← België

Arrest 202418 - Diploma’s - 26/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.418 Rolnummer: A. 194790/XII-6048 Zaak: Arrest 202418 - Diploma's - 26/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.418 van 26 maart 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 202.418 van 26 maart 2010 in de zaak A. 194.790/XII-6048 In zake: Jacob JORDAENS woonplaats kiezend te Niel Emile Vanderveldelaan 53 tegen: de VZW ONZE-LIEVE-VROUW INSTITUUT BOOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Hendrickx kantoor houdend te Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 16 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 14 september 2009 van het schoolbestuur van het Onze-Lieve-Vrouwinstituut te Boom om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen en van de beslissing van 31 augustus 2009 van die delibererende klassenraad, waarbij aan Jacob Jordaens een oriënte- ringsattest B wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 maart
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-6048-1\7 Helena Eeckeleers, die als wettelijke vertegenwoordiger verschijnt voor verzoeker en advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker is voor het schooljaar 2008-2009 als leerling ingeschreven in het tweede leerjaar van de tweede graad economie, optie wiskunde, in het Onze-Lieve-Vrouwinstituut te Boom. Einde juni 2009 behaalt verzoeker een jaartotaal van 58% met twee jaartekorten: wiskunde (41%) en Duits (47%). De delibererende klassenraad kent verzoeker een oriënteringsattest B toe. Naar aanleiding van een overleg op 3 juli 2009 tussen de ouders van verzoeker en de directeur, roept deze laatste de delibererende klassenraad opnieuw samen. De klassenraad beslist op 31 augustus 2009 om bij zijn eerdere beslissing om verzoeker een B-attest toe te kennen, te blijven. Dit is de tweede bestreden beslissing. De ouders van verzoeker dienen op 8 september 2009 bezwaar in bij de beroepscommissie. De beroepscommissie adviseert op 14 september 2009 om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. XII-6048-2\7 Het schoolbestuur beslist dezelfde dag nog om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Dit is de eerste bestreden beslissing. Zij wordt aan verzoekers ouders betekend met een ter post aangetekende brief van 15 september
  6. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  7. In haar nota met opmerkingen werpt verwerende partij op dat verzoeker niet over het rechtens vereiste belang beschikt en dat hij geen ontvankelij- ke middelen zou aanvoeren, waardoor zijn vordering zou moeten worden verwor- pen. Ambtshalve rijst nog de vraag of de vordering wel ontvankelijk is in zoverre ze gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over deze ontvankelijk- heidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoor- waarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. De schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VI. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde XII-6048-3\7
  9. Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift “Met betrekking tot het verzoek tot nietigverklaring” twee grieven aan en doet vervolgens “M.b.t. het verzoek tot schorsing” gelden wat volgt : “Jacob is tegen het advies van de delibererende klassenraad in in de school gebleven en heeft daar het technisch onderwijs in de richting boekhouden- informatica aangevat. Deze schoolkeuze is bij Jacob ingegeven door het feit dat hij zich heel goed in zijn vel voelt in deze school, hetgeen ook eerder werd bevestigd. Volgens directeur [R.T.] is dit geen argument om Jacob in de school te houden, terwijl wij als ouders vinden dat dit ook een zeer belangrijk aspect is voor Jacob. Jacob heeft de twee eerste jaren van het humaniora de Latijnse richting gevolgd en is dan uit speciale interesse voor Economie en wetenschap- pen/wiskunde in het derde jaar (d.w.z. eerste jaar van de tweede graad) overgegaan naar deze richting, hetgeen hij in het derde jaar ook succesvol heeft beëindigd. Zelfs indien men op 15 september had beslist om de delibererende klassenraad terug samen te roepen, dan nog zou Jacob ook reeds geruime tijd een achter- stand in het ASO hebben opgelopen. Gelet op zijn bovengemiddelde begaafd- heid en zijn motivatie om toch nog ASO te kunnen verderzetten, zal het hem nog mogelijk zijn om nog de overstap te doen. [...] Als Jacob niet eerstdaags de overstap kan doen, dreigt het verlies van een schooljaar, omdat de leerstof dan te ver gevorderd zal zijn. Evengoed dreigt hij eveneens twee schooljaren te verliezen in een aan zijn capaciteiten aangepaste schoolrichting doordat hij in het technisch onderwijs zijn capaciteiten niet ten volle kan doen ontplooien, waardoor ook zijn verdere studieloopbaan en beroepsloopbaan zullen worden gehypothekeerd.”
