← België

Arrest 202462 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.462 Rolnummer: A. 178964/IX-5497 Zaak: Arrest 202462 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.462 van 29 maart 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.462 van 29 maart 2010 in de zaak A. 178.964/IX-5497 In zake : Michel DE VOOGT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 28 november 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 19 september 2006 van de Raad van Beroep binnen de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie waarbij werd geoordeeld dat de eindvermelding “onvoldoende” van 15 februari 2006 toegekend aan Michel De Voogt in het raam van de baremische loopbaan (weddeverhoging) door Dirk Van Nuffel, hoofdcommissaris, Korpschef PZ Damme Knokke Heist, bevestigd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. IX-5497-1/15 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 maart
  3. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is inspecteur van politie bij de politiezone Damme/Knokke-Heist. 3.
  6. Artikel VII.II.22 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol) luidt als volgt: “Er wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het aantal jaren loonschaalanciënniteit dat ernaast wordt vermeld: 1/ van de loonschaal B1 naar de loonschaal B2 na zes jaar in de loonschaal B1; 2/ van de loonschaal B2 naar de loonschaal B3 na zes jaar in de loonschaal B2; 3/ van de loonschaal B3 naar de loonschaal B4 na zes jaar in de loonschaal B3; 4/ van de loonschaal B4 naar de loonschaal B5 na zes jaar in de loonschaal B
  7. De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de evaluatie de eindvermelding ‘onvoldoende’ draagt. De toekenning van de loonschalen B2, B3, B4 en B5 is eveneens afhan- kelijk van het volgen van de door Ons bepaalde voortgezette opleiding.” IX-5497-2/15 3.
  8. Op 14 februari 2006 stelt de korpschef van de verzoeker, met het oog op zijn overgang van loonschaal B4 naar B5, een adviesformulier met eindvermelding “onvoldoende” op, adviesformulier waarvan de verzoeker kennis neemt en kopie ontvangt op 15 februari
  9. De bijlage bij dat besluit, waarin de motivering van de eindver- melding “onvoldoende” is opgenomen, luidt als volgt: “Michel DE VOOGT, Inspecteur van Politie Evaluatie met het oog op overgang van loonschaal B4 naar B5 : Ongunstig
  10. Persoonlijkheidskenmerken Michel DE VOOGT is sterk in zichzelf gekeerd. In de loop van de laatste acht jaar (de politiehervorming veranderde daar niets aan) bouwde hij met al dan niet vermeende gezondheidsproblemen, maar ook door zich als psychisch minder weerbaar voor te doen en door voortdurend ontwijkgedrag een verdediging uit die het hem moest toelaten een eigen agenda te bepalen en vol te houden inzake tewerkstellingsvoorwaarden. Wat dit betreft - en in tegenstel- ling tot de taakinvulling - ontbrak het hem nooit aan creativiteit. Door opéénvolgende conflicten, telkens wanneer hem een nieuwe tewerkstellingsomgeving, andere collegae en hiërarchische chefs werden aangeboden (resp. in wijkpolitie, onthaal, verkeerspolitie en bouwpolitie) raakte Michel DE VOOGT in een vrij uitgesproken sociaal isolement binnen zijn professioneel milieu.
  11. Professionele bekwaamheden Michel DE VOOGT heeft nooit het niveau van professionele bekwaamhe- den kunnen bereiken dat van een gemiddeld inspecteur van politie mag worden verwacht. Geen aanvaardbare norm werd ooit gehaald, zelfs niet wanneer deze enigszins wordt gecorrigeerd voor een late vijftiger die met iets beperkter vaardigheden en intellectuele vermogens in een moderne politiedienst is tewerkgesteld: - niet vertrouwd met de basismodules van resp. PIP en ISLP, hoewel deze toepassingen in Knokke-Heist al sedert 1996 op kruissnelheid worden gebruikt (betrokkene is de enige in deze situatie hoewel lid van de voormalige gemeentepolitie terwijl alle voormalige rijkswachters, ook ouder in jaren, zich op zeer korte termijn dit wel eigen konden maken); - geen vermogen tot het werken in wisselende diensten en in het kader van ‘genuanceerde polyvalentie’ ook niet in staat om enkele routine basisopdrachten van de politieambtenaar uit te voeren; - geen bereidheid tot het openstaan voor technologische vernieuwing, geen bereidheid of een minimum aan aanleg om nieuwe toepassingen aan te leren; - onvermogen om processen-verbaal op te stellen, zelfs niet in de vaststelling van eenvoudige verkeersovertredingen of inbreuken op gemeentelijke politieverordeningen (zie bijlage); - afwezigheid van een minimum aan assertiviteit tegenover het publiek om desnoods repressief normen en voorschriften te handhaven en vergun- ningen te doen naleven; IX-5497-3/15 - niet in staat om zich in het korpsbeleid of enige vorm van teamwork in te leven.
