id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.435 Rolnummer: A. 161790/IX-4866 Zaak: Arrest 202435 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-12 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 202.435 van 29 maart 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.435 van 29 maart 2010 in de zaak A. 161.790/IX-4866 In zake : Ivy VANDENBERGHE wonende te Roeselare Klokkeputstraat 107 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 april 2005, strekt tot de nietigverkla- ring van de artikelen 2 en 3, § 2, van het koninklijk besluit van 27 december 2004 houdende hervorming van de bijzondere loopbanen van niveau 2+ bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekster heeft een verzoek tot voorzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
- IX-4866-1/13 Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster is ten tijde van het bestreden besluit, en dit sinds 15 augustus 1995, tewerkgesteld als assistente voor de werkgelegenheid - niveau 2+ bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, meer in het bijzonder bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap te Gistel. 3.
- Op 16 februari 2005 verschijnt in het Belgisch Staatsblad het koninklijk besluit van 27 december 2004 houdende hervorming van de bijzondere loopbanen van niveau 2+ bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: het koninklijk besluit van 27 december 2004). Dit besluit kadert binnen de hervorming van de federale overheidsdienst en de modernisering van de loopbanen van de federale ambtenaar. 3.
- De loopbanen van gemene graden van de niveaus 4, 3, 2 en 2+ werden reeds hervormd door het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de Rijksbesturen. Ingevolge dit koninklijk besluit van 5 september 2002 voorziet de nieuwe federale loopbaan het nieuwe niveau B en het functieniveau “deskundige”, ter vervanging van het niveau 2+. Binnen dit functieniveau worden nog slechts 4 graden onder- scheiden, namelijk administratief deskundige (functies zoals directiesecretaresse, vertaler, administratieve functies die hogere vereisten stellen (i.e. doorgroei niveau C), ...), financieel deskundige (functies zoals boekhouder,...), technisch deskundige (functies zoals landmeter, paramedicus, maatschappelijk assistent, sociaal controleur,...) en ICT deskundige (functies zoals programmeur, programmering- IX-4866-2/13 analyst,...). Elke graad is representatief voor een brede groep van functies waarvoor op de markt een vergelijkbaar niveau van beloning wordt voorzien. 3.
- Wat de bijzondere graden betreft wordt in het verslag aan de Koning voorafgaand aan voornoemd koninklijk besluit van 5 september 2002 het volgende vermeld: “De problematiek van de bijzondere graden dient nog in het kader van sectorieel overleg te worden behandeld. Er zal wel bij de verschillende openbare diensten op worden aangedrongen de loopbanen van deze bijzondere graden zoveel mogelijk in deze gemene loopbaan in te passen. Enkel bijzondere loopbanen die functioneel verantwoord zijn, kunnen blijven bestaan. Voor deze bijzondere loopbanen dienen de krachtlijnen van de modernisering maximaal te worden toegepast.” De graad assistent voor de werkgelegenheid betreft een bijzondere graad van niveau 2+, met daaraan verbonden de weddeschaal 26C. 3.
- Ingevolge de wijziging door artikel 446 van de Programmawet van 24 december 2002 van artikel 19 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, in toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, bestond er binnen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geen personeelsformatie meer en diende een nieuw personeelsplan te worden vastgesteld door het Beheerscomité. Op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wijzigingen bestond aldus geen juridische basis meer om de houders van bijzondere graden te integreren in de gemene graden van het koninklijk besluit van 5 september
- Op 15 juli 2004 heeft het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het personeelsplan vastgesteld. Tot de integratie van de bijzondere graden van niveau 2+ in de gemene graden van het koninklijk besluit van 5 september 2002 werd overgegaan door het koninklijk besluit van 27 december 2004 houdende hervorming van de bijzondere loopbanen van niveau 2+ bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, waarvan de verzoekster de artikelen 2 en 3, § 2, aanvecht. IX-4866-3/13 De artikelen 2 en 3, § 2, van het koninklijk besluit van 27 december 2004 luiden als volgt: “[...] Art.
