id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.428 Rolnummer: A. 180494/IX-5554 Zaak: Arrest 202428 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-12 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.428 van 29 maart 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.428 van 29 maart 2010 in de zaak A. 180.494/IX-5554 In zake : Roland DE ROP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Saeys kantoor houdend te Aalst Zwarte Zustersstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francine Lemaire kantoor houdend te Brussel René Berrewaertslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 januari 2007, strekt tot de nietigver- klaring van: - de beslissing van 13 april 2006 van de Afdeling Economisch Ondersteuningsbe- leid van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap tot vernietiging van de beslissing van de administratie om aan Roland De Rop expansiesteun toe te kennen en tot terugvordering van de reeds uitgekeerde bedragen; - de beslissing van 19 juli 2006 van de Vlaamse minister bevoegd voor het economisch beleid waarbij beslist wordt om de vernietigings- en terugvorderings- beslissing van 13 april 2006 van de administratie niet in te trekken; - de beslissing van 13 april 2006 van de Afdeling Economisch Ondersteuningsbe- leid om de vrijstelling van onroerende voorheffing niet toe te kennen en de reeds genoten vrijstelling na te vorderen. IX-5554-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 maart
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Paul Saeys, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Francine Lemaire, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Ines Martens, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 1 juni 1995 dient de verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van expansiesteun voor kleine ondernemingen, in toepassing van de wet tot economische heroriëntering van 4 augustus 1978; dit voor de bouw van een handelsruimte met autostandplaats te Erpe-Mere. De gevraagde overheidssteun betreft een rentetoelage, een kapitaalpremie en een vrijstelling van onroerende voorheffing. De totale investering voor de oprichting van gebouwen is geraamd op een bedrag van 14.463.983 BEF, waarvan een beroepsgedeelte van 13.740.783 BEF. Er wordt een financieringsprogramma meegedeeld, waarin voorzien wordt in een lening van 2.000.000 BEF. IX-5554-2/12 3.
- Op 18 oktober 1995 wordt aan de verzoeker een rentetoelage toegekend van 60.000 BEF en een kapitaalpremie van 349.000 BEF op een subsidiabel bedrag van 13.631.616 BEF. Bij beslissing van dezelfde datum wordt hem ook vrijstelling verleend van de onroerende voorheffing voor een periode van 5 jaar, in toepassing van artikel 8 van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering en de richtlijnen VL
- 3.
- De eerste schijf van de rentetoelage voor een bedrag van 743,68 euro wordt uitbetaald op 13 februari 1996, de tweede schijf voor een zelfde bedrag wordt uitbetaald op 30 januari
- De kapitaalpremie wordt niet uitbetaald. 3.
- Op 31 juli 1998 ontvangt de verzoeker van de verwerende partij een brief waarin wordt gemeld: “Uw aanvraag tot uitbetaling van de in hoofding vermelde kapitaalpremie werd in goede orde ontvangen. Na onderzoek van uw dossier blijken evenwel volgende noodzakelijke documenten en/of inlichtingen te ontbreken: werden de opgerichte bedrijfsgebouwen reeds in gebruik genomen, zo ja op welke datum. Ik verzoek u deze gegevens zo vlug mogelijk en uiterlijk binnen de twee maanden na verzending van deze brief op te sturen naar volgend adres...” Bij brief van 28 september 1998 deelt de verzoeker aan de verwerende partij mee dat de bedrijfsgebouwen in gebruik werden genomen op 26 mei
- 3.
- Op 19 mei 2004 richt de administratie van het kadaster een brief aan de Gewestelijke directeur van het Kadaster met de vraag om aan de Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap te rapporteren dat de investeringen betreffende het dossier van de verzoeker niet binnen de termijn van 24 maanden vanaf registratiedatum van de definitieve aanvraag werden uitgevoerd. Bij hun brief voegt zij de aangifte die de verzoeker heeft gedaan bij het Kadaster waaruit blijkt dat de ingebruikname van de nieuw- bouw, waarop het investeringsprogramma betrekking heeft, slechts dateert van 1 maart 2004, dit is meer dan acht jaar na registratiedatum van de aanvraag voor de rentetoelage, kapitaalpremie en vrijstelling van onroerende voorheffing. 3.
