← België

Arrest 202424 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.424 Rolnummer: A. 169593/X-12664 Zaak: Arrest 202424 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-06 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.424 van 29 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.424 van 29 maart 2010 in de zaak A. 169.593/X-12.664. In zake: de gemeente BORSBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ciska Servais kantoor houdend te 2600 BERCHEM Roderveldlaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Claude Marinower kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Consciencestraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: 1. André DE RYCK, 2. Godelieve VAN ROEYEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te 9100 SINT-NIKLAAS Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 18 januari 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 22 november 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende, eensdeels, de inwilliging van het beroep van André DE RYCK en Godelieve VAN ROEYEN tegen het besluit van 11 maart 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Borsbeek waarbij aan hen de vergunning wordt geweigerd voor het aanleggen van een parkeerruimte op een perceel gelegen te Borsbeek, J. Reusenslei, kadastraal bekend sectie B, nr. 1/D/2, en anderdeels, de afgifte van de voormelde vergunning. X-12.664-1/12 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 mei 2006. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mathieu Malfait, die loco advocaat Ciska Servais verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Kelly Bosmans, die loco advocaat Claude Marinower verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Marie-Laure De Smedt, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-12.664-2/12 III. Feiten 3.1. Het perceel waarop de door het bestreden besluit vergunde parkeerruimte zich bevindt, is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een bijzonder plan van aanleg, gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of vergunde verkaveling. 3.2. Op 23 oktober 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Borsbeek aan de tussenkomende partijen een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een gelijkvloerse handelsruimte met daarboven een appartement op het voormelde perceel. Dit perceel bevindt zich op de hoek van de Herentalsebaan en de J. Reusenslei. Het gedeelte gelegen voor de handelsruimte aan de J. Reusenslei wordt op het inplantingsplan aangeduid als “voortuin”. 3.3. In een proces-verbaal van 12 mei 2005 wordt het volgende gesteld: “Echter bij het einde van de werken, werd vastgesteld dat de voortuin plaats had gemaakt voor een verharding in klinker en dat deze verharding ingericht en dienst doet als parking voor het cliënteel van het zonnecentrum. Op 07/01/05 wordt er bij collegebeslissing bevestigd en ter kennis gebracht aan de bouwheer, dat de verharding terug dient verwijderd te worden en dat zoals voorzien een tuin dient te worden aangelegd”. 3.4. Op 3 februari 2005 (datum van het ontvangstbewijs) wordt door de tussenkomende partijen een aanvraag ingediend voor een stedenbouwkundige vergunning voor “het aanleggen van parkeerplaatsen bij handelsruimte” op het voormelde perceel. 3.5. De afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen verleent op 11 februari 2005 een gunstig advies “gezien de aanvraag in overeenstemming is met algemene en bijzondere voorwaarden”. 3.6. De hoofdinspecteur van de politie van het wijkbureel Borsbeek stelt op 8 maart 2005 zich niet akkoord te kunnen verklaren met de “vooropgestelde wijziging”. X-12.664-3/12 3.7. Op 11 maart 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Borsbeek de gevraagde vergunning. 