← België

Arrest 202457 - Tucht (openbaar ambt) - 29/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.457 Rolnummer: A. 176390/IX-5417 Zaak: Arrest 202457 - Tucht (openbaar ambt) - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.457 van 29 maart 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.457 van 29 maart 2010 in de zaak A. 176.390/IX-5417 In zake : Charly COX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de politiezone BERLAAR-NIJLEN, vertegenwoordigd door het politiecollege bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 29 juni 2006 waarbij aan Charly Cox de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. IX-5417-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 maart
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is inspecteur van politie in de (lokale) politiezone Berlaar-Nijlen. De feiten die aanleiding hebben gegeven tot de hier bestreden tucht- sanctie hebben betrekking op de wijze waarop de verzoeker en de collega die met hem ploeg vormt, op zondag 24 april 2005 hun dienstprestaties hebben vervuld. 3.
  6. Op 5 oktober 2005 stelt de korpschef, in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, een inleidend verslag op waarin de volgende feiten vermeld worden:

(1)de onvolledige uitvoering van een opdracht gegeven door een meerdere op 24 april 2005;
(2)het niet naar waarheid opstellen van het dienstverslag van 24 april 2005;
(3)het niet naleven van de korpsrichtlijnen rond het takenpakket van de piekploeg op 24 april
  1. Aangezien de korpschef van oordeel is dat deze feiten mogelijks tot een zware tuchtstraf kunnen leiden beslist hij in zijn inleidend verslag de hogere tuchtoverheid te adiëren. 3.
  2. Op 17 oktober 2005 stelt het politiecollege, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, op zijn beurt een inleidend verslag op waarin dezelfde feiten aan de verzoeker toegerekend worden en als tuchtvergrijp gekwalificeerd worden. Er wordt voorgesteld aan de verzoeker de tuchtstraf van inhouding van wedde met 10 % gedurende 1 maand op te leggen. IX-5417-2/12 Dit inleidend verslag wordt door de verzoeker op 24 oktober 2005 voor kennisneming en ontvangst ondertekend. 3.
  3. De verzoeker vraagt op 22 november 2005 om gehoord te worden. Dat gebeurt op 5 december
  4. Op 7 december 2005 formuleert het politiecollege het voorstel van zware tuchtstraf, met name de inhouding van wedde van 10 % gedurende 1 maand. 3.
  5. Dit voorstel wordt door de verwerende partij op 7 december 2005 ter post aangeboden om aangetekend naar de verzoeker te verzenden. Over de ontvangst van deze brief stelt de verwerende partij het volgende: “Deze aangetekende brief wordt aan verzoeker aangeboden op 08.12.
  6. De roze ontvangstkaart werd op 08.12.2005 terug bezorgd aan de verwerende partij, zonder dat ze evenwel was afgetekend. Ze werd daarop teruggestuurd naar de De Post met verzoek ze alsnog te laten aftekenen.” Blijkens de stukken van het dossier heeft de verzoeker op 12 december 2005 getekend voor ontvangst van deze aangetekende zending. 3.