- §
- De ambtenaren die op 1 oktober 2002 titularis zijn van de geschrapte graad van assistent voor de werkgelegenheid, worden ambtshalve benoemd in de graad van administratief deskundige. §
- Voor de berekening van de graadanciënniteit van de ambtenaren benoemd krachtens § 1, worden de diensten gepresteerd in de geschrapte graad waarvan zij titularis waren, in aanmerking genomen. De anciënniteit verworven in niveau 2+ wordt geacht verworven te zijn in niveau B. §
- De in § 1 bedoelde ambtenaren kunnen deelnemen aan competentie- meting
- Art.
- [...] §
- De ambtenaren bekomen in de weddeschaal BA1 de wedde gelijk aan of onmiddellijk hoger dan de wedde die ze genoten in hun oude graad. De nuttige anciënniteit van deze ambtenaren wordt vastgesteld op basis van het resultaat van hun inschaling. In afwijking van de artikelen 14, 15, 17 en 18 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten, wordt deze nuttige anciënniteit de fictieve geldelijke anciënniteit bepaald in het enig niveau B. Het verschil tussen de geldelijke anciënniteit en de nuttige anciënniteit verworven in de oude weddeschaal wordt meegenomen in de nieuwe wedde- schaal en is beperkt tot elf maanden.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van de verwerende partij
- De verwerende partij werpt op dat de verzoekster geen belang heeft bij de vernietiging van artikel 2, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 27 december 2004, daar deze bepalingen geen nadeel toebrengen aan verzoeksters loopbaan. IX-4866-4/13 Beoordeling
- De verzoekster getuigt slechts van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de artikelen 2 en 3, § 2, van het koninklijk besluit van 27 december 2004, indien haar rechtstoestand door de bestreden bepalingen wordt gewijzigd in ongunstige zin. Met andere woorden is vereist dat deze bepalingen een effectief nadeel toebrengen aan de verzoekster. Is het bestreden besluit slechts gedeeltelijk griefhoudend voor de verzoekster, dan heeft zij slechts belang bij de vernietiging van die bepalingen die haar nadeel toebrengen.
- Wat artikel 3, § 2, van het bestreden koninklijk besluit betreft, kan worden aangenomen dat hierdoor verzoeksters persoonlijke rechtspositie wordt gewijzigd. Door deze bepaling wordt namelijk in de weddeschaal BA1 de wedde voor de nieuwe graad van administratief deskundige en de anciënniteit vastgesteld. Aangezien de verzoekster aldus effectief kan benadeeld worden ten gevolge van deze bepaling, getuigt zij van het rechtens vereiste belang.
- Wat artikel 2, §§ 2 en 3, van het bestreden koninklijk besluit betreft, kan niet worden ingezien in welke zin deze bepalingen de verzoekster enig nadeel berokkenen. Immers, krachtens artikel 2, § 2, van het bestreden koninklijk besluit worden voor de berekening van de graadanciënniteit van de administratief deskundigen de diensten gepresteerd in de geschrapte graad waarvan zij titularis waren, in aanmerking genomen en wordt de anciënniteit verworven in niveau 2+ geacht verworven te zijn in niveau B. Deze bepaling wijzigt derhalve geenszins de rechtspositie van de verzoekster. Krachtens artikel 2, § 3, kunnen zij deelnemen aan de competentiemeting
- Deze bepalingen beïnvloeden geenszins de rechtstoestand van de verzoekster in ongunstige zin, wat overigens niet wordt betwist door de verzoekster. Zij leveren aldus geen enkel nadeel op, zodat de verzoekster geen belang heeft bij haar beroep tot nietigverklaring met betrekking tot deze bepalingen.