  12. Prestaties Gestaafd met jarenlange opéénvolgende medische getuigschriften niet in staat om te werken in wisselende diensten, vervulde INP Michel DE VOOGT geen interventieopdrachten. Hij bleek in de late jaren ’90 ongeschikt om zelfs met een beperkte taakstelling in de wijkpolitiefunctie te fungeren. Hij volgde enkele jaren de verkeersveiligheid en naleving van gemeentelijke politieregle- menten inzake bouwwerven en daarmee gepaard gaande verkeersbelemmerin- gen op de openbare weg. Hij moest ook van deze opdracht worden ontheven wegens het gebrekkig uitvoeren van dit toezicht en het geven van tegenstrijdige signalen naar overtreders toe waardoor hij in onmin raakte met collegae die deze nochtans gedetailleerd uitgewerkte projectaanpak mee moesten realiseren. Uiteindelijk is Michel DE VOOGT zelfs niet in staat gebleken opdrachten uit te voeren die in regel aan een hulpagent van politie worden toevertrouwd. Zijn opdrachten (in een aanhoudend deeltijdse tewerkstelling, gestaafd door medische attesten, maar zonder dat van enige revalidatie of perspectief op herstel sprake zou zijn) zijn herleid tot : - het afleveren van het document ‘240i’, bedoeld voor de uitbating van drankslijterijen ; - voetpatrouille in het stadscentrum, zonder tussenkomsten tenzij een vraag om back up om vaststellingen te doen ; - bijstand aan gerechtsdeurwaarders (bewaken van goederen op de openbare weg bij uitdrijvingen) ; - als tweede of derde politieambtenaar assisteren bij de overbrenging van als ongevaarlijk ingeschatte gearresteerde verdachten of illegale verblijvers als redelijkerwijze mag worden aangenomen dat deze opdracht niet langer dan 4 uren zal duren... De professionele kennis van INP Michel DE VOOGT is, zoals hoger aangestipt, net voldoende om zijn weinige hiervoor opgesomde opdrachten tot een goed einde te brengen. Zijn fysieke conditie (althans tijdens de arbeidstij- den) en psychische weerstand laten niet meer toe. Zijn schriftelijke communica- tievaardigheid, zolang ze niet op geïnformatiseerde wijze moet, voldoet amper.
  13. Potentieel Algemeen wordt verwacht dat in het vooruitzicht van zijn pensionering, aangekondigd voor 1 februari 2007 Michel DE VOOGT de ziektedagen ‘waar hij recht op heeft’ zal opnemen. Potentieel in de zin van produktief vermogen voor de politie is er al lang niet meer. De mogelijke toekenning van een loonschaal B5 moet dan ook in deze context als een niet te verklaren ‘apprecia- tie’ worden gezien. [...].” 3.
  14. Op 17 februari 2006 dient de verzoeker tegen de hem toegekende eindvermelding “onvoldoende” beroep in bij de raad van beroep; hij voert aan dat er geen enkel tuchtantecedent werd aangehaald, dat er noch een planningsgesprek, noch een evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden en dat de hem toegekende IX-5497-4/15 eindvermelding volledig in tegenstelling is met de door zijn directe hiërarchische meerdere uitgebrachte evaluatie. 3.
  15. Met een brief van 24 februari 2006 wordt de kopschef door de voorzitter van de raad van beroep verzocht om binnen een termijn van veertien dagen het volledige origineel dossier over te maken dat naar aanleiding van het verstrekt advies werd opgesteld. 3.
  16. Met een brief van 31 maart 2006 deelt de korpschef aan de voorzitter van de raad van beroep mee wat volgt: “Onderwerp: Verweerschrift Michel De Voogt tegen ongunstig advies Mijnheer de Inspecteur-Generaal, Als bijlage laat ik u de originele evaluatie met ongunstige eindbeoordeling van hogervermeld personeelslid bezorgen, evenals de stukken die mede tot deze ongunstige evaluatie hebben geleid. In dit bundel vindt u:
  17. De ongunstige descriptieve evaluatie met o.i. voldoende motivering.
  18. De aantallen behandelde stukken in 2003, 2004 en 2005 waaruit de bijzonder lage produktiviteit van de betrokken politieambtenaar moet blijken.
