← België

Arrest 202357 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.357 Rolnummer: A. 192069/XIV-30995 Zaak: Arrest 202357 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.357 van 25 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.357 van 25 maart 2010 in de zaak A. 192.069/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Afghaanse nationaliteit, op 3 april 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van het arrest nr. 23.870 van 26 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4402 van 4 mei 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2010; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.995-1/17 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. SOENEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché H. JONCKHEERE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX komt op 22 februari 2008 België binnen en vraagt op 26 februari 2008 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en/of om de subsidiaire beschermingsstatus. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 25 november 2008 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 29 december 2008 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Op de zitting van 20 februari 2009 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat M.-C. FRERE loco Advocaat B. SOENEN, gehoord. 1.
  7. Op 26 februari 2009 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest nr. 23.870, waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Dit arrest luidt als volgt: “WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
  8. De voornaamste gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat: 1.
  9. XXX, die verklaart van Afghaanse nationaliteit te zijn, is volgens zijn verklaringen het rijk binnengekomen op 22 februari 2008 en heeft zich vluchteling verklaard op 26 februari
  10. 1.
  11. Nadat een vragenlijst werd ingevuld en ondertekend, werd het dossier van verzoeker op 30 juni 2008 door de Dienst Vreemdelingenzaken overgedragen XIV-30.995-2/17 aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waar verzoeker werd gehoord op 29 september
  12. 1.
  13. Op 25 november 2008 nam de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. Deze beslissing werd op 12 december 2008 aangetekend verzonden en luidt als volgt: “A. Feitenrelaas U verklaarde de Afghaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit het dorp Ahengaran gelegen in het district Salang van de provincie Parwan. U bent een Tadjiek van etnische origine en bent een soenniet. U bent zeventien jaar oud en aldus nog minderjarig. In de tiende maand van 1372 (Gregoriaan- se kalender 1993/94), toen u twee jaar oud was, werd uw vader vermoord door (A.), een commandant van de partij Hezb-i Jamiat. Uw vader was lid van dezelfde partij, maar Attaulhaq nam het niet dat uw oom (F.), de broer van uw vader, lid was van de democratische partij. Uit wraak spoorde uw oom deze commandant op en schoot hem in de elfde maand van 1372 dood samen met zijn drie lijfwachten. De handlangers van (A.) hebben enkele weken nadien uw moeder thuis vermoord. Na de moord op uw ouders vluchtte uw oom met zijn gezin en uw broer en uzelf uit Afghanistan naar Iran. U woonde er in Teheran. U bezat nooit een verblijfsvergunning voor Iran en liep er geen school. Toen u vijftien jaar oud was kreeg u gedurende twee jaar privé-les van een Afghaanse onderwijzer. Vanaf uw zevende levensjaar verdiende u wat geld door op straat speelgoed te verkopen. In de loop van 1384

(2005)werd uw oudere broer (N.) door de Iraanse overheid gedeporteerd naar Afghanistan. Sindsdien heeft u geen nieuws meer van hem. In 1386
(2006)werd u door de Iraanse politie van straat geplukt omdat u illegaal in het land was. U werd vier à vijf dagen in een centrum opgesloten alvorens de grens te zijn overgezet te Herat in Afghanistan. U reisde per wagen vanuit Herat naar Salang, en verder naar Ahengaran waar uw familie nog een huis en gronden bezit. Aangekomen in de maand sambullah 1386 (augustus/september 2007) in uw geboortedorp verbleef u bij uw vriend (A.). De tweede nacht van uw verblijf aldaar werd er een handgranaat in uw slaapkamer gegooid. U raakte gewond aan uw linkerbeen. U vermoedt dat handlangers van (A.) het op u gemunt hadden. Uw vriend (A.) bracht u naar een hospitaal in Wazir Akbar Khan te Kabul, waar u vijfentwintig dagen werd verpleegd. Met de hulp van de dokters bekwam u een vals paspoort en reisde u per vliegtuig vanuit Kabul naar Iran. U verbleef bij uw oom. U besloot Iran te verlaten. Onder begelei- ding van een smokkelaar stak u de grens met Turkije over. U werd gedepor- teerd door de Turkse politie, maar stak opnieuw clandestien en te voet de grens met Turkije over langs de bergen. Omdat u moeilijk te been bent, liet de smokkelaar u achter in de bergen. Onderweg verloor u uw tas met daarin uw taskara, enkele documenten van het hopistaal waar u eerder werd behandeld, de telefoonnummers van uw oom alsook uw valse paspoort. De smokkelaar vond u terug en sloot u op toen u hem niet kon betalen. De vierde dag van uw opsluiting kon u ontsnappen. Per boot stak u een rivier over. Per vrachtwagen arriveerde u in België. U heeft geen contact meer met uw oom in Iran omdat u zijn telefoonnummer onderweg van Iran naar Turkije kwijtspeelde. U vreest dat ook uw oom werd gedeporteerd. U heeft evenwel nog telefonische contacten met uw vriend (A.) uit Ahengaran. In Afghanistan heeft u nog twee tantes langs moederszijde wonen, met wie u nooit contact hebt gehad vanuit Iran. U vroeg hier asiel aan op 26 februari 2008 en legde ter staving van uw asielaanvraag een kopie van een attest neer opgemaakt door dorpsoudsten dat bevestigt dat uw ouders overleden zijn. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u er niet in geslaagd bent het Commissariaat-generaal (CGVS) ervan te overtuigen dat er in uw hoofde XIV-30.995-3/17 sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève, art. 1, par. A, lid 2. U kan dan ook de hoedanigheid van vluchteling niet worden toegekend. Evenmin maakte u aannemelijk een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bedoeld in de definitie van subsidiaire bescherming te lopen. Dit omwille van volgende redenen. Er kan immers geen geloof gehecht worden aan uw verklaringen vanuit Iran te zijn gedeporteerd naar Afghanistan en recentelijk in uw beweerde geboorteregio te hebben verbleven. Gezien de kern van uw asielrelaas verbonden is aan uw recent verblijf in Ahengaran, met name dat u een aanslag op uw persoon overleefde door de vijanden van uw overleden vader, is ook deze allerminst geloofwaardig. U stelde vanuit Teheran naar Herat te zijn gedeporteerd en vervolgens naar Ahengaran, uw geboortedorp, te zijn gegaan. De beschrijving die u gaf aangaande uw deportatie is dermate vaag dat er geen geloof aan kan worden gehecht. U verklaarde dat u vanuit een uitwij- zingscentrum in Teheran naar de grens met Afghanistan werd gebracht. Hoewel u er vier of dagen werd opgesloten alvorens te zijn gedeporteerd en u vermoedde dat uw broer vanuit hetzelfde centrum naar Afghanistan werd gebracht, bleek u merkwaardig genoeg de naam van dit centrum of deze gevangenis zoals u het ook noemde, niet te weten. Dat u evenmin niet op de hoogte bent via welke grenspost u gedwongen werd Afghanistan binnen te gaan, maar slechts weet dat u in de Afghaanse provincie Herat arriveerde is weinig geloofwaardig voor iemand die daadwerkelijk een dergelijke ervaring heeft doorleefd. Dat u op de door het CGVS gestelde vraag of er tentenkam- pen zijn voor gedeporteerde Afghanen in Herat, u slechts antwoordde dat u er geen gezien heeft en niks meer kon vertellen, doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw beweerde deportatie. Hoewel u slechts kort in uw geboortedorp verbleef nadat u werd gedeporteerd, met name twee dagen, is het in de traditionele Afghaanse maatschappij desalniettemin bevreemdend te noemen dat u behalve (A.), uw vriend uit Iran en zijn familie, aan niemand anders werd voorgesteld in het dorp als verwanten of oude familiekennissen tijdens uw verblijf aldaar temeer u beweerde dat uw beide ouders uit Ahengaran afkomstig waren. In kader van de problematiek van 'displaced persons' waartoe ook u en uw oom behoren, is het hoogst eigenaardig dat u wanneer u terugkeert naar uw geboortedorp u niet de minste inlichtingen doet naar uw familie-eigendommen in Ahengaran, zijnde uw huis en gronden. Zo verklaarde u dat uw oom iemand had ingehuurd om de gronden te verzorgen, doch heeft u geen idee wie dat zou zijn. Evenmin weet u of het bezit van deze eigendommen werd geregistreerd door de Afghaanse overheid en kan u geen bewijs van deze eigendommen voorleggen op het CGVS. Wijzend op het grote economische belang van deze eigendommen voor uw overleven in Afghanistan in kader van uw terugkeer, is het moeilijk aan te nemen dat u amper hiervan op de hoogte bent. Voorts kon u geen concrete beschrijving geven van de situatie in Salang tijdens de periode dat u in Afghanistan verbleef. Uw verklaring dat u niet voldoende tijd had om daar iets over te vernemen omdat u slechts twee dagen in uw dorp Ahengaran verbleef zijn niet afdoende, gezien ook tijdens de duur van uw tocht van Herat naar Chaharikar evenals uw verblijf van twintig dagen in het hospitaal in Kabul u in de gelegenheid was zaken te vernemen over de toestand in Parwan, de provincie vanwaar u afkomstig zou zijn. U kon geen gegronde reden aanbrengen waarom u tijdens uw verblijf in het hospitaal waar u medische verzorging aan uw been ontving, u niet in staat zou hebben gesteld informatie van het personeel, bezoekers of andere patiënten op te vangen en te verwerken. Voorts kunnen er ernstige twijfels worden gemaakt bij uw bewering per vliegtuig vanuit de luchthaven van Kabul terug naar Iran te zijn gevlucht, waardoor de geloofwaardigheid van uw recent verblijf in Afghanistan verder ondermijnd wordt. U wist de naam niet van de XIV-30.995-4/17 luchthaven van waaruit u naar Iran ging, noch wist u kennelijk iets over de beveiliging op de luchthaven. U verklaarde slechts dat er Afghaanse politie aanwezig is. Dat u het antwoord schuldig bleef op de vraag van het CGVS of er buitenlandse troepen de beveiliging van de luchthaven verzorgen, is moeilijk te rijmen met uw bewering recent via de luchthaven van Kabul te hebben gereisd. Evenmin kon u enige documenten voorleggen die uw vliegtuigreis noch uw paspoort voorleggen ter ondersteuning van uw verklaring. Tevens in deze context, komt het opnieuw weinig doorleefd over dat u de naam van de dokter die uw reis vanuit Afghanistan per vliegtuig naar Iran regelde niet bleek te weten. U kon tevens niet de minste beschrijving geven van de route waarlangs u vanuit het hospitaal in Wazir Akbar Khan naar de luchthaven reisde. De beschrijving die u gaf van de Salang Tunnel, als zijnde 'geen echte tunnel maar een brug over de weg waar je onder moet rijden', is een merkwaardige uitspraak voor iemand afkomstig uit Salang. Immers uit informatie beschikbaar op het CGVS en waarvan een kopie aan het administratieve dossier werd toegevoegd, blijkt dat deze tunnel wel tweeëneenhalve kilometer lang is die doorheen het Hindu Kush gebergte loopt. Gezien bovenstaande observaties kan er geen geloof gehecht worden aan de door u ingeroepen asielmotieven. Immers, door het afleggen van ongeloof- waardige verklaringen inzake uw recent verblijf en recente afkomst uit Afghanistan stelt u het CGVS in de onmogelijkheid om een correct en duidelijk beeld te krijgen van uw profiel, uw verblijfplaats(
