id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.417 Rolnummer: A. 194688/XII-6038 Zaak: Arrest 202417 - Diploma's - 26/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.417 van 26 maart 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Verwerping dwangsom Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 202.417 van 26 maart 2010 in de zaak A. 194.688/XII-6038 In zake: Stan CANNAERTS die woonplaats kiest te Halle Villalaan 168 tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep 9 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 5 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 7 september 2009 van de algemeen directeur van de scholengroep 9 van het Gemeenschapsonderwijs, om de over Stan Cannaerts delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Verzoeker vraagt als voorlopige maatregel dat de Raad van State zou bevelen dat hem bijkomende proeven worden opgelegd. Hij vraagt eveneens dat aan verwerende partij een dwangsom van 200 euro wordt opgelegd per dag dat zij “nalaat het schoolreglement toe te passen, na betekening van het bevel tot bijkomende proeven”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. XII-6038-1\7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 maart
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Elke Baillieu, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2008-2009 ingeschreven in het tweede leerjaar van de derde graad humane wetenschappen in het koninklijk atheneum te Halle. Einde juni 2009 kent de delibererende klassenraad aan verzoeker een oriënteringsattest C toe. Verzoeker dient met een brief van 1 juli 2009 bezwaar in bij de directeur. Verzoeker -en zijn moeder- dringen vervolgens aan om hem spoedig een vakantietaak te geven en een antwoord te verstrekken op zijn beroep. Het overleg met de directeur vindt -uiteindelijk- plaats op 27 augustus 2009 (!). Daarop deelt de directeur met een brief van 28 augustus 2009 aan verzoeker mee dat “geen bijkomende elementen [werden] aangehaald om een nieuwe delibererende klassenraad samen te roepen”. Verzoeker tekent op 1 september 2009 beroep aan bij de beroeps- commissie. XII-6038-2\7 De beroepscommissie adviseert op 4 september 2009 om “de beslissing van de delibererende klassenraad te behouden en [verzoeker] een C-attest toe te kennen”. Met een brief van 7 september 2009 deelt de algemeen directeur van scholengroep 9 aan verzoeker mee dat hij zich met volgende motivering aansluit bij het advies van de beroepscommissie: “Gezien het groot aantal tekorten en de belangrijkheid ervan; de tekorten situeren zich zowel in de basisvorming als in het specifiek gedeelte als in het complementair gedeelte van de opleiding. Deze tekorten hebben bovendien geleid tot de vastgestelde 3 jaaronvoldoendes voor Engels (39,3%), Natuurwetenschappen (47,4%), Esthetica (41%). Gezien het feit dat de meerderjarige leerling tijdig op de hoogte [werd] gebracht van de evolutie naar een onvoldoende presteren (taken maken, toetsen studeren, inzet in de klas enz.) van de betrokken leerling via - Nota’s in de klasagenda; - Commentaar op het rapport: zowel voor de verschillende vakken als via commentaar klassenraad; - Gesprekken met klastitularis, vakleraren.” Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 9 september 2009 aan verzoeker betekend. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. V. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
- Verzoeker doet in het inleidend verzoekschrift als nadeel het volgende gelden : “Het is mogelijk om zich in te schrijven in het hoger onderwijs, onder voorbehoud van het behalen van het diploma secundair onderwijs. Desalniette- min wordt om dit diploma verzocht bij de aanvang van het eerste examen. De eerste examens worden in het hoger onderwijs georganiseerd in de maand januari. Wanneer door ondergetekende niet aan deze examens kan worden XII-6038-3\7 deelgenomen, groeit de kans niet onaanzienlijk dat een heel studiejaar - en derhalve inkomstenjaar - verloren raakt. Inmiddels heeft ondergetekende zich ingeschreven bij de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het Voltijds Secundair Onderwijs. Om te kunnen deelnemen aan de eerste examens van het hoger onderwijs in januari, dient hij daartoe voor alle vakken in éérste zit te slagen. Aangezien dit een bijzonder zware opgave is (de leerstof van alle vakken reikt immers over méér dan 1 semester), is de kans dat dit niet lukt, niet onaanzienlijk. Daarénboven kan de tijd door ondergetekende besteed aan de voorbereiding van deze examens, nuttiger besteed worden. Stuk voor stuk moeilijk te herstellen nadelen.”
- Het dreigend verlies van een schooljaar wordt in beginsel erkend als het moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel dat bij aanvoeren van ernstige middelen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een examenbeslissing kan verantwoorden, zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De vordering tot schorsing is in het onderwijscontentieux dan ook de meest geëigende weg om bij de Raad van State adequate rechtsbescherming te zoeken tegen een vermeend onwettige examenbeslissing. Immers, een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel voorlopig van aard, moet als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om zijn onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, te heroverwegen, en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar als moeilijk te herstellen ernstig nadeel en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen. Vereist is dan wel, nu een schorsing enkel voor de toekomst uitwerking heeft, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing dit nadeel nog nuttig kan worden geweerd. Daarenboven moet een verzoeker die de Raad van State bij deze uitzonderingsprocedure er wil toe brengen een schorsing te bevelen wegens de ernstige en moeilijk herstelbare benadeling die uitgaat van een onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan, zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit nadeel te minimaliseren. Het een en het ander impliceert dat, opdat het schoolbestuur nog nuttig tot een heroverweging zou worden aangespoord en het verlies van een schooljaar wordt vermeden, de schorsing van de tenuitvoerlegging in beginsel bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden gevorderd. Dit betekent dat een verzoekende partij niet zonder verantwoording, op aanvaardbare gronden, mag afzien van de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid, laat staan dat zij zou mogen wachten tot bijna de uiterste dag om de vordering in te stellen volgens XII-6038-4\7 de gewone schorsingsprocedure. De Raad van State, en vervolgens het schoolbe- stuur, zullen dan immers noodzakelijk slechts uitspraak kunnen doen op een ogenblik dat het schooljaar reeds verschillende maanden gevorderd is en het verlies van een schooljaar niét meer zo evident kan worden geweerd.