  19. De gevoerde interne mailcorrespondentie tussen INP Michel DE VOOGT en diens hiërarchische en functionele meerderen HINP Johan LECLUYSE en CP Jan BONNEURE, waaruit tevens blijkt dat met betrokkene regelmatig functioneringsgesprekken werden gevoerd.
  20. De relevante loopbaanantecedenten waarbij ik de aandacht vestig op een eerdere ongunstige evaluatie, het onvermogen om op grond van psychomedische onderzoeken betrokkene ongeschikt te laten verklaren voor een politiefunctie en diens onophoudelijk werkverlet waarbij volstrekt strijdig met de vigerende statutaire bepalingen ‘verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte’ werd aangewend.
  21. De gevoerde correspondentie tussen de eigen personeelsdienst en betrokkene die omwille van de litigieuze negatieve evaluatie een eerder ingediende pensioenaanvraag weigert te ondertekenen. Ik moet er tenslotte de Algemene Inspectie van inlichten dat ik in 2004 en 2005 geen correspondentie met het betrokken personeelslid (meer) heb gevoerd omwille van de vaststelling dat betrokkene niet langer ‘verbeterbaar’ was. Hem werd dan ook opgedragen tijdens de diensturen overdag wat voet- en surveillan- ce uit te voeren op de openbare weg (wat overigens nooit enige interventie van zijnentwege heeft opgeleverd) en dit tot het bereiken van zijn pensioengerech- tigde leeftijd.” IX-5497-5/15 3.
  22. Luidens het uittreksel uit de notulen van de raad van beroep, zitting van 19 september 2006, wordt naar aanleiding van het door de verzoeker ingediend beroep zijn syndicale verdediging gehoord. De integrale tekst van voormeld uittreksel luidt als volgt: “[...] Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; Gelet op de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten; Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten; Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de werking en het personeel van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie; Gelet op de ministeriële omzendbrief GPI 11 van 27 maart 2003 houdende nadere richtlijnen inzake de adviesprocedure voor de evaluatie van de personeelsleden van de politiediensten; Gelet op de ministeriële omzendbrief GPI 11bis van 24 juni 2004 houdende richtlijnen inzake de evaluatie van het personeel; Gelet op het huishoudelijk reglement van de Raad van Beroep; Gelet op het verzoekschrift dd. 17 februari 2006 uitgaande van DE VOOGHT Michel, identificatienummer 44-19257-34, inspecteur in PZ Damme Knokke-Heist, strekkende tot het instellen van hoger beroep tegen het advies met eindvermelding ‘onvoldoende’ dd. 15 februari 2006 toegekend door Van Nuffel Dirk, hoofdcommissaris, korpschef PZ Damme Knokke-Heist; Gehoord Frans MAES en Adile CLEMENTS, verdedigers VSOA Overwegende dat het hoger beroep werd ingesteld conform de wettelijke voorschriften en bijgevolg ontvankelijk is. Overwegende dat de Raad van Beroep zijn eindbeoordeling omtrent de wijze van dienen van verweerder dient te baseren op het door de beoordelaar opgestelde dossier; Overwegende dat het niet volgen van de procedure door de beoordelaar niet automatisch kan leiden tot een beoordeling van de wijze van dienen van verweerder als zijnde ‘goed’; Overwegende dat dit eindadvies hetzij een bevestiging hetzij een gehele of gedeeltelijke wijziging van het bestreden advies betreft; Overwegende dat uit het onderzoek ten gronde blijkt dat : IX-5497-6/15
  23. De eindvermelding ‘onvoldoende’ door de eindverantwoordelijke formeel wordt gemotiveerd door het aanbrengen van zowel positieve als negatieve commentaren aangaande de wijze van dienen van betrokkene.
