← België

Arrest 202419 - Diploma’s - 26/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.419 Rolnummer: A. 194833/XII-6050 Zaak: Arrest 202419 - Diploma's - 26/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.419 van 26 maart 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 202.419 van 26 maart 2010 in de zaak A. 194.833/XII-6050 In zake: Zuzana RYBANOVA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liesbeth Vermeire kantoor houdend te Brussel Louizalaan 283, bus 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het EUROPACOLLEGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve Swartenbroux kantoor houdend te Brussel Brederodestraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing dd. 1 oktober 2009 van de Academische Raad van het Europacollege houdende beroep tegen de afwijzing van de beschikking tot het verlenen van de Academische graad van Master in de EU International Relations and Diplomacy Studies dd. 30 oktober 2008 aan [Zuzana Rybanova]”. Verzoekster vordert in hetzelfde verzoekschrift “[v]oorlopige maatregelen [...] te verlenen zodat zij de gelegenheid heeft om, na verloop van een nuttige periode van begeleiding door een academicus haar daartoe toegekend en voldoende gekwalificeerd in de desbetreffende materie, haar thesis opnieuw in te dienen, waarop zij opnieuw beoordeeld wordt, terwijl haar reeds behaalde punten voor de overige studieonderdelen worden behouden, zodat na afloop en deliberatie zij in staat is om het betreffende diploma te behalen”. XII-6050-1\6 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 maart
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Liesbeth Vermeire, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Lieve Swartenbroux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoekster is tijdens het academiejaar 2007-2008 ingeschreven voor het postgraduate programma “EU International Relations and Diplomacy Studies” aan het Europacollege te Brugge. De thesis die verzoekster in dat verband in de tweede examenperi- ode neerlegt, wordt op 6 oktober 2008 met een score van 9/20 bedacht. Het diploma van Master of European Studies wordt verzoekster op 30 oktober 2008 om die reden geweigerd. Met een brief van 12 november 2008 richt verzoekster zich tot de rector van het Europacollege met een verzoek tot herevaluatie van haar thesis en vraagt zij of het mogelijk is om een nieuwe thesis te schrijven met een andere begeleider. XII-6050-2\6 Nadat de “director of the academic service and admissions” verzoekster per e-mail van 3 december 2008 meedeelt dat haar schrijven werd ontvangen, maar dat eerst met de “director of studies” moet worden overlegd, laat die “director of studies” haar met een brief van 18 december 2008 weten dat niet op haar verzoek wordt ingegaan. Op 16 april 2009 richt verzoekster zich opnieuw tot de rector. Zij geeft aan nog steeds op een antwoord te wachten. Daarop bezorgt de rector haar met e-mails van 23 en 28 april 2009 de beslissing van de “director of studies” van 18 december
  6. Met een brief van 6 juni 2009 vraagt verzoekster opnieuw een herevaluatie van haar thesis. Met een brief van 1 juli 2009 laat de rector van het Europacollege aan verzoekster weten dat de academische raad op 19 juni 2009 heeft beslist dat hij zichzelf niet in de mogelijkheid ziet het toegekende thesiscijfer te heroverwegen. Deze brief wordt ook per e-mail van 8 juli 2009 aan verzoekster overgemaakt. Per e-mail van 3 juli 2009 deelt ook de “director of the academic service and admissions” aan verzoekster mee dat de academische raad op 19 juni 2009 de beslissing van de “director of studies” heeft bevestigd en dat het “absoluut onmogelijk” is om de situatie opnieuw te bekijken. Met een brief van 21 september 2009 richt verzoeksters - toenmalige- raadsman zich tot de rector van het Europacollege met het oog op een “minnelijke regeling”, bij gebreke waaraan de examenbeslissing in rechte zou worden aangevochten. Op 1 oktober 2009 bevestigt de secretaris van de academische raad aan die raadsman de goede ontvangst van de brief van 21 september 2009 en deelt hij mee dat hij “na grondig nazicht van het dossier”, “de beslissing van de Academische Raad enkel [kan] bevestigen”. XII-6050-3\6 IV. Rechtsmacht van de Raad van State
  7. Verwerende partij werpt op dat zij niet kan worden beschouwd als een administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zodat de Raad zonder rechtsmacht is over de bestreden beslissing. Nu hierna blijkt dat de vordering hoe dan ook verworpen moet worden, op grond van een ander door verwerende partij opgeworpen middel van onontvankelijkheid, ziet de Raad van State geen reden om deze kwestie in deze stand van de rechtspleging al nader te onderzoeken. V. Ontvankelijkheid van het beroep
  8. Verwerende partij werpt op dat de vordering van verzoekster onontvankelijk is aangezien deze niet gericht is tegen een aanvechtbare beslissing.