  1. en)van de voorbije jaren, uw eventuele verblijfsstatuut in derde landen of de redenen waarom u deze plaatsen heeft verlaten. Uit grondige en uitgebreide research en op basis van een analyse van de beschikbare en geraadpleegde gezaghebbende bronnen en literatuur door CEDOCA, blijkt dat er duidelijke regionale verschillen zijn in de veiligheids- situatie in Afghanistan (zie antwoorddocument afgh2008-057w, dd. 3 november 2008, dat toegevoegd is aan het administratief dossier). Het zwaartepunt van het gewapende conflict is nog steeds gesitueerd in het zuiden en het oosten van Afghanistan. Wel dient opgemerkt dat het gewapen- de conflict opschuift richting centrum en richting westen van het land. Er zijn berichten dat nu ook in sommige delen van het noorden, in het bijzonder in gedeelten van de provincies Badghis, Faryab, Baghlan en Kunduz de veiligheid door de uitbreidende “insurgency” is verslechterd. De algemene tendens blijft echter dat de “insurgency” in de noordelijke helft van Afghanis- tan nog steeds van een totaal andere orde is dan in de zuidelijke helft van het land waar het conflict volop woedt. Om die reden kan er voor de beoordeling van de veiligheidssituatie een onderscheid worden gemaakt naargelang van de regio van herkomst. Dit onafhankelijk van de beoordeling van de mogelijkheid van een reëel vestigingsalternatief (rekening houdend met de specifieke situatie van de betrokken personen). Ook het UNHCR maakt in zijn regelmatig geactualiseerd advies een onderscheid per regio. Het advies van het UNHCR “Afghanistan Security Update Relating to Complementary Forms of Protection”, gedateerd op 6 oktober 2008, differentieert de veiligheidssituatie in Afghanistan tot op districtsniveau (zie UNHCR-advies toegevoegd aan het administratief dossier). Het UNHCR roept op om aan Afghanen die afkomstig zijn uit de in hun advies vermelde districten, complementaire vormen van bescherming te bieden gezien de situatie daar als onveilig wordt beoordeeld. U bent afkomstig van Ahengaran gelegen in district Salang dat behoort tot provincie Parwan in het centrum van Afghanistan. Het district waarvan u afkomstig bent, staat niet vermeld in het UNHCR advies. Er zijn geen elementen bekend waaruit blijkt dat de situatie in dit district op dit ogenblik XIV-30.995-5/17 wel als onveilig moet worden beschouwd. Actueel bestaat er voor burgers die afkomstig zijn van district Chaharikar in het centrum van Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade in de zin van art. 48/4, §2 van de Vreemdeling- enwet. U kon geen elementen aanbrengen die afbreuk kunnen doen aan dit besluit. Zo verklaarde u zelf niet te weten wat de huidige toestand is in Salang en de provincie Parwan (zie gehoorverslag CGVS, p.23) De door u aangebrachte documenten, zijnde een kopie van uw medisch getuigschrift van Dokter (L.) en een faxbericht van een brief opgesteld door enkele ouderen van uw dorp zoals u verklaarde, vermogen de appreciatie in uw dossier niet in positieve zin om te buigen. Immers, hoewel het medisch getuigschrift stelt dat u aan uw knie gekwetst bent door een bomfragment kan hieruit in het licht van bovenstaande opmerkingen niet worden afgeleid dat dit het gevolg is van uw beweerde recent verblijf in Ahengaran zoals u stelde. Het faxbericht van enkele ouderen van uw dorp toont niet aan dat u recente- lijk in Ahengaran was noch dat u er recent het slachtoffer werd van vervol- ging. U kon het origineel niet voorleggen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, kom ik tot de vaststelling dat u niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan worden erkend. Verder komt u niet in aanmerking voor subsidiaire bescher- ming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Ik vestig de aandacht van de Minister van Migratie- en Asielbeleid op het feit dat u minderjarig bent en dat bijgevolg het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, geratificeerd door België, op u moet worden toegepast.” 2. Ten gronde. 2.1. Waar in het verzoekschrift wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing aan de voogd werd betekend, de raadsman de beslissing zelf niet heeft mogen ontvangen en de raadsman vermoedt dat ook de minderjarige geen beslissing ontving en hij hierdoor in tijdsgebrek is, hij niet beschikt over het administra- tief dossier en hij niet anders kan dan beroep indienen omwille van het feit dat de termijn slechts 15 dagen is, stelt de Raad vast dat inderdaad een aangetekend schrijven met de bestreden beslissing werd verstuurd naar de voogd op 12 december 2008 en uit het dossier niet kan worden afgeleid of aan verzoeker een aangetekend schrijven met de beslissing werd verstuurd. Hoe dan ook een eventueel gebrek in de betekening van de bestreden beslissing heeft geen invloed op het rechtmatig karakter van de genomen beslissing. Verzoeker heeft op tijd beroep ingediend tegen de bestreden beslissing en de Raad merkt op dat hij op 23 december 2008 een kopie van de stukken van het administratief dossier heeft opgevraagd zodat verzoeker of zijn raadsman in ieder geval mondeling ter terechtzitting van de Raad zijn verzoekschrift heeft kunnen toelichten rekening houdende met de specifieke elementen in het dossier. 2.2. In een eerste middel, afgeleid uit de schending van het Verdrag van Genève, voert verzoeker aan dat hij niet akkoord gaat met de motivering van de bestreden beslissing, er niet getwijfeld wordt aan zijn etnische afkomst en identiteit en de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte besloten heeft dat verzoeker ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot zijn recente verblijf in zijn geboortedorp in Afghanistan. Verzoeker tracht de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas te herstellen met enkele opmerkingen en stelt, onder verwijzing naar een fragment van VANHEULE, D., Vluchtelingen: een overzicht na de wet van 6 mei 1993, Gent, Myss & Breesch, 1993, nrs. 32-36, dat hij wel degelijk het voorwerp van vervolging uitmaakt en een ernstig motief had om zijn geboortestreek te ontvluchten, namelijk de moord op zijn ouders door een gevaarlijke commandant. XIV-30.995-6/17 2.3. In een tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingen- wet), stelt verzoeker dat hij er terecht van overtuigd is dat zijn leven in gevaar is in Afghanistan. Verzoeker merkt enerzijds op dat verschillende rapporten wijzen op toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwong- en rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten en anderzijds dat het niet voldoende is om afkomstig te zijn uit een veilig gebied, doch dat dit gebied ook op een veilige wijze moeten kunnen worden bereikt. Gelet ook op de traditionele en uitgebreide familie, de gemeenschapsbanden van