id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.432 Rolnummer: A. 195091/IX-6656 Zaak: Arrest 202432 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-12 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.432 van 29 maart 2010 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 202.432 van 29 maart 2010 in de zaak A. 195.091/IX-6656 In zake : Jan VAN DE VREKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Steyaert kantoor houdend te Dendermonde Sint-Gillislaan 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 december 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 26 oktober 2009 van de Commissaris-generaal van de Federale Politie waarbij Jan Van De Vreken geschrapt wordt van de lijst van de rechthebbenden op een benoeming als hoofdcommissaris, in het kader van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 maart
- IX-6656-1/12 Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sylvie D’Hooge, die loco advocaat Luc Steyaert verschijnt voor de verzoeker, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest anderslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij koninklijk besluit nr. 1195 van 10 november 2005 wordt de verzoeker, commissaris, aangesteld in het ambt van hoofdcommissaris bij de Directie van de Werking en van de Coördinatie van de federale politie - Interne Audit bij het Commissariaat-Generaal (CGC/Audit). Deze aanstelling gebeurt in het kader van een mobiliteitsprocedure krachtens artikel XII.VII.25 RPPol. Deze bepaling luidt als volgt: “Art. XII.VII.
- De benoemende overheid stelt de personeelsleden die overeenkomstig de artikelen XII.VI.9, XII.VI.9bis en XII.VII.27bis, zijn aangewezen voor een betrekking van hoger officier, aan in de graad van hoofdcommissaris van politie voor de duur van hun aanwijzing Voor het overige wordt het statuut van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling als niet hoger officier.” 3.
- Bij nota van 24 oktober 2006 van HCP Robert Monnoyer, Directeur CGC, wordt gemeld dat er een functie “CGC/coördinatie” beschikbaar is en dat de kandidatuur van CP Boone niet aanvaard wordt omdat de betrekking voorbehouden is aan hoofdcommissarissen. In de nota wordt voorgesteld dat de verzoeker “soit affecté à CGC-coordination en tant que chargé de mission pour la préparation de la mise en oeuvre du transfert des CSA vers le commissariat- général”. De verzoeker ondertekent dit voorstel voor akkoord. IX-6656-2/12 3.
- Vanaf 1 maart 2007 wordt de verzoeker wegens reorganisatie (nieuwe personeelsformatie) herplaatst naar de functie “CGC/coördinatie van de Dirco’s”, nadien in de personeelsformatie PF2bis betiteld als “CG/CD”. 3.
- Op 6 juli 2007 stuurt de verzoeker het volgend e-mailbericht naar de personeelsdienst (DSPO): “Beste, Bij KB Nr.1195 van 10-11-2005 werd ik aangesteld als hoofdcommissaris bij de federale politie, krachtens de artikelen Xll.VI.9 en XIl.VI1.25 RPPol. De aanstelling is in werking getreden op 01-10-2005, de dag dat ik het ambt van diensthoofd CGC-A (interne audit) heb opgenomen. In het raam van de reorganisatie van de federale politie kreeg ik een nieuwe functie, als lid van het Invalspunt CG/DirCo, toegewezen. In de PF 2bis zal ik de plaats nummer 29 innemen, voorzien voor een hoofdcommissaris lid (functiecode 210240200) van de dienst CG-CONTACT DIRCO (eenheidscode 6986). Alvorens een beslissing te kunnen nemen over het al dan niet verderzetten van de selectieprocedure directiebrevet, zou ik eerst uitsluitsel willen over de mogelijkheid om, met bovenstaande gegevens als uitgangspunt, benoemd te kunnen worden tot hoofdcommissaris op basis van de wet van 15 mei
- Alvast dank voor je antwoord (...)” DSPO (ADV T. Moerenhout) antwoordt op 11 juli 2007 het volgende: “Geachte, Na navraag bij DSJ kan ik u melden dat er geen enkel probleem bestaat voor de benoeming op basis van de wet van 15 mei
- Aangezien het hier gaat om een reorganisatie en u nog steeds aangesteld hoofdcommissaris blijft, zal u opgenomen worden in de lijst van personen die geviseerd worden door deze wet. (...)” 3.