  24. Het advies niet enkel steunt op algemene beschouwingen, maar ook op een aantal concrete feiten.
  25. Het dossier voldoende bewijsstukken bevat ter ondersteuning van deze feiten met name: de diverse e-mailberichten aangaande de uitvoering van zijn taak, het overzicht van de loopbaan waaruit diverse problemen van het verleden toegelicht worden. BESLUIT : Artikel 1 : De eindvermelding ‘onvoldoende’ toegekend aan de inspecteur van politie DE VOOGT Michel op 15 februari 2006 wordt BEVESTIGD. Artikel 2 : Afschrift van deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de verzoeker DE VOOGT Michel en van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie HCP VAN NUFFEL Dirk, korpschef. [...].” De beslissing van 19 september 2006 van de raad van beroep houdende de bevestiging van de op 15 februari 2006 aan de verzoeker toegekende eindvermelding “onvoldoende” maakt het voorwerp uit van het onderhavig beroep. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  26. In een tweede middel roept de verzoeker de schending in van het redelijkheidsbeginsel, van de formele motiveringsplicht conform de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht en van de rechten van verdediging. Vooreerst wijst de verzoeker erop dat een beoordeling dient uit te gaan van alle elementen waaromtrent een beoordeling wordt gegeven, zowel positieve als negatieve. De raad van beroep moet kunnen beschikken over alle nuttige gegevens en elementen en niet alleen over een selectie hiervan die het ongunstig advies steunen. In dit kader wijst de verzoeker ook op de zorgvuldig- heidsplicht die inhoudt dat alle voor de beslissing relevante feiten met zorgvuldig- heid dienen te worden vastgesteld. Te dezen heeft de raad van beroep zich het advies van de beoordelaar eigen gemaakt en is hij dus enkel voortgegaan op de stukken van het dossier zoals dat door de beoordelaar werd samengesteld om zijn ongunstig IX-5497-7/15 advies te steunen. Bij de beoordeling van de korpschef werd geen rekening gehouden met de voor verzoeker positieve elementen zoals zijn evaluatie van 6 april 2001 die een volledig ander beeld weergeeft, voor akkoord ondertekend door de korpschef, dan dit van de actuele beoordeling temeer de korpschef thans gans de carrière van de verzoeker op de korrel neemt en zoals een e-mail van 29 augustus 2002 van de verzoeker aan zijn korpschef waarin de verzoeker zijn takenpakket toelicht hierin nooit tegengesproken door de korpschef. In deze zin, zo vervolgt de verzoeker, begrijpt hij helemaal niet hoe de raad van beroep ertoe komt te motiveren dat de ongunstige evaluatie zowel positieve als negatieve commentaren aangaande de wijze van dienen van betrokkene opneemt. Voorts argumenteert de verzoeker dat motieven duidelijk moeten zijn; te dezen zijn de door de beoordelaar opgegeven motieven, die de raad van beroep toerekenbaar zijn, allerminst duidelijk en concreet; zo verwijt de korpschef de verzoeker zijn ziekteperiodes die nochtans gerechtvaardigd waren en nooit discussie uitlokten; zo ook stelt de korpschef in zijn beoordeling dat de verzoeker inzake professionele bekwaamheden niet vertrouwd is met het gebruik van het ISLP systeem daar waar de verzoeker nochtans over een vormingsattest beschikt dat hij met goed gevolg de cursus ISLP heeft beëindigd. 5.
  27. De verwerende partij wijst erop dat de bestreden beslissing uitgaat van de raad van beroep die een autonome en zelfstandige evaluatie verricht los van de oorspronkelijke evaluatie. Dit vloeit voort uit de artikelen VII.I.45 en VII.I.46 RPPol die bepalen dat de raad van beroep oordeelt op basis van het evaluatiedossier waarvan alle stukken opgesteld in het raam van de betwiste evaluatie deel uitmaken, dat de raad de bestreden evaluatie kan bevestigen, dan wel geheel of gedeeltelijk wijzigen en dat de beslissing van de raad de eindevaluatie inhoudt van de geëvalueerde over de betrokken evaluatieperiode. Onregelmatigheden in het kader van de oorspronkelijke evaluatie tasten, aldus de verwerende partij, de regelmatigheid van de bestreden beslissing van de raad van beroep niet aan. Het middel, zo vervolgt zij, is onontvankelijk daar het inhoudelijk gericht is tegen de oorspronkelijke evaluatie van 15 februari 2006 en niet tegen de bestreden beslissing. De raad van beroep heeft zich de motieven van de oorspron- IX-5497-8/15 kelijke evaluatie niet eigen gemaakt doch is overgegaan tot een autonome beoordeling op basis van de stukken van het dossier en tot een eigen motivering. 5.
