id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.448 Rolnummer: A. 129274/X-11181 Zaak: Arrest 202448 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-12 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.448 van 29 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.448 van 29 maart 2010 in de zaak A. 129.274/X-11.181. In zake: 1. Philip VERTESSEN 2. Sybille DE SAEDELEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 HEERS Steenweg 161 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 KONTICH Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de gemeente LAAKDAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Schuermans en Jan Surmont kantoor houdend te 2300 TURNHOUT de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 november 2002, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 19 september 2002 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte aan het gemeentebestuur Laakdal van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een luifel en het aanleggen van een nieuwe toegangsweg op een perceel gelegen te Veerle, Eindhoutseweg, kadastraal bekend sectie A, nr. 202/a. X-11.181-1/9 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 118.992 van 5 mei 2003 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 september 2003. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Pierre Barra heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2009. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Marès, die loco advocaat Gerald Kindermans verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Kelly Bosmans, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jan Surmont, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-11.181-2/9 III. Feiten 3.1. Op 5 december 2001 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de gemeente Laakdal aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een vergunning voor het “bouwen van een luifel en aanleg nieuwe toegang” op het gemeentelijk containerpark gelegen te Veerle, Eindhoutseweg, kadastraal bekend sectie A, nr. 202/a. In het ontvangstbewijs wordt onder meer gesteld dat “voor bovenvermelde werken (...) een openbaar onderzoek vereist (
- is)zoals voorzien in het decreet van 18 mei 1999 (...) en het uitvoeringsbesluit BVR 5 mei 2000 artikel 3”. De bij de aanvraag gevoegde “beschrijvende nota” stelt omtrent de “overeenstemming en verenigbaarheid van de aanvraag met de wettelijke en ruimtelijke context - integratie in de omgeving” het volgende: “Het betreft de herinrichting van het bestaande containerpark. In dit opzet wordt een luifel opgericht voor het onderbrengen van het ‘klein en gevaarlijk afval’ (KGA). De luifel is een lichte metaalconstructie met 3 min of meer gesloten zijden en 1 open zijde. De luifel wordt groen gelakt teneinde in de groene omgeving niet te storen. De luifel wordt in hoogte beperkt teneinde in de groene omgeving niet te storen. O.w.v. de reorganisatie van het containerpark wordt aan de achterzijde een nieuwe toegang voorzien. De toegang gebeurt via de bestaande servituut links van het terrein. De bestaande ingang rechts van het terrein wordt afgesloten voor bezoekers. De toegangspoort zal uitgevoerd worden in een spijlenhekwerk type ‘HERAS’ in groene kleur, identiek aan de bestaande inkompoort links van het terrein”. 3.2. Het containerpark is volgens het op 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een bijzonder plan van aanleg, gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of vergunde verkaveling. 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaarschriften ingediend. 3.4. Op 30 december 2001 zendt de eerste verzoeker een brief aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Laakdal waarin hij onder meer stelt dat het containerpark “gelegen is vlak naast zijn eigendom” en dat er “klaarblijkelijk (...) een uitbreiding voorzien (werd) zonder openbaar onderzoek”. X-11.181-3/9 3.5. Op 17 januari 2002 stelt de afdeling Land dat ze “geen principieel bezwaar (heeft) tegen de bouw van een luifel en aanleg van een nieuwe toegangsweg voor zover het bestaand gemeentelijk containerpark regulier vergund is”. 3.6. Op 28 januari 2002 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Laakdal een gunstig advies, waarin onder meer gesteld wordt dat er reeds twee stedenbouwkundige vergunningen voor het containerpark werden verkregen, dat de luifel een kleine ingreep is om te voldoen aan de milieuwetgeving en dat de nieuwe toegangsweg wordt aangelegd om de circulatie op het containerpark te verbeteren. 3.7. Op 19 september 2002 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde vergunning onder voorwaarden. