← België

Arrest 202487 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.487 Rolnummer: A. 193242/XIV-31218 Zaak: Arrest 202487 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-15 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:33 Fiche Arrest nr 202.487 van 29 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.487 van 29 maart 2010 in de zaak A. 193.242/XIV-31.218. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 3 juli 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 28.422 van 8 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4708 van 10 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-31.218-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat B. SOENEN verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 12 augustus 2008 en zich een eerste maal vluchteling verklaart op 14 augustus 2008; dat op 19 augustus 2008 een beslissing tot het vasthouden in een welbepaalde plaats en een bevel om het grondgebied te verlaten aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 5 september 2008 beslist tot de weigering van de vluchtelingenstatus en de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tegen deze beslissing met een arrest van 2 oktober 2008 verwerpt; Overwegende dat de verzoekende partij op 21 november 2008 een tweede asielaanvraag indient; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 23 maart 2009 beslist tot de weigering van de vluchtelingenstatus en de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tegen deze beslissing met een arrest van 8 juni 2009 verwerpt; dat dit het thans bestreden arrest is; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “- Schending van het artikel 48/4 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het verblijf; de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 31/12/1980 ; hierna de Vreemdelingenwet). (Art. 48/4) §1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. XIV-31.218-2/7 §2. Ernstige schade bestaat uit :

  1. a)doodstraf of executie; of
  2. b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
  3. c)ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De motivatie in de bestreden beslissing is niet afdoende en faalt. VIII.1. Voorafgaand Een uitspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is slechts gemotiveerd als niet alleen de concrete feiten maar ook de op die feiten toepasselijke rechtsregels worden vermeld en tevens wordt uitgelegd hoe de toepassing van die rechtsregels op de feiten naar de uiteindelijke beslissing heeft geleid. VIII.2. Kritiek op de bestreden beslissing 1.2.1. Doordat de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen stelt dat de verzoeker het recht op subsidiaire bescherming kan worden ontzegd omdat hij zijn "recente afkomst" niet aantoont. De motivering is immers als volgt : "2.7. In ondergeschikte orde vraagt verzoeker de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker geeft aan geboren te zijn in de provincie Ghazni en verwijst verder naar een door hem bijgebracht document van het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen van 12 januari 2009, naar de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming en naar het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die alle reizen naar Afghanistan sterk afraden. Verder stelt verzoeker dat de provincie Ghazni vermeld staat op de lijst van het UNHCR waarin wordt aangeraden om voor mensen uit bepaalde gebieden uit Afghanistan, zoals uit de provincie Ghazni, bijkomende bescherming te bieden. Verzoeker verwijst eveneens naar twee arresten van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen waarin aan een asielzoeker afkomstig uit het noorden van Afghanistan en één afkomstig uit het district Moqur, provincie Ghazni de subsidiaire bescherming wordt toegekend. 2.8. Betreffende richtlijn 2004/83/EG wordt opgemerkt dat deze richtlijn omgezet is in het interne Belgische recht, en meer bepaald in de Vreemdelingenwet waardoor het niet langer over directe werking beschikt, behoudens de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie, waaromtrent in onderhavig verzoekschrift geen opmerkingen worden gemaakt. De door verzoeker aangehaalde rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen betreft individuele gevallen en heeft aldus geen precedentswaarde die bindend is. In het bijgebrachte document van het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen wordt kritiek geuit op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die genomen werd in het kader van verzoekers eerste asielaanvraag, doch zoals reeds is gesteld, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet bevoegd om naar aanleiding van de beoordeling van een tweede asielaanvraag, de beslissing met betrekking tot de eerste asielaanvraag nogmaals te beoordelen in beroep. Deze beslissing was reeds het voorwerp van de in de Belgische wetgeving bepaalde beroepsmiddelen 2.10. Voor de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus kan, met betrekking tot de vraag of hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet loopt, een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst en algemene rapporten niet volstaan doch moet hij enig verband met zijn persoon aannemelijk maken ook al is daartoe geen bewijs van individuele bedreiging vereist. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker zijn recente afkomst uit zijn beweerde regio van afkomst niet aannemelijk kon maken gelet op zijn beperkte kennis. Verzoeker maakt hierdoor zelf het bewijs van dergelijk verband met zijn persoon onmogelijk Aangezien het bijgevolg vrijwel onmogelijk is een correct beeld te krijgen van verzoekers verblijfplaatsen en leefsituatie de laatste jaren en bijgevolg ook van zijn huidige nationaliteit is het dienvolgens evenzeer onmogelijk een correct beeld te krijgen van een eventuele nood aan subsidiaire bescherming." XIV-31.218-3/7 1.2.2. De verzoeker kan hiermee niet akkoord gaan. De verzoeker verwijst naar de redactie van artikel 48/4 Vreemdelingenwet waarin de subsidiaire bescherming in de Belgische wetgeving vervat is. Art. 48/4 Vreemdelingenwet is als volgt opgesteld : §1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt." Het uitgangspunt voor de subsidiaire bescherming is volgens de redactie van deze wetsbepaling het land van herkomst, NIET de recente verblijfplaats. Het kan tot op heden niet betwist worden door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat Afghanistan verzoekers land van herkomst was. Het uitgangspunt wordt volgens dit artikel als volgt omschreven : voor de aanvrager die niet erkend wordt als vluchteling is dit het land van herkomst ; voor de staatloze is dit het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef. 1.2.3. Het kan niet worden ontkend dat Afghanistan verzoekers land van herkomst was. Bijgevolg, zelfs als hij niet recent afkomstig zou zijn van Afghanistan komt hij in aanmerking voor de subsidiaire bescherming. - De term 'recente afkomst' is niet in de wet opgenomen ; - Deze term is trouwens niet objectief benaderbaar en niet omschreven door de wet. Inderdaad, is dit te begrijpen in de vorm van een dag, een week, een maand, een kwartaal, een semester, een jaar, ...? De verzoeker is trouwens al bijna een jaar in België zodat 'de recente afkomst' uit zijn land van herkomst derhalve in ieder geval niet of nooit meer op hem van toepassing zou zijn. Dit toont aan dat het begrip recente afkomst' niet dienend kan zijn voor de beoordeling van de subsidiaire bescherming. 1.2.4. De voorwaarde die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve toevoegt aan de subsidiaire bescherming in het kader van het land van herkomst is niet wetsconform. Inderdaad, wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest stelt dat de verzoeker 'niet recent' afkomstig is van het land van herkomst zijnde Afghanistan, of niet aannemelijk heeft gemaakt dat verzoeker afkomstig is van Afghanistan, bevestigt het daarmee WEL dat het land van herkomst Afghanistan betreft. Als de wet zegt dat de subsidiaire bescherming dient beoordeeld te worden in het licht van het land van herkomst dan dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de subsidiaire bescherming consequent toe te passen in het licht van het land waar het de herkomst van aanvaard heeft, zijnde Afghanistan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laat dit evenwel na en beoordeelt de situatie niet in het licht van de situatie gekend in Afghanistan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen past alsnog een voorwaarde toe die niet in de wet ingeschreven is en stelt dat de verzoeker moet bewijzen 'recent afkomstig' te zijn van het land van herkomst. Dit druist evident in tegen de wet vermits de wet stelt dat de subsidiaire bescherming alleen dient beoordeeld te worden in het licht van het land van herkomst. Aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaard heeft dat het land van herkomst Afghanistan is, dient het de subsidiaire bescherming dan ook in het licht hiervan te beoordelen. De verzoeker heeft belang bij de vernietiging van het bestreden arrest. De verzoeker komt immers wel degelijk in aanmerking voor de subsidiaire bescherming. Uit het advies van de UNHCR dd. 06/10/2008 blijkt dat verzoekers district als onveilig beschouwd wordt. XIV-31.218-4/7 De verzoeker toont bijgevolg aan dat hij belang heeft bij de vernietiging van het bestreden arrest aangezien hij in aanmerking komt voor het statuut van de subsidiaire bescherming.”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “- Verzoeker beroept zich op een schending van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker gaat er niet mee akkoord dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hem het recht op subsidiaire bescherming ontzegt omdat hij zijn recente afkomst niet aantoont. Het uitgangspunt voor de subsidiaire bescherming is immers het land van herkomst en niet de recente verblijfplaats. Dat het niet kan worden ontkend dat Afghanistan zijn land van herkomst is. Dat uit het advies van de UNHCR dd. 06/10/08 blijkt dat zijn district als onveilig beschouwd wordt. Verweerder benadrukt dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, niet met een verwijzing naar zijn nationaliteit kan volstaan maar dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist. Bij de beoordeling van de noodzaak om de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen moet er met de feitelijke toestand rekening worden gehouden, hetgeen betekent de toestand in de regio waar de aanvrager in het land van herkomst feitelijk heeft verbleven. Diegene die geen duidelijkheid over zijn feitelijke herkomst verschaft, maakt zelf het bewijs van dergelijk verband met zijn persoon onmogelijk. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dan ook terecht rekening gehouden met het gebrek aan bewijs van de door de verzoekende partij zelf voorgehouden recente feitelijke herkomst. Aangezien het bijgevolg vrijwel onmogelijk is een correct beeld te krijgen van verzoekers verblijfplaatsen en leefsituatie de laatste jaren en bijgevolg ook van zijn huidige nationaliteit was het hierdoor voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet mogelijk om de nood aan internationale bescherming in hoofde van verzoeker na te gaan. Verweerder merkt verder op dat het aantonen van een recent verblijf een noodzakelijke voorwaarde is om de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de mogelijkheid te plaatsen de noodzaak te onderzoeken van subsidiaire bescherming. Immers valt bij jarenlang verblijf in het buitenland niet uit te sluiten dat de asielzoeker in een derde land een verblijfrechtelijk voordeel geniet of zelfs het staatsburgerschap daarvan, waardoor de noodzaak aan en het recht op subsidiaire bescherming zouden wegvallen. Verweerder herhaalt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich op basis van verzoekers eigen verklaringen geen beeld kon vormen van de nood aan subsidiaire bescherming. De weigering van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van de in het bestreden arrest onder het punt 2.10 aangehaalde motieven houdt bijgevolg geen schending van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in. De door de Raad voor Vreemdelingenzaken opgegeven motieven zijn duidelijk en ondubbelzinnig. Voor wat betreft verzoekers betoog dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming, benadrukt verweerder dat dit onderdeel van het middel erop gericht is de feitelijke appreciatie en de motivering van de bestreden beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te betwisten; dat uit het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de asielaanvraag heeft onderzocht, zowel vanuit het oogpunt van de vluchtelingenstatus als van het subsidiair beschermingsstatuut; dat het arrest op dit punt uitdrukkelijk werd gemotiveerd; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden. Het feit dat men het niet eens is met het bestreden arrest of dat de motivering niet overeenstemt met de stelling die men voor de feitenrechter had ingeroepen is geen reden tot cassatie. Het bestreden arrest is formeel met redenen omkleed. Het aangehaalde middel is ongegrond.”; XIV-31.218-5/7 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “IX.1. Volgens art. 1, par. A, al. 2 van het Vluchtelingenverdrag geldt als "vluchteling" elke persoon die "uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit. en die de bescherming van dat land niet kan of uil hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen". Bijgevolg is voor het beoordelen of een asielzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus niet de recente verblijfplaats doorslaggevend maar wel de nationaliteit. in dit geval dus Afghanistan. Enkel indien een vluchteling geen nationaliteit bezit, verwijst de definitie naar "het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had". - Inderdaad, in de hypothese dat de verzoeker ooit zou teruggeleid worden, dan is dit evident naar het land van zijn nationaliteit en niet naar het land waar hij gebeurlijk illegaal verbleef'. - Een andere uitleg aangeven zou manifest in gaan tegen de basisgedachte van het Vluchtelingenverdrag dat stelt dat de conventionele bescherming dient getoetst te worden aan het land waarvan hij de nationaliteit bezit. IX.2. Rekening houdend met het volledige beeld van de achtergrond en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de-situatie in zijn streek van herkomst in Afghanistan, evenals met de richtlijnen van UNFICR over Afghanistan, zou de verzoeker in aanmerking kunnen komen voor de subsidiaire beschermingsstatus.”; 2.4. Overwegende dat het enige middel uitsluitend gericht is tegen het gedeelte van het bestreden arrest waarbij subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; dat de verzoekende partij zich in de memorie van wederantwoord richt tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en zodoende in de memorie van wederantwoord een nieuw middel ontwikkelt; dat een nieuw middel enkel voor het eerst ontvankelijk kan worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord, wanneer het niet kon worden aangevoerd in het verzoekschrift omdat de nodige gegevens daartoe niet bekend waren of wanneer het een middel betreft dat de openbare orde raakt; dat dit in casu niet het geval is; dat dit onderdeel van het enig middel, zoals geformuleerd in de memorie van wederantwoord, niet- ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in haar enig middel aanvoert dat het bestreden arrest artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen schendt door te overwegen dat “de verzoeker het recht op subsidiaire bescherming kan worden ontzegd omdat hij zijn ‘recente afkomst’ niet aantoont”; dat in het bestreden arrest evenwel de subsidiaire bescherming wordt geweigerd omdat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus niet kan volstaan met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst, maar enig verband met zijn persoon aannemelijk moet XIV-31.218-6/7 maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; dat de verzoekende partij door haar beperkte kennis over haar beweerde regio van herkomst zelf het bewijs van dergelijk verband met haar persoon onmogelijk maakt; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op wettige wijze, en zonder voorwaarden aan artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet toe te voegen, kon besluiten dat het bijgevolg onmogelijk is een correct beeld te krijgen van de verblijfplaatsen en leefsituatie van de verzoekende partij de laatste jaren en bijgevolg ook van haar huidige nationaliteit en dat het derhalve ook niet mogelijk is een correct beeld te krijgen van een eventuele nood aan subsidiaire bescherming, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.218-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.487 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.