id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.465 Rolnummer: A. 178003/IX-5455 Zaak: Arrest 202465 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.465 van 29 maart 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.465 van 29 maart 2010 in de zaak A. 178.003/IX-5455 In zake : Dirk ROELENS wonende te Oostende Ernest Feysplein 6 bus Q3 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën Tussenkomende partij : Geert DEKETELAERE wonende te Brugge Leenweg 9 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 oktober 2006, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 27 maart 2006 waarbij Geert Deketelaere en Filip Hindryckx worden bevorderd tot de graad van eerstaanwezend inspecteur diensthoofd bij een fiscaal bestuur met standplaats Belastingcentrum Oostende, respectievelijk Inspectie Oostende II. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 14 december
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. IX-5455-1/17 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 maart
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij dienstorder van 22 augustus 2001 worden verschillende gelokaliseerde betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, dienstchef (schaal 10S3) vacant verklaard voor mutatie of bevordering. Volgens dit dienstorder moeten de voorwaarden van anciënniteit en rang vervuld zijn op de datum van de benoemingen en de andere voorwaarden op 10 oktober
- De verzoeker kandideert voor verschillende betrekkingen, waaronder deze bij het Belastingcentrum te Oostende en deze bij Oostende II. 3.
- In de rangschikking van de kandidaten op grond van hun graadanciënniteit als eerstaanwezend inspecteur en hun examen voor die graad staat de verzoeker op de 111e plaats, Deketelaere op de 102e plaats en Hindryckx op de 104e plaats. Deketelaere wordt voorgesteld voor een bevordering tot rang 10S3 met standplaats het Belastingscentrum Oostende, Hindryckx voor een IX-5455-2/17 bevordering tot rang 10S3 met standplaats Oostende II. De verzoeker wordt niet voorgesteld voor bevordering. Deze voorstellen worden goedgekeurd door het College van dienstchefs op 11 juni
- Zij worden door een rondschrijven van 26 juni 2002 meegedeeld aan de kandidaten. 3.
- Op 4 juli 2002 dient de verzoeker een bezwaarschrift in tegen deze voorstellen. Hij meent op grond van de toepasselijke bepalingen van het organiek reglement gerangschikt te moeten worden voor Deketelaere en Hindryckx en dus in aanmerking te komen voor een bevordering tot eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, dienstchef voor de standplaatsen Belastingscentrum Oostende en Oostende II. Het College van dienstchefs verwerpt op 16 september 2002 verzoekers bezwaar. 3.
- Op 5 december 2002 worden er nieuwe voorstellen gedaan die deze van 11 juni 2002 vervangen. Zij houden geen wijziging in voor de verzoeker noch voor Deketelaere en Hindryckx. De verzoeker dient opnieuw beroep in tegen deze voorstellen op grond van dezelfde redenering als bij het eerste bezwaarschrift. Het directiecomité verwerpt op 14 februari 2003 verzoekers bezwaarschrift op grond van de redenering opgenomen in de nota van 10 februari 2003, die luidt als volgt: “De administratie heeft evenwel geoordeeld dat het in de huidige periode van herstructurering niet aangewezen is om te raken aan de verworven rechten van haar ambtenaren op het vlak van anciënniteit en rangschikking. Daarom werd aan de hogere overheid toelating gevraagd om verder gebruik te mogen maken van de vroeger geldende reglementering. Een toelating werd tot en met 31 december 1999 toegekend. Een eerste verlenging tot en met 31 december 2001 werd verkregen (K.B. van 12 maart 2002) en een tweede verlenging tot en met 31 december 2004 is nu in afwachting van handtekening. Het is niet uitgesloten dat betrokkene bij toepassing van de door hem geciteerde reglementering gunstig gerangschikt zou kunnen worden en in aanmerking zou kunnen komen voor een bevordering. Overeenkomstig die ‘oude’ rangschikkingsregels werden de betrekkingen waarop de hr. Roelens aanspraak meent te kunnen maken toegekend aan gunstiger gerangschikte sollicitanten. Reclamant werd dus door de uitgebrachte IX-5455-3/17 voorstellen niet voorbijgestreefd door een na hem gerangschikte collega of anderszins benadeeld.” Met een schrijven van 6 oktober 2005 wordt de verzoeker officieel op de hoogte gebracht van de afwijzing van zijn bezwaarschriften. De motivering ervan luidt als volgt: “Na onderzoek van uw bezwaarschriften werd geoordeeld dat deze geen elementen bevatten die de uitgebrachte voorstellen hadden kunnen wijzigen. Hierin voerde u aan dat u aanspraak had kunnen maken op een gunstiger rangschikking en daardoor in aanmerking had kunnen komen voor een bevordering bij het Belastingcentrum Oostende of bij de inspectie Oostende II. Hiervoor baseerde u zich ondermeer op de reglementering opgenomen in het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 en op de door u geciteerde wijzigingen van 6 juli 1997 en van 1 maart