clan en stam in Afghanistan en het feit dat verzoeker wees is en enkel nog twee tantes heeft, is verzoeker ervan overtuigd dat hij nergens naartoe kan. 2.4. Uit de lezing van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op zeer jonge leeftijd Afghanistan zou verlaten (Gregoriaanse kalender 1993/1994) hebben, samen met zijn oom, diens gezin en verzoekers broer, omwille van het lidmaatschap van zijn nonkel F. bij de democratische partij en de moord op zijn ouders door een commandant en handlangers van de Hezb-i Jamiat. In 2006 werd verzoeker echter gedeporteerd vanuit Iran naar Afghanistan wegens illegaal verblijf. In Afghanistan, in zijn geboortedorp Ahengaran, raakte verzoeker gewond door een handgranaat die in zijn slaapkamer werd gegooid tijdens zijn verblijf in het huis van een vriend. Zijn vriend A. bracht verzoeker naar het ziekenhuis waar hij werd verpleegd en met de hulp van de dokters bekwam hij een vals paspoort en reisde hij per vliegtuig vanuit Kabul naar Iran. Verzoeker besloot Iran te verlaten. Verzoeker heeft geen contact meer met zijn oom in Iran omdat hij onderweg zijn telefoonnummers verloor doch evenwel telefonisch contact met zijn vriend A. uit zijn geboortedorp. 2.5. Blijkens de bestreden beslissing wordt verzoekers asielaanvraag verworpen omdat (
  2. i)er geen geloof kan worden gehecht aan zijn verklaringen te zijn gedeporteerd vanuit Iran naar Afghanistan en recentelijk te hebben verbleven in zijn beweerde geboorteregio, (
  3. ii)verzoeker geen concrete beschrijving kan geven van de situatie in Salang tijdens de periode dat hij in Afghanistan verbleef en (iii) er twijfels worden geuit bij verzoekers bewering per vliegtuig vanuit de luchthaven van Kabul terug naar Iran te zijn gevlucht. Omwille van verzoekers ongeloofwaardige verklaringen, bevindt de Commissaris-generaal zich in de onmogelijkheid om een correct en duidelijk beeld te krijgen van verzoekers profiel, verblijfplaatsen van de voorbije jaren, eventueel verblijfsstatuut in derde landen of de redenen waarom hij deze plaatsen heeft verlaten. 2.6. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het is vervolgens de taak van de persoon die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling moet onderzoeken om de waarde van de bewijselementen en de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker te beoordelen. De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto- Vancouver, 1991, 84). De verklaringen moeten plausibel zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten. De ongeloofwaardigheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloof- waardige verklaringen. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, XIV-30.995-7/17 Genève, 1992, 54). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient een beslissing te nemen die op afdoende wijze gemotiveerd is en geeft daarbij aan waarom een kandidaat-vluchteling (niet) beantwoordt aan de erkenningscrite- ria van artikel 48/3 en artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Hij dient daarbij niet noodzakelijk expliciet op elk aangevoerd argument in te gaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (RvS 19 mei 1993, nr. 43.027) en het is niet de taak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (RvS 26 oktober 2004, nr. 136.692). 2.7. De Raad stelt vooreerst vast dat verzoeker geen enkel begin van bewijs van zijn vrees voor vervolging heeft neergelegd. Verzoeker kan op geen enkele manier het lidmaatschap van zijn vader bij de Hezb-i Jamiat, noch het politiek engagement van zijn nonkel voor de democratische partij, noch de moord op zijn ouders door commandant A. en zijn handlangers van de Hezb-i Jamiat, noch zijn jarenlang verblijf in Iran, noch het feit dat de vijanden van zijn vader nog steeds op zoek zijn naar hem, aannemelijk maken. Aangaande het gebrek aan bewijzen omtrent zijn verblijf in Iran, stelt de Raad overigens vast dat verzoekers verklaring dat hij nooit een verblijfsvergunning of een regularisatiedocument kon verkrijgen van de Iraanse overheid omdat de registratiecampagnes voor andere nationaliteiten dan Afghanen waren (CGVS p. 20), niet strookt met de informatie van het CEDOCA-document afgh2008- 044w d.d. 4 september 2008 waaruit blijkt dat reeds in 1993 men in Iran begon met de uitreiking van tijdelijke verblijfskaarten voor ongedocumen- teerde Afghanen en de meeste Afghanen zich lieten registreren, en vanaf 2000 Afghanen houders van dergelijke tijdelijke verblijfskaarten zich konden laten registreren en ook in 2001 een algemene grote registratiecampagne voor alle (on)gedocumenteerde buitenlanders in Iran gevoerd werd. De Raad wijst erop dat bij gebrek aan bewijzen mag verwacht worden dat verzoeker coherente, overtuigende en aannemelijke verklaringen aflegt, wat in casu niet het geval is gelet op hetgeen volgt. 2.8. Wat betreft verzoekers beweerde deportatie vanuit Iran naar Aghanistan, waarvan de beschrijving dermate vaag is dat daaraan geen geloof kan worden gehecht, en zijn recentelijk verblijf in zijn geboorteregio, stelt de Raad vast dat verzoekers opmerkingen, met name dat hij moe en gewond was, alles snel ging zodat hij weinig kon zien, niemand hem de naam gaf van de grenspost en hij geen bezoek kreeg in het ziekenhuis en zo ook geen informatie over de situatie in Salang kon ontvangen, niet voldoende zijn om de motieven van de bestreden beslissing te weerleggen en zo zijn vluchtrelaas alsnog aannemelijk te maken. De Raad benadrukt dat van een asielzoeker verwacht wordt dat deze belangrijke gebeurtenissen, zoals zijn deportatie naar Afghanistan en zijn verblijf in zijn geboortedorp waar een aanslag zou zijn gepleegd op zijn persoon, naar plaats en tijd kan situeren, gezien deze gebeurtenissen, ongeacht het tijdsverloop of de traumatische en vermoeiende ervaring, in het geheugen gegrift zouden staan zo zij zich in werkelijkheid voorgedaan zouden hebben. Zo verzoeker ook beweert dat zijn relaas niet correct vertaald is door de tolk, merkt de Raad op dat dit niet in het minst blijkt uit het administratief dossier, met name het gehoor waar verzoeker werd bijgestaan door zijn voogd en zijn raadsman. 