← België

Arrest 202437 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 29/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.437 Rolnummer: A. 179633/IX-5520 Zaak: Arrest 202437 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-13 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.437 van 29 maart 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.437 van 29 maart 2010 in de zaak A. 179.633/IX-5520 In zake: Domien DESSEIN wonend te Moerzeke Koningsplein 15 tegen: de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Ann DE BAERDEMAEKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 december 2006, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Landmaatschappij (hierna: de VLM) van 14 september 2006 waarbij Ann De Baerdemaeker, afdelingshoofd van de afdeling Algemene Diensten, wordt benoemd in het middenkader in de graad van hoofdadviseur (rang A2M) met ingang van 1 april 2006; - de beslissing van de directieraad van de VLM van 15 juli 2003, luidens dewelke Ann De Baerdemaeker over de vereiste generieke competenties beschikt voor de functie van afdelingshoofd; IX-5520-1/13 - de beslissing van de waarnemend administrateur-generaal en de waarnemend adjunct-administrateur-generaal van de VLM van 17 september 2003, luidens dewelke Ann De Baerdemaeker over de vereiste afdelingsspecifieke competenties beschikt voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Algemene Admini- stratie; - de beslissing van de waarnemend administrateur-generaal van de VLM van 17 september 2003 waarbij Ann De Baerdemaeker wordt aangewezen voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Algemene Administratie; - de bekrachtiging van de laatstgenoemde beslissing door de raad van bestuur van de VLM op 24 september
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 maart
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 maart
  5. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Stijn Butenaerts, die loco advocaat Steven Van Geeteruyen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-5520-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Op 9 april 2003 wordt door de VLM bekendgemaakt dat er vier vacante betrekkingen van afdelingshoofd te begeven zijn. Eén van deze betrekkingen is deze van afdelingshoofd van de afdeling Algemene Administratie. Voor de laatstgenoemde betrekking dienen vier personeelsleden hun kandidatuur in, waaronder de verzoeker en Ann De Baerdemaeker. 3.
  8. De procedure tot aanwijzing van het afdelingshoofd is bepaald door het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen. Eerst beoordeelt de directieraad de vereiste generieke competenties van de kandidaten. Hij houdt hierbij rekening met een interne potentieelinschatting op basis van de beschikbare informatie over de loopbaan van de kandidaat en de elementen die door de kandidaat zelf worden aangereikt, en met een door een externe instantie afgenomen potentieelinschatting op basis van een gedragsgerichte test. Vervolgens stellen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar vast welke van de aldus geselecteerde kandidaten in aanmerking komen voor de betrekking van afdelingshoofd. Zij houden hierbij rekening met de afdelingsspecifieke competenties van de kandidaten en de mondelinge verdediging van hun beleidsvisie. Uit de kandidaten die in aanmerking komen, wijst de leidend ambtenaar in overleg met de adjunct-leidend ambtenaar een kandidaat aan voor de betrekking van afdelingshoofd. Deze aanwijzing moet ten slotte door de leidend ambtenaar worden voorgelegd aan de raad van bestuur, die de beslissing van de leidend ambtenaar al dan niet bekrachtigt. IX-5520-3/13 3.
  9. Op 15 juli 2003 beslist de directieraad van de VLM dat Ann De Baerdemaeker over de vereiste generieke competenties beschikt voor de functie van afdelingshoofd. Dit is de tweede bestreden beslissing. Tijdens diezelfde vergadering beslist de directieraad dat ook de verzoeker en één van de andere kandidaten over de vereiste generieke competenties voor de functie van afdelingshoofd beschikt. 3.
  10. Op 17 september 2003 komen de waarnemend administrateur- generaal en de waarnemend adjunct-administrateur-generaal van de VLM tot het besluit dat Ann De Baerdemaeker beschikt over de vereiste afdelingsspecifieke competenties voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Algemene Administratie. Dit is de derde bestreden beslissing. Ook de verzoeker en de andere nog in aanmerking komende kandidaat worden geacht over de vereiste afdelingsspecifieke competenties voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Algemene Administratie te beschikken. 3.