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “De aanvraag betreft het bouwen van een luifel en het aanleggen van een nieuwe toegangsweg bij een bestaand vergund containerpark. De aanvraag is principieel in strijd met het geldende plan (...). De aanvraag vereist de toepassing van artikel 20 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 (...) betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (...). De aanvraag betreft een uitbreiding van een gemeentelijke gemeenschapsvoorziening. De uitbreiding is slechts kleinschalig en niet van het niveau van het gewestplan, waarvoor een gewestplanwijziging noodzakelijk zou zijn. Bovendien brengt de uitbreiding van het vergunde containerpark de realisatie van de bedoelde bestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet verder in het gedrang. Uit voorgaande overwegingen volgt dat toepassing kan worden gemaakt van het betreffende artikel 20, zodat de bestemmingszone van landschappelijk waardevol agrarisch gebied op zich niet langer een weigeringsgrond vormt voor voorliggende aanvraag”. De tussenkomende partij dient onder meer de volgende voorwaarden na te leven: “- De constructies op het perceel die werden opgericht zonder stedenbouwkundige vergunning (weeghuisje, douche- en kleedkamer en de verharding met schuifpoort links vooraan op het perceel) te verwijderen alvorens de werkzaamheden of handelingen waarvoor vergunning is verleend uit te voeren. - Een groenscherm voorzien of behouden op de plaatsen die in het groen zijn aangeduid op het inplantingsplan”. X-11.181-4/9 3.8. Op 16 juni 2005 keurt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het bijzonder plan van aanleg “Containerpark” van de gemeente Laakdal, dat strekt tot planologische regularisatie en tot uitbreiding van het containerpark, goed. Op vordering van de eerste verzoeker (zaak A. 165.623/X-12.453) vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 199.650 van 19 januari 2010 het voornoemde goedkeuringsbesluit. 3.9. Op 30 september 2005 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar aan de tussenkomende partij een regularisatievergunning voor het weeghuis, de douche en de toegang met schuifpoort. Op vordering van de eerste verzoeker (zaak A. 168.336/X-12.600) vernietigt de Raad van State bij het laatstgenoemde arrest de voornoemde regularisatievergunning. IV. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevoerde excepties 4. De verwerende partij voert in de memorie van antwoord de volgende excepties aan: “Er dient verwezen te worden naar artikel 86 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State dat o.m. zegt dat de tot de Raad van State gerichte verzoekschriften een inventaris van de ter staving ingeroepen stukken dienen te bevatten; D.i. in casu niet het geval; De stukken zelf worden trouwens in de tekst van het verzoekschrift niet of nauwelijks geëxpliciteerd; Om deze redenen alleen al is de vordering onontvankelijk; (...) Betreffende het belang van verzoekende partijen beweren zij weliswaar eigenaar te zijn van het aangrenzende perceel, zonder evenwel aan te geven welk perceel (geen identificatiegegevens)”. 5. De tussenkomende partij voert in haar verzoekschrift tot tussenkomst de volgende exceptie aan: “Zoals hoger reeds uiteengezet zijn verzoekende partijen eigenaar van een perceel dat paalt aan het gemeentelijk containerpark. X-11.181-5/9 Verzoekende partijen hebben dit perceel aangekocht met de enkele bedoeling verdere uitbreiding van het containerpark te verhinderen en het perceel wordt op geen enkele wijze benut noch gebruikt. Zij wonen zelf verderop in de straat op circa 70 meter van de grens van het containerpark. Verzoekende partijen doen niet blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang bij het instellen van een vordering tot nietigverklaring van de verleende bouwvergunning. De bouwvergunning heeft immers enkel betrekking op enerzijds een luifel ter overkapping van het klein-gevaarlijk afval en anderzijds de verharding van een nieuwe toegang tot het containerpark achteraan links welke aansluit op een bestaande servitudeweg. Er valt niet in te zien hoe verzoekende partijen door het (zeer beperkte) voorwerp van de bouwvergunning en de tenuitvoerlegging daarvan op enigerlei wijze zouden kunnen geschaad worden, wel integendeel. De luifel is wettelijk verplicht (zoals verzoekende partijen zelf zeggen) en dient ter vrijwaring van mens en milieu en de nieuwe toegang zal de verkeersproblemen ter plaatse oplossen. Verzoekende partijen geven overigens in hun verzoekschrift ook niet aan welke hun belang in deze zou zijn. Verzoekster is dan ook van oordeel dat de vordering tot nietigverklaring onontvankelijk is”. In haar memorie stelt de tussenkomende partij nog hetgeen volgt: “De tussenkomende partij sluit zich aan bij het standpunt van de verwerende partij dat het verzoek tot nietigverklaring onontvankelijk is bij gebreke aan enige inventaris der stukken. Alleszins is het zo dat met de door verzoekende partijen voor het eerst bij hun memorie van wederantwoord bij gebrachte stukken geen rekening kan worden gehouden, nu deze stukken niet werden bijgebracht met het verzoekschrift tot nietigverklaring en evenmin met het verzoek tot verderzetting van de procedure”. Beoordeling 6.1. Het feit dat er bij het verzoekschrift geen inventaris van de ter staving ingeroepen stukken was gevoegd leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep, aangezien er bij de verwerende partij en bij de tussenkomende partij daardoor geen twijfel kon bestaan omtrent de toedracht van het geschil, wat zij ook niet voorhouden. 