvuldigheidsplicht, al dan niet samen met de hoorplicht, wordt niet aangetoond. 3.1.
  29. Een schending van het redelijkheidsbeginsel wordt evenmin aangetoond. De keuze die een bestuur maakt, schendt immers slechts het redelijkheidsbeginsel wanneer men op zicht van de opgegeven motieven zich tevergeefs afvraagt hoe het bestuur tot het maken van die keuze is kunnen komen. Met andere woorden om het redelijkheids- beginsel geschonden te kunnen noemen, moet men voor een beslissing staan waarvan men ook na lectuur ervan ternauwernood kan geloven dat ze werkelijk genomen is. Het redelijkheidsbeginsel staat de rechter niet toe het oordeel van het bestuur over te doen, maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat doordat de door het bestuur geponeerde verhouding tussen de motieven en het dispositief volkomen ontbreekt (RvS 20 september 1999, nr. 82.301). De Raad stelt, in het kader van zijn opdracht van wettigheidstoetsing, vast dat de overheid in redelijkheid tot de door haar gedane vaststelling komt en er in het dossier geen gegevens voorhan- den zijn die onverenigbaar zijn met die vaststelling. 3.1.
  30. Het vertrouwensbeginsel kan worden omschreven als een van de beginselen van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan (RvS 6 februari 2001, nr. 93.104). Het vertrouwensbeginsel houdt in dat het bestuur bij een rechtsonderhorige gewekte rechtmatige verwachtingen zo mogelijk dient te honoreren (RvS 28 januari 2008, nr. 179.021). Het vertrouwensbe- ginsel sluit evenwel niet uit dat indien de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid opmerkt dat een eerdere beslissing gebaseerd is op door een vreemdeling verstrekte misleidende informatie, hij toepassing maakt van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet. 3.1.
  31. In een vierde onderdeel van het middel voert verzoekster de schending aan van artikel 8 van het EVRM. Artikel 8 van het EVRM omvat het recht op eerbiediging van privé- en gezinsleven en luidt als volgt: “Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democrati- sche samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare XIV-30.857-7/13 orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Wat de eerste voorwaarde van artikel 8, tweede lid, van het EVRM betreft, wordt opgemerkt dat de “inmenging van het openbaar gezag” inderdaad bij de wet is voorzien, met name in de Vreemdelingenwet. Wat de tweede voorwaarde betreft, wordt vastgesteld dat deze inmenging in casu minstens één van de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM opgesomde doelen nastreeft: de handhaving van de verblijfsreglementering door de overheid is immers een middel ter vrijwaring van ‘s lands openbare orde. Inzake de derde voorwaarde geldt eveneens als uitgangspunt dat het volgens een vaststaand principe van internationaal recht aan de Verdragsluitende Staten toekomt de openbare orde te verzekeren door, meer in het bijzonder, de toegang en het verblijf van niet-onderdanen te regelen. Hierbij dient echter te worden nagegaan of bij het uitvaardigen van de bestreden beslissing een juist evenwicht werd geëerbiedigd tussen de belangen van verzoekster in het kader van de eerbied voor haar privé- en gezinsleven enerzijds en de belangen van de Belgische staat in het kader van de bescherming van de openbare orde anderzijds. Het is echter niet disproportioneel om een einde te stellen aan een verblijfsrecht dat slechts werd verkregen ingevolge misleidende verklaringen. De bestreden beslissing voldoet verder aan het door verzoekster aangevoerde “pertinentiecriterium”. Teneinde te voorkomen dat een vreemdeling voordeel haalt uit een verblijfsmachtiging die hij verwierf op basis van misleidende informatie is de beslissing om een einde te stellen aan deze onrechtmatig verkregen verblijfsmachtiging door hem een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis te brengen immers zonder meer relevant om het beoogde doel - inbreuken op de verblijfswetgeving te bestrijden en de openbare orde te beschermen - te bereiken. Verzoekster verwijst verder nog naar het “subsidiariteitsbeginsel” en licht toe dat de overheid inbreuken op de rechten van de burgers zoveel mogelijk dient te minimalise- ren door oplossingen te vergelijken