  11. Op dezelfde datum beslist de waarnemend administrateur-generaal om Ann De Baerdemaeker voor een mandaat van zes jaar met ingang van 1 december 2003 aan te wijzen als afdelingshoofd van de afdeling Algemene Administratie. Dit is de vierde bestreden beslissing. 3.
  12. Op 24 september 2003 bekrachtigt de raad van bestuur van de VLM de laatstgenoemde beslissing van de waarnemend administrateur-generaal. Deze bekrachtiging is de vijfde bestreden beslissing. 3.
  13. Met een brief van 24 september 2003 wordt de verzoeker door de waarnemend administrateur-generaal in kennis gesteld van de aanwijzing van Ann IX-5520-4/13 De Baerdemaeker als afdelingshoofd van de afdeling Algemene Administratie. De voormelde beslissingen van 17 september 2003 zijn bijgevoegd. Deze brief maakt ook melding van de bekrachtiging van de aanwijzing door de raad van bestuur. 3.
  14. Op 14 september 2006 beslist de gedelegeerd bestuurder van de VLM Ann De Baerdemaeker te benoemen in het middenkader in de graad van hoofdadviseur. Dit is de eerste bestreden beslissing. De gedelegeerd bestuurder maakt op 22 november 2006 deze beslissing bekend door een bericht aan de personeelsleden. 3.
  15. Ondertussen verscheen op 2 december 2005 in de geschreven pers een artikel over de vermeende beïnvloeding van het extern selectiebureau door de waarnemend administrateur-generaal van de VLM in
  16. Volgens dit krantenartikel zou een beoordeling “niet geschikt” gewijzigd zijn in een beoordeling “eventueel geschikt”. Er zou hierover een intern auditrapport zijn opgemaakt. Op 7 december 2005 maakte de raad van bestuur van de VLM een bericht aan de personeelsleden bekend via het intranet, waarin hij het belang beklemtoonde van een goed en transparant personeelsbeleid. Voorts bevestigde de raad van bestuur zijn vertrouwen in de bekwaamheid en de inzet van de waarnemend administrateur-generaal en het aangestelde afdelingshoofd. Met betrekking tot de grond van de zaak sloot de raad van bestuur zich aan bij de waarschuwing die de minister formuleerde ten aanzien van de leidend ambtenaar. Naar eigen zeggen ondervroeg de verzoeker de raad van bestuur schriftelijk over de feiten die in het voormelde krantenartikel aan bod waren gekomen. Met een brief van 22 februari 2006 antwoordde de voorzitter van de raad van bestuur onder meer dat de aanstelling van Ann De Baerdemaeker kracht van gewijsde had verkregen en het auditrapport daaraan geen afbreuk deed. De verzoeker kon naar eigen zeggen later het intern auditrapport inkijken. IX-5520-5/13 3.
  17. Met ingang van 16 augustus 2006 verkreeg de verzoeker voor twaalf maanden onbetaald verlof om een stage als directeur personeel en organisatie te vervullen bij de stad Kortrijk. Dit onbetaald verlof werd verlengd met een periode van vier jaar, tot 15 augustus
  18. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  19. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen in hun memories verscheidene excepties van onontvankelijkheid van het beroep op, onder meer met betrekking tot de tijdigheid van het beroep en het belang van de verzoeker. A. Exceptie met betrekking tot de tijdigheid van het beroep Standpunt van de partijen
  20. De verzoeker zet in zijn verzoekschrift uiteen waarom hij meent zijn beroep tijdig te hebben ingesteld. Hij betoogt dat de derde en de vierde bestreden beslissing aan hem werden betekend met een brief van 24 september 2003, zonder dat melding werd gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en van de daarbij in acht te nemen beroepstermijn. Hij wijst er voorts op dat de eerste bestreden beslissing door de verwerende partij op 22 november 2006 werd bekendgemaakt met een bericht aan de personeelsleden, maar dat ook deze bekendmaking geen melding maakte van de beroepsmogelijkheid en de beroepstermijn bij de Raad van State. Met betrekking tot de andere bestreden beslissingen laat de verzoeker gelden dat hij in de veronderstelling was dat de aanstellingsprocedure zonder onregelmatigheden was verlopen, totdat hij het auditrapport heeft kunnen inkijken. Uit het bericht van de raad van bestuur van 7 december 2005 aan de personeelsleden kon volgens de verzoeker niet worden opgemaakt dat er fouten waren gebeurd in de aanstellingsprocedure. Ook uit de brief van de voorzitter van raad van bestuur van 22 februari 2006 bleek volgens de verzoeker niet dat er redenen waren om te vermoeden dat er iets fout zou zijn gelopen in de aanstellingsprocedure. IX-5520-6/13