2.9. Het bewijs van identiteit en nationaliteit is een essentieel element in elke procedure. Ofschoon verzoeker verklaard heeft dat zijn vriend A. verzoekers taskara heeft toegezonden en dat hij navraag zou doen bij A. om documenten van de familieeigendommen te bekomen (CGVS p. 8,9,19 en 20), stelt de Raad vast dat verzoeker nog steeds geen enkel begin van bewijs heeft neergelegd omtrent zijn identiteit of nationaliteit. Verder legt hij ook geen XIV-30.995-8/17 enkel reisdocument voor en kan hij ook niet de minste toelichting verschaffen over de documenten waarmee hij reisde van Kabul naar Iran. Gelet op het feit dat verzoeker bovendien de weg naar de luchthaven niet kan beschrijven, hij de naam van de luchthaven niet kent, hij geen weet heeft van de aanwezigheid van internationale troepen in de luchthaven van Kabul, hij de naam van de dokter die zijn reis geregeld heeft niet kent en het bovendien volstrekt ongeloofwaardig is dat een dokter volledig kosteloos een paspoort en visum zou regelen voor een volstrekt onbekende, is de Raad van oordeel dat de Commissarisgeneraal met reden heeft besloten dat het zeer onwaarschijnlijk is dat verzoeker per vliegtuig vanuit de luchthaven van Kabul terug naar Iran is gevlucht. Verzoekers verweer dat de naam van de dokter te moeilijk was om te onthouden, hij geen naam of geen beschrijving van de weg naar de luchthaven kan geven omdat hij er maar één keer is geweest en hij Kabul dus niet kent en dat hij maar laag geschoold is, is niet afdoende en kan de Raad derhalve niet overtuigen. De Raad herhaalt dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat bepalende ervaringen in iemands leven dermate in het geheugen gegrift staan dat deze persoon daar in een later stadium nog een coherente beschrijving van kan geven. 2.10. Met betrekking tot de ingediende documenten, met name een kopie van verzoekers medisch getuigschrift en een faxbericht van een brief opgesteld door de ouderen van verzoekers dorp, stelt de Raad vast dat het faxbericht enkel vermeldt dat verzoeker de zoon is van S. en F. en dat het medisch getuigschrift opgesteld op 28 augustus 2008 te Sint-Niklaas, wel melding maakt van een bomfragment in de linkerknie, doch dat hieruit niet kan worden afgeleid dat zijn verwonding het resultaat is van de vermeende vervolgingsfeiten in zijn land van herkomst. 2.11. Gelet op de vastgestelde ongeloofwaardigheid van zijn relaas en mede gelet op het feit dat verzoeker tot op heden in gebreke blijft ook maar enig begin van bewijs voor te leggen van het feit dat hij vreest te worden vermoord door de vijanden van zijn vader, kan verzoeker niet als vluchteling worden erkend in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet. Wanneer zoals in casu het asielrelaas niet geloofwaardig is, is er geen reden om het te toetsen aan de voorwaarden die inzake de erkenning van vluchtelingen worden gesteld door artikel 1, A
(2)van het Verdrag van Genève. 2.12. De aanvrager van de subsidiaire bescherming, met name wat betreft de vraag of hij bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, kan niet volstaan met een verwijzing naar algemene rapporten over de toestand in het land van herkomst maar moet enig verband met zijn persoon aanneme- lijk maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist. Met een ongeloofwaardig relaas en vage en ongeloofwaardige verklaringen en zonder bewijs van de voorgehouden identiteit, nationaliteit en afkomst, maakt verzoeker zelf het bewijs van dergelijk verband onmoge- lijk. Overigens wijst de Raad erop dat verzoeker verklaart dat hij jarenlang in Iran verbleef en dat hij zonder aanvaardbare reden geen enkel document voorlegt met betrekking tot zijn verblijf in Iran. Derhalve kan niet worden nagegaan of verzoeker nood heeft aan internationale bescherming. Immers, bij een jarenlang verblijf in het buitenland valt niet uit te sluiten dat hij in een derde land een verblijfsrechtelijk voordeel geniet of zelfs het staatsburger- schap heeft waardoor de noodzaak aan het recht op subsidiaire bescherming zou wegvallen. Tot slot stelt de Raad met betrekking tot de situatie in Afghanistan en meer bepaald de beweerde regio waarvan verzoeker afkomstig is dat diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door locale XIV-30.995-9/17 commandanten in Afghanistan. Het UNHCR heeft lijsten opgesteld met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en per district. Deze lijsten werden opgesteld aan de hand van zeer specifieke criteria waaronder: hevige en voortdurende of onderbroken gevechten tussen de opstandelingen enerzijds en de overheids- en coalitietroepen anderzijds, systematische intimidatie door opstandelingen, gedwongen militaire inlijving en dwangar- beid, aanvallen van opstandelingen met bomaanslagen en raketaanvallen, gevechten tussen rivaliserende facties en het systematisch heffen van illegale belastingen met bedreiging voor het leven, vrijheid en veiligheid (vrije vertaling). Het UNHCR stelt verder dat als één of meerdere van deze criteria gedurende de laatste maanden in het betrokken gebied werden gerapporteerd, er dan bijkomende bescherming zou moeten worden verleend aan personen die van daar afkomstig zijn. Deze lijsten kunnen dan ook beschouwd worden als een objectieve leidraad bij de beoordeling van de subsidiaire bescher- mingsstatus. Het UNHCR is, met zijn fysieke aanwezigheid in alle delen van Afghanistan en zijn uitgebreide netwerk aan contacten, immers het best geplaatst om advies te verlenen over de noodzaak aan subsidiaire bescher- ming. Deze adviezen worden regelmatig bijgewerkt naarmate de toestand verbetert dan wel verslechtert. Op 6 oktober 2008 voerde het UNHCR een nieuwe actualisering door van de adviserende lijst, hiertoe genoodzaakt door de verslechterende veiligheidssituatie. Het document geeft geen advies om subsidiaire bescherming te verlenen aan asielzoekers uit Ahengaran, gelegen in het district Salang in de provincie Parwan. De Raad kan er op basis van deze recente objectieve informatie afkomstig van het UNHCR van uitgaan dat er heden in Ahengaran geen willekeurig geweld heerst in de zin van artikel 48/4, §2, c van de Vreemdelingenwet. Zo verzoeker ook beweert dat hij nergens naartoe kan omdat hij wees is en enkel nog twee tantes heeft, wijst de Raad erop dat verzoeker tijdens zijn gehoor verklaard heeft dat hij nog een oom F., een broer N. en een vriend A. heeft (CGVS p. 5,7 en 8) zodat verzoekers bewering geen steek houdt. Waar verzoeker stelt dat het UNHCR eveneens het advies geeft dat van Afghanen niet kan worden verwacht dat zij door onveilig gebied reizen om terug te keren naar hun woonplaats oordeelt de Raad dat het advies van het UNHCR met betrekking tot de reisweg aanbevelingen zijn en hebben derhalve geen bindend juridsich karakter. 