  28. Ten gronde argumenteert de verwerende partij dat het middel niet gegrond is. De bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd nu deze vaststelt dat de eindvermelding “onvoldoende” van 15 februari 2006 zowel positieve als negatieve commentaren bevat aangaande de wijze van dienen van de verzoeker, dat deze eindvermelding steunt op een aantal concrete feiten, dat het dossier voldoende bewijsstukken bevat ter ondersteuning van deze feiten en dat de eindvermelding van 15 februari 2006 en het volledige dossier werden overgemaakt aan de verzoeker zodat deze nog vóór de bestreden beslissing werd genomen, kennis had van de concrete elementen die uiteindelijk hebben geleid tot de bestreden ongunstige evaluatie. De raad van beroep baseerde zijn beslissing op alle stukken waarover hij conform artikel VII.I.45 RRPol moest beschikken met name het evaluatiedossier waarvan alle stukken opgesteld in het raam van de betwiste evaluatie deel uitmaken. Ten slotte benadrukt de verwerende partij dat de verzoeker ten onrechte beweert dat het dossier onvolledig zou zijn. Het evaluatieverslag van 6 april 2001 dagtekent van meer dan 5 jaar vóór de evaluatie van 15 februari 2006; in een systeem van regelmatige tweejaarlijkse evaluaties, aangevuld met eventuele tussentijdse evaluaties, kan het de verwerende partij niet verweten worden dat dit verslag in het dossier niet werd opgenomen. De e-mail van 29 augustus 2002 gaat uit van de verzoeker zelf en heeft dan ook geen waarde in het kader van de evaluatie. Het dossier bevat voldoende recente stukken nopens de gebrekkige taakinvulling door de verzoeker die van aard zijn om de bestreden evaluatie te verantwoorden. 6.
  29. Nopens de ontvankelijkheid van het middel merkt de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord op dat de raad van beroep oordeelt op basis van het evaluatiedossier zodat, indien dit dossier is aangetast door onregelmatigheden, deze kunnen aangevoerd worden tegen de beslissing van de raad. IX-5497-9/15 6.
  30. Ten gronde wijst de verzoeker erop dat de verwerende partij eraan voorbijgaat dat alle relevante feiten dienen te worden vastgesteld en niet enkel de voor de verzoeker negatieve. Ook wijst hij op het feit dat de verwerende partij het normaal vindt om het evaluatieverslag van 6 april 2001 niet gevoegd te zien aan het dossier omdat het niet recent zou zijn terwijl in de evaluatie van de korpschef van 15 februari 2006 deze teruggrijpt naar negatieve elementen die nog ouder zijn. Dien omtrent besluit hij dat waar het blijkbaar wel kan om het dossier historisch te stofferen met negatieve verwijzingen, het als normaal zou moeten gevonden worden dat een eerder positief evaluatieverslag als gedateerd moet worden afgedaan, terwijl dit in feite volledig contradictorisch is met de historische opmerkingen die actueel worden gegeven.
  31. In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij dat het feit dat de korpschef in zijn beoordelingsverslag een aantal positieve elementen niet mee in aanmerking heeft genomen niet van aard is om te besluiten tot de onregelmatig- heid van de bestreden beslissing; deze is immers een autonome beslissing van de raad van beroep. Voorts benadrukt ze dat de verzoeker tijdens de beroepsprocedure heeft kunnen opkomen voor zijn belangen en zo onder meer de kans kreeg om stukken bij te brengen. Tenslotte herhaalt de verwerende partij dat er hoe dan ook voldoende negatieve elementen waren om de toegekende beoordeling in redelijkheid te verantwoorden. Beoordeling
  32. In de bestreden beslissing wordt overwogen “dat de raad van beroep zijn eindbeoordeling omtrent de wijze van dienen van verweerder dient te baseren op het door de beoordelaar opgestelde dossier”, met andere woorden, dat met stukken die zich niet in het door de korpschef samengesteld dossier bevinden geen rekening kan worden gehouden. Voor het onderzoek van de ontvankelijkheid van het tweede middel volstaat de vaststelling dat de raad van beroep op basis van het door de beoordelaar opgesteld dossier, dit zijn zijn motivering van de eindvermelding “onvoldoende” en de stukken die die motivering moeten ondersteunen, heeft geoordeeld dat de eindvermelding “onvoldoende” door de beoordelaar formeel IX-5497-10/15 wordt gemotiveerd door het aanbrengen van zowel positieve als negatieve commentaren aangaande de wijze van dienen van de verzoeker, dat het advies niet enkel steunt op algemene beschouwingen maar ook op een aantal concrete feiten en dat het dossier voldoende bewijsstukken bevat ter ondersteuning van deze feiten. Zoals hierna onder randnummer 10 wordt aangenomen moet een beoordeling uitgaan van zowel positieve als negatieve elementen. Indien te dezen een subjectieve beoordeling tot stand kwam waarbij alle positieve gegevens met betrekking tot de verzoeker werden genegeerd en er dan “selectief” een dossier werd samengesteld teneinde die subjectieve beoordeling te ondersteunen, vitieert de onregelmatigheid van het door de beoordelaar opgestelde dossier dan ook niet alleen de in eerste aanleg, maar ook, gelet op de bewoordingen in de bestreden beslissing zelf, de - uitsluitend op dat dossier gebaseerde - in beroep genomen beslissing. Het tweede middel is ontvankelijk.
