id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.562 Rolnummer: A. 79060/X-8241 Zaak: Arrest 202562 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-06 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:33 Fiche Arrest nr 202.562 van 30 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.562 van 30 maart 2010 in de zaak A. 79.060/X-
- In zake: de gemeente MERELBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dominique Matthys kantoor houdend te 9000 GENT Sint-Annaplein 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Godelieve PYCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 BRUSSEL Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 juni 1998, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 31 maart 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke ingesteld tegen het besluit van 24 april 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van Godelieve Pycke ingesteld tegen het besluit van 3 juli 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke (Schelderode) tot weigering van de vergunning voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Merelbeke, Grepstraat 77, kadastraal bekend sectie B, nr. 247/c-ex (lot 9), ingewilligd wordt. X-8241-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 79.758 van 2 april 1999 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 oktober
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Van Acker, die loco advocaat Dominique Matthys verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Yves Sacreas, die loco advocaat Jan Ghysels verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-8241-2/12 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 17 juni 1996 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke een aanvraag in voor het bouwen van een eengezinswoning aan de Grepstraat 77 te Merelbeke, kadastraal bekend sectie B, nr. 247/c-ex. Het betrokken perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in woonuitbreidingsgebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd plan van aanleg. Het perceel vormt lot 9 van een niet vervallen verkavelingsvergunning van 21 maart 1969 die werd afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen van de toenmalige gemeente Schelderode.
- Op 3 juli 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning met de volgende motivering: “- bij toepassing van art. 50 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, en zijn latere wijzigingen, waarvan de laatste paragraaf luidt als volgt : ‘De vergunning kan worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust’; - voor het lot 9 betrekking hebbende op deze bouwaanvraag dienen nog volgende nutsvoorzieningen en wegenwerken aangelegd te worden: electriciteit, openbare verlichting, kabeldistributie en riolering, met name : plaatsen betonbuizen, huisaansluitingen, huisaansluitputjes met deksel, plaatsen onderzoekschouwen, plaatsen gietijzeren deksels, plaatsen waterontvangers, aansluiten van de waterontvangers op de riool en ter plaatse storten van greppels; - de opgesomde nutsvoorzieningen zijn van elementair belang en de Grepstraat dient aldaar als onvoldoende uitgerust te worden beschouwd”.
- Op 24 april 1997 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het door de tussenkomende partij ingestelde administratief beroep in en verleent zij de gevraagde vergunning. De beslissing is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de verkaveling met de daarbij horende verkavelingsvoorschriften bindend zijn zowel voor de particulier als voor de overheid; X-8241-3/12 dat het ontwerp overeenkomt met de betrokken verkaveling; Overwegende dat het College van Burgemeester en Schepenen de bouwweigering baseerde op de onvoldoende uitrusting van de weg; dat echter op het ogenblik dat de betrokken verkaveling A. Pycke-Hofman werd goedgekeurd (21 maart 1969) de voorliggende Grepstraat reeds bestond en als uitgeruste weg werd beschouwd; dat de goedgekeurde verkaveling rechten heeft doen ontstaan ten gunste van de verkavelaar(s); dat in de onmiddellijke omgeving een dichte bebouwing van alleenstaande woningen voorkomt; dat om deze reden het beroep vatbaar is voor inwilliging”.