- Het is inderdaad niet uitgesloten dat u bij toepassing van de door u geciteerde reglementering gunstig gerangschikt had kunnen worden en in aanmerking had kunnen komen voor een bevordering. De administratie heeft evenwel geoordeeld dat het in de huidige periode van herstructurering niet aangewezen is om te raken aan de verworven rechten van haar ambtenaren op het vlak van anciënniteit en rangschikking. Daarom werd aan de hogere overheid toelating gevraagd om verder gebruik te mogen maken van de vroeger geldende reglementering. Een toelating werd tot en met 31 december 1999 toegekend. Een eerste verlenging tot en met 31 december 2001 werd verkregen (K.B. van 12 maart 2002) en een tweede verlenging tot en met 31 december 2004 werd eveneens toegestaan (K.B. van 12 maart 2003). Overeenkomstig die ‘oude’ rangschikkingsregels werden de betrekkingen, waarop u aanspraak meende te kunnen maken, toegekend aan gunstiger gerangschikte sollicitanten. Uit wat voorafgaat blijkt dat u niet werd voorbijgegaan door een na u gerangschikte collega voor de toekenning van standplaatsen waar er benoemin- gen werden doorgevoerd. Uw bezwaarschriften werden dan ook als ongegrond afgewezen.” 3.
- Bij ministerieel besluit van 27 maart 2006 worden de door het directiecomité goedgekeurde mutaties en bevorderingen dan officieel doorgevoerd en worden Deketelaere en Hindryckx met ingang van 1 maart 2003 bevorderd tot eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, dienstchef met standplaatsen Belastingcentrum Oostende, respectievelijk Oostende II. Dit is het bestreden besluit. Het wordt aan de verzoeker betekend met een schrijven van 28 augustus
- IX-5455-4/17 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 10, 11 en 60 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel (hierna: het organiek reglement), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 6 juli
- Hij voert aan dat, vermits de benoemingen gebeurden met terugwerkende kracht tot 1 maart 2003 en in het vacaturebericht werd gesteld dat er aan de voorwaarden inzake anciënniteit en rang moest zijn voldaan op de datum van de benoemingen, dit laatste moet worden beoordeeld rekening houdend met de reglementering die van kracht was op 1 maart
- Hij zet uiteen dat de inwerkingtreding van de nieuwe rangschik- kingsregels, die werden ingevoerd door het koninklijk besluit van 6 juli 1997 ter wijziging van de artikelen 10 en 11 van het organiek reglement, voor onder meer de administratie van de directe belastingen werd uitgesteld tot 31 december 1999 ingevolge het door hetzelfde besluit gewijzigde artikel 60 van het organiek reglement. Nadien werd de inwerkingtreding van die nieuwe regels nog twee maal bijkomend uitgesteld: artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 maart 2002 verving in artikel 60 de datum van “31 december 1999” door “31 december 2001” en artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 maart 2003 verving de datum van “31 december 2001” door “31 december 2004”. Daarbij bepaalt artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 maart 2003 dat deze laatste wijziging gebeurt met ingang van 1 januari
- Vermits op 1 maart 2003 het uitstel van de toepassing van de nieuwe regels nog niet was verlengd en dit pas gebeurd is ingevolge het met terugwerkende kracht genomen koninklijk besluit van 12 maart 2003, was volgens de verzoeker op 1 maart 2003 de nieuwe rangschikkingsregeling van toepassing, volgens dewelke hij beter gerangschikt was dan Deketelaere en Hindryckx om bevorderd te worden tot eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, IX-5455-5/17 dienstchef voor de standplaatsen Belastingcentrum Oostende, respectievelijk Oostende II. De verzoeker betoogt, zich steunend op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State inzake het ontwerp dat later het koninklijk besluit van 12 maart 2003 zou worden, dat de verwerende partij ten onrechte de kandidaten zou hebben gerangschikt volgens de oude regels, vermits dit afbreuk doet aan zijn verworven rechten om de rangschikking te laten bepalen door de nieuwe regels. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat de toepassing van de nieuwe rangschikkingsre- gels als een verworven recht moet worden beschouwd, wijst hij op het jaarboek van de administratie van de directe belastingen, dat de toestand van het personeel op 1 januari 1998 weergeeft, waarin reeds toepassing werd gemaakt van de nieuwe rangschikkingsregels. Verder houdt hij voor dat in de nota aan het directiecomité, die dienstig is als motivering van de beslissing van 16 december 2002 waarbij het directiecomité zijn bezwaarschrift heeft verworpen, werd verwezen naar “een tweede verlenging tot 31 december 2004 die in afwachting is van een handteke- ning”.