  7. Op 14 december 2005 richt de verzoeker een verzoek tot heroverweging tot de tuchtraad. Op de hoorzitting wordt vastgesteld dat het strafvoorstel op 7 december 2005 aangetekend naar de verzoeker verzonden werd en dat de brief bij hem op 8 december 2005 aangeboden werd, terwijl vervolgens geen tweede aangetekend schrijven meer verstuurd werd. De raadsvrouw van de verwerende partij heeft daarop gereageerd met de mededeling dat de verzoeker van 6 tot 9 december 2005 ziek was, dat er geen discussie bestaat over de datum van aanbieding van de brief op 8 december 2005 en dat er niet mag vanuit gegaan worden dat de tuchtstraf onwettig is omdat er slechts éénmaal kennis van is gegeven gedurende de termijn bedoeld in artikel 38sexies van de wet. Zij ontwikkelt daaromtrent een uitvoerige redenering. IX-5417-3/12 In zijn verslag onderzoekt de vertegenwoordiger van de Algemene Inspectie de problematiek van de kennisgeving van het voorstel van tuchtstraf en het daarmee verbonden verval van de tuchtvordering: “Overeenkomstig artikel 38sexies, eerste lid tuchtwet moet de tuchtoverheid het voorstel van zware straf nemen en meedelen uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen, in casu uiterlijk op 08 december
  8. Aan de hand van het afgiftebewijs van een aangetekende zending blijkt dat het voorstel van zware tuchtstraf van 05 december 2005 aan de diensten van de post werd overhandigd op 07 december 2005 en dat betrokkene op 12 december 2005 tekent voor ontvangst van deze zending. Door de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid werd op de hoorzitting voor de tuchtraad van 26/01/2006 verklaard dat er geen tweede aangetekend schrijven meer geweest is. Artikel 57ter tuchtwet bepaalt dat ‘alle aan een personeelslid krachtens deze wet gerichte stukken, door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven, worden geacht medegedeeld te zijn, zelfs indien het personeelslid daar geen ontvangst van bevestigt, zodra bedoelde stukken hem tweemaal werden voorgelegd’ Constante rechtspraak van de Raad van State die stelt dat aangenomen moet worden dat een aangetekende zending geacht wordt te zijn aangeboden de dag na het toevertrouwen van de stukken aan de post, kan in deze niet worden bijgetreden, aangezien de tuchtwet in een bijzondere hiervan afwijkende bepaling voorziet nader omschreven in artikel 57ter tuchtwet. Dat de wetgever voorziet in een afwijkende regel mag duidelijk blijken uit de voorbereidende stukken van de tuchtwet waarbij gesteld wordt dat de twee aangetekende brieven moeten worden toegezonden met een redelijke tussen- termijn. (Zie Gedr. St. Kamer, 2000-01, nr. 1173/001, blz. 17). Miskenning van de regels vervat in artikel 38sexies tuchtwet heeft tot gevolg dat de tuchtoverheid wettelijk geacht wordt af te zien van tuchtvervol- ging.” 3.
  9. Op 8 mei 2006 brengt de tuchtraad zijn eindadvies uit. In dit advies wordt met betrekking tot de kennisgeving van het strafvoorstel en artikel 38sexies van de tuchtwet het volgende gesteld: “Overeenkomstig artikel 38sexies tuchtwet wordt de beslissing (in casu het strafvoorstel) aan de betrokkene medegedeeld uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn. De Raad van State stelt dat de tuchtoverheid, op straffe van verval, binnen de termijn van artikel 38sexies tuchtwet niet alleen het voorstel van zware straf moet formuleren, maar dat voorstel ook ter kennis moet brengen van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid (R.v.St., Van Der Smessen t . / Politiezone Denderleeuw-Haaltert, nr. 153.180,23 december 2005). IX-5417-4/12 Aangezien het inleidend verslag aan lNP Cox werd betekend op 24 oktober 2005 is de termijn van artikel 38quater tuchtwet ingegaan op 25 oktober 2005 om te verstrijken op 23 november
  10. Wanneer vanaf 24 november 2005 vijftien dagen worden geteld, dan loopt de termijn van artikel 38sexies tuchtwet tot en met 8 december
  11. Op 5 december 2005 vergadert het politiecollege en beslist nopens het strafvoorstel. Op 7 december 2005 wordt een voorstel van zware tuchtstraf opgesteld, ondertekend door de heer P. Verbeeck als voorzitter van het politiecollege. In de loop van de debatten voor de tuchtraad werden door de hogere tuchtoverheid volgende stukken gevoegd: - een afgiftebewijs van een aangetekende zending afgestempeld op 7 december 2005; - een niet ondertekend en niet gedateerd bericht van ontvangst van deze aangetekende zending, waarop werd aangekruist dat de zending werd ‘afgeleverd’ (dat dit bericht betrekking heeft op het afgiftebewijs blijkt uit de overeenstemmende streepjescode vermeld op het afgiftebewijs en op het bericht van ontvangst); - een bericht van ontvangst van een aangetekende zending (nu zonder streepjescode) door INP Cox ondertekend op 12 december
