id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.430 Rolnummer: A. 175583/IX-5389 Zaak: Arrest 202430 - Tucht (openbaar ambt) - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-12 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.430 van 29 maart 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.430 van 29 maart 2010 in de zaak A. 175.583/IX-5389 In zake : Kurt VANGEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BURGEMEESTER VAN DE STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 120, bus 4 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 augustus 2006, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 6 juni 2006 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij Kurt Vangeel de zware tuchtstraf van de inhouding van 2% van zijn wedde gedurende één maand wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-5389-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 maart
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Patrick Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie Antwerpen. Met een brief van 12 december 2005 deelt de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen aan de burgemeester van de stad Antwerpen mede dat de verzoeker en S. V.O., op een bepaalde dag inlichtingen gekregen hebben over strafrechtelijke feiten maar verzuimd hebben proces-verbaal op te stellen. Uit die brief blijkt tevens dat het strafdossier zonder gevolg gerangschikt werd en dat toelating verleend werd om de stukken uit het strafdossier toe te voegen en aan te wenden in een mogelijk tuchtonderzoek. 3.
- Op 10 februari 2006 stelt de burgemeester, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, een inleidend verslag op. Dat verslag steunt volledig op gegevens die uit het medegedeeld strafdossier gehaald zijn. De burgemeester is van oordeel dat de feiten vaststaan, dat zij aan de verzoeker toegerekend kunnen worden en als tuchtvergrijp gekwalificeerd kunnen worden. Hij stelt voor dat aan de verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van de bruto maandwedde van 10 % gedurende één maand wordt opgelegd. IX-5389-2/7 3.
- Na de verzoeker gehoord te hebben maakt de verwerende partij een aangepast voorstel van zware tuchtstraf op. In dit voorstel wordt de straf verlaagd tot een inhouding van 2 % bruto maandwedde gedurende één maand. Op 3 april 2006 deelt de procureur des Konings mee dat hij instemt met een zware tuchtstraf. 3.
- Op 7 april 2006 beslist de burgemeester aan de verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van 2 % bruto maandwedde gedurende één maand op te leggen. De verzoeker dient op 11 april 2006 een verzoek tot heroverwe- ging in bij de tuchtraad. Deze sluit zich volledig aan bij het voorstel van tuchtstraf zoals geformuleerd door de burgemeester. Op 6 juni 2006 beslist de verwerende partij aan de verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van 2 % bruto maandwedde gedurende één maand op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 26, eerste tot derde lid, van de tuchtwet. Hij stelt dat die bepaling een onderzoeksplicht invoert voor de tuchtoverheid die door de in het tweede lid van artikel 26 genoemde overheden in kennis wordt gesteld van feiten die mogelijks een tuchtvergrijp vormen. In dit geval stelt de burgemeester in zijn voorstel van zware tuchtstraf dat de feiten met de nodige zorgvuldigheid door het gerecht onderzocht werden en dat het dossier voldoende duidelijkheid verschaft over de feiten, maar de resultaten van dat onderzoek zijn niet in het dossier neergelegd en de feiten zijn absoluut niet uitgeklaard. Hij verduidelijkt in dat verband dat hij niet werd geconfronteerd met één van de protagonisten van het gebeuren, terwijl er nochtans tegenstrijdigheid was in de verklaring van de betrokkenen. In dit geval heeft de tuchtoverheid, nadat het parket de zaak geseponeerd had, nagelaten de feiten door middel van een vooraf- IX-5389-3/7 gaand onderzoek, dat à charge en à décharge moet gebeuren, uit te klaren; er is enkel een onderzoek à charge gebeurd, zodat het inleidend verslag nietig is.
- De verwerende partij verwijst naar de onduidelijkheid van de argumentatie. Zij antwoordt dat er geen wettelijke -en zeker geen op straf van nietigheid voorgeschreven- verplichting bestaat om een voorafgaand onderzoek te voeren. Zij wijst erop dat de tuchtraad in zijn advies ook terecht gesteld heeft dat de tuchtoverheid discretionair beslist of de ingewonnen informatie volstaat om de tuchtvervolging te voeren; artikel 26 van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid enkel om te beslissen of zij een tuchtvervolging instelt en de in artikel 26 aangewezen overheid daarvan in kennis te stellen.
- De verzoeker repliceert dat de elementen uit het gerechtelijk dossier nog door geen rechter beoordeeld zijn; het strafdossier bevat gegevens die eenzijdig ingewonnen zijn met het oog op het bekend raken van strafbare feiten en heeft geen betrekking op het aan het licht brengen van tuchtfeiten. Hier is geen onderzoek à décharge gebeurd en bijgevolg heeft de verwerende partij zich, met miskenning van zijn rechten van verdediging, op een onvolledig dossier gesteund. Beoordeling
- Het middel is wel degelijk verstaanbaar geformuleerd: de verzoeker voert de miskenning aan van artikel 26 van de tuchtwet doordat de tuchtoverheid na de ontvangst van het geseponeerd strafdossier geen eigen onderzoek naar de feiten heeft laten uitvoeren en dat aldus, door het feit dat er geen onderzoek à décharge gebeurd is, zijn rechten van verdediging miskend zijn.