6.2. Als antwoord op de excepties van de verwerende partij en de tussenkomende partij leggen de verzoekende partijen een afschrift neer van de notariële akte waarmee zij op 3 oktober 2001 eigenaar zijn geworden van het perceel gelegen tussen het perceel waarop hun woning is gebouwd en het bouwperceel. Er is geen enkele reden op grond waarvan er - zoals de tussenkomende X-11.181-6/9 partij in haar memorie voorhoudt - met dit stuk geen rekening zou mogen worden gehouden. Op grond van het feit dat zij eigenaar zijn van het voornoemde perceel, doen de verzoekende partijen in beginsel blijken van het vereiste belang bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. De tussenkomende partij vergist zich wanneer zij het voorwerp van de bestreden vergunning uitsluitend bepaalt aan de hand van de aanvraag. Uit de gegevens van de zaak blijkt immers dat de voorwaarden van de bestreden vergunning betrekking hebben op andere onderdelen van het containerpark, meer bepaald het weeghuisje, de douche- en kleedkamer, de verharding met schuifpoort links vooraan op het perceel en een groenscherm. Uit de in de excepties aangevoerde elementen blijkt geen gebrek aan afdoende belang in hoofde van de verzoekende partijen. 6.3. De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van het vierde middel Uiteenzetting van het middel 7.1. In het vierde middel wordt onder meer het volgende aangevoerd: “Dat het in casu gaat om een zonevreemde activiteit, gezien het gebied in landschappelijk waardevol agrarisch gebied ligt en dat de exploitatie van een containerpark waarop klein gevaarlijk afval wordt gestockeerd niet in overeenstemming te brengen is met de algemene bestemming en met het architectonische karakter van het betrokken gebied, hetgeen nochtans in uitdrukkelijke voorwaarde is van artikel 20 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972”. Beoordeling 7.2.1. Het bestreden besluit maakt toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit). Dit artikel luidt als volgt: “Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. X-11.181-7/9 Wanneer de stedenbouwkundige overheid beslist gebruik te maken van de afwijkingsbepaling van artikel 20 van het inrichtingsbesluit om in strijd met de bindende gewestplanbestemming een vergunning te verlenen, kan dit bijgevolg enkel op voorwaarde dat de aangevraagde werken verenigbaar zijn met de “algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. Het vereiste van de verenigbaarheid van een bouwwerk met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied moet zo worden begrepen dat het ontworpen bouwwerk, gelet op zijn functie en omvang, niet in strijd mag zijn met de algemene bestemming van het betrokken gebied, in dit geval landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en met het daarmee gepaard gaande architectonisch karakter van dat gebied. Die beoordeling moet steunen op concrete en precieze gegevens die moeten blijken uit de motivering vermeld in het besluit zelf. Als uitzondering op de regel van de bindende kracht van de plannen van aanleg, moet artikel 20 van het inrichtingsbesluit in beperkende zin worden uitgelegd. 7.2.2. In casu dient te worden vastgesteld dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de toetsing aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 20 van het inrichtingsbesluit enkel motiveert door te stellen dat de uitbreiding “slechts kleinschalig (
- is)en niet van het niveau van het gewestplan” en dat “de uitbreiding van het vergunde containerpark de realisatie van de bedoelde bestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet verder in het gedrang” brengt. Deze motivering beperkt zich ertoe te wijzen op het kleinschalig karakter van hetgeen werd aangevraagd, waarbij impliciet wordt erkend dat het bestaande containerpark de bestemming van het gebied reeds in het gedrang brengt. 7.2.3. Anders dan in de geciteerde overwegingen is gebeurd, diende bij de toetsing aan de voorwaarden van artikel 20 van het inrichtingsbesluit het hele, bestaande, containerpark in aanmerking te worden genomen, ook al betrof de aanvraag zelf slechts een onderdeel ervan. De motivering in verband met de verenigbaarheid met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied is niet afdoende om de toepassing van artikel 20 van het inrichtingsbesluit te verantwoorden. X-11.181-8/9 7.2.4. Het vierde middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 19 september 2002 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte aan het gemeentebestuur Laakdal van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een luifel en het aanleggen van een nieuwe toegangsweg op een perceel gelegen te Veerle, Eindhoutseweg, kadastraal bekend sectie A, nr. 202/a. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.181-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.448 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div