  21. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen op dat de verzoeker de termijn voor het instellen van het beroep met meer dan 3,5 jaar heeft overschreden. Zij laten gelden dat artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State weliswaar verplicht om bij de kennisgeving van individuele bestuurshandelingen de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en de daarbij in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen te vermelden, op straffe van het niet aanvangen van de beroepstermijn, en dat deze regel volgens de rechtspraak van de Raad van State van openbare orde is, maar zij vragen zich af of het overschrijden van de beroepstermijn met een dergelijk lange periode wel mogelijk is, nu vaststaat dat de verzoeker van meet af aan kennis had van de beroepsmogelijkheden en -voorschriften. Dit laatste blijkt volgens hen uit de omstandigheid dat de verzoeker kennis had van de directienota nr. 8 van 19 december 2002 die precies betrekking had op de verplichting om kennis te geven van de beroepsmogelijkheden en -modaliteiten. Volgens de verwerende partij en de tussenkomende partij maakt artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een onverantwoord onderscheid tussen enerzijds een overheid die wordt geconfronteerd met een verzoeker die meet af aan kennis had van de beroepsmogelijkheden en anderzijds een overheid die wordt geconfronteerd met een verzoeker die geen kennis had van de beroepsmogelijkheden. De verwerende partij en de tussenkomende partij wijzen erop dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de gelijke behandeling van ongelijke omstandigheden verbieden. Zij vragen de Raad van State om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending van de genoemde grondwetsartikelen door artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  22. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de directienota nr. 8 van 19 december 2002 gericht was aan de directie en dat hij als personeelslid niet geacht kan worden van dergelijke nota’s kennis te hebben. Volgens de verzoeker had de verwerende partij de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State moeten vermelden bij de kennisgeving van de bestreden beslissingen en wordt die verplichting overigens bevestigd door de voormelde directienota. IX-5520-7/13 Beoordeling
  23. Krachtens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. Artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking.” Deze bepaling is van toepassing wanneer een administratieve overheid ertoe verplicht is om een individuele beslissing ter kennis te brengen van de betrokkene. Dit is slechts het geval wanneer een normatieve bepaling die kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene voorschrijft of wanneer de beslissing van zodanige aard is dat zij de rechtstoestand van de persoon op wie zij betrekking heeft, bepaalt of wijzigt.
  24. De eerste bestreden beslissing betreft de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de VLM van 14 september 2006 waarbij Ann De Baerdemaeker wordt benoemd in het middenkader in de graad van hoofdadviseur. Deze beslissing diende aan de verzoeker niet te worden betekend, aangezien ze zijn rechtstoestand niet heeft bepaald of gewijzigd. De verzoeker heeft van deze beslissing slechts kennis kunnen nemen door de bekendmaking ervan bij bericht van de gedelegeerd bestuurder van 22 november 2006 aan de personeelsleden. Het voorliggende beroep werd op 21 december 2006 dan ook binnen de voorgeschreven beroepstermijn tegen de voormelde beslissing ingesteld.