  10. Het dreigend verlies van een schooljaar wordt in beginsel erkend als het moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel dat bij aanvoeren van ernstige middelen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een examenbeslissing kan verantwoorden, zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dat is niet anders ingeval van toekenning van een oriënteringsattest B. De vordering tot schorsing is in het onderwijscontentieux dan ook de meest geëigende weg om bij de Raad van State adequate rechtsbescherming te zoeken tegen een vermeend onwettige examenbeslissing. Immers, een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel voorlopig van aard, moet als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om zijn onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, te heroverwegen, en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar als moeilijk te herstellen ernstig nadeel en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze desgeval- lend in te trekken en door een nieuwe te vervangen. Vereist is dan wel, nu een schorsing enkel voor de toekomst uitwerking heeft, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing dit nadeel nog nuttig kan worden geweerd. Daarenboven moet een verzoeker die de Raad van State XII-6048-4\7 bij deze uitzonderingsprocedure er wil toe brengen een schorsing te bevelen omwille van de ernstige en moeilijk herstelbare benadeling die uitgaat van een onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan, zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit nadeel te minimaliseren. Het een en het ander impliceert dat, opdat het schoolbestuur nog nuttig tot een heroverweging zou worden aangespoord en het verlies van een schooljaar wordt vermeden, de schorsing van de tenuitvoerlegging in beginsel bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden gevorderd. Dit betekent dat een verzoekende partij niet zonder verantwoording, op aanvaardbare gronden, mag afzien van de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid, laat staan dat zij zou mogen wachten tot bijna de uiterste dag om de vordering in te stellen volgens de gewone schorsingsprocedure. De Raad van State, en vervolgens het schoolbe- stuur, zullen dan immers noodzakelijk slechts uitspraak kunnen doen op een ogenblik dat het schooljaar reeds verschillende maanden gevorderd is en het verlies van een schooljaar niét meer zo evident kan worden geweerd.
  11. Te dezen heeft verzoeker na de kennisgeving van de bestreden beslissing met een op 15 september 2009 ter post aangetekend schrijven, gewacht tot 16 november 2009 om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in te stellen, zonder zich daarbij op regelmatige wijze te beroepen op de uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij dat schrijven had verzoeker dan weer geen woonplaatskeuze gedaan en niet het vereiste aantal voor eensluidend verklaarde afschriften van zijn verzoekschrift gevoegd, zodat de griffie hem daartoe met een op 18 november 2009 ter post aangetekend schrijven heeft moeten uitnodigen. Daarop heeft verzoeker, hoewel de brief te hebben ontvangen op 21 november 2009, nog eens tien kalenderdagen gewacht -tot 1 december 2009- om een en ander te regulariseren, zodat de verwerende partij door de griffie van de Raad van State ook maar pas met een brief van 4 december 2009 in kennis kon worden gesteld van de vordering van verzoeker. Die handelwijze is niet van aard om de dreiging van het verlies van een schooljaar in enige mate te helpen voorkomen. In het verzoekschrift is een verantwoording voor verzoekers gebrek aan passende voortvarendheid niet gegeven. XII-6048-5\7 Verzoeker verstrekt evenmin enige verklaring waarom hij niet voor de procedure van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft geopteerd.
  12. Thans is het schooljaar ontegensprekelijk té ver gevorderd om het door verzoeker aangevoerde nadeel van het verlies van een schooljaar te helpen voorkomen. Het eerste trimester, lessen en examens, is reeds volledig achter de rug.
  13. Dat verzoeker over een bovengemiddelde begaafdheid beschikt, doet daaraan geen afbreuk. Vooreerst erkent verzoeker in het inleidend verzoek- schrift zelf dat de overstap “eerstdaags” diende te gebeuren om het nadeel nog te kunnen afwenden. Voorts maakt artikel 12 , § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs een verandering van onderwijsvorm of studierichting -te dezen van TSO terug naar ASO- na 15 januari in principe onmogelijk. Dat die datum in verzoekers geval niet is gehaald, is uitsluitend toe te schrijven aan zijn eigen handelwijze. Het auditoraatsverslag kon in deze zaak door de beschreven omstandigheden pas worden neergelegd op 13 januari
  14. Ter terechtzitting merkt verzoeker nog op dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen hem ook zou voorthelpen om verwerende partij op het einde van het schooljaar met betere kansen er toe te brengen na te gaan of hij het daaropvolgende jaar de overstap naar ASO kan maken. Gelet op het bepaalde in artikel 15, § 1, 1/, van het voormeld besluit van 19 juli 2002 is daarvoor evenwel vereist dat verzoeker het tweede jaar van de tweede graad met vrucht beëindigt zonder clausulering voor de gewenste onderwijsvorm of studierichting. Verzoeker verduidelijkt niet hoe een schorsing van tenuitvoerlegging van een beslissing die nog op het daaraan voorafgaand jaar betrekking heeft, hem dichter bij die doelstelling kan brengen.
  15. Met de voorgaande gegevens voor ogen, kan het moeilijk te herstellen en ernstig karakter van het aangevoerde nadeel niet worden aangenomen. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-6048-6\7 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 maart 2010 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6048-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.418 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.952 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.