3.8. De tussenkomende partijen tekenen tegen deze weigeringsbeslissing beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 3.9. Wegens het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie, stellen de tussenkomende partijen, bij schrijven van 22 juni 2005, beroep in bij de Vlaamse regering overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet). In het beroepschrift wordt het volgende aangevoerd : “Hierbij wensen wij conform artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, in beroep te gaan tegen hogervermelde collegebeslissing (...) ‘... op gebied van ruimtelijke ordening gesteld kan worden dat: - de aanvraag een verharding betreft van een bouwvrije voortuinstrook - De aanvraag esthetisch niet verantwoord is doordat het groene karakter plaats moet maken voor verharding. - De aanvraag verkeertechnish niet aanvaardbaar is gezien het mogelijk gevaar voor voorbijgangers.’ Wij gaan in beroep tegen bovenstaande beslissing om volgende redenen : - de huidige aanvraag voldoet aan het ongunstig advies van 7 januari 2005 - gebrek aan motivatie inzake de algemene conclusie ‘esthetisch niet verantwoord’ - aanvraag is conform het algemeen principe van de gemeente Borsbeek inzake verharden van de voortuin. - tegenstrijdigheden en verzaken aan het gelijkheidsbeginsel en principe van behoorlijk bestuur; 1. de huidige aanvraag voldoet aan de voorwaarden opgenomen in de weigeringsbeslissing van 7 januari 2005 In cursief zijn de weigeringsmotieven van de collegebeslissing van 7 januari 2005 opgenomen. In deze beslissing was de eindconclusie ‘Het college van burgemeester en schepenen weigert het ingediend voorstel omwillen van de hierboven vermelde redenen en voornamelijk: daar de politie een ongunstig rapport opmaakt omdat de parkeerplaatsen geen 5m diep zijn en er soms deels op het voetpad wordt geparkeerd’ Huidig voorstel (...) voorziet het aanleggen van 3 parkeerplaatsen met breedte variërend van 2,6 tot 2,9 breedte en diepte van circa 7m. Met deze afmeting zal het voetpad volledig vrij blijven van obstakels zoals gesteld in collegebeslissing van 7 januari 2005 2. gebrek aan motivatie inzake de algemene conclusie ‘esthetisch niet verantwoord’ De beoordeling opgenomen in de omstreden collegebeslissing van 11 maart 2005 geeft op geen enkele wijze een motivatie die leidt tot dergelijke algemene conclusie. Hier is op geen enkele wijze voldaan aan de motiveringsplicht. X-12.664-4/12 Voorliggende aanvraag voorziet 3 parkeervakken van meer dan 5 meter. De groene zones (onverharde delen) worden gebruikt en vormgegeven om de richting van het parkeren te accentueren. Zij zullen ingericht worden met planten. De materiaalkeuze is afgestemd op de grijze betontegels van het openbaar domein (voetpad). Van schaalbreuk kan tevens geen sprake zijn gezien de inrichting quasi identiek (echter met meer % groene zones) is aan de inrichting van de voortuinstroken van andere handelspanden (...) 3. de aanvraag is conform het algemeen principe van de gemeente Borsbeek inzake verharden van de voortuin. Voor het verharden van voortuinen wordt in Borsbeek volgend principe gehanteerd (meegedeeld aan aanvrager in schrijven van het gemeentebestuur van 20 november 2004) Het principe ‘enkel delen van de voortuin verhard strikt noodzakelijk voor toegang en/of garage(

  1. s)wordt hoofdzakelijk toegepast bij woonhuizen. Het principe ‘tenzij ander werd vergund’ wordt toegepast bij handelszaken Huidige aanvraag betreft het voorzien van 3 parkeerplaatsen bij een handelszaak. 4. tegenstrijdigheden en verzaken aan het gelijkheidsbeginsel en principe van behoorlijk bestuur Een aanvraag wordt afgekeurd op basis van een welbepaalde visie (opmerkingen opgenomen in eerste weigering van 7 januari 2005) De aanvrager past plannen aan conform deze opmerkingen. - Het aantal parkeerplaatsen wordt van 4 naar 3 gebracht om te voldoen aan de gestelde afmetingen en het vrijwaren van het openbaar domein Het weigeren van deze aangepaste aanvraag op basis van andere (verkeer)scriteria, weliswaar weinig gemotiveerd. getuigt niet van behoorlijk bestuur, noch van een éénduidig(
  2. e)visie. Tevens zijn er in de omgeving diverse gelijkaardige situaties, waarbij de voortuin van (...) handelszaken zelfs voor 100% werden verhard (zonder enige groene ruimte) (...). Gezien de motivatienota bijgevoegd aan de stedenbouwkundige aanvraag duidelijk aantoon(
  3. t)dat de huidige aanvraag wel in aanmerking komt voor een stedenbouwkundige vergunning; Gezien de weigering op geen enkele manier aantoon(