  12. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid verklaarde voor de tuchtraad op de zitting van 31 januari 2006 dat er aan INP Cox slechts één aangetekend schrijven werd verzonden. INP Cox bevestigt dat hij het aangetekend schrijven heeft afgehaald op het postkantoor op 12 december
  13. Bespreking: Artikel 57ter tuchtwet bepaalt dat alle aan het personeelslid gerichte stukken ofwel worden medegedeeld tegen ontvangstbewijs, ofwel worden verstuurd bij een ter post aangetekend schrijven. Wat deze laatste vorm betreft, voegt het vermelde wetsartikel hieraan toe dat de kennisgeving bij een ter post aangetekend schrijven zal worden geacht medegedeeld te zijn zodra bedoelde stukken tweemaal zullen voorgelegd zijn, zelfs zonder bevestiging van ontvangst. Deze dubbele kennisgeving bij aangetekend schrijven werd door de (wijzigende) Wet van 31 mei 2001 ingevoerd om het bestuur te wapenen tegen een door het personeelslid georganiseerde afwezigheid (Gedr. St. Kamer, 2000- 01, nr. 1173/001, 16-17). De tuchtoverheid kiest vrij op welke wijze de kennisgeving (betekening) geschiedt: afgifte tegen ontvangstbewijs of verzending bij aangetekend schrijven. Deze vrije keuze impliceert dat de overheid ook de rechtsgevolgen draagt verbonden aan de wijze waarop zij de kennisgeving laat uitvoeren. Volgens de hogere tuchtoverheid volstaat in casu de kennisgeving die geschiedde bij middel van het aangetekend schrijven verzonden op 7 december 2005, dat op het adres van INP Cox werd aangeboden op 8 december
  14. IX-5417-5/12 De overheid beroept zich hierbij op de regel dat in administratieve zaken algemeen wordt aanvaard dat behoudens tegenbewijs een aangetekend schrijven geacht wordt te zijn aangeboden de dag na de verzending ook al kan de zending niet worden overhandigd aan de geadresseerde. Volgens de tuchtraad verliest de overheid uit het oog dat de tuchtwet precies voorziet in een specifieke hiervan afwijkende bepaling. Artikel 57ter tuchtwet verplichtte de overheid in casu tot het versturen van twee aangetekende zendingen. De kennisgeving is pas voltrokken nadat de stukken tweemaal zijn voorgelegd (aangeboden), zelfs indien het personeelslid daar geen ontvangst van bevestigt. Hieruit volgt duidelijk dat een eenmalige aanbieding (zoals is geschied op 8 december 2005, maar zonder overhandiging en ook zonder bevestiging van ontvangst) niet kan beschouwd worden als een voldoende en regelmatige kennisgeving. Het argument van de overheid dat het personeelslid (op grond van de beginselen van een behoorlijk burgerschap) zou gehouden geweest zijn zich behoorlijk op te stellen kan in casu niet worden bijgetreden om te besluiten dat het strafvoorstel regelmatig werd medegedeeld conform de geldende regelgeving. Indien de wet een eigen afwijkende regeling heeft uitgewerkt met het oog op de kennisgeving van de beslissingen, dan vermag het personeelslid zich te gedragen naar deze rechtplegingsregeling. Het kan niet ernstig betwist worden dat, in het geval dat het personeelslid geen ontvangst bevestigt van de ( eerste) verzending van het strafvoorstel bij aangetekend schrijven, de bij de tuchtwet voorziene regelmatige mededeling van het strafvoorstel afhankelijk is van de aanbieding van een tweede aangetekend schrijven. Uit de parlementaire stukken blijkt dat het zelfs niet redelijk zou zijn twee kennisgevingen voor te leggen binnen een tijdspanne van een half uur en de stukken in die omslag als medegedeeld te beschouwen (Gedr. St. Kamer, 2000- 01, nr. 1173/001, blz. 17). Uit hetzelfde document blijkt ook dat ‘een termijn van één of twee dagen daarentegen een redelijke termijn is’. Op grond van bovenstaande beschouwingen blijkt dat de tuchtoverheid, die pas op 7 december 2005 het strafvoorstel materieel had opgesteld, in feite slechts over één mogelijkheid beschikte om over te gaan tot een regelmatige mededeling, te weten de overhandiging tegen ontvangstbewijs hetzij op 7 december 2005 of uiterlijk de dag nadien. De laattijdige mededeling is uitsluitend te wijten aan de keuze gemaakt door de hogere tuchtoverheid. Bij gebreke aan een regelmatige mededeling van het strafvoorstel overeenkomstig de bepaling van artikel 38sexies tuchtwet wordt de tuchtoverheid (op straffe van verval) geacht af te zien van tuchtvervolging. IX-5417-6/12 De tuchtstraf die nog zou worden genomen in strijd met de bepaling van artikel 38sexies tuchtwet is nietig (R.v.St., Van Der Smessen t./ Politiezone Denderleeuw-Haaltert, nr. 153.180, 23 december 2005). Gelet op de dwingende bepaling van artikel 38sexies tuchtwet adviseert de tuchtraad dat de hogere tuchtoverheid zou afzien van verdere vervolging.” 3.