- Te dezen geeft verzoeker niet de minste verklaring in het inleidend verzoekschrift waarom hij niet voor de procedure van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft geopteerd en waarom hij, daarenboven, tot 5 november 2009 en dus bijna tot het verstrijken van de verjaringstermijn heeft gewacht om de voorliggende vordering in te dienen. Ter terechtzitting betoogt hij dat ook in geval van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de delibererende klassenraad niet opnieuw zou zijn samengekomen voor midden december. Op dat ogenblik zouden al de examens voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, waarop hij had ingeschreven, achter de rug zijn. Het lijkt hem dan ook zelfs niet opportuun om een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te leiden en hij heeft zijn rechten enkel willen vrijwaren voor het geval hij niet zou slagen voor de bedoelde examens van de examencommissie. Inmiddels zijn die examens achter de rug en blijkt dat hij opnieuw examens zal moeten afleggen in de maand mei. Mocht de klassenraad echter alsnog tot een diploma beslissen, dan kan hij zijn tijd nuttig(er) spenderen met het oog op het afleggen van examens in het hoger onderwijs, aldus verzoeker nog ter terechtzitting.
- Indien verzoeker gepast had gereageerd na ontvangst van de bestreden beslissing en onmiddellijk een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid had ingeleid bij de Raad van State -een rechtsmiddel waarvoor de meeste leerlingen door de band genomen zelfs geen twee weken nodig hebben om het aan te wenden- dan zou verzoeker eind september of uiterlijk begin oktober een uitspraak gekregen hebben van de Raad. Hij vergist zich bijgevolg schromelijk als hij er van uitgaat dat na een eventuele schorsing, de delibererende klassenraad pas midden december opnieuw samengeroepen zou kunnen worden. Integendeel zou een voor hem gunstige beslissing hem zelfs een deelname aan de eerste examensessie van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap bespaard kunnen hebben. XII-6038-5\7 Ondertussen blijkt dat verzoeker aan vier examens voor de examencommissie heeft deelgenomen -en aan vier andere niet- en dat hij voor geen enkel van die examens is geslaagd. Tot heden is verzoeker ook nergens ingeschreven in een instelling van hoger onderwijs. Door de eigen houding van verzoeker kan een uitspraak over de voorliggende vordering niet meer op tijd tussenkomen om verzoeker te behoeden voor het nadeel zoals hij dat in het inleidend verzoekschrift heeft omschreven, te weten het risico dat hij in de maand januari 2010 niet meer zal kunnen deelnemen aan examens in het hoger onderwijs. Ter terechtzitting argumenteert verzoeker ook nog dat hij ten minste zou kunnen hopen nog deel te nemen aan examens in juni. Vooreerst moet worden vastgesteld dat verzoeker dit niet heeft doen gelden in het inleidend verzoekschrift. De strikte regels van een schorsingspro- cedure vereisen nochtans dat, ook wat het aangevoerde nadeel betreft, alle argumenten in het inleidend verzoekschrift worden uiteengezet. Bovendien houdt verzoeker het op hypothesen en algemeenheden. Nu is het wel zo dat in het hoger onderwijs het klassieke jaartraject niet meer het enig mogelijke studietraject is. Het valt dus niet bij voorbaat uit te sluiten dat een student in concreto specifieke afspraken kan maken voor een welbepaalde opleiding in een welbepaalde onderwijsinstelling. Vereist is dan wel dat de verzoeker zélf preciseert en met documenten aantoont welk het studietraject is waarvoor hij een -al is het maar voorlopige en voorwaardelijke- inschrijving heeft verkregen en hoe in functie van die inschrijving een uitspraak over de vordering hem tot voordeel strekt. Van dit alles brengt verzoeker echter niets bij; integendeel spreekt hij niet de in het auditoraatsverslag gemaakte vaststelling tegen dat hij nog geenszins ook maar enige stappen in die zin heeft ondernomen. Uit al hetgeen voorafgaat besluit de Raad dan ook dat aan de besproken schorsingsvoorwaarde niet is voldaan. XII-6038-6\7
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
- De verwerping van de vordering tot schorsing heeft tot gevolg dat ook op het verzoek om onder verbeurte van een dwangsom voorlopige maatregelen op te leggen niet kan worden ingegaan. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De Raad van State verwerpt het verzoek om onder verbeurte van een dwangsom voorlopige maatregelen op te leggen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 maart 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6038-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.417 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.688 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div