  4. t)dat er niet tegemoet is gekomen aan de voorwaarden opgenomen in de weigeringsbeslissing van 7 januari 2005; Gezien de onduidelijkheden inzake visie binnen de gemeente Borsbeek: Gezien de diverse voorbeelden van parkeerzones en verhardingen bij handelspanden in de nabij(
  5. e)omgeving zijn wij van oordeel dat de huidige aanvraag voor het aanleggen van 3 parkeerplaatsen bij een handelspand in aanmerking komt voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning”. 3.10. In zitting van 15 juli 2005 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Borsbeek het volgende aangaande het beroep van de tussenkomende partijen : “Overwegende dat op deze argumenten het volgende kan gezegd worden: 1. op 07.01.2005 heeft het schepencollege een voorstel van de heer en mevrouw De Rijck-Van Roeyen afgewezen; dit voorstel werd niet ingediend onder de vorm van aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning en kan bijgevolg niet als weigering aanzien worden in de X-12.664-5/12 volle betekenis van de term ‘weigering van stedenbouwkundige vergunning’. 2. in de weigering tot stedenbouwkundige vergunning is gesteld dat: ‘de aanvraag esthetisch niet verantwoord is doordat het groene karakter plaats moet maken voor verharding.’ wat inderdaad duidt op een esthetisch uitzicht van de omgeving. 3. De verwijzing naar een brief van 20.11.2004 is volkomen uit de lucht gegrepen. Die brief is onbestaande. 20.11.2004 was bovendien een zaterdag en dus geen werkdag voor het gemeentebestuur, de verwijzing naar het principe ‘tenzij ander werd vergund’ dat zou toegepast worden voor handelszaken is onterecht. Dit is een eigen, vrije interpretatie van de aanvrager; Op 29.11.2004 werd aan de aanvrager gemeld dat ‘de voortuinstrook in regel slechts verhard mag worden voor die delen die nodig zijn om het pand/en of de garage te bereiken, tenzij dit anders werd vergund.’ De stedenbouwkundige vergunning verleent geen andere vergunning dan de voortuinstrook die bovendien door de aanvrager zelf aangevraagd werd; Het schepencollege hanteert het principe dat een verharding in een voortuin enkel wordt toegelaten als verharding naar een garage en als een voetpad naar de voordeur. Enkel voor de gewestwegen (Frans Beirenslaan en Herentalsebaan) wordt hiervan afgeweken. 4. de drie gevraagde parkeerplaatsen staan in een voortuinstrook die niet als dusdanig aangelegd werd. De mogelijkheid tot aanleggen van parkeerplaatsen op die plaats is van verschillende factoren afhankelijk; de vrijwaring van het openbaar domein is er maar een onderdeel van zoals nu reeds veelvuldig in de verschillende collegebeslissingen en brieven aan de aanvrager duidelijk zou moeten zijn”. 3.11. Op 22 november 2005 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep in en verleent hij de stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van de parkeerruimte. Dit is het thans bestreden besluit. IV. Gegrondheid Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij voert in het enige middel het volgende aan : “ENIG MIDDEL: Genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, schending van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (DROG) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel. Toelichting : 1. De Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen X-12.664-6/12 tot stand te brengen voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De opgelegde motivering moet afdoende zijn. Echter, de thans bestreden beslissing willigt het beroep van de architect Steve Van Hoof handelend namens de heer en mevrouw De Rijck-Van Roeyen in zonder hieromtrent ook maar enige eigen motivering op te bouwen. 