  15. Op 30 mei 2006 formuleert de verwerende partij haar intentie om af te wijken van het advies van de tuchtraad. Wat betreft het verval van de tucht- vordering herneemt deze beslissing de uiteenzetting die de raadsvrouw van de verwerende partij aan de tuchtraad had gegeven. De verzoeker dient daartegen een verweerschrift in. Hij zet nu uiteen dat hij op 12 december 2005 kennis gekregen heeft van het tuchtvoorstel, dat het om een eerste betekening ging die reeds buiten de wettelijk voorgeschreven vervaltermijn lag en er derhalve zelfs geen tweede betekening gebeurd is. Hij betwist nu ook dat hij ooit zou erkend hebben dat hij “doelbewust” de aangeboden zending niet zou aanvaard hebben. 3.
  16. Op 29 juni 2006 beslist de verwerende partij dat zij aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam oplegt. Dit is de bestreden beslissing. Op het verweer tegen het voorstel om af te wijken van het advies van de tuchtraad wordt niet meer ingegaan. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  17. De verzoeker voert de schending aan van de artikelen 38sexies, 57 en 57ter, van de tuchtwet. Hij verwijst naar het sub 3.4 geciteerd advies van de tuchtraad en naar de overwegingen 3.2.
  18. en 3.2.3 van het arrest nr. 153.180 van 23 december 2005 inzake Van Der Smessen, om te besluiten dat de bestreden beslissing “met nietigheid behept is”.
  19. De verwerende partij blijft in haar verweer vasthouden aan de argumenten die zij in de loop van de procedure voor de tuchtraad naar voren geschoven heeft. Aldus stelt zij dat het tuchtvoorstel op 7 december 2005 naar de verzoeker verzonden is, dat het bij hem op 8 december 2005 -dit is binnen de IX-5417-7/12 termijn bepaald in artikel 38sexies- aangeboden is en dat het niet opgaat om in dit geval te eisen dat een tweede kennisgeving diende te gebeuren. Wat dat betreft ontwikkelt zij volgende argumenten: - artikel 38sexies van de tuchtwet houdt geen verband met artikel 57ter; het geldt te dien aanzien als een lex specialis en bovendien moet een onderscheid gemaakt worden tussen de rechtsgeldigheid van een tuchtbeslissing, die geregeld wordt door artikel 38sexies, en het procédé om bepaalde handelingen een vaste datum te geven, hetgeen geregeld wordt in artikel 57ter en dat bedoeld is om het bestuur een wapen in handen te geven om vertragingsmaneuvers van de ambtenaar tegen te gaan. Het kan niet de bedoeling van artikel 57ter geweest zijn om de beslissingstermijn van de tuchtoverheid te verkorten. - de koppeling van artikel 38sexies en 57ter gaat ook in tegen de normaal aanvaarde regels inzake de kennisgeving, waarbij aangenomen wordt dat een zending ontvangen wordt de dag nadat zij door de postdiensten aangeboden is en die zeer goed verenigbaar is met artikel 38sexies. - de verzoeker heeft een gedrag tentoon gespreid dat niet verzoenbaar is met de beginselen van behoorlijk burgerschap die een ambtenaar verplicht als zorgvuldig handelend persoon op te treden: tijdens de hoorzitting voor de tuchtraad heeft de verzoeker erkend dat hij op aanraden van zijn verdedigers, doelbewust de brief van 7 december 2005 niet in ontvangst genomen heeft. Dat gaat in tegen de door de rechtspraak ontwikkelde vereiste dat een ambtenaar die een kennisgeving mag verwachten, de nodige schikkingen moet nemen om bereikbaar te zijn. - het was in deze onmogelijk om artikel 57ter van de tuchtwet toe te passen omdat de verzoeker slechts de voorlaatste dag van de hem ter beschikking staande termijn gevraagd heeft om gehoord te worden, omdat de hoorzitting niet vroeger dan op 5 december 2005 georganiseerd kon worden en er vervolgens nog een beslissing genomen moest worden, terwijl de verzoeker zelf met ziekteverlof was zodat een afgifte tegen ontvangstbewijs -zoals de tuchtraad stelt- niet mogelijk was.