2.13. De bestreden beslissing wordt gedragen door afdoende en pertinente motieven die steun vinden in het administratief dossier. Verzoeker weerlegt de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet en hij voert geen concrete elementen aan die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet noch toont hij aan dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdeling- enwet. Er worden geen gegronde middelen aangevoerd. De bestreden beslissing wordt beaamd en in zijn geheel overgenomen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBE- TWISTINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij gewei- gerd.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. XIV-30.995-10/17 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “- Schending - van het artikel 48/4 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 31/12/1980 ; hierna de Vreemdelingenwet). [Art. 48/4 # §1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel Ster, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. # § 2. Ernstige schade bestaat uit :
  1. a)doodstraf of executie; of
  2. b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
  3. c)ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict] De motivatie in de bestreden beslissing is niet afdoende en faalt. IV.1.1. Voorafgaand Een uitspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is slechts gemotiveerd als niet alleen de concrete feiten maar ook de op die feiten toepasselijke rechtsregels worden vermeld en tevens wordt uitgelegd hoe de toepassing van die rechtsregels op de feiten naar de uiteindelijke beslissing heeft geleid. IV.1.2. Kritiek op de bestreden beslissing 1.2.1. Doordat de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen stelt dat de verzoeker het recht op subsidiaire bescherming kan worden ontzegd omdat er voor de burgers van het district Salang in de provincie Parwan geen reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van art. 48/4, §2, c.. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat de provincie Parwan en meer bepaald het district Salang niet voorkomt op de lijst van UNHCR in het kader van onveilige regio's, districten en provincies in Afghanistan en dat dit verhindert dat de verzoeker in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming. 1.2.2. De verzoeker kan hiermee niet akkoord gaan. De verzoeker verwijst immers naar de redactie van artikel 48/4 Vreemdelingenwet waarin de subsidiaire bescherming in de Belgische wetgeving vervat is. Art. 48/4 Vreemdelingenwet is als volgt opgesteld : "§1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals XIV-30.995-11/17 bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt." Het uitgangspunt voor de subsidiaire bescherming is volgens de redactie van deze wetsbepaling het land van herkomst, NIET de recente verblijfplaats. Het wordt niet betwist door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat Afghanistan verzoekers land van herkomst was. Daarenboven wordt er niet getwijfeld aan de identiteit en etnische afkomst van de verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt de veiligheidssituatie in de provincie van verzoeker de zeer éénzijdig door enkel de adviezen van UNHCR met betrekking tot verzoekers district te onderzoeken. A. - De subsidiaire bescherming dient evenwel niet volgens regio onderzocht te worden maar in functie van het land waar hij gewoonlijk verbleef. Dit is Afghanistan. B. - Eveneens heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet geantwoord op verzoekers grief dat de verzoeker niet naar Ahengaran kan terugreizen dan via onveilige gebieden. Inderdaad, er kan vastgesteld worden dat hiermee op geen enkele wijze door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening gehouden werd. Dit is een ernstige tekortkoming aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich enerzijds baseert op het advies van de UNHCR om te stellen dat Salang (nog) niet onveilig zou zijn, anderzijds wordt de aanbeveling van de "veilige terugweg" in het advies van de UNHCR zonder enige uitleg of motivering terzijde geschoven. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook tekort schoot door aan de "veilige terugweg" die voor de verzoeker niet gegarandeerd is geen aandacht te schenken. Nochtans betreft dit hetzelfde advies van UNHCR in een zelfde overzicht van onveilige regio's in Afghanistan. Dat deze veilige terugweg nochtans gegarandeerd dient te zijn in het advies van de UNHCR. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook selectief gebruik maakte van het advies van de UNHCR. De verzoeker heeft belang bij de vernietiging van het bestreden arrest. De verzoeker komt immers wel degelijk in aanmerking voor de subsidiaire bescher- ming.
  4. a)De door de Verenigde Naties gemandateerde veiligheidsmacht ISAF in Afghanistan bevestigt dat de veiligheidssituatie in geheel Afghanistan sterk achteruit gaat.
  5. b)Volgens een rapport van 23 februari 2007 van the Center for Strategie and International Studies (CSIS) is de veiligheidssituatie in Afghanistan sterk verergerd sinds 2005 en dit in alle regio's. De situatie in het Zuiden en het Oosten is het allergevaarlijkst, maar is ook heel erg verslechterd in het Kabul en in de noordelijke en centrale provincies. Ook in het noorden en het westen heeft de algehele instabiliteit van het land zijn weerslag.