2. Het bestreden besluit stelt in het overwegende gedeelte: ‘Gelet op het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, (...) ‘Gelet op het hoger beroep dat door architect Steve Van Hoof namens de heer en mevrouw De Rijck-Van Roeyen op 22 juni 2005 is ingesteld bij gebreke van een beslissing van de bestendige deputatie; Gelet op de door de particulier geformuleerde redenen tot beroepsinstelling zoals vervat in voornoemd schrijven; Overwegende dat de gemeente de wens heeft uitgedrukt om gehoord te worden; dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud d.d. 17 november 2005 enkel de aanvrager en zijn architect zijn verschenen;’ 3. Nochtans vereist, zoals reeds aangegeven, artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 dat de opgelegde motivering in de akte zélf de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Hier is van een motivering echter geen sprake, daar verwerende partij zich ertoe beperkt te verwijzen naar de door de architect Steve Van Hoof, handelend namens de heer en mevrouw De Rijck-Van Roeyen, geformuleerde redenen tot beroepsinstelling zoals vervat in zijn hoger beroep bij de bestendige deputatie, zonder daarbij nog maar in het minst aan te geven of en waarom zij zich daarbij aansluit. Evenmin kan de overweging dat verzoekster niet aanwezig was op het onderhoud van 17 november 2005, ondanks haar verzoek om gehoord te worden, de beslissing van verwerende partij op afdoende wijze staven. 4. Verzoekster heeft in haar collegebeslissing van 15 juli 2005 de verschillende motieven die de architect Steve Van Hoof namens de heer en mevrouw De Rijck-Van Roeyen inroept in zijn beroep, weerlegd, en beslist aan de Minister te melden dat het negatieve advies inzake de weigering van de stedenbouwkundige vergunning van 11 maart 2005 behouden blijft en waarom. Echter, nergens in haar beslissing geeft verwerende partij aan waarom zij niet ingaat op de argumenten van verzoekster. 5. Het is evenwel vaststaande rechtspraak van Uw Raad dat een dergelijke motivering niet kan volstaan en dat de Minister in voorkomend geval minstens dient aan te geven waarom hij zich aansluit bij het standpunt van verwerende partij, en in ontkennend geval gelijk moet worden gesteld met het ontbreken van enige motivering. De motivering dient duidelijk te zijn en concreet de redenen doen kennen die haar kunnen verantwoorden (...). Daar is in casu geen sprake van. De motivering moet pertinent zijn (...). Er is in casu geen sprake van enige motivering die ter zake dienend of relevant is. De motivering moet concreet en precies zijn. Standaardformules zijn daarbij uit den boze. Verwerende partij brengt geen enkel - maar dan ook werkelijk geen enkel - motief naar voor waaruit blijkt op welke grond de vergunning kon worden afgeleverd en op welke basis de argumenten van verzoekster tot weigering van de vergunning achterwege konden worden gelaten. Er wordt X-12.664-7/12 zelfs niet eens aangehaald op welke bezwaren van de aanvragers tegen de eerdere weigering, wordt ingegaan. Het bestreden besluit is dan ook overduidelijk in strijd met de genoemde bepalingen van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Daardoor wordt verzoekster uiteraard verhinderd om in de huidige procedure over de grond van de zaak te debatteren. 6. Alleszins moet worden vastgesteld dat de motivering van verwerende partij door verwijzing naar ‘de door de particulier geformuleerde redenen tot beroepsinstelling’, niet afdoende is, zoals nochtans vereist door artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991. Immers, uit die passage van het besluit blijkt nergens dat de betrokken Minister zelfs maar de moeite heeft genomen om het dossier ten gronde te onderzoeken. Het besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991. 7. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid tot zorgvuldige voorbereiding van de besluiten. Meer in het bijzonder dient de feitenvinding juist en volledig te zijn en dient de overheid erover te waken dat zij bij haar beslissing alle bezwaren en argumenten tegen elkaar afweegt. Van een zorgvuldige overheid mag dus worden verwacht dat zij specifiek en gedetailleerd motiveert waarom een beroep wordt ingewilligd en bijgevolg een vergunning wordt afgeleverd, zeker wanneer een eerdere overheidsinstantie, in casu verzoekster, reeds de vergunning heeft geweigerd en de beroepsargumenten van de aanvragers uitdrukkelijk heeft weerlegd. Een dergelijke motivering, in de vorm van een zorgvuldige afweging en beoordeling van de argumenten van de aanvragers en van de tegenargumenten van verzoekster, waarbij de bevoegde Minister zicht een eigen oordeel vormt over de zaak, ontbreekt hier in het geheel, zoals hoger al aangegeven. Op die manier heeft de verwerende partij dus eveneens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. 8. Artikel 53,§ 3 van het DROG verplicht de Vlaamse regering eveneens uitdrukkelijk om haar beslissingen met redenen te omkleden. Het is overduidelijk dat evenmin aan deze vereiste werd voldaan, gelet op het gebrek aan motivering ter zake, zoals hierboven reeds uitvoerig uiteengezet. Het enig middel is dan ook gegrond”. Beoordeling 5.1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