en vervolgens te trachten haar doelen te bereiken. De overheid dient evenwel steeds gebruik te maken van het bestaande juridische instrumentarium en verzoekster toont niet aan dat toepassing van artikel 13, § 3, 3/, van de Vreemdelingenwet in casu niet de meest gepaste maatregel is om de nagestreefde legitieme doelstelling te bereiken. De bestreden beslissing heeft, in tegenstelling tot een maatregel die zou gegrond worden op artikel 20 van de Vreemdelingenwet, immers niet tot gevolg dat verzoekster de toegang tot het Rijk op duurzame wijze zou ontzegd worden. Verzoekster heeft in het kader van een aanvraag om machtiging tot verblijf gebruik gemaakt van valse of misleidende informatie, daarom wordt haar geen verblijf toegestaan en dient zij, met haar gezinsleden, het grondgebied te verlaten. In het licht van deze feitelijke en juridische situatie, en gelet op de ruime appreciatiebevoegdheid die artikel 8 van het EVRM biedt aan de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid, moet worden besloten dat zelfs indien er van een inmenging in zijn privéleven sprake zou zijn, deze in casu niet als onrechtmatig kan worden beschouwd. In de bestreden beslissing wordt voorts op omstandige wijze uiteengezet waarom de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid tot zijn conclusie is gekomen; er is bijgevolg geen sprake van een “typeformulering” zoals verzoekster in het middel aanvoert. Verzoekster maakt enige schending van artikel 8 van het EVRM niet aannemelijk. Het enig middel is in al zijn onderdelen ongegrond. Verzoekster heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen. De vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, wordt derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen.”. XIV-30.857-8/13
  32. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  33. Overwegende dat verzoeksters als enig middel de schending aanvoeren van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet van 17 februari 1994 en 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 13, § 3, 3/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 39/2 van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals ingevoegd door de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat zij in het eerste onderdeel laten gelden dat artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet duidelijk wel een afweging vereist vermits deze bepaling voorziet dat de misleiding of fraude “van doorslaggevend belang” moet zijn geweest voor het bekomen van de machtiging, dat dit manifest, in tegenstelling tot hetgeen het bestreden arrest poneert, wijst op de noodzaak in de motivering van een afweging van de verschillende elementen die aanvankelijk werden ingeroepen in de aanvraag om machtiging en op een motivering waarom de misleiding of de fraude “doorslaggevend” geweest is bij de eerdere toekenning van de machtiging; dat zij in het tweede onderdeel laten gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet antwoordt op hun argumentatie volgens welke op geen enkele wijze uit de motivering van de bestreden beslissing kan blijken hoe de gegevens aangebracht in het kader van de asielaanvraag en later doorslaggevend zijn geweest bij de toekenning van de machtiging tot verblijf daar waar ze verschillende motieven voor regularisatie hebben ingeroepen, dat het niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is om in een motivering a posteriori alsnog motieven te gaan toevoegen of te gaan gissen welke motieven hebben gespeeld bij de regularisatie (alinea 2 blad 5 van het arrest), dat het arrest geen wettigheidstoezicht doet maar het bestuur constant bijspringt door een motivering bij te voegen die de oorspronkelijk bestreden beslissing niet bevat; dat zij in het derde onderdeel laten gelden dat het bestreden arrest niet antwoordt op het onderdeel van het middel waarin ze stelden dat de gemachtigde van de minister het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door hen voor voldongen feiten te stellen zonder kans op enige verdediging of verklaring, dat de XIV-30.857-9/13 bestuurde mag verwachten bij dergelijke zware beslissing gehoord te kunnen worden of minstens dat met de nodige zorg tot een dergelijke beslissing zou worden gekomen; 2.