- Naar aanleiding van deze mededeling stelt de Afdeling Inspectie Economie een inspectieverslag op na een controle bij de accountant van de verzoeker op 14 september 2005 en ter plaatse op 19 september
- IX-5554-3/12 Het inspectieverslag vermeldt als besluit: “De vaststellingen zijn NIET in overeenstemming met de basisbeslissing. Het papieren dossier werd niet teruggevonden. Uit de vaststellingen ter plaatse bleek dat het vooropgestelde investeringsprogramma - waarvoor slechts een beperkt privé-aandeel (5%) werd opgegeven, niet werd uitgevoerd zoals vooropgesteld. De accountant kon bevestigen dat de in de activa (rekeningen 2600 en 2700) opgenomen facturen betrekking hadden op zowel het beroeps- als het privé-gedeelte. Een recente belastingcontrole kon dit bevestigen (verhouding 40% beroeps - 60% privé van het programma). Ik kon vaststellen: - dat wel degelijk beroepsinvesteringen werden uitgevoerd (40% van het binnen de vooropgestelde termijn gerealiseerde investeringen in gebouwen voor een bedrag van 163.176,85 euro (40% van 407.942,14 euro); - dat die verhouding tussen beroeps- en privé-investeringen onjuist werden weergegeven in het aanvraagformulier (zie blz. 5 van het aanvraagfor- mulier: investeringsbedrag van 14.463.983 BEF werd vermeld, terwijl deze voor 13.740.783 BEF als ‘beroepsgedeelte’ werd aangeduid; - dat het in de subsidieaanvraag bedoelde onroerend goed pas werd in gebruik genomen op 1 maart 2004 (zie bijlagen bij brief FOD Financiën d.d. 5-1-2005) - dat blijkbaar nooit (zie ook punt 2.
- van het verslag) melding werd gemaakt van het belangrijker aandeel ‘privé-investeringen’, noch van de niet-ingebruikname van de beroepsinvesteringen binnen een periode van 2 jaar na de registratiedatum, noch van enige wijziging inzake financie- ring; De zaakvoerder verklaart dat: - het uitstel van ingebruikname te wijten is aan een langlopende procedure (zie kopies documenten die daarmee verband houden als bijlage); - het ‘niet melden van deze omstandigheden’ en ‘niet aanvragen van een verlenging van de periode van ingebruikname’ gebeurt uit onwetendheid over het verloop van de procedure en meldt dat hij erop vertrouwde dat de financiële instelling zich over de opvolging van het dossier zou ontfermen en dat dit volgens hem onvoldoende gebeurde; Ermee rekening houdende dat deze twee laatste overwegingen de zaakvoer- der niet ontslaan van zijn plicht om de administratie op de hoogte te bren- gen/houden van de ontwikkelingen in het subsidiedossier stel ik voor om de reeds uitbetaalde steun terug te vorderen.” 3.
- Op 13 april 2006 deelt de verwerende partij aan de NV KBC Bank, die voor de verzoeker de subsidie had aangevraagd, mee: “Bij beslissing van 18.10.1995 werden aan in rand vermelde onderneming een rentetoelage van 1.478,36 EUR en een kapitaalpremie 8.651,48 EUR toegekend voor de bouw van het beroepsgedeelte van een onroerend goed. Uit een inspectieonderzoek is gebleken dat de uitgevoerde investeringen 163.176,85 EUR bedragen doch volgens vaststellingen van de Federale IX-5554-4/12 Overheidsdienst Financiën vervat in een brief van 05.01.2005 zijn deze investeringen slechts vanaf 01.03.2004 effectief in gebruik genomen volgens aangifte van betrokkene bij het Kadaster. De investeringen werden aldus meer dan 8 jaar na de registratiedatum van de aanvraag in gebruik genomen daar waar de richtlijnen een termijn stellen van 24 maanden na registratiedatum. Hieruit volgt dat de oorspronkelijke beslissing vanaf het begin wordt vernietigd. De tot op heden ten onrechte uitbetaalde steun bedraagt 1.487,36 EUR aan rentetoelage. Dit bedrag zal door Administratie rechtstreeks teruggevorderd worden van betrokkene.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
- Op diezelfde dag richt de verwerende partij een brief aan het Kadaster waarin wordt meegedeeld dat de beslissing inzake de vrijstelling van de onroerende voorheffing vanaf het begin moet worden vernietigd met navordering van de eventueel reeds genoten vrijstelling. Dit is de derde bestreden beslissing. 3.
- Op 16 mei 2006 dient de raadsman van de verzoeker beroep in bij de Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid en bij de Vlaamse minister van Economie. 3.