- De verwerende partij antwoordt dat de datum van 1 maart 2003, waarop de benoemingen ingaan en waarop de voorwaarden van anciënniteit en rang moeten worden beoordeeld, binnen de in artikel 60 van het organiek reglement vermelde periode valt, die ingevolge het koninklijk besluit van 12 maart 2003 op dat ogenblik liep tot 31 december
- Het bestreden besluit heeft volgens haar dus betrekking op feiten die bestonden vóór 1 januari 2005 en heeft rechtsgevolgen vóór die datum. In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, meent zij wel degelijk de toen vigerende reglementering te hebben gerespecteerd. Volgens haar werd in die zin reeds geoordeeld in het arrest nr. 154.045 van 23 januari
- De verwerende partij is ook van mening dat de terugwerking die werd gegeven aan de laatste verlenging wettig is, omdat er geen sprake kan zijn van een afbreuk aan door ambtenaren verkregen rechten. Met name moest die terugwerkende kracht de rechten doen respecteren die de ambtenaren hadden verkregen door onder meer bevorderingen die zouden zijn tussengekomen in de periode gelegen tussen het aflopen van de oude regeling (31 december 2001) en het ogenblik waarop het nieuwe besluit tot verlenging werd genomen (12 maart 2003). IX-5455-6/17 Daar voor het bestreden besluit de oude rangschikkingsregels werden toegepast, is aan die vereiste voldaan. Evenmin was die terugwerkende kracht volgens de verwerende partij in strijd met het gelijkheidsbeginsel, daar zij voor de rangschikking van alle kandidaten voor de vacante betrekkingen dezelfde regels heeft toegepast en zij voor alle benoemingen die uitwerking hadden tussen 31 december 2001 en 1 januari 2005 de oude regels is blijven toepassen. De tussenkomende partij sluit zich bij dit standpunt aan.
- De verzoeker repliceert dat hoewel het arrest nr. 154.045 van 23 januari 2006 ook handelt over de toepassing van artikel 60 van het organiek reglement, de onderliggende problematiek van dat arrest toch fundamenteel verschilt van de onderhavige zaak, vermits, enerzijds, in genoemd arrest de schorsing werd gevorderd van een koninklijk besluit houdende de bevordering tot gewestelijk directeur, terwijl de voorliggende zaak een ministerieel besluit tot bevordering in de graad van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd betreft en, anderzijds, de in het voornoemd arrest bestreden benoeming in werking trad binnen de door het koninklijk besluit van 12 maart 2002 verlengde termijn, terwijl het te dezen benoemingen betreft binnen de door het koninklijk besluit van 12 maart 2003 verlengde termijn. Waar de verlenging van de overgangsregeling tot 31 december 2001 in voornoemd arrest nr. 154.045 nog kon worden verantwoord door de nog in uitvoering zijnde herstructurering van de fiscale administraties, kan deze motivering bezwaarlijk nog worden aangehouden voor de verlenging van de overgangsmaatre- gel tot 31 december 2004, zo stelt de verzoeker. Het is volgens hem duidelijk dat die verlenging een tegemoetkoming is aan de syndicale organisaties.