- De verzoeker werd opgenomen in de lijst van potentiële rechthebbenden op een benoeming tot hoofdcommissaris op basis van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (wet Vesalius ter). Bij artikel 36 van deze wet werd in de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en IX-6656-3/12 houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiedienst (de zogenaamde Exoduswet) een artikel 135ter ingevoegd, dat luidt als volgt: “Art. 135ter. In afwijking van artikel 33, wordt de bevordering in de graad van hoofdcommissaris van politie verleend aan : - de personeelsleden die worden aangewezen voor een in artikel 66 bepaald mandaat of voor een mandaat van verbindingsofficier in België binnen de beleidscel van een federaal minister of staatssecretaris; of in het buitenland, of van Belgische politievertegenwoordigers in het buitenland, na afloop van het derde jaar van dat mandaat en voor zover zij een evaluatie met vermelding ‘goed’ krijgen met betrekking tot hun functio- neren gedurende de eerste volle drie jaren van hun mandaat; - de personeelsleden die hetzij : 1° aangewezen zijn voor een betrekking van hoofdcommissaris van politie in toepassing van artikel XII.VI.9 of artikel XII.VI.9bis van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspo- sitie van het personeel van de politiediensten en die, in toepassing van artikel XII.VII.25 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiedien- sten reeds ten minste drie jaar in die graad zijn aangesteld, indien zij een gunstige evaluatie hebben gekregen; 2° vóór 29 juli 2005 zijn benoemd in een betrekking van commissaris- auditor bij de Dienst Enquêtes P in toepassing van artikel 20, eerste lid, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en die in toepassing van artikel 20, zesde lid, van dezelfde wet reeds ten minste drie jaar in die graad zijn aangesteld, indien zij een gunstige evaluatie hebben gekregen.” In een dienstnota van 7 augustus 2007 over de benoeming tot hoofdcommissaris (HCP) in het kader van de Vesaliuswet ter wordt onder punt 2.5 “HCP aangesteld via mobiliteit” onder meer het volgende gesteld: “Een volgende categorie van begunstigden betreft de commissarissen (en CP 1e klasse) die, krachtens respectievelijk de artikelen XII.VI.9 of XII.VI.9bis en XII.VII.25 RPPol, via mobiliteit zijn aangewezen voor een ambt van en aangesteld in de graad van HCP. - Belangrijke opmerking: indien het personeelslid intussen mobiliteit maakte of met zijn instemming werd herplaatst, is de aanstelling in de hogere graad van rechtswege beëindigd. Een herplaatsing ingevolge een herstructurering (bv. de fusie van DGM en DGP) ontneemt de betrokken personeelsleden dus niet het voordeel van de wet van 15 mei
- Aan hen wordt de bevordering in de graad van HCP verleend indien zij reeds tenminste drie jaar in die graad zijn aangesteld en indien zij een gunstige evaluatie krijgen. (...)” IX-6656-4/12 3.
- Tegen de opname van de verzoeker op de lijst van rechthebbenden op de benoeming als HCP in het kader van de Vesaliuswet ter werd klacht ingediend, in essentie omdat de verzoeker sinds oktober 2006 op vrijwillige basis geen deel meer uitmaakte van de dienst interne audit. 3.