- Op 19 juli 2006 antwoordt de Vlaamse minister van Economie dat ze niet kan ingaan op zijn verzoek tot intrekking van de vernietigings- en terugvor- deringsbeslissing van 13 april
- De minister stelt: “(....) Naar aanleiding van (...) werd op 19 september 2005 door een inspecteur van de afdeling Inspectie Economie een controle ter plaatse uitgevoerd. Uit nazicht van de klasse 2-rekeningen bleek inderdaad dat het opgegeven investeringsprogramma deels vóór 1 juni 1997 (= einddatum van de nuttige periode) en voor een belangrijk gedeelte ná deze datum werd uitgevoerd. Voor de financiering van de investeringen werden nog verschillende bijkomende kredieten afgesloten. Ook blijkt de initieel opgegeven verhouding beroeps / privé van de nieuwbouw niet overeen te stemmen met de werkelijke situatie. Het uitstel van de ingebruikname van de nieuwbouw is in hoofdzaak te wijten aan een langlopende rechtsprocedure ingevolge de eis door de eigenaar van het aangrenzende perceel tot nietigverklaring van de bouwvergunning, die op 11 april 1995 aan de heer Roland DE ROP werd afgeleverd. IX-5554-5/12 Zowel betrokkene als KBC Bank hebben nagelaten de administratie in kennis te stellen van de wijzigingen inzake investerings- en financieringspro- gramma. Pas ná de mededeling door het Kadaster en de aansluitende inspectiecontro- le zijn voormelde wijzigingen aan het licht gekomen. Voor onderhavig dossier werd trouwens nooit een verlenging van de nuttige periode voor de realisatie of ingebruikname van de investeringen gevraagd. Volgens punt 3.1.1.
- van de richtlijnen VL5 komen de gerealiseerde investeringen niet in aanmerking voor subsidiëring. De aanzienlijke overschrij- ding van de termijn voor ingebruikname samen met het niet melden van de hierboven geschetste omstandigheden zijn op zich voldoende reden om de gunstige beslissing d.d. 18 oktober 1995 inzake rentetoelage / kapitaalpremie en vrijstelling van onroerende voorheffing vanaf het begin te vernietigen. De uitbetaalde rentetoelage ad 1.487,36 euro moet door uw cliënt worden terugbetaald. Op uw verzoek tot intrekking van de vernietigings- en terugvorderingsbe- slissing d.d. 13 april 2006 van mijn administratie kan ik dus niet ingaan.” Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt op dat de Raad van State te dezen niet bevoegd is aangezien het een geschil over een subjectief recht betreft, met name het recht op de uitbetaling van de toegekende premies en toelagen. De vraag tot terugbetaling van de investeringssteun vloeit voort uit de wet en de uitvoeringsbe- sluiten, meer bepaald het besluit van 19 januari 1994 tot uitvoering van het decreet van 15 december 1993 tot bevordering van de economische expansie in het Vlaamse gewest met betrekking tot de kleine ondernemingen, waarbij de overheid niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Een geschil over het niet nakomen van de verplichting tot uitbetaling wegens het niet naleven van de voorwaarden van de toekenning van de steun, is een geschil over een subjectief recht dat niet aan de algemene bevoegdheid van de hoven en rechtbanken werd onttrokken.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het geschil niet het subjectieve recht betreft om de toegekende premies te mogen behouden, maar de beslissing van de overheid om de eerdere beslissing van 18 oktober 1995 houdende toekenning van een rentetoelage, kapitaalpremie en vrijstelling van onroerende voorheffing te vernietigen vanaf het begin zodat het gaat IX-5554-6/12 om de vernietiging van een rechtshandeling. De rechtshandeling die werd gesteld door het ministerie van de Vlaamse gemeenschap is een handeling waarbij zij terugkomt op een beslissing die zij eerder heeft genomen en dient dus zelf als een administratieve rechtshandeling te worden gekwalificeerd en is als zodanig vatbaar voor een annulatieberoep bij de Raad van State zoals de Raad van State in zijn arrest de NV BCD nr. 85.638 van 28 februari 2000 beslist heeft. Volgens de verzoeker heeft de eventuele intrekking of vernietiging van de toekenningsbeslissing te maken met het legaliteitsprincipe en betreft het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het geschil geen subjectieve rechten. Volgens de verzoeker is de vordering tot teruggave van de toegekende steun enkel een uitvloeisel van de vernietigingsbeslissing wegens niet naleven van de wettelijke voorwaarden en is de vordering tot teruggave niet het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het geschil.