- Op 31 maart 1998 verwerpt de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening het door de verzoekende partij ingestelde administratief beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie. Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, gelegen is in het woonuitbreidingsgebied; dat er voor de deelgemeente Schelderode tevens een algemeen plan van aanleg bestaat van 5 december 1963; dat de aanvraag het lot 9 betreft van een op 21 maart 1969 goedgekeurde verkaveling van 15 loten, waarbij lot 7 uit de verkaveling werd gesloten; dat volgens de voorschriften van deze verkaveling de bepalingen van het algemeen plan van aanleg ermee worden aangevuld; dat de verkaveling niet vervallen is aangezien minstens 1/3 van de loten binnen de 5 jaar werd verkocht, met name de loten 11 tot en met 15, en het hier een verkaveling betreft die geen aanleg van nieuwe verkeerswegen, noch tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentewegen omvat; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen de vergunning heeft geweigerd omdat de aanvraag aan een onvoldoende uitgeruste weg zou liggen; dat de bestendige deputatie echter geoordeeld heeft dat het ontwerp overeenkomt met de betrokken verkaveling, dat op het ogenblik dat de verkaveling werd goedgekeurd de voorliggende Grepstraat reeds bestond en als uitgeruste weg werd beschouwd, en dat de goedgekeurde verkaveling rechten heeft doen ontstaan ten gunste van de verkavelaar(s); Overwegende dat het ontwerp niet strijdt met de bindende voorschriften van de verkaveling; dat het weigeringsmotief van het college van burgemeester en schepenen trouwens enkel gebaseerd is op artikel 48 van het gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening, met name op de beoordeling van de uitrusting van de weg; dat er in dit verband dient op gewezen dat in de verkavelingsvoorschriften gesteld wordt dat al de straten ervan zijn uitgerust met electriciteit en zoomgrachten voor afvoer van overtollige regenwaters, en dat de Grepstraat is uitgerust met een rijwegvlak in monolietbeton op 6 m breedte; dat het college van burgemeester en schepenen van de toenmalige gemeente Schelderode op 21 maart 1969 een voorwaardelijke vergunning heeft verleend voor deze verkaveling; dat in de toen gestelde voorwaarden geen bijkomende voorwaarden voor de eventuele verdere uitrusting van de wegen werd opgelegd; dat derhalve mag aangenomen worden dat het toenmalige college van burgemeester en schepenen de mening was toegedaan dat de Grepstraat voldoende was uitgerust voor woningbouw; X-8241-4/12 Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van Merelbeke beroep heeft ingesteld tegen de inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie en daarbij onder meer de volgende argumenten heeft ontwikkeld: . De verkavelingsvergunning werd in 1969 afgeleverd zonder verplichting tot het uitvoeren van infrastructuurwerken, wat thans niet meer zou kunnen; . Het bestaan van een verkavelingsvergunning betekent nog niet dat onvoorwaardelijk kan worden gebouwd, gelet op artikel 48 van het coördinatiedecreet, en de onvoldoende uitrusting van de Grepstraat; . De bewering van de aanvrager dat de weg voldoende is uitgerust gebaseerd is op verouderde rechtsleer en rechtspraak, omdat het in 1996 onvoorstelbaar is dat een duurzame verharding en electriciteitsbedeling zou volstaan om een bouwvergunning te bekomen; . In de Grepstraat is er ter hoogte van de verkaveling geen openbare verlichting, geen electriciteit en geen riolering aanwezig; . Om uit de impasse te geraken heeft het college van burgemeester en schepenen aan de verkavelaars voorgesteld de ontbrekende nutsvoorzieningen en rioleringswerken, voor een geraamde kostprijs van 1.512.612 fr., ten hare laste te nemen ofwel ten laste te leggen van de kopers van de betrokken kavels; . Omwille van het algemeen belang kan op grond van artikel 48 geen bouwvergunning worden toegekend voor geen enkel lot, omwille van het ontbreken van de noodzakelijke nutsvoorzieningen en rioleringswerken; . Het beoordelen van de noodzaak of opportuniteit van dergelijke werken is een beleidsbeslissing van het actief bestuur en het college van burgemeester en schepenen wens niet af te stappen van haar consequent doorgevoerde stedenbouwkundige politiek; Overwegende dat de aanvrager daar tegenover gesteld heeft dat uit de samenlezing van de verkavelingsaanvraag met de verkavelingsvergunning en het algemeen plan van aanleg volgt dat de overheid de Grepstraat steeds als een voldoende uitgeruste weg beschouwd heeft; dat de aanvrager tevens een uitgebreide argumentatie en fotoreportage heeft opgesteld