- In zijn laatste memorie schrijft de verzoeker dat de regelmatigheid van een besluit moet worden beoordeeld op grond van de van kracht zijnde reglementering op het ogenblik van het nemen van dat besluit. Hij wijst er op dat het directiecomité op 14 februari 2003 beslist heeft de bestreden benoemingen uit te voeren, dat de kandidaten ingevolge een kennisgeving van 25 februari 2003 van de gewestelijk directeur aangewezen werden om met ingang van 1 maart 2003 hun functie van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd uit te oefenen en dat zij op IX-5455-7/17 definitieve wijze met ingang van die datum daadwerkelijk alle bevoegdheden verbonden aan dat ambt op hun respectievelijke standplaats hebben uitgeoefend. Volgens de verzoeker betekent dit dat het college van dienstchefs zich bij de beoordeling van zijn bezwaarschriften op 5 december 2002 en 14 februari 2003 had moeten baseren op de op dat ogenblik van toepassing zijnde reglementering, alsook dat het bestreden besluit had moeten steunen op de reglementering zoals van toepassing op het ogenblik dat die beslissing werd genomen, met name op 25 februari
- Aldus is de verzoeker van mening dat de beslissingen inzake de bestreden benoemingen reeds genomen werden vóór 12 maart 2003, hoewel zij bekrachtigd werden door een besluit van 27 maart 2006, op een ogenblik dat de tijdelijke regeling die in eerste instantie was voorzien tot 31 december 1999 slechts verlengd was tot 31 december
- Die benoemingen zijn volgens hem dan ook ten onrechte gesteund op de oude rangschikkingsregels, die overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 maart 2002 slechts van toepassing waren tot 31 december
- Beoordeling
- De rangschikkingsregels van de kandidaten voor bevorderingen binnen het ministerie van Financiën waren opgenomen in de artikelen 10 en 11 van het organiek reglement. Deze bepalingen werden ingrijpend gewijzigd bij koninklijk besluit van 6 juli 1997, dat nieuwe regels voor het rangschikken van de kandidaten invoerde. Tezelfdertijd voegde dit besluit een nieuw artikel 60 in het organiek reglement in, dat luidde als volgt: “In afwijking van de artikelen 11 tot 14, worden de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, der douane en accijnzen en van de BTW, registratie en domeinen tot 31 december 1999 gerangschikt volgens de bepalingen van de bijlage VI.” Dit was een soort van overgangsbepaling die tot gevolg had dat voor de personeelsleden van de genoemde administraties de oude regels, die met dat doel waren opgenomen in een nieuwe bijlage VI, van toepassing bleven. De inwerkingtreding van het nieuwe rangschikkingssysteem werd voor die administra- ties dus uitgesteld. IX-5455-8/17 Die tijdelijke regeling werd in eerste instantie voorzien tot 31 december
- Nadien werd de einddatum ervan nog twee maal verlengd. Een eerste maal tot 31 december 2001, bij koninklijk besluit van 12 maart 2002 dat uitwerking had met ingang van 1 januari 2000, een tweede maal tot 31 december 2004, bij koninklijk besluit van 12 maart 2003 dat uitwerking had met ingang van 1 januari
- Deze beide verlengingen golden alleen nog voor de Administratie der directe belastingen en de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW.
- De stelling van de verzoeker is dat op de datum waarop de bestreden benoemingen uitwerking hebben, de beoogde functies ook daadwerkelijk werden uitgeoefend en de bestreden beslissingen volgens hem reeds genomen waren, met name op 1 maart 2003, de eerste verlenging van de overgangsregeling reeds afgelopen was en over de tweede verlenging nog niet beslist was, vermits het koninklijk besluit waarmee de tweede verlenging werd ingevoerd dateert van 12 maart
- De invoering van die tweede verlenging met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 vermag daaraan volgens de verzoeker geen afbreuk doen, daar deze terugwerking onwettig is. Zij houdt immers een schending in van zijn verworven recht om zijn rangschikking bepaald te zien, niet langer door het oude, maar door het nieuwe stelsel dat volgens hem, en daarin wordt hij niet tegengespro- ken door de verwerende partij, voordeliger was en hem een betere rangschikking zou hebben gegeven voor de betrekkingen te Oostende II en bij het Belastingcen- trum Oostende dan de collega’s wier benoeming hij bestrijdt.