- In zijn laatste memorie beklemtoont de verzoeker dat het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het beroep de beslissing van de overheid is om de oorspronkelijke beslissing van 18 oktober 1995 “te vernietigen vanaf het begin”. Door de vernietiging ex tunc bestaat het subjectief recht dat aan de verzoeker was verleend niet meer en wordt het zelfs geacht nooit bestaan te hebben. Een niet bestaand recht kan niet bij de hoven en rechtbanken worden afgedwongen. De verzoeker voert voorts aan dat net zoals de rentetoelage verleend is op grond van de discretionaire bevoegdheid van de overheid, het vernietigingsbesluit enkel genomen kon worden door de overheid die in dezelfde mate discretionair oordeelt en dat betwistingen omtrent vernietigingsbesluiten van administratieve rechtshande- lingen tot de bevoegdheid van de Raad van State behoren. Beoordeling
- Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht. IX-5554-7/12 Het bestaan van een geschil over een subjectief recht met betrekking tot handelingen van de overheid veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht aan het bestuur oplegt. Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, dient de bevoegdheid van die overheid gebonden te zijn of dient de overheid reeds het bestaan van een recht vastgesteld te hebben. De bevoegdheid van de Raad van State hangt aldus af van de vraag of wat bestreden wordt een constitutieve beslissing is waarbij de overheid gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid, dan wel een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor de betrokkene zich kan beroepen op een welbepaald recht.
- Krachtens artikel 1 van de wet van 4 augustus 1978 tot economi- sche heroriëntering kan de overheid steun verlenen teneinde de economische expansie van de kleine ondernemingen te bevorderen. Deze steun kan onder meer worden toegekend onder de vorm van een rentetoelage, een kapitaalpremie en een vrijstelling van onroerende voorheffing. Voor het Vlaamse gewest werd de wet op de economische expansie van 4 augustus 1978 nader uitgewerkt door het decreet van 15 december 1993 tot bevordering van de economische expansie in het Vlaams gewest. Artikel 16 van dit decreet dat het hoofdstuk “Teruggaven” vormt, bepaalt: “§
- De Vlaamse regering stelt de bepalingen vast voor de gevallen waarin de begunstigden van de tegemoetkomingen uit dit decreet, het voordeel ervan geheel of gedeeltelijk verliezen of moeten terugbetalen. §
- Er wordt niet tot terugvordering overgegaan in geval van overmacht.” Het decreet van 15 december 1993 tot bevordering van de economische expansie in het Vlaamse gewest is, voor wat de kleine ondernemingen betreft, uitgevoerd door het besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1994, en bepaalt de modaliteiten waaronder de verleende steun kan worden teruggevor- derd ingeval van wijziging van de oorspronkelijke kredietvoorwaarden, of in geval vaststaat dat de tegemoetkomingen niet zouden zijn toegekend indien de begunstig- de nauwkeurige en volledige inlichtingen had verstrekt. Artikel 4 van dat besluit bepaalt: IX-5554-8/12 “Ter uitvoering van artikel 16 van het decreet worden de teruggaven als volgt geregeld: 1/ In geval van wijziging van de oorspronkelijke kredietvoorwaarden wordt bij: a) vervroegde terugbetaling van het krediet met eigen middelen, ongeacht de verlopen termijn inzake rentetoelage, de al uitgekeerde rentesteun behouden, maar wordt de verdere uitbetaling van de eventueel nog resterende steun stopgezet; b) behoud of vervanging van een investeringskrediet door een nieuw termijnkrediet met vermindering van de rentevoet, ongeacht de verlopen termijn inzake rentetoelage, de al uitgekeerde rentesteun behouden en wordt de eventueel nog resterende steun verder uitbetaald, onverminderd de bepalingen in artikel 3, § 2; c) vervanging van het investeringskrediet door een ander krediet dan een termijnkrediet, ongeacht de verlopen termijn inzake rentetoela- ge, de al uitgekeerde rentesteun behouden, maar wordt de verdere uitbetaling van de eventueel nog resterende steun stopgezet; 2/ a) In geval van de vervreemding van de gesubsidieerde goederen, of wanneer hun oorspronkelijke bestemming of hun oorspronkelijk gebruik wordt gewijzigd, vervalt het recht op de toegekende steun volledig en moet deze steun worden terugbetaald. De vervreemding of wijziging van de oorspronkelijke bestemming of de geplande gebruiksvoorwaarden dient hierbij plaats te vinden binnen een periode van 3 jaar die ingaat op de datum van de registratie van de definitieve aanvraag. De toegekende steun wordt behouden indien de investeringsgoederen op de datum van de vervreemding of wijziging van de bestemming of het gebruik, boekhoudkundig volledig zijn afgeschreven. b) Het recht op de toegekende steun blijft behouden wanneer de vervreemding of de wijziging van de oorspronkelijke bestemming of het oorspronkelijk gebruik: - het gevolg is van overmacht, of - vooraf werd goedgekeurd door de Vlaamse minister bevoegd voor het economisch beleid. 3/ Indien vaststaat dat de tegemoetkomingen niet zouden zijn toegekend indien de begunstigde nauwkeurige en volledige inlichtingen had verstrekt, moet de genoten steun terugbetaald worden.”