- Artikel 26, eerste tot derde lid, van de tuchtwet, bepaalt: “Wanneer een tuchtoverheid door de in het tweede lid bedoelde overheden in kennis wordt gesteld van feiten die mogelijks een tuchtvergrijp uitmaken, dan is zij verplicht te onderzoeken of die feiten aanleiding dienen te geven tot het aanspannen van een tuchtprocedure en die overheden in te lichten omtrent het aan hun informatie gegeven gevolg. De in het vorige lid bedoelde overheden zijn: 1° (...) 3° de federale procureur en de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of onderzoeksrechter; (...) IX-5389-4/7 Indien de overheden bedoeld in het tweede lid er door de gewone tuchtover- heid van op de hoogte worden gebracht dat deze meent dat de feiten niet van aard zijn om tot een tuchtstraf te leiden, dan kunnen zij de zaak voor de hogere tuchtoverheid brengen die zich dan richt naar de bepalingen van het eerste lid.”
- Die bepaling verplicht de tuchtoverheid niet om, telkens wanneer zij van een in artikel 26, tweede lid, genoemde overheid een bericht ontvangt, steeds een eigen onderzoek te voeren naar het bestaan en de toerekening van de feiten. Wanneer, als te dezen, de tuchtoverheid kennis krijgt van een strafdossier van de procureur des Konings, kan zij op basis van dat dossier de tuchtvordering voeren en op grond van de gegevens die zij daarin vindt, besluiten dat de feiten waarop zij haar tuchtvordering steunt, volgens haar terdege bewezen zijn en dat zij op tuchtrechte- lijk vlak aan de politieambtenaar kunnen aangerekend worden. Vindt zij dat bewijs in het strafdossier niet, dan moet de tuchtoverheid het onderzoek aanvullen. In geval de betrokkene de feiten betwist of aanvoert dat de elementen à décharge niet uit het strafdossier blijken, dan zal de tuchtoverheid zulks, op grond van haar zorgvuldig- heidsplicht, eventueel zelf moeten onderzoeken en daarover een beslissing treffen, met eerbiediging van de rechten van de verdediging.
- In dit geval is de tuchtvordering tegen de verzoeker opgestart op basis van het geseponeerd strafdossier en de verzoeker heeft in de loop van de tuchtprocedure de gelegenheid gehad om zich over de gegevens die het bevatte te verdedigen. Hij heeft daar kunnen uiteenzetten welke hiaten het strafonderzoek vertoonde en met welke elementen die in zijn voordeel pleitten, geen rekening gehouden werd. Hij heeft dit niet gedaan. Ook nu voor de Raad van State blijft de verzoeker in gebreke die elementen aan te wijzen. Hij toont voor zijn geval de noodzaak van een bijkomend onderzoek, waartoe de verwerende partij ook door artikel 26 van de tuchtwet niet verplicht is, niet aan.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending van het gelijkheidsbeginsel aan. Hij stelt dat hij -als ondergeschikte- gestraft wordt met de zware tuchtstraf van inhouding op zijn wedde, terwijl zijn collega die bij dezelfde feiten betrokken was IX-5389-5/7 en die toen zelfs dienstoverste was, slechts een blaam gekregen heeft. De tuchtstraf- beslissing verwijst wel naar de gelijke verantwoordelijkheid van hem en zijn collega, maar uit het advies van de tuchtraad blijkt het tegendeel.
- De verwerende partij stelt dat de verzoeker geen gegevens overlegt die de gelijkheid van de situaties aantonen.
- De verzoeker repliceert dat hij met S. V.O. één patrouille vormde en dat zij de zaak samen hebben afgehandeld. Het is dan ook discriminatoir dat hij een zwaardere straf opgelegd krijgt, temeer daar zijn collega toch de grootste verantwoordelijkheid had. Beoordeling
- Gewis is het opleggen van een verschillende tuchtstraf aan twee ambtenaren die op dezelfde wijze bij dezelfde feiten betrokken zijn, strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel wanneer geen objectieve reden van diversificatie wordt aangetoond. Dat zou het geval kunnen zijn bij de vergelijking van de aan de verzoeker opgelegde tuchtstraf met deze opgelegd aan zijn collega S. V.O. die met hem patrouille vormde en die een lichte tuchtstraf opgelegd gekregen heeft. Evenwel, uit de in het dossier neergelegde gegevens, zoals die door de auditeur-verslaggever ingewonnen zijn, blijkt dat S. V.O. op 1 september 2005 naar een andere politiezone overgegaan is en dat de tuchtprocedure tegen haar binnen deze nieuwe zone haar beslag gekregen heeft. De omstandigheid dat een ander bestuur op een verschillende wijze zijn discretionaire bevoegdheid gebruikt heeft, maakt dat de beide situaties niet vergelijkbaar zijn.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. IX-5389-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5389-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div