- De juiste draagwijdte van een wijziging die met terugwerkende kracht wordt doorgevoerd is dat voor de toekomst, dit betekent voor alles wat na die doorgevoerde wijziging gebeurt, in het rechtsverkeer moet worden gehandeld alsof het verleden anders was dan het geweest is. Te dezen gebeurden de bestreden benoemingen met een besluit van 27 maart
- De regelmatigheid van dit besluit moet worden beoordeeld aan de hand van de reglementering zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van dit besluit. IX-5455-9/17 Op dat ogenblik moest de verwerende partij de reglementering toepassen zoals ze op dat moment voorlag. Concreet betekent dit dat de overheid, handelend op 27 maart 2006, rekening moest houden met het koninklijk besluit van 12 maart 2003 en de terugwerkende kracht ervan tot 1 januari
- Zij moest er met andere woorden van uitgaan dat ook gedurende de periode van 1 januari 2002 tot 12 maart 2003 de oude rangschikkingsregels van toepassing waren gebleven en moest vanuit die optiek nagaan of de rangschikking op dewelke de benoemingsvoor- stellen waren gesteund wel degelijk overeenkomstig die regels was opgesteld. De verzoeker vergist zich dan ook door voor te houden dat de verwerende partij de nieuwe rangschikkingsregels had moeten toepassen bij de keuze van de te benoemen kandidaten. Het optreden van de verwerende partij houdt bijgevolg geenszins een schending in van de verworven rechten van de verzoeker, daar diens rechten moesten worden beoordeeld op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij betoogt dat de uitzonderingsmaatregel van artikel 60 van het organiek reglement, zoals ingevoegd bij koninklijk besluit van 6 juli 1997, vanaf de eerste verlenging bij koninklijk besluit van 12 maart 2002 alleen nog gold voor de Administratie van de directe belastingen en voor de sector BTW van de Administra- tie van de BTW, registratie en domeinen. Daardoor zijn sinds 1 januari 2000 de oude rangschikkingsregels alleen nog van toepassing voor de twee voornoemde administraties, terwijl voor alle andere administraties van de FOD Financiën vanaf die datum de nieuwe rangschikkingsregels golden. IX-5455-10/17
- De verwerende partij antwoordt dat de loutere vaststelling dat er een verschil bestaat tussen de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op de ambtenaren van verschillende administratieve entiteiten niet volstaat om te besluiten tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet daarenboven nog aangetoond worden dat het verschil in behandeling niet berust op een objectief en aanvaardbaar criterium. Volgens de verwerende partij werd tijdens de benoemingsproce- dure herhaaldelijk opgemerkt dat het behoud van de oude rangschikkingsregels nodig was omdat de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen en van de BTW-administratie betrokken waren bij een reorganisatie. Voor de ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen was deze achter de rug en de ambtenaren van de Administraties registratie en domeinen zijn samen met de ambtenaren van het kadaster ondergebracht in een nieuwe administratieve eenheid, zodat voor hen het behoud van de uitzonderingsregeling niet langer nodig was. De ambtenaren van de Administratie der directe belastingen en van de BTW-admini- stratie, die nog kunnen meedingen naar betrekkingen binnen de eigen traditionele administratie én naar betrekkingen binnen de nieuwe Administratie van de ondernemings- en de inkomensfiscaliteit, bevinden zich bijgevolg in een andere toestand dan de overige ambtenaren van de FOD Financiën. In elk geval brengt de verzoeker volgens de verwerende partij geen concrete elementen aan die er zouden op wijzen dat de verschillende behandeling betrekking heeft op ambtenaren die zich in een zelfde situatie bevinden, noch dat de verschillende behandeling niet zou berusten op een objectief criterium dat redelijk verantwoord is. De tussenkomende partij sluit zich bij dit standpunt aan.