  34. Overwegende dat verzoeksters in de memorie van wederantwoord stellen dat ze de Raad van State niet vragen als een beroepsrechter zelf in de beoordeling van de zaak te treden, maar dat ze hem verzoeken vast te stellen dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen niet louter heeft geantwoord op het opgeworpen middel omtrent de formele motiveringsplicht en zijn bevoegdheid heeft overschreden door zich zelf in de plaats te stellen van de administratieve overheid, dat ze helemaal niet vragen dat de beginselen van behoorlijk bestuur zouden worden getoetst aan het bestreden arrest; dat ze aanvoeren dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nalaat te onderzoeken of de verwerende partij gehandeld heeft overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur en aldus niet heeft geantwoord op hun middel; 2.3.1.
  35. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, de verzoekende partijen de Raad van State in het eerste onderdeel niet vragen om de feitelijke beoordeling van de zaak over te doen; dat ze immers de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen verwijten zijn arrest, wat de naleving door het bestuur van de formele motiveringsplicht betreft, onwettig te hebben gemotiveerd; dat de exceptie van onontvan- kelijkheid van het eerste onderdeel niet opgaat; 2.3.1.
  36. Overwegende dat luidens artikel 13, § 3, 3/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen de minister of zijn gemachtigde een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten kan afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging van verblijf; dat zo de gebruikte valse of misleidende informatie gewis van doorslaggevend belang moet zijn geweest voor het bekomen van een verblijfsmachtiging, uit deze wetsbepaling evenwel niet volgt dat het bestuur in de motivering van zijn beslissing moet vermelden waarom deze valse of misleidende informatie doorslaggevend is geweest bij de eerdere toekenning van de verblijfsmachtiging; dat ook de uitdrukkelijke motiverings- plicht dit niet inhoudt; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat, wat de feitelijke overwegingen betreft, het derhalve volstaat dat -zoals in deze- duidelijk uit de beslissing kan worden afgeleid welke doorslaggevende valse XIV-30.857-10/13 of misleidende informatie destijds is gebruikt; dat uit de vaststelling dat de voor hem bestreden beslissing “duidelijk het determinerende motief aangeeft, op grond waarvan deze werd genomen. (...). Er wordt immers met verwijzing naar artikel 13, § 3, 3/ van de Vreemdelingenwet gesteld dat een bevel om het grondgebied te verlaten wordt afgeleverd omdat verzoekster misleidende informatie heeft gebruikt die van doorslaggevend belang is geweest voor het verkrijgen van een verblijfsmachtiging. Er wordt tevens toegelicht op welke gegevens het bestuur zich baseert om deze stelling te onderbouwen” en dat “de feitelijke gegevens en de juridische grondslag van de bestreden beslissing duidelijk in de bestreden beslissing zijn opgenomen” de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wettig heeft kunnen afleiden dat “geen schending van de formele motiveringsplicht (kan) weerhouden worden”; dat zoals terecht in het bestreden arrest wordt overwogen “heeft de formele motiveringsplicht niet tot gevolg dat in een beslissing ‘een balans (van de verschillende motieven die hebben gespeeld bij de toekenning van de verblijfsmachtiging) moet opgemaakt worden’”; 2.3.2.
  37. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, de verzoekende partijen de Raad van State in het tweede onderdeel niet vragen om de feitelijke beoordeling van de zaak over te doen; dat zij in wezen aanvoeren dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, enerzijds, niet heeft geantwoord op bepaalde argumentatie en, anderzijds, door zelf motieven toe te voegen aan de bestreden beslissing zijn annulatiebe- voegdheid heeft overschreden; dat de exceptie van onontvankelijkheid van het tweede onderdeel niet opgaat; 2.3.2.