- Op 14 oktober 2008 adviseert de algemene directie ondersteuning en beheer (DGS) de verzoeker van de lijst te schrappen. Inzake de aanstelling van de verzoeker als HCP in de betrekking van diensthoofd interne audit (het koninklijk besluit van 10 november 2005) wordt in dit advies besloten dat deze aanstelling volledig correct verlopen is. Inzake de opname van de verzoeker op de lijst van mogelijke benoemingen tot HCP wordt het volgende gesteld: “4.1 Na het vertrek van CDP PARENT naar CGC-externe diensten/LO Provinciegouverneurs (Liège) werd een betrekking van HCP bij CGC/D (in overtal tov OT2 - voorafname OT2bis ‘contactpunt DirCo’) in de mobiliteitscyclus 2006-2 (16-08- 2006) onder reeks- nummer 0105 vacant verklaard (Bijlagen Fen G). 4.2 Er was één kandidaat (CP BOONE). Deze kandidaat werd niet in aanmerking genomen aangezien hij niet de vereiste graad van HCP had (noodzakelijk sinds de publicatie van de Vesalius-wet van juli 2005). (nota CG-2006/AM/2258 van 24-10-2006) (Bijlage H). 4.3 In hetzelfde document stelde CGC voor Jan VAN DE VREKEN via interne verschuiving te herplaatsen naar deze, niet bij mobiliteit toegekende betrekking. Jan VAN DE VREKEN tekende dit voorstel mee voor akkoord. Aangezien een aanstelling via mobiliteit niet overdraagbaar is naar een andere betrekking, zeker niet naar een betrekking ‘in overtal’, werd deze herplaatsing niet uitgevoerd. 4.4 Bij de invulling van OT 2Bis (reorganisatie 01-03-2007) werd Jan VAN DE VREKEN in het migratieplan verplaatst van CGC-Audit naar CG-CD (contact Dirco) - Hoofdcommissaris diensthoofd (Bijlage I). 4.5 In de veronderstelling dat bij de reorganisatie van 01-03-2007 Jan VAN DE VREKEN van CGC-Audit (waar in OT2Bis geen plaatsten Ops meer voorzien waren) naar een gelijkaardige functie bij CG-CD was gegaan, werd hij door DSP
(0)op de lijst van de potentiële rechthebbenden voor benoeming tot HCP geplaatst (DGS/DSPO-32/72 van 24-01-2008) (BijlageJ en K). De vermelding op die lijst werd na verspreiding noch door CGC noch door belanghebbende in vraag gesteld. 4.6 Uit de nota CGC-2007/398 van 26-02-2007 daarentegen blijkt dat het voorstel tot herplaatsing naar CGC/D in oktober 2006 de facto wel uitgevoerd werd en dat CP BRUYNINCKX waarnemend diensthoofd CGC/Audit was (Bijlage L). IX-6656-5/12 4.7 Gelet op de bepalingen van de richtlijn DGS/DSJ/P-2007/34774 van 07-08-2007 (Bijlage M), inzonderheid punt 2.5 verviel daardoor ook de aanstelling en het recht op benoeming (‘indien het personeelslid intussen mobiliteit maakte of met zijn instemming werd herplaatst, is de aanstelling in de hogere graad van rechtswege beëindigd’). 4.8 Conclusie: Uit het feit dat CGC de herplaatsing door interne verschui- ving voorstelde van Jan VAN DE VREKEN, van CGC-Audit naar CGC/D, dat belanghebbende dit voorstel voor akkoord tekende, dat de functie van Diensthoofd-Audit sinds oktober 2006 door CP BRUY- NINCKX werd uitgeoefend, dat uit het migratieplan ook niet duidelijk blijkt dat het noodzakelijk was een gelijkaardige functie aan te bieden aan Jan VAN DE VREKEN bij CG/CD (de CP-audit bleef wel in de dienst audit en hoefde geen gelijkaardige functie), kan worden afgeleid dat Jan VAN DE VREKEN inderdaad sinds oktober 2006 de betrek- king waarin hij tot HCP werd aangesteld niet meer uitoefende en hij dus niet op de inventaris van de potentiële rechthebbenden voor benoeming tot HCP mocht worden geplaatst.” 3.
- In een nota van 17 oktober 2008 aan de verzoeker sluit de Commissaris-generaal zich aan bij het advies van de DGS en meldt hij de verzoeker dat diens naam van de lijst van personeelsleden die voor benoeming worden voorgedragen, zal weggelaten worden. Die nota verwijst in referentie 2 naar artikel XII.VII.16sexies RPPol, ingevoegd bij artikel 34 van de wet van 15 mei
- Aan de verzoeker wordt tevens meegedeeld dat hij binnen de maand zijn eventuele opmerkingen of bezwaren kan meedelen. 3.