  6. c)Ook diverse rapporten van Amnesty International bevestigen dat een terugkeer naar Afghanistan in het algemeen of in het bijzonder naar bepaalde regio's niet veilig is en dat een internationale bescherming moet gegeven worden. XIV-30.995-12/17
  7. d)Het staat dan ook onomstotelijk vast dat deze rapporten wijzen op toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderschrijft dit eveneens: "de veiligheidssituatie in Afghanistan blijft broos en de dreiging voor terroristi- sche en misdadige acties tegenover westerlingen blijft groot. Men stelt in het hele land een sterke toename vast van incidenten (pogingen tot ontvoering, zelf- moordaanslagen, mijnen en gewapend geweld)waarbij vooral de troepen van de Coalitie en het Afghaans leger worden geviseerd, doch ook de NGO 's, de internationale organisaties en de ondernemingen die deelnemen aan de wederopbouw van het land." (http://www.diplomatie.heinl/travel/countni- detail.asp?COUNTRYNAMENL=AFGHANISTAN
  8. e)Uit de Memorie van Toelichting bij de wet in kader van de subsidiaire bescherming, blijkt verder dat het voldoende is dat wordt aangetoond dat de algemene situatie bedreigend is voor de gehelde bevolking van een land "aangezien de gronden voor deze vrees niet specifiek zijn voor het individu".
  9. f)Uit het advies van de UNHCR blijkt dat de "veilige terugweg" dient gegarandeerd te zijn. Dat er alleen maar onveilige gebieden aan verzoekers regio grenzen zoals blijkt uit het advies van de UNHCR. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieraan evenwel ten onrechte geen aandacht schonk. Ook met betrekking tot zijn district Salang dient waargenomen te worden dat het grenst aan districten die volledig onder controle staat van de Taliban.
  10. g)Daarenboven is er bij de beoordeling van het risico op schade niet enkel een toetsing van de algemene onveiligheidssituatie in de specifieke regio of de controle van de veilige terugweg. Er dient eveneens rekening gehouden te worden met de traditionele en uitgebreide familie alsook de gemeenschapsbanden van clan en stam in Afghanistan aangezien die de belangrijkste beschermingsmechanismen vormen voor het individu. De verzoeker kan niet meer terecht bij zijn familie, clan en stam. Hij is wees en heeft enkel nog 2 tantes. Aangezien het hier om vrouwen gaat behoren deze nu tot de familie van hun resp. echtgenoten. De verzoeker kan derhalve nergens naartoe. De verzoeker toont bijgevolg aan dat hij belang heeft bij de vernietiging van het bestreden arrest aangezien hij in aanmerking komt voor het statuut van de subsidiaire bescherming.”; 2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt en als volgt repliceert op de memorie van antwoord: “X1.1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat de verzoeker zelf aangaf jaren in Iran te hebben gewoond. XIV-30.995-13/17 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat de verzoeker geen documenten voorlegde van zijn verblijf in Iran en dat de Raad derhalve niet in staat was om te beoordelen of de verzoeker nood had aan bescherming. Deze redenering lijkt echter duidelijk geïnspireerd te zijn door het opgeheven artikel 52 1, 40 van de Vreemdelingenwet, meer bepaald dat : "De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen (...) wanneer de vreemdeling, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, langer dan drie maanden in een ander land verbleven heeft en dit verlaten heeft, zonder vrees in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en zonder dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4." Artikel 48/3 § 1 van de Vreemdelingenwet bepaalt : "De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 te Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967." Daarom zou de beoordeling van feiten en omstandigheden ervoor moeten zorgen dat personen die bescherming behoeven als vluchteling in de zin van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag, correct als zodanig worden erkend." Volgens art. 1, par. A, al. 2 van het Vluchtelingenverdrag geldt als "vluchteling" elke persoon die “uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen". Bijgevolg is voor het beoordelen of een asielzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus niet de recente verblijfplaats doorslaggevend maar wel de nationaliteit, in dit geval dus Afghanistan. Enkel indien een vluchteling geen nationaliteit bezit, verwijst de definitie naar "het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had". Er kan bijgevolg waargenomen worden dat het feit dat de verzoeker enkele jaren illegaal in Iran verbleef, niet in de weg mag staan van de nood aan subsidiaire bescherming. - Inderdaad, in de hypothese dat de verzoeker ooit zou teruggeleid worden, dan is dit evident naar het land van zijn nationaliteit en niet naar het land waar hij gebeurlijk illegaal verbleef! - Een andere uitleg aangeven zou manifest in gaan tegen de basisgedachte van het Vluchtelingenverdrag dat stelt dat de conventionele bescherming dient getoetst te worden aan het land waarvan hij de nationaliteit bezit. IX.
  1. Rekening houdend met het volledige beeld van de achtergrond en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, zijnde zijn illegaal verblijf in Iran en de situatie in zijn streek van herkomst in Afghanistan, evenals met de richtlijnen van UNHCR over Afghanistan, zou de verzoeker in aanmerking kunnen komen voor de subsidiaire beschermingsstatus. Het is evenwel opvallend dat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een dubbelzinnige positie inneemt ten aanzien van de UNHCR-aanbevelingen. Inderdaad, de Commissaris-generaal bevestigt dat het UNHCR-rapport van 08/10/2008 gehanteerd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen "als een objectieve leidraad wordt beschouwd voor de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus". Echter dient waargenomen te worden dat de Commissaris-generaal in navolging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent niet alle aanbevelingen vervat in dit UNHCR-rapport van 08/10/2008 toepassen. XIV-30.995-14/17 Inderdaad, het UNHCR-advies stelt dat de nood aan bescherming niet alleen dient getoetst te worden aan de onveiligheid van dat specifieke district, maar dat eveneens dient rekening gehouden te worden met de veilige terugweg ! Evenwel wordt dit advies aangaande de veilige terugweg nooit toegepast en onderzocht. Inderdaad de lijst van onveilige gebieden strekt wel tot aanbeveling, de onveilige terugweg strekt niet tot aanbeveling. Er is geen enkele logische reden waarom de veiligheid van de terugweg niet onderzocht dient te worden. Effectief, indien een kandidaat afkomstig zou zijn van een veilig gebied, waarom dient hij dan een reëel risico op ernstige schade te lopen bij de terugkeer naar dit gebied via onveilige wegen. De logica is hier ver te zoeken.”; 2.3.
  2. Overwegende dat het enig middel uitsluitend is gericht tegen het gedeelte van het aangevochten arrest waarbij aan verzoeker de subsidiaire beschermingssta- tus wordt geweigerd; dat het gedeelte van het bestreden arrest waarbij hem de vluchtelingen- status wordt geweigerd, niet wordt bekritiseerd, zodat de eventuele cassatie van het arrest enkel betrekking kan hebben op het gedeelte omtrent de subsidiaire bescherming; 2.3.