  25. De tweede bestreden beslissing betreft de beslissing van de directieraad van de VLM van 15 juli 2003, luidens dewelke Ann De Baerdemaeker IX-5520-8/13 over de vereiste generieke competenties beschikt voor de functie van afdelingshoofd. Weliswaar heeft de directieraad in dezelfde beslissing geoordeeld dat ook de verzoeker over de vereiste generieke competenties beschikt, maar de verzoeker bestrijdt de beslissing slechts voor zover ze die generieke competenties ook in hoofde van Ann De Baerdemaeker aanwezig acht. De tweede bestreden beslissing, aldus begrepen, heeft verzoekers rechtstoestand niet bepaald of gewijzigd. Ze diende dan ook niet aan de verzoeker te worden betekend. Het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State betreffende de kennisgeving van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en van de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften is te dezen dan ook niet van toepassing. Voor de verzoeker ging de beroepstermijn tegen de tweede bestreden beslissing in door de feitelijke kennisneming ervan. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoeker feitelijk kennis van die beslissing heeft genomen middels de bijlagen bij de brief van 24 september 2003 die hij vanwege de waarnemend administrateur-generaal heeft ontvangen, waarin melding wordt gemaakt van die beslissing. Het voorliggende beroep is dan ook laattijdig tegen die beslissing ingesteld. De omstandigheid dat de verzoeker pas na verloop van jaren kennis zou hebben gekregen van vermeende onregelmatigheden, doet daaraan geen afbreuk.
  26. Om dezelfde redenen is het voorliggende beroep ook laattijdig ingesteld tegen de derde bestreden beslissing, dit is de beslissing van de waarnemend administrateur-generaal en de waarnemend adjunct-administrateur- generaal van 17 september 2003, luidens dewelke Ann De Baerdemaeker over de vereiste afdelingsspecifieke competenties beschikt voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Algemene Administratie. Deze beslissing diende immers evenmin aan de verzoeker te worden betekend, waardoor het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet van toepassing is. Voor de verzoeker ging de beroepstermijn andermaal in door de feitelijke kennisneming van deze beslissing middels de bijlagen bij de voormelde brief van de waarnemend administrateur-generaal van 24 september
  27. De vierde bestreden beslissing betreft de beslissing van de waarnemend administrateur-generaal van de VLM van 17 september 2003, waarbij Ann De Baerdemaeker wordt aangewezen voor de betrekking van afdelingshoofd IX-5520-9/13 van de afdeling Algemene Administratie, en de vijfde bestreden beslissing betreft de bekrachtiging van deze beslissing van de waarnemend administrateur-generaal door de raad van bestuur van de VLM op 24 september
  28. De verzoeker werd van deze beslissingen in kennis gesteld bij de voormelde brief van de waarnemend administrateur-generaal van 24 september
  29. Vermits deze beslissingen voor de verzoeker de ongunstige afloop impliceerden van de aanwijzingsprocedure wat zijn kandidaatstelling betreft, diende de kennisgeving ervan melding te maken van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en van de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften. Te dezen heeft de voormelde brief van de waarnemend administrateur-generaal géén melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en van de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften. Evenwel moet erop worden gewezen dat luidens artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, indien niet werd voldaan aan de verplichting tot kennisgeving van de beroepsmogelijkheid en van de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften, de verjaringstermijn een aanvang neemt vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking. Derhalve moet worden besloten dat het voorliggende beroep, óók voor zover het is gericht tegen de vierde en de vijfde bestreden beslissing, laattijdig is ingesteld.
  30. Uit wat voorafgaat volgt dat het voorliggende beroep slechts tijdig werd ingesteld tegen de eerste bestreden beslissing. De exceptie is gegrond voor zover ze aanvoert dat het voorliggende beroep laattijdig is ingesteld tegen de tweede, de derde, de vierde en de vijfde bestreden beslissing.
  31. Vermits het besluit dat het voorliggende beroep tijdig werd ingesteld tegen de eerste bestreden beslissing, niet kan worden toegeschreven aan de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dient niet te worden ingegaan op de suggestie van de verwerende partij om over de grondwettigheid van deze wetsbepaling een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. IX-5520-10/13 B. Exceptie met betrekking tot het belang van de verzoeker Standpunt van de partijen
  32. De verzoeker voert in zijn verzoekschrift aan dat hij evident belang heeft bij de zaak “gezien zijn betrokkenheid in de procedure”. Hij wijst erop dat door onregelmatigheden in de aanstellingsprocedure zijn kansen om te worden aangesteld tot afdelingshoofd ernstig geschaad zijn. Ook het algemeen belang is volgens de verzoeker geschaad, aangezien het de plicht van de overheid is om de meest geschikte kandidaat te kiezen en te benoemen. De verzoeker stelt dat de overheid ingevolge de gebeurde onregelmatigheden niet op correcte informatie heeft gesteund om de meest geschikte kandidaat aan te stellen.