  38. Overwegende dat in hun beroepsakte aan de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen verzoeksters onder meer aanvoerden: “De bestreden beslissing manifest gebrekkig is gemotiveerd doordat zij op geen enkele wijzing (wijze) in de motivering een balans opmaakt van de verschillende motieven die hebben gespeeld bij de regularisatiebeslissing en dus niet aantoont op welke wijze de beweerde (zie hierna) "valse of misleidende" informatie doorslaggevend is geweest voor haar eerdere beslissing. Er kan dus ook op geen enkele wijze blijken uit de motivering hoe de gegevens voorgebracht in het kader van de asielaanvraag, en nadien, doorslaggevend zijn geweest bij de toekenning van de machtiging tot verblijf daar waar verzoekers verschillende motieven voor regularisatie hebben ingeroepen en de asielprocedure 13 maanden was afgesloten op het moment van de beslissing omtrent de aanvraag”; dat in het bestreden arrest hierop terdege wordt geantwoord, met name waar wordt overwogen dat “de formele motiveringsplicht (...)niet tot gevolg (heeft) dat in een beslissing ‘een balans moet opgemaakt worden’.”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus duidelijk de argumentatie weerlegt van verzoeksters in verband met het ontbreken in de XIV-30.857-11/13 motivering van de bestreden beslissing van een balans van de verschillende motieven die in de regularisatieaanvraag werden aangevoerd; dat zelfs indien door de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen niet zou zijn geantwoord op deze argumentatie, dit niet tot cassatie van het aangevochten arrest zou kunnen leiden; dat, aangezien de betreffende argumentatie juridische grondslag miste (cf. bespreking eerste onderdeel hiervoor), ze hoe dan ook immers diende te worden verworpen; dat de verzoekende partijen er ten onrechte van uitgaan dat de initiële beslissing van 26 augustus 2008 geen motivering bevat over welk motief doorslagge- vend geweest is voor de verblijfsmachtiging; dat uit het geheel van de motivering van deze beslissing genoegzaam blijkt dat de misleidende informatie in verband met het risico dat men liep om slachtoffer te worden van de repressie in Iran doorslaggevend is geweest om een verblijfsmachtiging toe te kennen; dat waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concludeert dat de argumentatie in verband met het gevaar in Iran in redelijkheid doorslaggevend is geweest om een verblijfsmachtiging toe te staan, hij in het kader van zijn onderzoek naar de naleving van de materiële motiveringsplicht slechts nagaat of het door het bestuur gehanteerd motief afdoende steun vindt in het administratief dossier; dat hij aldus geen eigen motieven a posteriori toevoegt en hij evenmin gaat gissen naar de precieze beweegredenen van het bestuur; dat niet blijkt -en de verzoekende partijen ook niet aantonen- dat de Raad zijn wettigheidstoezicht te buiten zou zijn gegaan; 2.3.3.
  39. Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, het in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij laat gelden, niet de bedoeling van verzoeksters is het bestreden arrest aan de beginselen van behoorlijk bestuur te doen toetsen; dat ze in werkelijkheid aanvoeren dat door het rechtscollege niet is geantwoord op hun verweermid- del, afgeleid uit de schending van enkele beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel; dat de exceptie van onontvankelijkheid van het derde onderdeel niet opgaat; 2.3.3.
  40. Overwegende dat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters onder meer lieten gelden dat het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel werden geschonden doordat de verwerende partij de bestreden beslissing heeft genomen zonder enige kans op verdediging of verklaring hunnentwege; dat er niet kan worden bijgetreden dat op dit onderdeel van het middel niet zou zijn geantwoord; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er duidelijk op wijst dat de als geschonden opgegeven beginselen van behoorlijk bestuur vreemd zijn aan de opgeworpen grief en deze enkel in verband kan worden gebracht met de hoorplicht; dat één en ander ondubbelzinnig blijkt uit de omschrijving in het bestreden arrest van het redelijkheids- en van het vertrouwensbeginsel alsmede uit de overweging dat “verzoekster een schending van de hoorplicht lijkt aan te XIV-30.857-12/13 voeren nu zij stelt dat de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid nagelaten heeft om haar een verklaring te vragen om haar toe te laten nadere uitleg over bepaalde situaties te geven”; dat daarnaast wordt overwogen dat “de bestreden beslissing gegrond is op een gegeven dat voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar is, met name de vaststelling dat verzoekster een verblijfsmachtiging verkregen heeft op basis van misleidende inlichtingen” zodat ze “derhalve niet vooraf in de gelegenheid (diende) te worden gesteld om haar standpunt ter zake naar voor te brengen”; dat het enig middel in zijn geheel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  41. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  42. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig maart tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.857-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.355 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.