← België

Arrest 202382 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.382 Rolnummer: A. 86271/X-9117 Zaak: Arrest 202382 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.382 van 25 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.382 van 25 maart 2010 in de zaak A. 86.271/X-9117. In zake: Edgar VAN ASSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charley Vallet kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Oudaan 22-24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat hugo Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 augustus 1999, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 22 juni 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep tegen het besluit van 17 september 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de vergunning wordt geweigerd voor de oprichting van een loods en de regularisatie van een stelplaats voor autocars te Willebroek, Vaartstraat 94, kadastraal bekend sectie A, nr. 227/b5. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. X-9117-1/9 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari 2010. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Charley Vallet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Hugo Sebreghts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is eigenaar van een onroerend goed aan de Vaartstraat 94 te Willebroek. De eigendom is volgens het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een bijzonder plan van aanleg, of vergunde verkaveling. 3.2. Op 3 september 1991 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek aan de verzoeker een bouwvergunning om achteraan op het terrein, met de achtergevel op de perceelgrens, een bergplaats voor autocars op te richten, na afbraak van vier bestaande bergplaatsen. 3.3. Met een schrijven van 23 februari 1995 deelt de burgemeester aan de verzoeker mee dat de werken “niet (werden) uitgevoerd zoals in de vergunning voorzien”, en wordt de verzoeker “met aandrang verzocht” om een regularisatieaanvraag in te dienen. X-9117-2/9 3.4. Op 1 april 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het gemeentebestuur van Willebroek een aanvraag in tot “regularisatie autocargarage en bouwen bergplaats”. In de bij de aanvraag gevoegde nota van de architect wordt met betrekking tot de regularisatieaanvraag het volgende gesteld : “regularisatie garage autocars : 11 x 13,60 = 149,60 m², 149,60 x 4,20 = 628,32 m²”. 3.5. Op 8 april 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van Willebroek een gunstig pre-advies over de aanvraag tot het “oprichten van een loods (regularisatie)”. De gemachtigde ambtenaar adviseert op 10 september 1997 ongunstig omdat “de bouwplaats is gelegen in een strook voor hoofdgebouwen waar enkel volwaardige woningen toegelaten kunnen worden”, en omdat “de materialen (gelakte staalplaat) ‘esthetisch onaanvaardbaar’ (zijn)” Het college van burgemeester en schepenen van Willebroek weigert dan op 30 september 1997 de gevraagde vergunning “strekkende tot de oprichting van een loods”. 3.6. De verzoekende partij tekent tegen deze beslissing op 29 oktober 1997 administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Hij stelt in zijn beroepschrift onder meer dat hij op 3 september 1991 een bouwvergunning heeft gekregen voor “het slopen van 4 bergplaatsen en het oprichten van een bergplaats voor autocars”, “om louter technische redenen (...) de dakconstructie enigszins anders (werd uitgevoerd) waardoor het geheel 20 cm hoger werd”, “inderdaad geprofileerde metaalplaten gebruikt (werden) in plaats van roofing”, en het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar “enkel de vraag tot oprichting van een bergplaats” betreft. Met een besluit van 17 september 1998 verwerpt de bestendige deputatie dit beroep, wat de gevraagde regularisatie betreft omdat het dak licht hellend is en de goede plaatselijke aanleg vereist dat bergplaatsen die op de perceelgrens worden ingeplant, uitgevoerd worden met een plat dak, en wat de nieuwbouw betreft omdat in de “hoofdbouwstrook” enkel “hoofdgebouwen met eventueel een garage erbij” kunnen toegestaan worden en het materiaalgebruik bovendien esthetisch onaanvaardbaar is in de betrokken woonomgeving. X-9117-3/9 3.7. Op 30 oktober 1998 dient de verzoeker tegen dit laatste besluit beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. In het beroepsschrift deelt hij onder meer mee dat wat betreft de aangevraagde nieuwbouw “niet langer aangedrongen wordt”, en dat hij zich “neerleg(

