← België

Arrest 202460 - Naamsveranderingen - 29/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.460 Rolnummer: A. 189690/IX-6075 Zaak: Arrest 202460 - Naamsveranderingen - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-07 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.460 van 29 maart 2010 Justitie - Naamsveranderingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.460 van 29 maart 2010 in de zaak A. 189.690/IX-6075 In zake : Belkiz SÖGÜTLÜ, in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon Ferhat REMORY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raan Colman kantoor houdend te Dendermonde Justitieplein 9 bus 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yannick De Smet kantoor houdend te Brussel Havenlaan 86C - B113 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 11 september 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 10 juli 2008 van de minister van Justitie houdende de weigering van de aanvraag van Belkiz Sögütlü tot verandering van de naam van haar zoon Ferhat Remory naar Ferhat Sögütlü. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. IX-6075-1/13 De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 maart
  3. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Caroline Segers, die loco advocaat Yannick De Smet verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Ferhat Remory werd op 27 mei 1993 geboren uit de relatie van zijn moeder Belkiz Sögütlü met William Remory, die het kind erkende en wiens naam het verkreeg. De relatie werd kort na de geboorte beëindigd. Bij notariële akte van 27 oktober 1993 wordt vastgelegd dat de moeder het hoederecht verkrijgt, dat William Remory bezoekrecht verkrijgt en dat laatstgenoemde ertoe gehouden is een onderhoudsbijdrage te betalen. Bij tussenvonnis van 13 januari 2004 werd bepaald dat beide ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag zullen uitoefenen en dat de vader een onderhoudsbijdrage van 80 euro zal betalen. Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 18 januari 2005 wordt de contactregeling tussen het kind en de vader opgeschort. Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 24 mei 2007 verkrijgt de moeder de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag. IX-6075-2/13 3.
  6. Met een brief van 25 juni 2007 aan de minister van Justitie vraagt de verzoekster de verandering van de familienaam van haar zoon Remory in de naam Sögütlü. Zij laat gelden dat de relatie tussen de vader enerzijds en het kind en de moeder anderzijds uitermate slecht is, dat de vader niet voor de opvoeding van het kind instond, geen onderhoudsbijdrage betaalde en slechts zelden met het kind omging. Zij stelt dat haar zoon dermate vervreemd is van zijn vader dat het in het belang van het kind is dat zijn naam wordt gewijzigd in die van zijn moeder teneinde een normale persoons- en identiteitsontwikkeling te kunnen genieten. 3.
  7. Op 12 november 2007 wordt William Remory door de lokale politie gehoord. Uit het proces-verbaal blijkt dat hij zich verzet tegen de naamsverandering. Hij stelt onder meer dat hij het onderhoudsgeld van zijn zoon steeds stipt betaalt en wel nog interesse heeft voor zijn zoon, maar dat de verzoekster elk contact belemmert. De raadsvrouw van de verzoekster bevestigt in een brief van 20 december 2007 dat de vader steeds stipt de onderhoudsbijdrage betaalt. 3.
  8. Op 10 juli 2008 weigert de minister van Justitie de naams- verandering. Die beslissing steunt onder meer op de volgende overwegingen: “Onder verwijzing naar de in rubriek vermelde zaak heb ik de eer U mede te delen dat het toekennen van een naamsverandering krachtens de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, onderworpen is aan strikte voorwaarden. Gelet op het principe van de vastheid van naam kan de naamsverandering slechts uitzonderlijk door Z.M. de Koning worden toegestaan en op voorwaarde dat het verzoek gesteund is op behoorlijk bewezen ernstige redenen; bovendien mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet kunnen schaden (artikel 3, lid 2, van vermelde wet). Tot slot wens ik te preciseren dat de toelating om van naam te veranderen wettelijk beschouwd wordt als een gunst verleend aan betrokkene en niet als een recht voor deze laatste. Na een grondig onderzoek van uw dossier moet ik U tot mijn spijt meedelen dat er in uw geval geen afdoende ernstige motieven in de zin van bovenvermelde wet voorhanden bevonden zijn om aan Z.M. de Koning voor te stellen uw zoon toelating te verlenen zijn naam te veranderen in die van ‘Sögütlü’, mede in acht genomen het principe van de vastheid van naam, waarvan slechts om gewichtige redenen kan afgeweken worden; en gelet op het verzet van de vader, die kennelijk nog belang stelt in zijn zoon. Hij betaalt de onderhoudsbijdrage regelmatig en heeft tot op heden geen veroordelingen opgelopen. De naam wordt verkregen op de bij de wet opgelegde wijze (dit is in regel op grond van de afstamming), hij kan niet vrij gekozen worden. IX-6075-3/13 Een procedure tot naamsverandering op basis van de wet van 15 mei 1987 is louter administratief en doet geen afbreuk aan de afstammingsband tussen vader en kind. Het feit dat er momenteel geen enkel contact meer is tussen de heer Remory William en uw zoon is op zich geen reden om af te wijken van het principe van de vastheid van naam. Overeenkomstig het tweede lid van artikel 3 van de voormelde wet van 15 mei 1987 mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring. Er wordt getracht door de naamsverandering de indruk te wekken dat enkel de moederlijke afstamming vaststaat en dat uw zoon geen vader heeft, daar waar ten aanzien van uw zoon zowel de vaderlijke als moederlijke afstamming vaststaat. Kinderen wiens afstamming langs beide zijden vaststaat dragen overeenkomstig de toepasselijke regels (art. 335, § 1, B.W.) de naam van hun vader. Het staat uw zoon vrij om bij zijn meerderjarigheid zelf een verzoek in te dienen.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  9. In een eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen (hierna: de wet van 15 mei 1987), voert de verzoekster aan dat de minister van Justitie ten onrechte stelt dat de aangevoerde persoonlijke-emotionele redenen niet voldoende ernstig zijn om af te wijken van het principe van de vastheid van naam. De verzoekster laat vooreerst gelden dat zij er een moreel belang bij heeft dat haar zoon de naam kan dragen van de ouder die alleen voor de opvoeding instaat. Zij stelt bovendien dat haar zoon niet langer wenst geïdentificeerd te worden met zijn vader, die bewust elk contact met hem weigert, en dat hij graag de naam van zijn moeder zou dragen aangezien zij in werkelijkheid zijn enige ouder is en haar twee andere kinderen ook haar naam dragen. Vervolgens laat de verzoekster gelden dat het kennen en beleven van de familiale geschiedenis een vereiste voor de persoonlijke ontwikkeling van een individu uitmaakt, dat het principe van stabiliteit van de namen onmogelijk kan verantwoorden dat een persoon de beleving van zijn persoonlijke identiteit wordt IX-6075-4/13 ontnomen en dat die stabiliteit overigens niet ten volle verloren gaat aangezien haar zoon haar naam zou dragen. Het dragen van de naam Remory geeft, zo stelt zij, bij haar zoon aanleiding tot een zware morele druk en spanningen.
  10. De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord vooreerst op dat de naamsverandering uitzonderlijk kan worden toegestaan indien daar ernstige redenen toe bestaan. Zij laat gelden dat de naamsverandering te dezen voornamelijk werd geweigerd wegens het ontbreken van dergelijke ernstige redenen en gelet op het feit dat bij het toekennen van de naamsverandering verwarring zou kunnen ontstaan. Zij licht zulks toe door te verwijzen naar de motivering van de bestreden beslissing waarin wordt gesteld dat de vader nog belangstelling vertoont voor zijn zoon, dat hij de onderhoudsbijdragen regelmatig betaalt en dat een naamswijziging de indruk zou kunnen wekken dat de vaderlijke afstamming niet vaststaat.