- Aldus heeft de verzoekster alleen belang bij haar beroep in zoverre het gericht is tegen artikel 3, § 2, van het bestreden koninklijk besluit. In de mate waarin het beroep gericht is tegen artikel 2 is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. De door de verzoekster ingeroepen middelen moeten dan ook slechts verder worden onderzocht in de mate ze op artikel 3, § 2, van het bestreden koninklijk besluit betrekking hebben. IX-4866-5/13 V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert de verzoekster de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van het redelijkheidsbeginsel. De verzoekster laat vooreerst gelden dat het bestreden koninklijk besluit is genomen met schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien het te dezen gaat om personeelsleden die zich in dezelfde of in een gelijkaardige situatie bevinden doch die verschillend worden behandeld, zonder dat voor het gemaakte onderscheid een redelijke verantwoording kan worden gegeven. De verzoekster stelt dat het bestreden koninklijk besluit, dat voorziet in de integratie van niveau 2+ in een administratieve graad B op basis van het loon, een discriminatie inhoudt voor de betrokken personeelsleden, aangezien de sociaal controleurs geïntegreerd werden in een technische graad B. Bovendien hebben verschillende federale overheidsdiensten hun bijzondere graden op basis van anciënniteit geïntegreerd met terugwerkende kracht tot 1 oktober
- De assistenten voor de werkgelegenheid dienen, zo schrijft de verzoekster, behandeld en benoemd te worden in de graad van technisch deskundi- ge. De integratie in de nieuwe weddenschalen moet gebeuren op basis van de verworven geldelijke anciënniteit. Deze anciënniteit dient als enige anciënniteit in de graad van technisch deskundige te gelden. Bij de integratie van de gemene graden en vergelijkbare of identiek bijzondere graden in de nieuwe loopbanen van niveau B hanteerde de overheid steeds dezelfde integratieprincipes. De verzoekster verwijst in dit verband naar de integratie van de gemene en bijzondere graden van sociaal controleur, controleur, technisch assistent en gezondheidscontroleur. Deze kenden allemaal hetzelfde loopbaanverloop in niveau 2+ en zijn identiek aan de loopbaan van assistent van de werkgelegenheid. Nu het gaat om gelijkaardige situaties diende de verzoekster ingeschaald te worden als een technisch deskundige. IX-4866-6/13 Het door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening opgeworpen tekort aan budgettaire middelen laat niet toe een onderscheid te maken, rekening houdend met de omstandigheid dat de budgettaire middelen ter financiering van de loopbaanhervorming vanuit een globale federale begrotingspost vanaf 2002 aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden toegekend. Deze middelen dienen tot financiering van de integratie van de gemene en bijzondere graden van de niveaus 4, 3, 2 en 2+. De verzoekster wijst er voorts op dat de taken en verantwoorde- lijkheden opgedragen aan de assistenten voor de werkgelegenheid in belangrijke mate technische competenties betreffen die de overheid verwacht van een technisch deskundige en dat voor de uitvoering van hun opdrachten heel wat technische bagage is vereist. Bovendien moeten de sociaal controleurs alsook de assistenten voor de werkgelegenheid bijkomende avond- en/of weekendprestaties verrichten indien zij hun werk goed willen uitvoeren. De verzoekster besluit dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat de overheid tevens het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden, nu zij op evidente wijze haar beleidsvrijheid niet correct heeft gebruikt.