  1. t)bij het ongunstig advies vanwege de gemachtigde ambtenaar”. 3.8. Bij ministerieel besluit van 22 juni 1999 wordt het beroep van de verzoeker verworpen. De vergunning wordt geweigerd op grond van de volgende motieven : “Overwegende dat initieel door de aanvrager een bouwaanvraag werd ingediend die tweeledig was; dat met name enerzijds de bouw van een 45 m²-grote bergplaats-garage langs de rechter perceelsgrens werd gevraagd, in te planten op 8 m van de openbare weg en anderzijds de regularisatie wordt gevraagd van een niet conform de vergunning uitgevoerde stelplaats voor autocars, ingeplant achteraan op het terrein; Overwegende dat de bergplaats-garage zowel door het college van burgemeester en schepenen als door de bestendige deputatie werd geweigerd op grond van de vaststelling dat de inplantingsplaats, zijnde op 8 m achter de rooilijn, zich situeert in de gangbare strook voor hoofdgebouwen langs de Vaartstraat; Overwegende dat betrokkene in zijn hoger beroep stelt dat hij niet langer de bouw van de bergplaats nastreeft en enkel in beroep komt voor de regularisatie van de stelplaats voor autocars; dat evenwel het volledige bouwplan, zoals in eerste aanleg ingediend, ook nu wordt voorgelegd; dat echter aan het voorstel van de aanvrager om in hoger beroep enkel de achterliggende stelplaats te beoordelen geen gevolg kan worden gegeven; dat immers het wegvallen van de bergplaats-garage zou resulteren in een perceelsaanleg die als zodanig niet onderhevig was aan de beoordeling van de eerder tussenkomende instanties en derhalve het voorstel zou leiden tot een essentiële wijziging in het voorwerp van de aanvraag; dat de gevestigde rechtspraak stelt dat tijdens een beroepsprocedure geen belangrijke wijzigingen aan de ingediende plannen mogen worden doorgevoerd; dat gelet op het voorgaande het oorspronkelijk ingediende plan dan ook in zijn totaliteit binnen huidige beroepsprocedure dient beoordeeld; Overwegende dat de garage-bergplaats met een inplanting op de rechter perceelsgrens en deels ter hoogte van de gangbare strook voor hoofdgebouwen inderdaad niet verenigbaar is met een goede plaatselijke aanleg; dat immers de omgeving gekenmerkt wordt door een normale hoofdbebouwing op de rooilijn en dat enkel het linksaanliggend eigendom ‘Verhaert’ een dubbele garage bezit op de voorbouwlijn, dit in functie van de aanpalende woning; dat bovendien de beoogde inplanting een normale inplanting van een toekomstig hoofdgebouw zou beletten; dat op grond van voorgaande vaststelling het ontwerp dus niet vergunningsvatbaar is; Overwegende dat blijkbaar op 31 oktober 1990 door het college van burgemeester en schepenen vergunning werd verleend tot het bouwen van een 4 m-hoge en 150 m²-grote stelplaats voor autocars op basis van een door de aanvrager zelf getekend ontwerp; dat gelet op de voorschriften betreffende de dossiersamenstelling, vereist voor een bouwwerk van dergelijke omvang, toen reeds de medewerking van een architect vereist was; dat afgezien van dat aspect X-9117-4/9 het optrekken van een gebouw, te paard ingeplant op linker, achterste en rechter perceelsgrens, met een hoogte van 4,2 m en 4,35 m op de scheidingslijn uit oogpunt van een goede aanleg en een goed nabuurschap onaanvaardbaar is; dat met name op de scheidingslijn de hoogte van de muren onredelijk hoog is en dat hierdoor de hinder ten aanzien van de aangelanden een normale burenhinder overstijgt; dat tenslotte wordt vastgesteld dat de tijdens huidige procedure van hoger beroep de bijgebrachte plannen niet werden ondertekend door de aanvrager; dat om alle voorgaande redenen het beroep van de particulier dient verworpen”. IV. Onderzoek Beoordeling van de middelen Eerste middel Standpunt van de verzoeker 4. De verzoeker voert de schending aan “van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur doordat de minister uitspraak doet over meer dan datgene waarvoor hij gevat is in graad van beroep en aldus een besluit ultra petita neemt”. De verzoeker stelt dat zijn beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie enkel was gericht tegen de regularisatieweigering en “er (...) geen sprake (