  33. Het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, dat in werking is getreden op 1 april 2005, vervangt met artikel 7 titel I van deel VII RPPol door “Titel I - De evaluatie”, artikels VII.I.1 tot en met VII.I.
  34. Artikel 15 van het voormeld koninklijk besluit luidt als volgt: “Art.
  35. Tot de datum van de toekenning van de eerste evaluatie bedoeld in titel I van deel VII RPPol behoudt het personeelslid, in voorkomend geval, het advies bedoeld in artikel XII.VII.2 RPPol. Het personeelslid dat een advies met vermelding ‘onvoldoende’ heeft, kan naar aanleiding van een andere procedure dan diegene waarvoor het het advies met vermelding ‘onvoldoende’ heeft verkregen, een nieuw advies vragen. Het personeelslid dat op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit nog geen advies heeft verkregen en dat, overeenkomstig de bepalingen van het RPPol, deelneemt aan een procedure waarin de voorwaarde van een niet onvoldoende evaluatie wordt gesteld, krijgt een advies opgesteld door de korpschef of door de commissaris-generaal of de directeur-generaal die hij aanwijst of door de officier die zij aanwijzen, naar gelang het een personeelslid van de lokale of de federale politie betreft. Het personeelslid behoudt dit advies tot de datum van de toekenning van de eerste evaluatie bedoeld in titel I van deel VII RPPol. Indien dit advies de vermelding ‘onvoldoende’ draagt, kan het personeelslid , naar aanleiding van een andere procedure dan diegene waarvoor het het advies met vermelding ‘onvoldoende’ heeft verkregen, een nieuw advies vragen.” IX-5497-11/15 Luidens artikel XII.VII.2 RPPol betreft het door de korpschef opgestelde advies de wijze van vervulling van de opdracht en dient de korpschef voor het opstellen van zijn advies alle nodige inlichtingen in te winnen, inzonder- heid bij de onmiddellijk hiërarchische meerdere van het personeelslid.
  36. De waarachtigheid, ernst en objectiviteit van de beoordeling van de wijze waarop een personeelslid zijn opdracht vervult, gaan teloor wanneer daarbij enkel rekening wordt gehouden met negatieve elementen en er een dossier wordt samengesteld om die negatieve elementen te ondersteunen, terwijl er ook positieve elementen zijn en stukken die die positieve elementen ondersteunen. Het opstellen van een subjectief advies, gestoffeerd door een selectief samengesteld dossier, tast dan ook niet alleen de materiële motivering van dat advies aan, maar is ook een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel begrepen in die zin dat, wanneer de overheid een beslissing neemt, zij alle voor de beslissing relevante feiten met zorgvuldigheid moet vaststellen.
  37. Te dezen moet worden vastgesteld dat de motivering van de eindvermelding “onvoldoende” geen enkele positieve commentaar bevat aangaande de wijze van dienen van de verzoeker, noch wat betreft zijn persoonlijkheidsken- merken, noch wat betreft zijn professionele bekwaamheden, noch wat betreft zijn prestaties, noch wat betreft zijn potentieel, maar dat het uitgebracht advies een uitsluitend negatief beeld ophangt van verzoekers wijze van dienen. Het is de Raad van State dan ook een raadsel hoe de raad van beroep er toe komt te motiveren dat de eindvermelding “onvoldoende” “...formeel wordt gemotiveerd door het aanbrengen van zowel positieve als negatieve commentaren aangaande de wijze van dienen van betrokkene”.