- De verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat de assistenten voor de werkgelegenheid zich niet in een gelijkaardige situatie bevinden als de sociaal controleurs. Zij merkt op dat de oude graad van sociaal controleur een gemene graad van de federale overheidsdiensten was, en dat de functie van assistent voor de werkgelegenheid bovendien sterk verschillend is van de functie van sociaal controleur en de andere functies waarmee de verzoekster zich vergelijkt. De kernopdracht van de sociaal controleur, die behoort tot de functiefamilie controle, bestaat in het houden van toezicht op het naleven van de werkloosheidsreglemente- ring en van de sociale wetgeving. De assistent voor de werkgelegenheid daarentegen behoort tot de functiefamilie dossierbeheer en heeft in wezen slechts één opdracht, namelijk de organisatie van de werking van het plaatselijk werkgelegenheidsagent- schap. De kernopdracht van een assistent voor de werkgelegenheid heeft derhalve niets te maken met de controle-opdracht van ondermeer de sociaal controleurs, wat tevens blijkt uit de algemene omschrijving van de functiefamilies controle enerzijds en dossierbeheer anderzijds. IX-4866-7/13 De verwerende partij laat gelden dat te dezen geen verschillende behandeling kan worden aangevochten, daar het niet om gelijkaardige functies gaat. Integendeel, zo houdt zij voor, wordt de verzoekster wél gelijk behandeld zoals een aantal functies die wél vergelijkbaar zijn. Binnen de Rijksdienst voor Arbeidsvoor- ziening bestaan immers een aantal functies van gelijkaardig niveau, die eveneens behoren tot de graad van administratief deskundige, en die evenzeer een gedegen technische expertise vereisen. Toch behoren deze functies tot de graad van administratief deskundige. De omstandigheid dat bepaalde technische expertise wordt gevraagd van een bepaalde functie impliceert geenszins dat het om een graad van technisch deskundige zou gaan. Volgens de verwerende partij is er bovendien een objectieve en redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling met de door de verzoekster aangehaalde functies. Het bestreden koninklijk besluit kan immers maar worden genomen indien er een gunstig advies is van de regeringscommissaris voor begroting bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. In het eerste ontwerp inzake de integratie van de assistenten voor de werkgelegenheid in niveau B was een inschaling in de weddeschaal BT1 voorzien. Dit ontwerp bekwam om budgettaire redenen een ongunstig advies. Een later voorstel dat voorzag in de integratie in de graad van administratief deskundige en de weddeschaal BA1 verkreeg wél de goedkeuring van de regeringscommissaris.
- De verzoekster voert in haar memorie van wederantwoord aan dat de verwerende partij niet weerlegt waarom de vergelijking met andere functies die door de verzoekster werden aangehaald, niet opgaat. Waar de verwerende partij voorhoudt dat de functie van assistent voor de werkgelegenheid sterk verschilt van de functie van sociaal controleur, wijst de verzoekster erop dat, zo dit het geval zou zijn, conform het bestreden koninklijk besluit geen integratie kon gebeuren van niveau 2+ naar een administratieve graad B op basis van het loon, aangezien de techniciteit van de uitgeoefende functie het criterium uitmaakt. Voorts herhaalt de verzoekster dat voor de uitvoering van de kernopdracht van assistente voor de werkgelegenheid heel wat technische bagage is vereist. IX-4866-8/13 In zoverre de verwerende partij aanhaalt dat de integratie van assistenten voor de werkgelegenheid in eerste instantie geen gunstig advies verkreeg van de regeringscommissaris wegens budgettaire redenen, herhaalt de verzoekster dat de budgettaire middelen ter financiering van de loopbaanhervorming vanuit een globale regeringspost vanaf 2002 aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werden toegekend.