  20. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat de stelling van de verwerende partij leidt tot een volledige uitholling van artikel 38sexies, omdat niet meer gecontroleerd kan worden of een beslissing tijdig genomen is en artikel 57ter van elke zin ontdaan wordt. Artikel 57ter vormt een afwijking op de regel die normaliter inzake de kennisgeving gehanteerd wordt. Voorts betwist de verzoeker opnieuw dat hij zich onbehoorlijk zou gedragen hebben door opzettelijk de zending niet afgehaald te hebben: hij werd toen medisch IX-5417-8/12 verzorgd, hij was thuis en de verwerende partij kon hem daar bereiken, maar zij heeft geopteerd voor een kennisgeving per brief en moet daarvan de gevolgen dragen. Hij voegt daar nog aan toe dat hij niet verantwoordelijk kan zijn voor het feit dat de hoorzitting in zijn geval niet eerder plaats kon vinden en dat dit ook geen overmacht uitmaakt.
  21. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de aangetekende zending met de kennisgeving van het voorstel van tuchtstrafbeslissing naar de verzoeker verstuurd is op 7 december 2005 en dat zij bij hem door de postdienst aangeboden is op 8 december
  22. Zij wijst nog op het arrest nr. 166.657 van 15 januari 2007, waarin aanvaard is dat de kennisgeving van een voorstel van tuchtstraf aan een politieambtenaar wel degelijk gebeurd is door de aanbieding van de beslissing door de postdiensten. Beoordeling
  23. Artikel 38sexies van de tuchtwet verplicht de hogere tuchtoverheid, op straffe van verval van de tuchtvordering, om binnen een welbepaalde termijn een beslissing te nemen over het lot van de politieambtenaar en om die beslissing ook te zijner kennis te brengen. De Raad van State herneemt, wat dat betreft, de redenering uiteengezet in het arrest nr. 153.180 van 23 december 2005 inzake Van Der Smessen en later bijgevallen in de arresten nr. 182.986 van 19 mei 2008 inzake De Wachter en nr. 184.152 van 12 juni 2008 inzake Maertens. In dit geval verstreek de termijn om een voorstel van tuchtstraf- beslissing aan de verzoeker ter kennis te brengen op 8 december
  24. Uit het dossier blijkt dat de verwerende partij op 7 december 2005 een aangetekende brief aan de post heeft afgegeven voor verzending naar het gewoon adres van de verzoeker. Het bericht van ontvangst van die zending is aan de verwerende partij terugbezorgd met aankruising van de rubriek “afgeleverd”, maar zonder dat iemand voor ontvangst ondertekend heeft. Op een ander bericht van ontvangst heeft de verzoeker dan wel getekend op datum “12.12.2005”.