  33. De verwerende partij en de tussenkomende partij betogen dat de verzoeker geen belang heeft bij het aanvechten van de eerste bestreden beslissing, aangezien hij geen kandidaat was voor een benoeming in het middenkader van de VLM. Voorts beantwoordt volgens hen het algemeen belang waarop de verzoeker zich beroept, niet aan het vereiste van een persoonlijk en rechtstreeks belang.
  34. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord met betrekking tot zijn belang bij de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing dat niet in een kandidaatstelling voor de kwestieuze benoeming was voorzien. Hij betoogt dat de afdelingshoofden van de VLM ambtshalve werden benoemd tot hoofdadviseur. Hij voegt eraan toe dat hij zich enkel kandidaat heeft kunnen stellen “voorafgaand aan de beslissing van de directieraad betreffende de generieke competenties van afdelingshoofd” (de tweede bestreden beslissing). Alleen Ann De Baerdemaeker kwam in aanmerking voor deze benoeming, omdat zij -weliswaar op onregelmatige wijze- was aangesteld als afdelingshoofd. De verzoeker besluit dat hij ingevolge de onrechtmatige benoeming van Ann De Baerdemaeker een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft in deze zaak.
  35. In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden dat ingevolge de vernietiging van de eerste bestreden beslissing een vacature in de personeelsformatie van de VLM zou ontstaan. Aangezien het mandaat van Ann De Baerdemaeker op 1 december 2009 afloopt, zou de functie dan opnieuw vacant moeten worden verklaard en zou hij terug kunnen kandideren voor deze functie. IX-5520-11/13 Beoordeling
  36. Vermits het beroep laattijdig is ingesteld tegen de tweede, de derde, de vierde en de vijfde bestreden beslissing, dient de exceptie met betrekking tot het belang van de verzoeker bij zijn beroep slechts te worden onderzocht ten aanzien van de eerste bestreden beslissing. De eerste bestreden beslissing betreft de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de VLM van 14 september 2006 waarbij Ann De Baerdemaeker wordt benoemd in het middenkader in de graad van hoofdadviseur. De verzoeker geeft aan dat hij zelf voor die benoeming niet in aanmerking kwam en dat alleen Ann De Baerdemaeker in aanmerking kwam gelet op haar aanwijzing tot afdelingshoofd. Hij voert weliswaar aan dat die aanwijzing is aangetast door onregelmatigheden, maar vermits hij die aanwijzing niet op een ontvankelijke wijze met een beroep tot nietigverklaring heeft bestreden en die aanwijzing klaarblijkelijk noodzakelijk was voor het verkrijgen van de benoeming tot hoofdadviseur, moet worden besloten dat de verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van de benoeming van Ann De Baerdemaeker tot hoofdadviseur. Een vernietiging van die benoeming kan immers, nu voornoemde alleszins haar aanwijzing tot afdelingshoofd behoudt, niet teweegbrengen dat de verzoeker zelf tot hoofdadviseur kan worden benoemd. De omstandigheid dat het mandaat van Ann De Baerdemaeker als afdelingshoofd verstreek op 1 december 2009, kan -ongeacht of het mandaat al dan niet werd verlengd- verzoekers belang bij de vernietiging van de eerste bestreden beslissing niet verantwoorden. Voor zover de verzoeker laat gelden dat het algemeen belang geschonden is omdat mogelijk niet de meest geschikte kandidaat is benoemd, moet worden opgemerkt dat het aldus aangevoerde belang in niets verschilt van het belang dat iedere burger heeft bij de handhaving van de wettigheid, waardoor verzoekers beroep zich voordoet als een ontoelaatbare actio popularis. De exceptie is gegrond.
  37. Het voorliggende beroep is derhalve eveneens onontvankelijk voor zover het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. IX-5520-12/13 BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5520-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.437 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.