- In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de verzoekster zich niet in een gelijkaardige situatie bevindt als de categorieën van personeelsleden die zij zelf opgeeft, te weten de sociaal controleurs. Zij stelt dat het gelijkheidsbeginsel zich niet verzet tegen de verschillende behandeling van onderscheiden categorieën van personen en dat, nu blijkt dat de functies waarmee de verzoekster zich vergelijkt wezenlijk verschillend zijn, niet dient nagegaan te worden of er een objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor die ongelijke behandeling. Beoordeling
- De verzoekster kan niet worden bijgetreden in haar kritiek op het feit dat de titularissen van de geschrapte graad van assistent voor de werkgelegen- heid ambtshalve benoemd worden in de graad van “administratief” deskundige, eerder dan in de graad van “technisch” deskundige. Hoewel de verzoekster voorhoudt dat de taken en verantwoorde- lijkheden van de assistenten voor de werkgelegenheid technische competenties behelzen en dat er voor de uitvoering van hun opdrachten heel wat technische bagage vereist is, wordt vastgesteld dat zij onvoldoende elementen aanvoert die erop wijzen dat die functie in wezen een technische functie is die onder de noemer van “technisch” deskundige dient te worden gebracht. De verzoekster houdt voor dat de functie van assistent voor de werkgelegenheid vergelijkbaar is met die van sociaal controleur. Uit het administra- tief dossier blijkt evenwel dat tussen beide functies, de ene behorende tot de functiefamilie controle en de andere tot de functiefamilie dossierbeheer, een wezenlijk onderscheid bestaat. Het doel van de functiefamilie controle bestaat er in essentie in om toezicht te houden op de naleving van de complexe wetgeving en/of reglementering, het controleren daarvan, het vaststellen van inbreuken en het IX-4866-9/13 verlenen van advies met als finaliteit het verzekeren van de belangen van de overheid, regulariseren, bestraffend optreden en verzoenen. Tot deze functiefamilie behoren voornamelijk de economische controleurs, landbouwcontroleurs, sociale controleurs, gezondheidscontroleurs, arbeidscontroleurs en controleurs bij financiën die geen fiscale controleurs zijn. Het doel van de functiefamilie dossierbeheer daarentegen bestaat erin om dossiers te verwerken vanuit een bepaald complex kennis- of expertisedomein met het oog op een beslissing, zonder af te wijken van de terzake geldende reglementering. Hoewel voor de functies van laatstgenoemde functiefamilie een zekere “technische” kennis is vereist, kan niet zonder meer worden aangenomen dat dit een technische functie betreft. Gelet op wat voorafgaat, dient met de verwerende partij te worden aangenomen dat de functie van sociaal controleur behoort tot de functiefamilie controle en deze van assistent voor de werkgelegenheid tot de functiefamilie dossierbeheer. Derhalve kan enkel worden besloten dat de functie van assistent voor de werkgelegenheid wezenlijk verschillend is van deze van sociaal controleur. Het is dan ook niet kennelijk onredelijk dat de assistenten voor de werkgelegenheid ambtshalve benoemd worden in de graad van “administratief” deskundige, terwijl de sociaal controleurs ambtshalve benoemd worden in de graad van “technisch” deskundige.
- Nu vaststaat dat de verzoekster niet aannemelijk maakt dat de voormalige assistenten voor de werkgelegenheid ambtshalve dienden te worden benoemd in de graad van “technisch” deskundige, eerder dan in de graad van “administratief” deskundige, dient het beroep, in zoverre zij daarmee de nietigver- klaring van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 27 december 2004 beoogt, als ongegrond verworpen te worden.