  25. Artikel 57ter van de tuchtwet, ingevoegd door artikel 37 van de wet van 31 mei 2001, luidt: “Alle aan een personeelslid krachtens deze wet gerichte stukken, door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij IX-5417-9/12 een ter post aangetekend schrijven, worden geacht medegedeeld te zijn, zelfs indien het personeelslid daar geen ontvangst van bevestigt, zodra bedoelde stukken hem tweemaal werden voorgelegd.” Die bepaling is in de wet ingevoegd omdat vastgesteld was dat in de bestaande regeling, “bepaalde personeelsleden hun afwezigheid klaarblijkelijk organiseren, hetgeen zeer nadelig is voor het vervolg van de procedure”; blijkens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, wenste de wetgever het bestuur het voordeel te verschaffen dat het de stukken die het tweemaal tevergeefs aan het personeelslid voorgelegd heeft -hetzij twee vergeefs verzonden aangetekende brieven hetzij twee afgiften tegen ontvangstbewijs- als medegedeeld mag beschouwen (Parl. St. Kamer, 2001-2002, Stuk 50-1173/001, p. 16-17). Te noteren valt ook dat artikel 57ter van de tuchtwet opgenomen is in de afdeling “diverse bepalingen” in het hoofdstuk over “de tuchtprocedure”, zodat de bepaling een ruimer toepassingsveld heeft dan de kennisgeving bedoeld in artikel 38sexies.
  26. Artikel 57ter van de tuchtwet verleent de ambtenaar, die afwezig is, geen recht op een dubbele kennisgeving. Zij creëert enkel een vermoeden in het voordeel van de tuchtoverheid om vertraging door de ambtenaar tegen te gaan. Dat vermoeden belet niet dat een aanzegging, die regelmatig gebeurt en terdege bewezen wordt, onmiddellijk gevolgen heeft, ook wanneer de ambtenaar de mededeling niet persoonlijk in ontvangst genomen heeft of de ontvangst bevestigt.
  27. Te dezen staat, als gezegd, buiten betwisting dat de verwerende partij een aangetekende brief naar het adres van de verzoeker opgezonden heeft. Het dossier bevat het bewijs van de postdienst dat de brief “afgeleverd” is. De verzoeker heeft dat bericht van ontvangst niet ondertekend, maar uit zijn eigen verklaring - verzoekschrift, pag. 12; proces-verbaal van de tuchtraad van 31 januari 2006, punt 3- blijkt dat hij de brief op maandag 12 december 2005 op het postkantoor afgehaald heeft en die verklaring wordt gedragen door een nieuw bericht van ontvangst dat nu wel door de verzoeker ondertekend is. Het afhalen van de brief op zich bewijst de voorafgaande aanbieding, hetgeen de verzoeker eigenlijk ook nooit ontkend heeft. Over de datum waarop die aanbieding gebeurde, geeft de verzoeker zelf geen aanwijzingen, maar hij spreekt de verwerende partij niet tegen waar zij 8 december 2005 aanwijst en geeft ook toe dat de aanbieding gebeurde tijdens een periode dat hij ziek was, dit is van 6 tot 9 december
  28. IX-5417-10/12 Uit de verklaring van de verzoeker en de overeenstemmende bewijsstukken van de postdienst leidt de Raad van State dan ook af dat de brief van 7 december 2005 inderdaad op 8 december 2005 op het adres van de verzoeker aangeboden is, maar dat de brief toen niet aan hemzelf afgegeven is kunnen worden.
  29. Artikel 38sexies van de tuchtwet verplicht de verwerende partij het bewijs te leveren dat het voorstel van tuchtstraf de verzoeker ten laatste op 8 december 2005 bereikt heeft. Maakt het bestuur gebruik van een aangetekende zending, dan moet zij bewijzen dat de zending de betrokkene bereikt heeft, wat gebeurt door het bewijs van de aanbieding van de brief aan de betrokkene. De door de verwerende partij voorgelegde stukken, gekoppeld aan de verklaringen van de verzoeker, bevatten dat bewijs. De omstandigheid dat de verzoeker pas enkele dagen later de beslissing zelf in handen gekregen heeft, doet niets af aan de regelmatigheid van de kennisgeving, nu hij niet aantoont dat hij om redenen van overmacht in de onmogelijkheid verkeerde om het besluit in ontvangst te nemen. De kennisgeving van het voorstel is derhalve tijdig gebeurd.
  30. Het middel is niet gegrond.
  31. Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Het onderzoek van de zaak moet voortgezet worden. BESLISSING
  32. De debatten worden heropend.
  33. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. IX-5417-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5417-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.457 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.