om aan te tonen dat de weg in de praktijk alleszins meer dan voldoende uitgerust is; Overwegende dat uit de dossiergegevens duidelijk blijkt dat links en rechts van de aanvraag, en verder in de Grepstraat vrij recent nog een aantal woningen zijn gebouwd; dat uit de foto’s ook blijkt dat de straat wel degelijk als voldoende uitgerust overkomt, in vergelijking met de andere woonstraten in deze landelijke deelgemeente van Merelbeke; dat op basis van alle beschikbare gegevens met voldoende redelijkheid mag worden aangenomen dat de uitrusting van de Grepstraat zodanig is dat woningbouw er, indien uiteraard voldaan is aan alle andere stedenbouwkundige voorwaarden, kan worden toegestaan; Overwegende dat in het voormelde artikel 48 is gesteld dat een bouwvergunning kan worden geweigerd indien de grond gelegen is aan een onvoldoende uitgeruste weg; dat hier de vraag dient gesteld of in het kader van artikel 44 van het decreet een bouwvergunning nog wel met toepassing van artikel 48 geweigerd mag worden op grond van het feit dat de kavel gelegen kon zijn aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust; dat, aangezien het hoofddoel van de verkavelingsvergunning is om de verwervers van de kavels de garantie te geven dat hun kavel bestemd is voor de bouw van een woning en dat ze er die bestemming kunnen realiseren als ze de voorschriften van de verkavelingsvergunning respecteren, kan gesteld worden dat de vraag naar de voldoende uitrusting van de weg in se niet meer mag gesteld worden bij de beoordeling van de bouwaanvraag; dat deze kwestie inderdaad enkel diende beoordeeld te worden ter gelegenheid van de aflevering van de verkavelingsvergunning; dat de bevoegde overheid immers ook de X-8241-5/12 uitrusting van een bestaande weg als last aan de afgifte van een verkavelingsvergunning kan verbinden, zelfs indien die weg niet gelegen is binnen de verkaveling, voor zover tenminste die uitrusting in rechtstreeks en proportioneel verband staat met de noden van de verkaveling; dat dit blijkt uit het arrest van de Raad van State (...); dat de Raad van State (...) duidelijk stelde dat de lacunes van de verkavelingsvergunning niet kunnen worden goedgemaakt ter gelegenheid van de aflevering van de bouwvergunning; dat dit slechts kan door de oplegging van nieuwe lasten via een herziening van de verkavelingsvergunning overeenkomstig de bepalingen van artikel 41 van het decreet, namelijk door de opmaak van een bijzonder plan van aanleg; dat ook in het kader van het bij de beoordeling van de bouwaanvraag wel nog door te voeren summier onderzoek naar de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening in se niet kan onderzocht worden of de kavel wel gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg; dat de Raad van State (...) immers stelde dat noch het bestaan van nutsvoorzieningen, noch de overdracht van grond nodig voor de verbreding van de weg, elementen zijn van goede plaatselijke ordening; Overwegende dat, zoals hoger reeds is gesteld, in huidig geval de verkavelingsvergunning niet werd geweigerd en dat er evenmin voorwaarden werden opgelegd ter uitvoering van dergelijke lasten; dat de toenmalige vergunningverlenende overheid er dus van uitging dat de weg voldoende was uitgerust; dat bij de beoordeling van de uitrusting van de wegen moet rekening worden gehouden met de toestand ter plaatse, en dat het begrip ‘uitgeruste weg’ een materieel verschillende inhoud heeft naargelang men zich in een landelijk gebied bevindt of in een verstedelijkte woonkern; dat er toch kan van worden uitgegaan dat als minimum uitrusting van een weg een duurzame verharding en een (elektriciteitsbedeling) moet worden voorzien; dat dergelijke uitrusting bestond en er bijgevolg geen redenen zijn om te veronderstellen dat het toenmalige college van burgemeester en schepenen van Schelderode een verkeerde beoordeling van het verkavelingsvoorstel zou hebben gemaakt; Overwegende dat, zoals hogerstaand is gesteld, de behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling bepaalde rechten doet ontstaan ten opzichte van kandidaat-bouwers; dat kwestieuze bouwaanvraag in overeenstemming is met de verkavelingsvoorschriften; dat uit het bovenstaande blijkt dat de weg voldoende uitgerust is; dat het bouwvoorstel zich integreert in de bestaande bebouwde omgeving en derhalve de goede plaatselijke aanleg niet in het gedrang brengt”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de excepties