  11. In haar memorie van wederantwoord merkt de verzoekster op dat aan de verklaring van de vader veel meer belang wordt gehecht, wat onder meer blijkt uit de omstandigheid dat het zeer omvangrijke feitenrelaas van de verzoekster wordt weerlegd door te stellen dat de vader nog steeds belangstelling heeft voor zijn zoon. De verzoekster stelt dat deze verklaring nochtans nergens op slaat, aangezien hij niet de nodige stappen heeft ondernomen om contact met zijn kind te bekomen. Dat aan zijn verklaring een dermate groot belang wordt gehecht impliceert volgens de verzoekster dat hij beloond wordt voor het gebrek aan interesse die hij voor zijn zoon vertoond heeft. De verzoekster stelt voorts dat de Raad van State reeds eerder geoordeeld heeft dat emotionele redenen een grond kunnen vormen voor een naamswijziging, zodat de feitelijke situatie zoals omschreven in het verzoekschrift volstaat om een naamsverandering te bekomen. Ten slotte merkt de verzoekster op dat de verwerende partij niet motiveert waarom aan de feitelijk volledig ongegronde bewering van de vader alle draagkracht wordt verleend in tegenstelling tot het feitelijk relaas van de verzoekster. IX-6075-5/13 Beoordeling
  12. Artikel 2, eerste lid van de wet van 15 mei 1987, luidt als volgt: “Elke persoon die enigerlei reden heeft om van naam of voornamen te veranderen, (...) daartoe aan de Minister van Justitie een met redenen omkleed verzoek (kan) richten.” Artikel 3, tweede lid, van dezelfde wet, luidt als volgt: “De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden.” Uit die laatste bepaling blijkt dat om een naamsverandering te verkrijgen aan twee voorwaarden moet worden voldaan: enerzijds moet het verzoek tot naamsverandering op ernstige redenen steunen; anderzijds mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet schaden. De onveranderlijkheid van de familienaam is immers noodzakelijk om personen doeltreffend te kunnen identificeren in hun sociale relaties en is een waarborg voor stabiliteit, die slechts bij wijze van uitzondering mag worden verstoord. Bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 1987 werd bevestigd dat de onveranderlijkheid van de naam de regel moet blijven en de naamsverandering de uitzondering. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp (Parl. St., Kamer, 1983-84, nr. 966/1, pp. 4-5) dat tot de wet van 15 mei 1987 heeft geleid, werd immers gesteld : “Daarentegen moet voor de verandering van naam de onveranderlijkheid de regel blijven en de verandering de uitzondering. Derhalve moeten de verzoeken, waarvan na onderzoek blijkt dat zij niet berusten op een ernstige reden, verworpen worden, zelfs als de gevraagde naam niemand schade berokkent.” Bij de bespreking van het ontwerp werd door de vertegenwoordiger van de minister onder meer verklaard: “De verandering van naam moet op een duidelijk omschreven en ernstige reden steunen” (Parl. St., Senaat, 1986-87, nr. 701/2, p. 8). De Koning beschikt over een discretionaire bevoegdheid. Het komt de Raad van State niet toe om zich in de plaats van de overheid te stellen bij IX-6075-6/13 de beoordeling van de motieven op basis waarvan de naamsverandering al dan niet kan worden toegestaan. Hij kan wel nagaan of de beoordeling van de overheid steunt op feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven en of die beoordeling binnen de grenzen van de redelijkheid blijft.
  13. Uit de aanvraag tot naamswijziging blijkt dat het verzoek is ingegeven door de wens van de verzoekster om haar zoon van zijn vader te distantiëren in de nasleep van het uiteengaan van de ouders, door de beweerde emotionele verwaarlozing door de vader en door de wens om de zoon dezelfde achternaam te laten dragen als de twee andere kinderen van de verzoekster. Het komt aan de minister toe om te oordelen of deze redenen voldoende ernstig zijn om af te wijken van het principe van onveranderlijkheid van naam en om te oordelen of de nieuwe naam aanleiding geeft tot verwarring, zoals vastgelegd in artikel 3 van de wet van 15 mei 1987 waarnaar het bestreden besluit verwijst. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de minister te dezen heeft geoordeeld dat aan geen van beide door de wet gestelde voorwaarden is voldaan. Waar de verzoekster laat gelden dat in de bestreden beslissing vooral de nadruk wordt gelegd op het feit dat de vader beweert nog belangstelling te hebben heeft voor zijn zoon, zonder dat één van de in haar verzoekschrift tot naamsverandering uiteengezette redenen worden aanvaard, voert zij in essentie aan dat aan de vader een vetorecht wordt toegekend. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de wet niet in een vetorecht voorziet. Uit de motivering van de bestreden beslissing kan echter niet worden afgeleid dat de verwerende partij aan de vader een vetorecht geeft. Integendeel blijkt dat de naamsverandering te dezen werd geweigerd op grond van meerdere overwegingen waarbij onder meer de verklaringen van de vader en het feit dat hij stipt onderhoudsbijdragen betaalt, in rekening worden gebracht. De bestreden weigeringsbeslissing maakt voorts onder meer melding van de toepasselijke wet, van het principe van de vastheid van naam, van het gebrek aan afdoende ernstige motieven en van de wijze waarop de naam wordt verkregen. Eveneens staat in de beslissing te lezen dat de naam niet vrij kan gekozen worden, dat de toelating om de naam te veranderen een gunst is, dat de vader kennelijk nog belang stelt in zijn zoon, dat hij regelmatig zijn onderhoudsbijdrage betaalt en tot op heden geen veroordelingen heeft opgelopen, dat de omstandigheid dat er momenteel geen contact meer is tussen vader en zoon IX-6075-7/13 op zich nog geen reden is om af te wijken van het principe van de vastheid van naam, dat een procedure tot naamsverandering louter administratief is en geen afbreuk doet aan de afstammingsband tussen vader en kind, dat de gevraagde naamsverandering de indruk kan wekken dat enkel de moederlijke afstamming vaststaat en dat de zoon geen vader heeft, hoewel voor de zoon zowel de vaderlijke als de moederlijke afstamming vaststaat en dat het de zoon vrij staat om bij zijn meerderjarigheid zelf een verzoek in te dienen. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  14. De verzoekster voert in een tweede middel, eveneens afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 15 mei 1987, aan dat de verwerende partij onterecht voorhoudt dat de voorgestelde naam aanleiding zou geven tot verwarring doordat dit de indruk wekt dat enkel de moederlijke afstamming vaststaat. Zij stelt dat de naamswijziging integendeel zou leiden tot minder verwarring, nu haar zoon op heden de naam draagt van een man die hij niet kent en met wie hij jarenlang geen contact meer heeft. Deze verwarring, zo stelt zij, is veel groter dan wanneer hij de naam van de persoon zou dragen die instaat voor zijn opvoeding.