- In zijn laatste memorie schrijft de verzoeker dat de verwerende partij niet heeft aangetoond dat het behoud van de oude rangschikkingsregels noodzakelijk is voor het realiseren van de vooropgestelde hervorming van de fiscale administraties, noch dat de toepassing van de nieuwe rangschikkingsregels de voorgenomen herstructurering in de weg zou staan. Hij wijst er op dat de Admini- stratie der directe belastingen en de diensten van de BTW tot op heden niet hervormd werden in die zin dat zij zouden zijn samengevoegd. Wel werd een nieuwe administratie opgericht, de Administratie van de ondernemings- en IX-5455-11/17 inkomensfiscaliteit, waarbij ambtenaren worden tewerkgesteld die evenwel van hun oorspronkelijke administratie blijven afhangen. De verzoeker merkt voorts op dat in het auditoraatsverslag ten onrechte wordt geconcludeerd dat hij niet betwist dat enkel voor de Administratie der directe belastingen en voor de diensten van de BTW de herstructurering nog niet was afgerond. Verder voert de verzoeker aan, in reactie op het auditoraatsver- slag, dat de ambtenaren binnen de Administratie der directe belastingen op geen enkel ogenblik gelijktijdig hebben kunnen kandideren naar betrekkingen in een oude en in een nieuwe administratie. Wel konden zij kandideren naar betrekkingen binnen hun oude administratie, in casu directe belastingen, als naar betrekkingen waarbij zij door hun administratie ter beschikking werden gesteld zijnde de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit of de Administratie van de bijzondere belastinginspectie. Volgens de verzoeker werden de ambtenaren tijdens de ganse bevorderingsprocedure dus niet vanuit van elkaar afgescheiden administraties opgenomen in één nieuwe administratie en binnen die administratie opnieuw gerangschikt. Hij meent dan ook dat bij gebrek aan een ongelijke situatie de verschillende behandeling niet te rechtvaardigen is. Beoordeling
- Volgens de verzoeker houdt de bepaling van artikel 60 van het organiek reglement vanaf haar wijziging door het koninklijk besluit van 12 maart 2002 een schending in van het gelijkheidsbeginsel, omdat ingevolge die wijziging deze bepaling vanaf 1 januari 2000 nog slechts ten aanzien van enkele fiscale administraties de oude rangschikkingsregels oplegt, terwijl op de andere fiscale administraties vanaf die datum de nieuwe rangschikkingsregels van toepassing zijn. Dergelijke schending zou ertoe leiden dat op grond van artikel 159 van de Grondwet voormeld artikel 60, als onwettig, buiten toepassing moet worden gelaten. De grondwettelijke regels van de gelijkheid voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën wordt ingesteld, voor zover dit verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de ter IX-5455-12/17 beoordeling staande maatregel en met de aard van de in het geding zijnde beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Tijdens de bevorderingsprocedure werd tot twee maal toe vermeld dat de reden voor het behoud van de toepassing van de oude regels te maken had met de herstructurering van de fiscale administraties. De verzoeker toont niet aan dat deze door de verwerende partij aangehaalde reden onjuist is. Door de verzoeker wordt niet betwist dat de Administratie der douane en accijnzen en de diensten registratie en domeinen reeds hervormd waren ingevolge een samenvoeging van verschillende administraties en/of opname in een nieuwe administratie. In zijn laatste memorie bevestigt de verzoeker dat voor de Administratie der directe belastingen en voor de diensten van de BTW dergelijke herstructurering nog niet is afgerond, waar hij aanvoert dat deze administraties tot op heden niet werden samengevoegd en dat de personeelsleden van de Administra- tie der directe belastingen “op geen enkel ogenblik (...) gelijktijdig (hebben) kunnen kandideren naar betrekkingen in een oude en een nieuwe administratie”, maar zij slechts konden “kandideren naar betrekkingen binnen hun oude administratie (in casu directe belastingen) als naar betrekkingen waarbij zij door hun administratie werden ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (...), of de administratie van de bijzondere belastinginspectie”. Er moet dan ook worden aangenomen dat het onderscheid op een objectief criterium berust, zijnde het feit dat de ambtenaren waarvoor de oude rangschikkingsregels behouden bleven, deze zijn die behoren tot administraties of diensten die nog in herstructurering zijn. Het is niet kennelijk onredelijk om tijdens een periode van herstructurering, waarin ambtenaren nog niet “vanuit van elkaar afgescheiden administraties opgenomen (worden) in één nieuwe administratie en binnen die administratie opnieuw gerangschikt (worden)”, slechts naar betrekkingen in hun oude administratie kunnen kandideren of door die administratie ter beschikking gesteld kunnen worden van een andere administratie, de oude rangschikkingsregels te behouden tot de volledige herstructurering is afgelopen. Vermits de verschillende behandeling aldus in verhouding staat tot de ongelijke situatie is er geen schending van het gelijkheidsbeginsel. IX-5455-13/17 Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat toen hij kandideerde in 2001 hij zich baseerde op de bestaande wetgeving, zijnde artikel 60 van het organiek reglement, zoals ingevoerd door het koninklijk besluit van 6 juli 1997, dus met behoud van de oude rangschikkingsregels tot 31 december 1999, op het laatst gepubliceerde jaarboek van het ministerie van Financiën en op de gangbare praktijken inzake bevordering en benoeming bij de Administratie der douane en accijnzen, wat door hem als een vaste gedragslijn werd aanzien. De latere wijzigingen van voormeld artikel 60 hebben zowel het rechtszekerheids- als het vertrouwensbeginsel geschonden.