  6. is)op de bijzondere regelingen waarbij de X-12.664-8/12 uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet, legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. 5.2. Wanneer de bestendige deputatie en de Vlaamse regering op grond van de voormelde bepaling in beroep uitspraak doen over een bouw- of verkavelingsvergunning, treden zij niet op als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de hen opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden zijn al de in het beroep aangevoerde middelen of argumenten rechtstreeks en punt na punt te beantwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij is verantwoord, derwijze dat het de aanvrager of belanghebbende derden mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. 5.3. De verzoekende partij citeert als “het overwegende gedeelte” de volgende passage van het bestreden besluit, om te concluderen dat er van “enige eigen motivering” geen sprake is : “Gelet op het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, (...) X-12.664-9/12 Gelet op het hoger beroep dat door architect Steve Van Hoof namens de heer en mevrouw De Rijck-Van Roeyen op 22 juni 2005 is ingesteld bij gebreke van een beslissing van de bestendige deputatie; Gelet op de door de particulier geformuleerde redenen tot beroepsinstelling zoals vervat in voornoemd schrijven; Overwegende dat de gemeente de wens heeft uitgedrukt om gehoord te worden; dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud d.d. 17 november 2005 enkel de aanvrager en zijn architect zijn verschenen”. 5.4. Het bestreden besluit bevat echter, ná de verwijzing naar de redenen zoals vervat in het beroepschrift van de tussenkomende partijen en vóór de vaststellingen omtrent de hoorzitting, tevens de volgende overwegingen : “Gelet op de door het college van burgemeester en schepenen gestelde motieven tot weigering van de vergunning; Overwegende dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen aan de aanvrager werd betekend op 17 maart 2005; dat betrokkene beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie bij middel van een ter post op 6 april 2005 aangetekend schrijven; het beroep bij de bestendige deputatie is ingediend in de vorm en binnen de termijn door de wet bepaald en dienvolgens ontvankelijk is; dat huidig hoger beroep bij gebreke van een kennisgeving van de beslissing van de bestendige deputatie binnen de termijn, zoals bepaald in artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, geldig ingesteld is; Overwegende dat het gaat om een pand op de hoek van de Herentalsebaan, een drukke gewestweg, en de genoemde J. Reusenslei, een gemeenteweg: dat voor het perceel op 23 oktober 2003 door de gemeente stedenbouwkundige vergunning is gegeven tot het bouwen van een gelijkvloerse handelsruimte met daarboven een appartement; dat het vergunde inplantingsplan op de plaats van de gevraagde parkeerplaats de bestemming ‘voortuin’ aanduidt, zonder nadere specificatie; dat evenmin dit plan verschil maakt tussen de eigenlijke voortuin en de inrit naar de garage; dat in realiteit de strook tussen de rooilijn van de J. Reusenslei en de gevel ingericht werd als parkeerstrook met vijf plaatsen, loodrecht op de weg; dat huidig bouwvoorstel drie parkeerplaatsen in schuine ligging voorziet, bereikbaar vanuit de rijrichting Borsbeek-centrum; dat naast een plaats voor fietsen twee kleinere groenperkjes zijn voorzien; Overwegende dat de plaats volgens het gewestplan Antwerpen gelegen is in het woongebied; dat kwestieus terrein niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats; Overwegende dat een vergunning voor de