  15. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord vooreerst de ontvankelijkheid van het middel. Zij laat gelden dat de toelichting bij het middel bijzonder summier is en dat uit het verzoekschrift niet blijkt welke substantiële vormvereiste de verzoekster geschonden acht, terwijl de verzoekster eveneens nalaat om aan te tonen hoe de bestreden beslissing met een schendig van die vormvereiste zou genomen zijn. De verwerende partij besluit dat de uiteenzetting van het middel niet voldoet aan de voorschriften van artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement. In ondergeschikte orde laat de verwerende partij gelden dat het dragen van de naam van de moeder de indruk wekt dat de vaderlijke afstamming van dat kind niet vaststaat, terwijl de vaderlijke afstamming te dezen wel vaststaand is. IX-6075-8/13
  16. De verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat uit het middel op voldoende wijze blijkt welke schending zij om welke redenen inroept. De verzoekster herhaalt dat de huidige naam van haar zoon aanleiding geeft tot verwarring, zowel voor hemzelf als voor de buitenwereld, aangezien hij de naam draagt van iemand met wie hij geen enkele band of affiniteit heeft, terwijl haar twee andere kinderen de naam van hun moeder dragen. Beoordeling
  17. Luidens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State bevat het verzoekschrift “het voorwerp van de aanvraag of van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen”. Onder “middel” in de zin van die bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die regel naar het oordeel van verzoeker door de bestreden handeling wordt geschonden. De uiteenzetting van de middelen is een essentieel element van het verzoekschrift omdat het aan de verwerende partij toelaat zich te verdedigen tegen de geformuleerde grieven en aan de Raad van State toelaat om de gegrondheid ervan te onderzoeken. Er dient te worden vastgesteld dat, hoewel het middel summier is omschreven, de verzoekster in voldoende duidelijke bewoordingen aangeeft welke bepalingen zij geschonden acht en hoe deze bepalingen zijn geschonden. Bovendien blijkt dat de verwerende partij in ondergeschikte orde een verweer ten gronde tegen het middel heeft uitgebouwd, zodat de rechten van de verdediging van de verwerende partij niet geschonden zijn.
  18. De wet van 15 mei 1987 schrijft twee cumulatieve voorwaarden voor inzake de naamsverandering. Enerzijds dient het verzoek op ernstige redenen te steunen, anderzijds mag de gevraagde naamsverandering geen aanleiding geven tot verwarring. Aangezien aan deze voorwaarden cumulatief moet voldaan zijn zal de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 15 mei 1987 slechts aanleiding geven tot vernietiging indien blijkt dat zowel de motivering omtrent de eerste voorwaarde als omtrent de tweede voorwaarde niet deugdelijk is. Bij de IX-6075-9/13 bespreking van het eerste middel werd reeds vastgesteld dat de verzoekster nalaat aan te tonen dat de verwerende partij niet op wettige wijze kon aannemen dat het verzoek tot naamswijziging niet op een ernstige reden steunt. Deze vaststelling volstaat om het tweede middel als onontvankelijk te verwerpen. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  19. In een derde middel, afgeleid uit de schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), laat de verzoekster gelden dat de beslissing om de naamsverandering te weigeren enkel gebaseerd is op het verzet van de heer Remory. De verzoekster stelt dat op die wijze aan de vader een vetorecht wordt toegekend, terwijl noch de wet, noch de parlementaire voorbereidingen zulks voorzien. Zij stelt voorts dat uit de bestreden beslissing niet blijkt waarom de argumenten die zij had aangevoerd, te weten het psychische leed van Ferhat en het feit dat hij geen enkele band heeft met zijn vader, niet als een afdoende ernstige reden worden beschouwd. Aangezien de minister de aangevoerde argumenten grondig moet onderzoeken volstaat het niet te verwijzen naar het inzicht van de wetgever om de gunst van de naamswijziging enkel uitzonderlijk toe te kennen. De verzoekster stelt dat niet werd onderzocht wat de psychologische impact is van het dragen van de naam van een vreemde man die bewust geen contact meer wenst op een minderjarige persoon.