- De verzoeker heeft op 14 november 2008 zijn opmerkingen en bezwaren meegedeeld aan de Commissaris-generaal. De verzoeker stelt het volgende: “(...)
- In de nota CG-2006/AM/2258 d.d. 24/10/2006 wordt door CGC voorgesteld mij te herplaatsen van CGC-A (interne audit) naar een niet bij mobiliteit toegekende betrekking van HCP bij CGC-D (voorafname OT 2bis 'contactpunt DirCo'). Ik tekende dit voorstel van herplaatsing naar een andere betrekking van HCP voor akkoord. Deze herplaatsing werd echter nooit uitgevoerd, zoals blijkt uit punt 4.3 van de nota van DGS d.d. 14/10/
- Ik oefende sindsdien echter wel de facto mijn taken uit binnen het latere 'contactpunt DirCo'. (Ondertussen oefende CP A.Bruyninckx de taak van waarnemend diensthoofd interne audit uit.) Bij de reorganisatie van 01/03/2007 werd ik, in het kader van het migratie- plan, effectief verplaatst naar CG-CD (contact DirCo). IX-6656-6/12 Art.135 ter van de Wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten bepaalt: In afwijking van artikel 33, wordt de bevordering in de graad van hoofd- commissaris van politie verleend aan: ... de personeelsleden die hetzij: 10 aangewezen zijn voor een betrekking van hoofdcommissaris van politie in toepassing van artikel XII. VI.9 of artikel XIl V.l9bis van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en die, in toepassing van artikel XII. VII.25 van het van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten reeds ten minste drie jaar in die graad zijn aangesteld indien zij een gunstige evaluatie hebben gekregen; ...’ Deze regeling houdt in dat indien het personeelslid mobiliteit maakte of met zijn instemming werd herplaatst, de aanstelling in hogere graad van rechtswege wordt beëindigd. Een herplaatsing ingevolge een herstructurering ontneemt de betrokken personeelsleden echter niet het voordeel van de wet van 15/05/2007, zoals bevestigd onder punt 2.5 van de nota DGS/DSJ/P-2007/34774 d.d. 07/08/
- Uit het feit dat door de bevoegde autoriteiten werd beslist om mij bij de reorganisatie d.d. 01/03/2007 te verplaatsen naar de dienst CG-CD kan worden afgeleid dat ik nooit geacht werd reeds verplaatst te zijn. De bevoegde diensten waren immers op de hoogte van de feitelijkheden, zoals onder andere de (de facto) uitoefening van de taak als diensthoofd van de dienst ‘contactpunt DirCo’. Bijgevolg kan uit de beslissing tot herplaatsing naar de dienst CG-CD in het kader van de reorganisatie d.d. 01/03/2007, het bestaan van een vroegere (vrijwillige) herplaatsing worden uitgesloten. Immers, ingeval van een reeds vroegere herplaatsing zou de herplaatsing in het kader van de reorganisatie volstrekt overbodig zijn. Bijgevolg is er, mijns inziens, nooit sprake geweest van een herplaatsing met toestemming welke de aanstelling in een hogere graad van rechtswege zou teniet doen. Volgens mij kan de beslissing om mijn naam van de lijst van personeelsle- den die voor benoeming worden voorgedragen weg te laten, dan ook niet gerechtvaardigd worden door het feit dat ik, in de periode tussen de nota d.d. 24/10/2006 en mijn effectieve herplaatsing bij reorganisatie van 01/03/2007, de facto de taak van diensthoofd van de dienst 'contactpunt DirCo' uitoefende.