- De subsidie is aan de verzoeker toegekend voor zover hij de investeringen zou uitvoeren volgens de regels bepaald door het bestuur. Het niet voldoen aan die regels brengt de verplichting met zich om de toelage terug te betalen. De verzoeker beroept zich immers niet op het bestaan van overmacht. Indien de verzoeker niet voldoet aan de wettelijk bepaalde subsidievoorwaarden, zoals voorzien in de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering, het decreet van 15 december 1993 tot bevordering van de economische expansie in het Vlaams gewest en haar uitvoeringsbesluit, is de overheid, op grond van artikel 16 van het decreet van 15 december 1993 tot bevordering van de economische expansie in het Vlaamse gewest met betrekking tot de kleine ondernemingen en op grond van IX-5554-9/12 artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1994 tot uitvoering van het decreet van 15 december 1993 tot bevordering van de economische expansie in het Vlaamse gewest met betrekking tot de kleine ondernemingen, ertoe gehouden de toegekende steun terug te vorderen. Zij beschikt met andere woorden over een gebonden en niet over een discretionaire bevoegdheid.
- In de bestreden beslissingen is het bestuur van oordeel dat de toegekende subsidies moeten worden teruggevorderd omdat de werken niet uitgevoerd zijn overeenkomstig de ingediende aanvraag wat met name het geval is voor de opsplitsing van het deel dat voor beroepsdoeleinden wordt voorzien en het deel voor privé-doeleinden- en de investeringen slechts werden in gebruik genomen 8 jaar na de registratiedatum van de aanvraag, terwijl de regel is dat dit dient te gebeuren binnen de 24 maanden na de registratie van de aanvraag.
- Bij beslissing van 18 oktober 1995 is aan de verzoeker een kapitaalpremie en een rentetoelage toegekend. Hij heeft daarmee een afdwingbaar recht verkregen. Zich verzetten tegen het geheel of gedeeltelijk tenietdoen van dat recht leidt tot een geschil over het bestaan en de omvang van een subjectief recht. De omstandigheid dat de eerste bestreden beslissing stelt dat de beslissing van 18 oktober 1995 “van het begin wordt vernietigd” doet daaraan geen afbreuk.
- Op grond van artikel 144 en 145 van de Grondwet zijn de gewone rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Bij gebreke aan een uitdrukkelijke bevoegdheidstoewijzing, is de bevoegdheid ter zake van de Raad van State dan ook uitgesloten.
- De exceptie is gegrond. V. Kosten
- In zijn laatste memorie wijst de verzoeker erop dat in de brief aan zijn bank onder meer melding gemaakt wordt van een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Hij vraagt dat de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij gelegd zouden worden. IX-5554-10/12
- De bestreden beslissing bevat volgende vermeldingen inzake de beroepsmogelijkheden: “Tegen onderhavige beslissing kunnen de volgende beroepen worden ingesteld :
- het ‘willig en oneigenlijk beroep’: in te leiden bij de bevoegde admini- stratie, bij middel van een gewone geargumenteerde brief te richten aan: de administratie Economie, afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, Markiesstraat 1 te 1000 BRUSSEL.
- het ‘hiërarchisch beroep’: in te leiden bij middel van een gewone geargumenteerde brief, te richten aan de Vlaamse minister van Econo- mie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel, Martelaarsplein 7 te 1000 BRUSSEL.
- het ‘eindberoep’: in te leiden bij de Raad van State, bij middel van een aangetekende brief, binnen de 60 dagen na de kennisgeving van onderhavige beslissing, te richten aan: de Raad van State, Wetenschaps- straat 33 te 1040 BRUSSEL. Indien het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting betrekking heeft op een subjectief recht is de Raad van State onbevoegd en moet de onderneming zich wenden tot de gewone burgerlijke rechtbanken.”
- Met het aanwijzen van die verschillende beroepsmogelijkheden heeft de verwerende partij zelf gewag gemaakt van de mogelijkheid om een annulatieberoep in te dienen. De verzoeker kan daardoor misleid geworden zijn en daarom past het de gedingkosten ten laste van de verwerende partij te leggen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5554-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5554-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.428 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div