  38. In de door de korpschef opgestelde evaluatie wordt gesteld dat de verzoeker nooit het niveau van professionele bekwaamheden heeft kunnen bereiken dat van een gemiddeld inspecteur van politie mag worden verwacht, dat geen aanvaardbare norm ooit werd gehaald, dat hij onder meer als enige niet vertrouwd is met de basismodules van respectievelijk PIP en ISPL en dat hij uiteindelijk zelfs niet in staat is gebleken opdrachten uit te voeren die in regel aan een hulpagent van politie worden toevertrouwd. IX-5497-12/15 Volgens de motivering van de bestreden beslissing bevat het dossier voldoende bewijsstukken ter ondersteuning van die commentaar, met name “de diverse e-mailberichten aangaande de uitvoering van zijn taak” en “het overzicht van de loopbaan waaruit diverse problemen van het verleden toegelicht worden”. Uit de bij de evaluatie gevoegde interne mailcorrespondentie kan dat totaal gebrek aan professionele bekwaamheden gedurende de ganse loopbaan van de verzoeker alleszins niet afgeleid worden. In het overzicht van de loopbaan wordt er onder een luik “loopbaan” verwezen naar verzoekers detachering op 18 oktober 2000 naar de afdeling wijkpolitie met kleine opvolgingstaken op straat ingevolge adviezen van de arbeidsgeneesheer en naar een ongunstige periodieke evaluatie van 16 december 1997, beslissing die op 2 april 1998 na beroep werd gehandhaafd. Nochtans legt de verzoeker als bijlage bij zijn verzoekschrift een op 30 januari 2001 opgesteld “evaluatieformulier politie” met eindvermelding “gunstig” neer, voor akkoord ondertekend door de korpschef, waarbij de verzoeker op acht van de negen gehanteerde criteria “goed” scoort en waarin onder meer wordt gesteld dat verzoeker volgehouden inspanningen heeft geleverd om zich de nieuwe werkmethodes en zijn nieuwe taken eigen te maken, dat hij nauwkeurig werkt en dat hij inspanningen doet om de PC en PIP-werking onder de knie te krijgen, wat hem langzamerhand begint te lukken. Daarenboven legt de verzoeker een 27 maart 2002 gedateerd vormingsattest voor, waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de cursus ISLP heeft beëindigd. Door het neerleggen van die stukken alleen al maakt de verzoeker aannemelijk dat de korpschef enkel rekening heeft gehouden met negatieve elementen en een dossier heeft samengesteld om die negatieve elementen te ondersteunen, terwijl er ook positieve elementen zijn en stukken die niet alleen die positieve elementen ondersteunen, maar daarenboven een aantal door de korpschef aangebrachte negatieve elementen tegenspreken. IX-5497-13/15 Zoals onder randnummer 8 opgemerkt tast de vaststelling dat de korpschef zijn adviesbevoegdheid niet met de vereiste objectiviteit heeft uitgeoe- fend niet alleen de materiële draagkracht van dat advies, maar ook die van de bestreden beslissing aan.
  39. Dat de verzoeker de mogelijkheid heeft gehad stukken bij te brengen tijdens de procedure voor de raad van beroep weerlegt niet de bevinding dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeld wordt dat deze zich enkel kan steunen op het door de beoordelaar opgestelde dossier. Evenzo is de opmerking van de verwerende partij in haar laatste memorie dat er voldoende negatieve elementen waren om tot de bestreden beslissing te komen, los van het feit dat de raad van beroep geen acht heeft geslagen op de positieve elementen, niet aanvaardbaar. Het feit op zich dat de raad van beroep zijn oordeel velde op basis van een eenzijdig dossier, is voldoende om tot de onwettig- heid ervan te besluiten.
  40. Het tweede middel is gegrond. BESLISSING
  41. De Raad van State vernietigt de beslissing van 19 september 2006 van de Raad van Beroep binnen de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie waarbij werd geoordeeld dat de eindvermelding “onvoldoen- de” van 15 februari 2006 toegekend aan Michel De Voogt in het raam van de baremische loopbaan (weddeverhoging) door Dirk Van Nuffel, hoofdcommissa- ris, Korpschef PZ Damme Knokke Heist, bevestigd wordt.
  42. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5497-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5497-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.462 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.