- De verwerende partij antwoordt dat het statuut van de ambtenaren uiteraard onderhevig is aan wijzigingen en dat de overheid er tijdens de gehele bevorderingsprocedure geen twijfel over heeft laten bestaan welke rangschikkings- regels zouden worden toegepast en nooit de indruk heeft gewekt dat de verzoeker er op kon rekenen dat de klasseringsregels die hij voor ogen had, zouden worden toegepast. Zij wijst er op dat de inleidende nota van het jaarboek duidelijk vermeldt dat de er in opgenomen rangschikking de administratie niet bindt voor latere benoemingen, zodat de verzoeker op basis van het jaarboek er niet rechtmatig op kon vertrouwen dat het daarin opgenomen klassement onverkort zou gelden bij benoemingen. Zij voert verder aan dat de verzoeker niet aantoont dat de administratie hem per vergissing een voordeel zou hebben toegekend dat hem nadien niet zonder gewichtige reden kon worden ontnomen. Er is volgens haar geen sprake van een vergissing, daar de verzoeker wist dat de overgangsmaatregel al eens met terugwerkende kracht was verlengd voor bepaalde categorieën van ambtenaren IX-5455-14/17 en daar er geen aanwijzingen waren om te veronderstellen dat de redenen om de verlenging van de overgangsmaatregel te blijven hanteren niet langer bestonden. De tussenkomende partij sluit zich hierbij aan en wijst erop dat het rechtszekerheidsbeginsel niet werd geschonden, aangezien het toepassingsgebied van de bestaande reglementering tweemaal werd verlengd in de tijd.
- De verzoeker repliceert dat op het ogenblik dat de kandidaturen moesten worden ingediend op basis van de vigerende wetgeving slechts kon worden verondersteld dat de nieuwe rangschikkingsregels van toepassing zouden zijn, aangezien de oude slechts van toepassing bleven tot 31 december
- Bovendien had de administratie zich bij het opmaken van het nieuwe jaarboek reeds op de nieuwe regels gebaseerd. Het is volgens de verzoeker onjuist dat hij wist dat de overgangs- maatregel reeds eenmaal was verlengd. In tegenstelling met wat de verwerende partij aanvoert, was op het ogenblik dat het dienstorder werd verspreid en de kandidaturen moesten worden ingediend nog nooit eerder een verlenging doorgevoerd. De verzoeker voert aan dat een gebeurlijke schending van het vertrouwensbeginsel beoordeeld moet worden op het ogenblik dat de handeling wordt gesteld, zijnde het ogenblik waarop de kandidatuur moet worden ingediend. Hij is van oordeel dat het bestuur tussen 31 december 1999 en het aanvatten van de nieuwe benoemingsprocedure over een redelijke en voldoende termijn kon beschikken waarbinnen een tweede verlenging kon worden voorzien. Bovendien is hij van oordeel dat hij de rechtmatige verwachting mocht koesteren dat de overgangsmaatregel die afliep op 31 december 1999 na ontvangst van het dienstorder niet meer zou worden verlengd. Beoordeling
- De verwerende partij antwoordt terecht dat het in het jaarboek opgenomen klassement van louter administratieve aard is en de administratie niet verbindt voor latere benoemingen. Het administratief jaarboek heeft geen rechtskracht en is niet meer dan een administratief document. IX-5455-15/17 Opdat er sprake zou kunnen zijn van de schending van het vertrouwensbeginsel als een onderdeel van het rechtszekerheidsbeginsel, moet voorts aangetoond zijn dat het bestuur een vergissing heeft begaan, dat als gevolg van die vergissing aan een rechtszoekende een voordeel is verleend, en dat er geen gewichtige reden is om dat voordeel aan die rechtszoekende te ontnemen. In deze zijn die voorwaarden niet vervuld. Er is immers geen sprake van een vergissing waardoor de overheid aan de verzoeker een voordeel heeft verleend. De verzoeker mocht ook niet de rechtmatige verwachting koesteren dat de overgangsregeling niet langer zou worden toegepast, omdat de verwerende partij op enig moment zou hebben laten blijken dat zij het overgangsregime niet langer zou toepassen. De regelmatigheid van een besluit moet worden beoordeeld op het ogenblik dat het wordt genomen. Op dat ogenblik wist de verzoeker dat de overgangsmaatregel reeds twee maal verlengd was, zodat hij moeilijk kan volhouden dat hij er nog steeds kon op vertrouwen dat de nieuwe rangschikkingsre- gels van toepassing waren.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. IX-5455-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5455-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div