  9. In het inleidend verzoekschrift zet verzoekster uiteen dat artikel 26 van het studiereglement van het Europacollege in een georganiseerde beroeps- procedure voorziet, die zij heeft uitgeput. In het bedoelde reglement “Study Regulations of the College of Europe” bepaalt artikel 26 wat volgt: “Where a student considers, despite having received a reasoned response from the professor, that the mark he or she has been given is clearly wrong, an appeal must be made in writing to the Director of the department of studies. The director will decide definitively, in agreement with the Permanent Lecturer of the department, whether or not a mistake has been made. Any eventual modification to the mark will be finallly decided upon by the Academic council.” Vrije vertaling: “Indien een student van oordeel is, ondanks een met redenen omkleed antwoord van de professor, dat het aan hem of haar toegekende cijfer klaarblijkelijk onjuist is, moet een schriftelijk beroep worden gericht aan de directeur van het betrokken departement. De directeur beslist onherroepelijk, met instemming van de vaste docent van het departement, of er al dan niet een fout werd gemaakt. Over een uiteindelijke aanpassing van het cijfer wordt finaal beslist door de academische raad.” XII-6050-4\6 Uit deze bepaling lijkt te volgen dat alleen de directeur van het departement waar de student zijn studies volgt bevoegd is om te beslissen of een betwist cijfer gehandhaafd kan blijven of niet. Wanneer de directeur van oordeel is dat het betwiste examencijfer verkeerd is vastgesteld, wordt de academische raad van het Europacollege betrokken, die vervolgens de quotering dient aan te passen. Te dezen heeft de directeur geoordeeld dat er geen reden was om het beroep van verzoekster in te willigen. Daaruit volgt op het eerste gezicht dat de academische raad zich verder met het beroep niet heeft in te mengen. Verzoekster wijst overigens geen bepaling aan die de academische raad de mogelijkheid verleent om eigener gezag of op vraag van een student een beroep te behandelen of een examenbeslissing te wijzigen. De academische raad heeft dan ook terecht, zo lijkt, op 19 juni 2009 beslist dat “[he] did not see itself in a position to reconsider the final mark that you achieved for your thesis” (vrij vertaald: “dat hij zich niet bij machte weet om de eindquotering die u kreeg voor uw thesis te heroverwegen”).
  10. De eindbeslissing in de voorliggende zaak lijkt dan ook de beslissing te zijn waarbij de directeur van het departement “EU International Relations and Diplomacy Studies” op 18 december 2008 weigert in te gaan op het bezwaar van verzoekster.
  11. Nu zou de vraag kunnen rijzen of verzoekster niet geacht moet worden met de voorliggende vordering in wezen die eindbeslissing te bestrijden. Het antwoord op die vraag zou de Raad van State kunnen geven aan de hand, onder meer, van de aangevoerde middelen en het door verzoekster nagestreefde voordeel. Daarenboven zou dan de vraag kunnen rijzen of verzoekster die eindbeslissing op 27 november 2009 nog wel tijdig kan bestrijden. Alvast op die vraag meent het auditoraat dat negatief moet worden geantwoord.
  12. Waar van de Raad van State evenwel in een schorsingsprocedure al niet mag worden verwacht dat hij in de plaats van de verzoekende partij het verzoekschrift gaat herschrijven, moet te dezen worden vastgesteld dat verzoekster ter terechtzitting zélf argumenteert dat de door haar formeel bestreden beslissing van 1 oktober 2009 wel degelijk als de eindbeslissing te begrijpen is -en tijdig is bestreden. XII-6050-5\6
  13. Nu bijgevolg enkel de in de brief van 1 oktober 2009 gelezen weigering gezien moet worden als voorwerp van de vordering, stelt de Raad van State vast dat de door verwerende partij opgeworpen exceptie in de huidige stand van de procedure aangenomen moet worden. Niet alleen heeft de academische raad, als gezien, geen bevoegd- heid ter zake. Daarenboven is in de brief van 1 oktober 2009 zelfs geen beslissing van de academische raad te bespeuren, maar betreft het enkel een inlichting die zijn secretaris verschaft aan de raadsman van verzoekster. Uit niets blijkt dat hetzij de academische raad hetzij de bevoegde directeur de vraag van verzoeksters raadsman om tot een minnelijke schikking te komen hebben begrepen als een willig beroep en dat de ene of de andere is overgegaan tot een nieuw onderzoek van verzoeksters argumenten. In de brief van 1 oktober 2009 is dan ook geen (mededeling van een) aanvechtbare administratieve rechtshandeling te lezen.
  14. De onontvankelijkheid van de vordering heeft als gevolg dat ook het verzoek tot opleggen van voorlopige maatregelen niet ingewilligd kan worden. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt de vordering.
  16. De Raad van State verwerpt het verzoek tot het opleggen van voorlopige maatregelen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 maart 2010 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6050-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.419 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.310 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.