- In een brief d.d. 02/07/2007 (DGS/DSP-2007/29219) vraagt DGS aan de kandidaten voor het directiebrevet te willen bevestigen of ze, rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15/05/2007 (Vesalius ter), de selectieproce- dure wensen voort te zetten dan wel stop te zetten. Op mijn vraag (mail d.d. 06/07/2007) is mij door DGS/DSP/DSPO (mail van T.Moerenhout d.d. 11/07/2007) gemeld, na navraag bij DGS/DSJ, dat er geen enkel probleem bestond voor mijn benoeming op basis van de wet van 15/05/
- (Kopie van deze mail is als bijlage bij deze brief gevoegd.) De bevoegde diensten waren op dat ogenblik op de hoogte van alle feitelijkheden, zoals onder andere de (de facto) uitoefening van de taak als diensthoofd van de dienst ‘contactpunt DirCo’ in de periode van 24/10/2006 tot IX-6656-7/12 01/03/2007, zoals ook blijkt uit de nota van 14/10/2008 (o.a. de punten 4.3 en 4.6 van deze nota). Het is op basis van dit antwoord van DGS/DSP/DSPO d.d. 11/07/2007 dat ik heb beslist af te zien van verdere deelname aan de selectieprocedure voor het directiebrevet (sessie 2006). (Uit mijn rangschikking bij de voorafgaandelijke proef/beroepsproef en het advies met betrekking tot het afgelegde assessment, meen ik te mogen besluiten dat er een redelijke kans bestond dat ik de opleiding tot het behalen van het directiebrevet zou hebben mogen aanvatten, indien ik de selectieprocedure zou hebben verdergezet). (...)” 3.
- DGS adviseert op 20 mei 2009 aan de Commissaris-generaal deze bezwaren te verwerpen en de verzoeker van de lijst te schrappen. 3.
- Op 26 oktober 2009 beslist de Commissaris-generaal de verzoeker van de lijst met mogelijke kandidaten voor benoeming tot HCP te schrappen. Dit is de bestreden beslissing. Ter motivering van de bestreden beslissing wordt vooreerst het advies van DGS van 14 oktober 2008 hernomen. Vervolgens wordt het advies van DGS van 20 mei 2009 hernomen. Dit luidt als volgt: “
- Conclusies van het tweede onderzoek 3.1 Wat de herplaatsing als gevolg van reorganisatie betreft: Het is correct dat een herplaatsing als gevolg van herstructurering de bij mobiliteit verkregen aanstelling niet ontneemt. Het is eveneens correct dat door de overheid werd beslist om u bij de reorganisatie van 01-03-2007 te verplaatsen naar de dienst CG/CD en dat u niet geacht werd voorheen al herplaatst te zijn. U verklaart echter zelf tussen de datum van de nota van 24-10-2006 en de reorganisatie van 01-032007 de facto de taak van diensthoofd ‘contactpunt Dirco’ te hebben uitgeoefend. Dit bevestigt mijn standpunt dat u sinds oktober 2006 de betrekking waarin u tot HCP werd aangesteld niet meer uitoefende, en dus niet op de inventaris van de potentiële rechthebbenden voor benoeming tot HCP mocht worden geplaatst. 3.2 Wat het afzien van deelname aan de selectie voor het directiebrevet en de bevestiging van de nakende benoeming op basis van de wet van 15-05-2007 betreft: U hebt inderdaad afgezien van verdere deelname aan de selectieproeven voor het directiebrevet (sessie 2006). Als motivering voor het afzien van verdere deelname haalt u een bericht aan van ADV Tim MOERENHOUT, die hem bevestigde dat u als aangestelde HCP herplaatst werd en op de lijst van benoembaren stond . IX-6656-8/12 De feitelijke toestand dat u uw ambt van ‘Dienstchef audit’ de facto niet meer uitoefende sinds oktober 2006 werd in de berichtgeving niet vermeld en de overheid die in deze moest beslissen was hiervan niet op de hoogte. Het antwoord werd dan ook op basis van onvolledige gegevens gegeven en kan dus niet dienstig zijn als engagement voor een benoeming. Beide door u aangehaalde elementen brengen mijns inziens geen elementen aan die tot een wijziging van mijn voornemen kunnen leiden.” 3.