  20. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de naamswijziging werd geweigerd op grond van volgende overwegingen: - het principe dat de naam wordt toegekend door afstamming; - het principe van vastheid van naam; - het feit dat het ontbreken van contact op zich niet voldoende is om af te wijken van de twee voorgaande principes; - het feit dat de vader wel nog belangstelling stelt in zijn zoon en onderhoudsgeld betaalt; - het feit dat de gevraagde naamswijziging verwarring sticht door de indruk te wekken dat de vaderlijke afstamming niet vaststaat. IX-6075-10/13 Zij laat gelden dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd is en dat zij op een zorgvuldige wijze werd genomen. Naast de verwijzing naar de toepasselijke regelgeving wordt immers eveneens verwezen naar de concrete feiten die worden getoetst aan de toepasselijke wettelijke bepalingen.
  21. De verzoekster herhaalt in haar memorie van wederantwoord dat aan de vader een vetorecht wordt verleend, louter en alleen omdat hij beweert nog steeds belangstelling voor zijn zoon te vertonen. Zij stelt dat deze bewering door de feiten wordt weerlegd.
  22. De verzoekster stelt in haar laatste memorie dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de argumenten voor en tegen de naamsverandering niet werden onderzocht. Zij voert aan dat blijkt dat enkel de argumenten om het verzoek af te wijzen worden opgesomd zonder dat de redenen van de verzoekster worden vermeld. Zij laat gelden dat de verwerping van een verzoek tot naamsverandering zich niet mag beperken tot een loutere verwijzing naar het inzicht van de wetgever om de naamsverandering te beschouwen als een gunst. Ten slotte laat de verzoekster gelden dat niet werd onderzocht of William Remory in werkelijkheid nog belangstelling vertoont voor zijn zoon, of er tussen beide contacten geweest zijn en zo niet, aan wie zulks te wijten is. Zij voert ook aan dat haar zoon dienaangaande niet werd gehoord. Beoordeling
  23. Luidens artikel 2 van de motiveringswet moeten de individuele bestuurshandelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De beslissing die aan de betrokkene wordt meegedeeld, moet niet enkel het dictum bevatten, maar eveneens de redenen op grond waarvan de beslissing werd genomen. In de beslissing moet echter niet op elk argument dat door de betrokkene wordt aangevoerd, afzonderlijk worden geantwoord. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden. Artikel 3 van de motiveringswet bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. Dit laatste betekent dat de motivering pertinent moet zijn, wat inhoudt dat de motivering IX-6075-11/13 duidelijk met de bestreden beslissing moet te maken hebben, en dat zij draagkrachtig moet zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De betrokkene moet in de hem aanbelangende beslissing de motieven kunnen lezen op grond waarvan ze werd genomen zodat hij kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. De motivering moet de betrokkene in staat stellen om met kennis van zaken te oordelen of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
  24. Zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds werd vastgesteld heeft de verwerende partij duidelijk aangegeven waarom zij van oordeel is dat het verzoek tot naamsverandering niet op voldoende ernstige redenen is gesteund om de naamsverandering toe te staan. Anders dan de verzoekster voorhoudt, blijkt uit het administratief dossier voorts niet dat geen onderzoek naar haar argumenten werd gedaan. Zoals uit de bespreking van de eerste twee middelen blijkt, kon de verwerende partij op de door haar voorgebrachte motieven steunen om de naamswijziging te weigeren. Er is de verwerende partij ook geen plicht opgelegd om een psychologisch onderzoek te bevelen omtrent het eventueel kwetsend karakter veroorzaakt door het dragen van de naam van de vader. Op basis van het administratief dossier kon de verwerende partij afleiden dat de vader nog wel belangstelling vertoont voor zijn zoon. Zoals uit de bespreking van het eerste middel blijkt, verleent de verwerende partij geen vetorecht aan de vader, maar wordt met het gebrek aan akkoord van de vader rekening gehouden om samen met de andere motieven tot een weigeringsbeslissing te komen. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt het beroep.
  26. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-6075-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6075-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.460 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.