- Het gelijkheidsbeginsel sluit niet uit dat een verschil in behande- ling tussen bepaalde categorieën wordt ingesteld, voor zover dit verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande maatregel en met de aard van de in het geding zijnde beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. IX-4866-10/13 Bij de integratie van de loopbanen van niveau 2+ in niveau B wordt met betrekking tot de vaststelling van de nieuwe weddeschaal een onder- scheid gemaakt tussen twee wijzen van integratie. Volgens de ene wijze van integratie wordt de verkregen geldelijke anciënniteit geacht te zijn verkregen in de nieuwe weddeschaal. Dit wordt, zoals de verzoekster terecht aanhaalt, toegepast voor de ambtenaren die op 1 oktober 2002 titularis zijn van de geschrapte gemene graad van sociaal controleur en ambtshalve benoemd worden in de graad van technisch deskundige, voor de ambtenaren die op 1 oktober 2002 titularis zijn van de geschrapte bijzondere graad van controleur en technisch assistent en beiden ambtshalve benoemd worden in de graad van technisch deskundige en voor de ambtenaren die op 1 oktober 2002 titularis zijn van de geschrapte bijzondere graad van gezondheidscontroleur en ambtshalve benoemd worden in de graad van technisch deskundige. Volgens de andere wijze van integratie in de weddeschaal BA1 is de bekomen wedde gelijk aan of onmiddellijk hoger dan de wedde in de oude graad. Dit wordt door het bestreden artikel 3, §2, van het koninklijk besluit van 27 december 2004 toegepast voor de ambtenaren die op 1 oktober 2002 titularis zijn van de geschrapte bijzondere graad van assistent voor de werkgelegenheid en die ambtshalve benoemd worden in de graad van administratief deskundige. De voormalige assistenten voor de werkgelegenheid worden aldus, wat de vaststelling van de nieuwe weddeschaal betreft, verschillend behandeld ten opzichte van de voormalige sociaal controleurs, controleurs, technische assistenten en gezondheidscontroleurs, allen titularis van het voormalig niveau 2+, thans niveau B. De verwerende partij wijt dit onderscheid inzake de vaststelling van de nieuwe weddeschaal aan budgettaire redenen. In dit verband verwijst zij naar het ongunstig advies van de regeringscommissaris voor begroting bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 7 juli 2004 over het ontwerp van koninklijk besluit, waarin was voorzien dat de verworven geldelijke anciënniteit geacht wordt verworven te zijn in de nieuwe weddeschaal en naar de goedkeuring van de regeringscommissaris van 9 september 2004 van het ontwerp van koninklijk besluit, waarin was voorzien dat de ambtenaren van de geschrapte graad van assistent voor IX-4866-11/13 de werkgelegenheid in de weddeschaal BA1 de wedde bekomen gelijk aan of onmiddellijk hoger dan de wedde die ze genoten in hun oude graad. Voormelde reden is echter geenszins verbonden met de statutair- pecuniaire toestand van de assistenten voor de werkgelegenheid. Er wordt geenszins aangevoerd dat hun geldelijk statuut verschilde van dit van de sociale controleurs, verschil dat eventueel een andere vorm van inschaling in de nieuwe weddeschaal zou kunnen verantwoorden. De aangehaalde reden dient te worden beschouwd als een aan verzoeksters situatie volledig externe reden, te weten de budgettaire toestand van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Uit het administratief dossier blijkt niet dat andere redenen dan budgettaire redenen voorhanden zijn ter verantwoording van voornoemde wijze van integratie voor de voormalige assistenten voor de werkgele- genheid. Immers, in het oorspronkelijke ontwerp van koninklijk besluit was voorzien dat de verworven geldelijke anciënniteit geacht wordt verworven te zijn in de nieuwe weddeschaal, zijnde de wijze van integratie die ook is toegepast geworden op ondermeer de voormalige sociaal controleurs, voormalige controleurs en technische assistenten, en voormalige gezondheidscontroleurs. Dit ontwerp van koninklijk besluit werd enkel en alleen aangepast ten gevolge van een ongunstig advies van de regeringscommissaris voor begroting bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, en wel in die zin dat de ambtenaren van de geschrapte graad van assistent voor de werkgelegenheid in de weddeschaal BA1 de wedde bekomen gelijk aan of onmiddellijk hoger dan de wedde die ze genoten in hun oude graad, zijnde de andere wijze van integratie van de loopbanen van niveau 2+ in niveau B. Dergelijke niet op de eigen pecuniair-statutaire toestand van de verzoekster teruggaande reden is niet pertinent, wat de vaststelling van de nieuwe weddeschaal betreft, om een verschillende behandeling ten opzichte van andere ambtenaren binnen dezelfde instelling, concreet gezien de sociaal controleurs, te verantwoorden. Met de verzoekster wordt vastgesteld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het eerste middel is in de voormelde mate gegrond. IX-4866-12/13 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 27 december 2004 houdende hervorming van de bijzondere loopbanen van niveau 2+ bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4866-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div