- Vanaf 17 november 2008 maakt de verzoeker deel uit van CSD Dendermonde, als commissaris. IV. Grondvoorwaarden van het schorsingsberoep
- Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft Standpunt van de verzoeker
- De verzoeker omschrijft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij lijdt als volgt: “Verzoeker vraagt niet alleen de nietigverklaring van de bestreden beslissing, doch ook de schorsing van de uitwerking van de beslissing. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, zijnde de schrapping van de lijst van de voor benoeming in aanmerking komende personeelsleden, kan verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen. Er zijn recent verschillende vacatures voor mandaten als korpschef lokale politie of directeur federale politie uitgeschreven. Verzoeker zal voor deze openstaande betrekkingen niet kunnen solliciteren nu hij niet aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Daardoor loopt hij niet alleen de gewenste betrekkingen mis, doch ook de weddebijslagen, die gepaard gaan met dergelijke betrekkingen (zie stuk 9). Zolang verzoeker geschrapt is van de lijst kan hij niet benoemd worden als HCP. Dit kan mogelijks jaren duren. IX-6656-9/12 Het gaat niet op dat verzoeker de gevolgen van de beslissing zou moeten ondergaan in afwachting van een vernietigingsarrest, nu de bestreden beslissing duidelijk de wet schendt. Het nadeel is niet alleen ernstig doch ook niet, minstens moeilijk, te herstellen. Gelet op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van verzoeker dient de onmiddellijke werking van de bestreden beslissing te worden geschorst.” Beoordeling
- De verzoeker is zeer summier en algemeen in zijn uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Uit de uiteenzetting van de verzoeker kan afgeleid worden dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen:
(1)doordat hij niet kan meedingen naar verschillende recente vacatures voor het mandaat van korpschef van lokale politie of van directeur federale politie;
(2)doordat hij dientengevolge ook financieel nadeel lijdt;
(3)doordat hij de gevolgen ervan moet ondergaan in afwachting van een vernietigingsarrest, terwijl de bestreden beslissing duidelijk de wet schendt.
- Wat het verlies van kansen en de vertraging van zijn loopbaan betreft dient erop gewezen te worden dat het nadeel dat voortkomt uit een vertraging in de loopbaan, inherent is aan elke gemiste kans op een bevordering en in beginsel niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden beschouwd. Er valt ook niet meteen in te zien waarom een vernietiging van de bestreden beslissing in casu geen volledig herstel zou kunnen bieden. De verzoeker laat na dit concreet te verduidelijken.
- Wat het aangevoerde financieel nadeel betreft is dit een nadeel dat in principe niet moeilijk te herstellen is. De verzoeker brengt terzake geen bijzondere redenen aan waarom te dezen van dat principe zou moeten afgeweken worden. IX-6656-10/12
- Wat betreft het ondergaan van de gevolgen van de bestreden beslissing in afwachting van een vernietigingsarrest, terwijl de bestreden beslissing duidelijk de wet schendt, dient er vooreerst op gewezen te worden dat het nadeel dat uit de duur van de annulatieprocedure voortvloeit, in principe niet als moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden aanvaard. Voorzover de verzoeker de duur die de annulatieprocedure in beslag neemt, koppelt aan de vaststelling dat de bestreden beslissing de wet schendt en dus aan zijn middelen, dient erop gewezen te worden dat in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de gestelde voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel een van een ernstig middel onderscheiden voorwaarde uitmaakt. De beide grondvoorwaarden van het schorsingsberoep moeten van elkaar onderscheiden beoordeeld worden en moeten cumulatief vervuld zijn. In principe volstaat het ernstig bevinden van een middel dus niet om te besluiten dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel vervuld is. Er is te dezen geen reden om anders te oordelen.
- Uit de bespreking van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-6656-11/12 Vera Wauters Pierre Barra IX-6656-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.432 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.668 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div