- De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring omdat in het verzoekschrift de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening werd aangeduid als verwerende partij, veeleer dan de minister-president van de Vlaamse regering. Tevens stelt zij dat het verzoek tot voorzetting van de procedure na de verwerping van de vordering tot schorsing niet rechtsgeldig is, omdat geen machtiging van de gemeenteraad en geen beslissing van het college van burgemeester en schepenen voorligt voor wat betreft het verzoek tot voortzetting. X-8241-6/12 Ten slotte stelt de tussenkomende partij dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep omdat zij al eerder heeft ingestemd met de verkavelingsvergunning. Die verkavelingsvergunning heeft verworven rechten gecreëerd, onder meer voor wat betreft de vaststelling dat een uitgeruste weg aanwezig is en dat bouwen mogelijk is. Beoordeling
- Voor wat betreft de vermelding van de verwerende partij laat het verzoekschrift er geen twijfel over bestaan wie de auteur is van het bestreden besluit en wie de verwerende partij is. Een gebeurlijke onnauwkeurige aanduiding van het orgaan dat de verwerende partij in rechte vertegenwoordigt, brengt niet de onontvankelijkheid van het verzoekschrift met zich mee. De beslissing van de gemeenteraad van 16 juni 1998 waarmee het college van burgemeester en schepenen werd gemachtigd om een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het bestreden besluit, moet zo worden begrepen dat het ook de machtiging inhoudt om na een verwerping van de vordering tot schorsing de voortzetting van de procedure te vragen, teneinde het beroep tot nietigverklaring te kunnen voortzetten. Om dezelfde reden vergt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 13 mei 1998 om in rechte te treden geen bijkomende beslissing om het reeds krachtens die beslissing ingestelde beroep tot nietigverklaring voort te zetten na de verwerping van de vordering tot schorsing. Met het bestreden besluit heeft de bevoegde minister het beroep verworpen dat de gemeente had ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend. Die beslissing gaat in tegen het beleid van de verzoekende partij om enkel de bouw van woningen toe te laten aan voldoende uitgeruste wegen. In die omstandigheden heeft zij dan ook een belang bij de afloop van het huidig geding dat op de ordening van haar grondgebied betrekking heeft. De argumentatie met betrekking tot de verkavelingsvergunning die op 21 maart 1969 werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de toenmalige gemeente Schelderode betreft de grond van de zaak en doet alleszins geen afbreuk aan het zo-even vastgestelde belang van de verzoekende partij. De excepties zijn niet gegrond. X-8241-7/12 V. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij stelt dat ze in haar beroepschrift argumenteerde dat in de Grepstraat ter hoogte van de verkaveling geen elektriciteit, geen openbare verlichting en geen riolering aanwezig zijn. De antwoorden die in het bestreden besluit worden gegeven op dit ontbreken van openbare nutsvoorzieningen en van riolering zijn niet concreet en zijn evenmin getoetst aan de situatie ter plaatse. De stelling dat er links en rechts van het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft en verder in de Grepstraat vrij recent nog woningen zijn gebouwd is niet concreet en kan in elk geval niet slaan op loten die deel uitmaken van de betrokken verkaveling. De verzoekende partij heeft duidelijk vermeld welke nutsvoorzieningen nog moeten worden aangelegd en welke wegenwerken nog moeten gebeuren. In het bestreden besluit wordt uit de foto’s van de aanvrager opgemaakt dat de straat voldoende is uitgerust in vergelijking met de andere woonstraten in de betrokken deelgemeente, terwijl het uitgeruste karakter van een weg niet uit foto’s kan worden afgeleid en het aanpalende centrum van Schelderode een volwaardige woonzone is met rijwoningen. De andere overwegingen in het bestreden besluit betreffen loutere deducties uit de verkavelingsvergunning van 21 maart 1969, die dan nog niet eens de verplichting inhield om infrastructuurwerken uit te voeren. Het bestreden besluit beoordeelt de aanvraag op het tijdstip van de aflevering van de verkavelingsvergunning, omdat het er van uitgaat dat de weg op dat moment voldoende is uitgerust, terwijl de beoordeling van de bouwaanvraag moet gebeuren aan de hand van de concrete plaatselijke gegevens op het tijdstip van de bouwaanvraag. X-8241-8/12 Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die rechtsgevolgen beogen voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft de motiveringswet een wet van suppletoire aard is. Artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet legt aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet.
- Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat het administratief beroep van de verzoekende partij niet wordt ingewilligd om drie redenen. Ten eerste wordt geoordeeld dat het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft, wel degelijk gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg. Ten tweede wordt gesteld dat, eens een verkavelingsvergunning werd verleend en er bij de beoordeling van die verkavelingsaanvraag was vastgesteld dat de weg voldoende was uitgerust, die bevinding niet meer in vraag kan worden gesteld bij een latere bouwaanvraag. Ten slotte wordt overwogen dat de bouwaanvraag strookt met de verkavelingsvoorschriften, dat de aanvraag verenigbaar is met de bestaande bebouwde omgeving en de goede plaatselijke ordening niet in het gedrang brengt. Voor wat het eerste motief betreft verwijst het bestreden besluit in hoofdzaak naar de omstandige argumentatie en fotoreportage van de aanvrager om te besluiten dat op basis van alle beschikbare gegevens met voldoende redelijkheid mag worden aangenomen dat de uitrusting van de Grepstraat van die aard is dat woningbouw er kan worden toegestaan. Deze conclusie steunt mede op de vaststelling dat er verder in de Grepstraat nog een aantal woningen zijn gebouwd en op een vergelijking met andere woonstraten in de betrokken deelgemeente. Alleszins kan niet worden voorgehouden dat deze conclusie enkel gebaseerd zou X-8241-9/12 zijn op “deducties” uit de verkavelingsvergunning van 21 maart 1969, zoals de verzoekende partij stelt. Nog afgezien van het feit dat de vergunningverlenende overheid in het kader van een administratieve beroepsprocedure niet op elk element in het beroepschrift van de verzoekende partij moet antwoorden, blijkt uit deze motivering op voldoende concrete en afdoende wijze om welke redenen de vergunningverlenende overheid heeft geoordeeld dat de Grepstraat ter hoogte van het perceel van de bouwaanvraag als voldoende uitgerust beschouwd mag worden. Evenmin wordt aangetoond dat deze beoordeling kennelijk onredelijk is. Het tweede middel is niet gegrond. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 48 van het gecoördineerde decreet. De verzoekende partij betoogt dat de aangehaalde decretale bepaling het mogelijk maakt om de vergunning te weigeren indien de aangrenzende weg onvoldoende uitgerust is. In het bestreden besluit wordt gesteld dat het voldoende uitgerust karakter van de weg enkel moest worden beoordeeld bij de aflevering van de verkavelingsvergunning. Hierdoor wordt de draagwijdte van de aangehaalde decretale bepaling miskend. De vergunningverlenende overheid kan de uitrusting van een bestaande weg als voorwaarde aan een verkavelingsvergunning verbinden, maar dit is geen verplichting en maakt de draagwijdte en de toepasbaarheid van de aangehaalde decretale bepaling voor latere bouwaanvragen nog niet ongedaan. Dit houdt in dat de vergunningverlenende overheid in concreto aan de hand van de plaatselijke toestand zal moeten onderzoeken of voldaan is aan de eis van een voldoende uitgeruste weg en het bestaan van een verkavelingsvergunning kan een weigering op grond van de aangehaalde decretale bepaling niet in de weg staan indien er concrete elementen bestaan met betrekking tot het onvoldoende uitgerust karakter van een weg. Het feit dat die kwestie bij de beoordeling van een verkavelingsaanvraag werd onderzocht, betekent niet dat er een onbegrensd recht ontstaat waarbij de vergunningverlenende overheid die kwestie niet meer zou mogen beoordelen. X-8241-10/12 Beoordeling
- De verzoekende partij heeft in haar beroepschrift, dat heeft geleid tot het bestreden besluit, uiteengezet dat het bestaan van een geldige verkavelingsvergunning nog niet betekent dat op de betrokken kavels onvoorwaardelijk mag worden gebouwd. Haar argumentatie, die ze thans herneemt in dit middel, komt er op neer dat de bouwaanvraag niet kon worden ingewilligd louter op grond van het bestaan van een geldige verkavelingsvergunning, waarin in het verleden reeds werd geoordeeld over het voldoende uitgeruste karakter van de weg. Deze argumentatie wordt evenwel door de verzoekende partij niet ontwikkeld als een betwisting van de wettigheid van de verkavelingsvergunning van 21 maart
- In het bestreden besluit wordt vooreerst, zoals reeds bleek bij de beoordeling van het tweede middel, vastgesteld dat de Grepstraat ter hoogte van het perceel van de bouwaanvraag op het tijdstip waarop het bestreden besluit werd genomen, als voldoende uitgerust beschouwd mag worden. Vervolgens wordt ingegaan op de argumentatie van de verzoekende partij en wordt gesteld dat “de toenmalige vergunningverlenende overheid er dus van uitging dat de weg voldoende was uitgerust” en dat er “geen redenen zijn om te veronderstellen dat het toenmalige college van burgemeester en schepenen van Schelderode een verkeerde beoordeling van het verkavelingsvoorstel zou hebben gemaakt”. Het bestreden besluit combineert deze vaststelling over het historische voldoende uitgeruste karakter van de weg met de in het tweede middel besproken vaststelling over het actuele voldoende uitgeruste karakter van de weg, om te besluiten dat de aanvraag voor vergunning vatbaar is. Aangezien het bestreden besluit bijgevolg niet steunt op de enkele vaststelling dat de weg in het verleden voldoende was uitgerust en alleszins steunt op de vaststelling over het actuele voldoende uitgeruste karakter van de weg, gaat het middel uit van een verkeerde lezing van het bestreden besluit. Het eerste middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 347,06 euro. X-8241-11/12 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 247,90 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-8241-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.562 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.79.758 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div