  2. is)van een essentiële wijziging in de initieel ingediende aanvraag”. Beoordeling 5. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoeker in de loop van de administratieve beroepsprocedure uitdrukkelijk heeft verzaakt aan het onderdeel van de door hem ingediende aanvraag dat betrekking had op de bouw van een nieuwe loods vooraan het perceel aan de straatkant. De verzoeker heeft tot tweemaal schriftelijk de minister meegedeeld dat dienaangaande “niet langer aangedrongen wordt” en “afgezien (wordt) van het verzoek tot oprichting van de gevraagde bergplaats”. Ook in huidige procedure voor de Raad van State bevestigt de verzoeker in het eerste middel dat enkel nog de regularisatie van de aanpassing van de bestaande stalplaats voor autocars in het geding is. De weigering van de minister om de nieuwbouw af te splitsen van de regularisatie aan het bestaande gebouw, heeft geen enkele implicatie gehad voor de wijze van beoordeling van de vergunbaarheid van de door de verzoeker nagestreefde regularisatie. X-9117-5/9 In het bestreden besluit wordt meerbepaald in een afzonderlijke paragraaf de vergunbaarheid van de nieuwbouw geëvalueerd, terwijl het regularisatieonderdeel in een volgende paragraaf op een aparte weigeringsargumentatie stuit. De vernietiging van het bestreden besluit op grond van het eerste middel kan de verzoeker derhalve geen enkel voordeel opleveren. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 6. De verzoeker voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna de motiveringswet) “en van het algemeen rechtsbeginsel van motiveringsplicht, doordat de Vlaamse minister een zeer vage motivering geeft, die bovendien onredelijk is en steunt op feitelijk onjuiste gegevens”. De verzoeker betoogt dat de minister “in zijn motivering (...) alles behalve duidelijk en precies is en zich beperkt tot het gebruik van algemene en vage terminologie”, het bestreden besluit verwijst naar een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 31 oktober 1990 terwijl “de bouwvergunning tot het oprichten van de kwestieuze bergplaats steunt op een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 03.09.1991”, “niet (kan) worden weerhouden dat de muur onredelijk hoog is en hierdoor de hinder ten aanzien van de aangelanden een normale burenhinder overstijgt”, “de onredelijke hoogte slechts 20 cm verschilt met de hoogte waarvoor (...) het college van burgemeester en schepenen toestemming had(...) gegeven”, “van een ernstige afwijking van het origineel plan geen sprake is”, het onredelijk is aan te nemen “dat er sprake is van een onaanvaardbare hoogte”, en “in de omgeving van de kwestieuze bergplaats er geen directe bewoning is”. 7. Gelet op het suppletoir karakter van de motiveringswet wordt de schending ervan geacht te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3, eerste lid van het gecoördineerde decreet dat aan de minister, wanneer deze uitspraak doet over een bouwaanvraag, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze die is opgelegd in de motiveringswet. Om te voldoen aan de hem opgelegde motiveringsverplichting dient de minister, wanneer hij met toepassing van artikel 53, § 2 van het X-9117-6/9 gecoördineerde decreet over een beroep uitspraak doet, in zijn besluit duidelijk aan te geven door welke, met de goede plaatselijke aanleg of ordening verband houdende redenen, zijn beslissing is verantwoord. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de goede plaatselijke aanleg in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State wel bevoegd na te gaan of de bevoegde overheid bij het verlenen of weigeren van een vergunning is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de uitvoering van de handelingen en werken waarvoor de vergunning is gevraagd de goede plaatselijke aanleg al dan niet in het gedrang brengt. 8. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de kwestieuze aanvraag door de verzoeker zelf initieel gekwalificeerd werd als een “regularisatie(aanvraag) autocargarage” in het aanvraagformulier, een “regularisatie(aanvraag) garage autocars” in de bij de aanvraag gevoegde nota en het attest van de architect en als een aanvraag “stalplaats autocars ter regularisatie” in het bijgevoegde plan van de architect. Daaruit blijkt ook dat de verzoeker niet de bij besluit van 3 september 1991 vergunde bergplaats voor autocars met “plat dak met roofing” met een maximale bouwhoogte van 4 m heeft opgericht, maar een stelplaats voor autocars met “lichthellende dakprofielplaten in gelakt staal” en “een hoogte van 4,2 m en 4,35 m”. Bovendien blijkt daaruit dat het college van burgemeester en schepenen de kwestieuze regularisatieaanvraag heeft gekwalificeerd als het “oprichten van een loods (regularisatie)” en dat de bestendige deputatie heeft aangenomen dat de op 3 september 1991 vergunde “loods (...) anders werd uitgevoerd dan vergund”, meer bepaald “dat de bergplaats 20 cm hoger en met een dak in lichthellende profielplaten in gelaakt staal werd uitgevoerd”. In de gegeven omstandigheden is de kwalificatie door de verwerende partij van de kwestieuze regularisatieaanvraag als “de regularisatie van een stelplaats voor autocars” gesteund op juiste feitelijke gegevens die correct werden beoordeeld. 9. De verzoeker toont niet aan dat de hiervoor aangehaalde overwegingen van het bestreden besluit met betrekking tot de kwestieuze regularisatieaanvraag gesteund zijn op onjuiste feitelijke en/of juridische gegevens. X-9117-7/9 De vermelding in het bestreden besluit van de datum 30 oktober 1990 bij de verwijzing naar de bouwvergunning van 3 september 1991 van het college van burgemeester en schepenen, is een loutere materiële misslag. 10. Anders dan de verzoeker voorhoudt, is de beoordeling van de verenigbaarheid van de regularisatieaanvraag met de goede plaatselijke aanleg in concreto geschied. De redenen van het bestreden besluit, die onmiskenbaar de ruimtelijke ordening betreffen, zijn niet onredelijk en er blijkt niet dat zij op verkeerde gegevens berusten. De feitelijke beweringen die de verzoeker aanbrengt, met name het volgens hem geringe hoogteverschil van 20 cm t.o.v. de op 3 september 1991 vergunde bergplaats voor autocars en de afwezigheid van directe bewoning in de omgeving, betreffen hoogstens zíjn oordeel over de goede plaatselijke aanleg. Zij tonen niet aan dat de beoordeling van de minister kennelijk onredelijk is of op verkeerde gegevens berust. Ook het feit dat het college van burgemeester en schepenen aan de verzoeker de niet uitgevoerde bouwvergunning van 3 september 1991 heeft verleend, doet hieraan geen afbreuk. De verwerende partij is in de gegeven omstandigheden niet gebonden door dit laatste besluit. Het middel is niet gegrond. Derde middel Standpunt van de verzoeker 11. De verzoeker voert in de memorie van wederantwoord de schending aan van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, doordat de minister zich schuldig maakt aan machtsafwending”. De verzoeker “meent (...) uit de lezing van de memorie van antwoord van verweerder een tot dan toe door hem onuitgesproken motivering te ontdekken”. Beoordeling 12. Het middel is onontvankelijk vermits het voor het eerst geformuleerd wordt in de memorie van wederantwoord en bovendien niet gericht is tegen het bestreden besluit maar tegen de inhoud van de memorie van antwoord. X-9117-8/9 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-9117-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.