handelsfunctie, zoals die duidelijk was voorgesteld op het vergunde bouwplan van 2003, een globale beoordeling van dit project impliceert; dat bij dergelijke vestiging normalerwijze een inherente verkeersaantrekking moet ingecalculeerd worden; dat hoewel het bouwvoorstel zelf geen voorzieningen op dit punt aanduidde, zelfs integendeel een groenaanleg inhield, er ten allen tijde nog kan geoordeeld worden of er al dan niet eigen parkeerplaatsen dienen of kunnen aangelegd; Overwegende dat betrokken omgeving een uitgestrekt en stedelijk patroon vertoont in dichte bebouwing en met velerlei bestemmingen en uitvoeringen; dat langs de drukke gewestweg, en langs de iets verder gelegen Frans Beirenslaan op verscheidene plaatsen parkeerplaatsen rechtstreeks palend aan X-12.664-10/12 het openbaar domein zijn gerealiseerd, in functie van handelsvestigingen; dat ook langs de J. Reusenslei, voor de bankkantoren KBC en AXA, en het daarnaast palend appartementsgebouw, eveneens gelijkaardige verharde parking werd aangelegd, over de volledige perceelsbreedte; Overwegende dat aan de vergunde kleinschalige handelsvestiging een inherente en evenredige verkeersaantrekking verbonden blijft; dat een inrichting voor het stallen van een beperkt aantal fietsen en drie wagens redelijk en in verhouding blijft; dat dergelijke uitrusting immers tot de normale uitbouw hoort van een handelspand en van het betrokken stedelijk woongebied; Overwegende dat in huidig geval de toegang tot de parking deels samenvalt met deze naar de private garage van het appartement; dat het voetpad volledig vrij blijft; dat de groenaanleg een zekere verzorgde inkleding meebrengt; dat de schuine inplanting ervoor zorgt dat men bij het uitrijden de straat niet moet oversteken maar dat men op de geëigende rechtse rijvak kan blijven; Overwegende dat de gemeente geen tegenstelbare beleidslijn op het parkeeraspect heeft; dat gelet op het karakter van de J. Reusenslaan met weinig verdere uitbouwmogelijkheden en met haar overwegend residentieel karakter van particuliere woningen nabij de bouwplaats, de aanleg van de gevraagde parkeerplaats het algemeen straatbeeld niet zal verstoren; dat het gaat om een hoekperceel dat evengoed op de voorliggende gewestweg is betrokken waar dergelijke parkings meer voorkomen; Overwegende dat in die zin de goede plaatselijke ordening bewaard blijft; dat dan ook vergunning kan gegeven worden en het beroep van de particulier ingewilligd; Overwegende dat overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid - Belgisch Staatsblad 14 november 2003 - net ontwerp onderworpen dient te worden aan de watertoets; dat het voorliggende project een zeer beperkte oppervlakte heeft en niet ligt in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat geen schadelijk effect wordt veroorzaakt in de plaatselijke waterhuishouding, noch dat dit mag verwacht worden ten aanzien van het eigendom in aanvraag”. 5.5. Hieruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, er in het bestreden besluit wel degelijk concrete en precieze motieven worden weergegeven “waaruit blijkt op welke grond de vergunning kon worden afgeleverd en op welke basis de argumenten van verzoekster tot weigering van de vergunning achterwege konden worden gelaten”. Voorts beperkt de verwerende partij er zich in het bestreden besluit niet toe “te verwijzen naar de door de architect (...), handelend namens de heer en mevrouw De Rijck-Van Roeyen, geformuleerde redenen tot beroepsinstelling zoals vervat in zijn hoger beroep bij de bestendige deputatie, zonder daarbij nog maar in het minst aan te geven of en waarom zij zich daarbij aansluit”, en steunt zij evenmin haar beslissing op “de overweging dat verzoekster niet aanwezig was op het onderhoud van 17 november 2005”. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat de verzoekende partij uitgaat van een onvolledige lezing van het bestreden besluit, zodat de door haar aangevoerde kritiek feitelijke grondslag mist. X-12.664-11/12 Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.664-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.424 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.