  3. Overwegende dat in zijn beslissing van 25 november 2008 de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen reeds vaststelde dat hij zich in de onmogelijkheid bevindt om een correct en duidelijk beeld te krijgen van verzoekers profiel, verblijfplaatsen van de voorbije jaren, eventueel verblijfsstatuut in derde landen of de redenen waarom hij deze plaatsen heeft verlaten; dat dit besluit inzonderheid steunde op de vaststelling dat geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaringen te zijn gedeporteerd vanuit Iran naar Afghanistan en recentelijk te hebben verbleven in zijn beweerde geboortedorp, op de vaststelling dat verzoeker geen concrete beschrijving kan geven van de situatie in Salang tijdens de periode dat hij in Afghanistan verbleef, en op de vaststelling dat er twijfels zijn bij verzoekers bewering per vliegtuig vanuit Kabul naar Iran te zijn gevlucht; dat uit het bestreden arrest blijkt - en verzoeker niet betwist - dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vooreerst vaststelt dat verzoeker geen enkel begin van bewijs van zijn beweerde vrees voor vervolging heeft neergelegd (hij kan op geen enkele manier het lidmaatschap van zijn vader bij de Hezb-i Jamiat, noch het politiek engagement van zijn oom voor de democratische partij, noch de moord op zijn ouders door commandant A. en zijn handlangers van de Hezb-i Jamiat, noch zijn jarenlang verblijf in Iran, noch het feit dat de vijanden van zijn vader nog steeds op zoek zijn naar hem aannemelijk maken); dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangaande verzoekers gebrek aan bewijzen omtrent zijn verblijf in Iran vaststelt dat verzoekers verklaring dat hij nooit een verblijfsver- gunning of een regularisatiedocument kon verkrijgen van de Iraanse overheid omdat de registratiecampagnes voor andere nationaliteiten dan Afghanen waren, niet strookt met de informatie van CEDOCA en dat, bij gebrek aan bewijzen, van verzoeker mag verwacht worden dat hij coherente, overtuigende en aannemelijke verklaringen aflegt, hetgeen in casu XIV-30.995-15/17 niet het geval is; dat dit meer bepaald blijkt uit de genoegzaam gemotiveerde vaststelling dat de beschrijving van verzoekers beweerde deportatie vanuit Iran naar Afghanistan dermate vaag is dat daaraan geen geloof kan worden gehecht en dat verzoeker geen voldoende verklaring geeft voor het niet of niet voldoende kunnen situeren naar plaats en tijd van zijn recentelijk verblijf in zijn geboortedorp waar een aanslag zou zijn gepleegd op zijn persoon; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bovendien vaststelt dat het bewijs van identiteit en nationaliteit een essentieel element uitmaakt in elke procedure en - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent - opmerkt dat verzoeker nog steeds geen begin van bewijs heeft neergelegd omtrent zijn identiteit en nationaliteit en dat het, gelet op zijn onwetendheid omtrent zijn reis van Kabul naar Iran, zeer onwaarschijnlijk is dat hij per vliegtuig vanuit de luchthaven van Kabul terug naar Iran is gevlucht; dat, wat het onderzoek naar de nood aan subsidiaire bescherming betreft, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vaststelt dat niet kan worden nagegaan of verzoeker nood heeft aan internationale bescherming omdat verzoeker dit onderzoek zelf onmogelijk maakt met een ongeloofwaardig relaas en vage en ongeloofwaardige verklaringen en bij gebrek aan bewijs van de voorgehouden identiteit, nationaliteit en afkomst; dat diegene die om subsidiaire bescher- ming vraagt minstens dient aan te tonen dat hij in het land waarvoor hij deze bescherming aanvraagt verblijft en/of er de nationaliteit van bezit; dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen terecht opmerkt dat bij een jarenlang verblijf in het buitenland niet valt uit te sluiten dat verzoeker in een derde land een verblijfsrechtelijk voordeel geniet of zelfs het staatsburgerschap heeft waardoor de noodzaak aan het recht op subsidiaire bescherming zou wegvallen; dat in casu uit de motivering van het bestreden arrest blijkt dat verzoeker geen duidelijkheid verschaft over zijn feitelijke herkomst en derhalve zelf het onderzoek naar de nood aan subsidiaire bescherming onmogelijk maakt en dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen aldus - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt, met name dat niet zou getwijfeld worden aan zijn identiteit en etnische afkomst - bij gebrek aan bewijs van de voorgehouden identiteit, nationaliteit en afkomst en van zijn jarenlang verblijf in Iran niet kan nagaan of verzoeker nood heeft aan internationale bescherming; dat voor zover verzoeker aanvoert dat de nood aan subsidiaire bescherming “evenwel niet volgens de regio (dient) onderzocht te worden maar in functie van het land waar hij gewoonlijk verbleef”, zijnde Afghanistan, verzoeker zichzelf tegenspreekt - en het middel feitelijke grondslag mist - daar uit zijn verklaringen blijkt dat hij reeds op tweejarige leeftijd met zijn oom naar Iran vertrok en pas op zeventienjarige leeftijd (volgens zijn verklaringen gedwongen) terugkeerde naar Afghanistan en dit slechts voor een korte periode; dat verzoeker derhalve bezwaarlijk kan volhouden dat Afghanistan het land is waar hij gewoonlijk verbleef; dat voor zover de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest toch nog ingaat op de situatie in de regio waarvan verzoeker beweert afkomstig te zijn, hij dit ten overvloede doet, zodat XIV-30.995-16/17 de eventuele gegrondheid van verzoekers kritiek hieromtrent niet tot de cassatie van het bestreden arrest kan leiden; dat in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming, het niet in aanmerking kan worden genomen daar het niet aan de Raad van State als administratieve cassatierechter toekomt om zijn oordeel hieromtrent in de plaats te stellen van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen, daar dit hem ertoe zou nopen feitelijke gegevens te verifiëren waarvoor hij niet bevoegd is; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig maart tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.995-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.357 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.