← België

Arrest 202611 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 30/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.611 Rolnummer: A. 194869/XII-6058 Zaak: Arrest 202611 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 30/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:33 Fiche Arrest nr 202.611 van 30 maart 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 202.611 van 30 maart 2010 in de zaak A. 194.869/XII-6058 In zake: Danny PRIEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Claude Van Marcke en Vallery Declercq kantoor houdend te Anzegem Kerkstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GISTEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Jan Beleyn kantoor houdend te Kortrijk President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 10 december 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “een beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Gistel dd. 27.10.09 waarin beslist wordt dat aan verzoeker een plaats wordt toegewezen op het tweede gedeelte van de markt, naast het bestaande kippenkraam van Birger Vanhecke en waarbij de door verzoeker overgenomen standplaats van Mevrouw Latruwe wordt toegekend aan marktkramer Wim Brackez”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Patricia De Somere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart
  3. XII-6058-1\5 Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Vallery Declercq, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jan Beleyn, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Patricia De Somere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Met een brief van 19 september 2009 deelt verzoeker, die een kippenkraam uitbaat, aan verwerende partij mee dat hij met G. Latruwe overeenkwam haar abonnementsplaats op de wekelijkse markt over te nemen. Geantwoord wordt op 28 september 2009 dat gezien de overnemer een andere activiteit uitoefent dan de voorganger, de overname pas definitief is na controle door het college van burgemeester en schepenen. Met een eerste besluit van 27 oktober 2009 beslist het college van burgemeester en schepenen om aan verzoeker de abonnementsplaats van G. Latruwe toe te kennen voor een kippenkraam. Met een tweede besluit van 27 oktober 2009 -voorwerp van de voorliggende vordering- wordt hem een plaats toegewezen op het tweede gedeelte van de markt, naast het bestaande kippenkraam van B. Vanhecke (artikel 1). De plaats die G. Latruwe bezette op het eerste gedeelte van de markt, wordt toegewezen aan W. Brackez (artikel 2). IV. Rechtsmacht van de Raad van State
  6. Naar de mening van verwerende partij laat verzoeker verstaan een subjectief recht te kunnen doen gelden op de standplaats die G. Latruwe innam en waagt hij zich aldus aan een discussie “die hij, conform de artikel[en] 144-145B G.W. enkel voor de gewone hoven en rechtbanken kan voeren”. XII-6058-2\5
  7. De exceptie wordt in het auditoraatsverslag als volgt besproken: “Niet de beweringen van de verzoekende partij doch het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het geschil zijn bepalend voor de rechtsmacht van de Raad van State. De verwerende partij heeft beslist om, in toepassing van haar marktreglement, een standplaats toe te wijzen aan verzoeker op het tweede gedeelte van de markt, en de door verzoeker ingenomen standplaats op het eerste gedeelte van de markt toe te wijzen aan een derde. De verwerende partij heeft gebruik gemaakt van een wettelijk toegekende bevoegdheid en daar staat geen verplichting tegenover die verzoeker, als een recht in zijner hoofde, kan afdwingen. De Raad van State is bevoegd om de wettigheid van dergelijk besluit te onderzoeken”. De Raad van State valt die zienswijze voorlopig bij; de exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de vordering
  8. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  9. Met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde zet verzoeker uiteen: “Door de bestreden beslissing kan verzoeker zijn standplaats niet innemen op het eerste gedeelte van de wekelijkse markt, hetgeen niet alleen een ernstig financieel verlies inhoudt, maar vooral een zeer aanzienlijk commercieel verlies. Zoals in het P.V. van vaststelling dd. 09.11.2009 werd vastgesteld door gerechtsdeurwaarder Desmet uit Oostende is er duidelijk minder passage op het tweede gedeelte van de markt. De marktbezoekers dienen eerst het bestaande kippenkraam van de heer Birger Vanhecke te passeren, alvorens zij bij het kraam van verzoeker komen. Hierdoor zal verzoeker dan ook een substantieel aantal cliënteel verliezen aan het bestaande kippenkraam van de heer Birger Vanhecke. Verzoekende partij zal intussen ook maar weinig nieuw cliënteel aanwerven. Immers de bestaande marktbezoekers kennen het bestaande kippenkraam van de heer Birger Vanhecke en zullen eerder geneigd zijn bij het door hun gekende kraam aan te kopen. Het dient bovendien benadrukt dat de maandagmarkt te Gistel de enige markt is die verzoekende partij op maandag aandoet, zodat de opbrengst van deze markt een uiterst belangrijk aandeel in de handel van verzoekende partij vertegenwoordigt”. XII-6058-3\5
  10. Verzoeker stond voorheen niet op de (maandag)markt te Gistel; hij had op maandag, naar hij ter terechtzitting verklaart, overigens ook nergens elders een vaste standplaats. Door hem een plaats op het tweede gedeelte van de markt toe te wijzen, naast het kippenkraam van B. Vanhecke, lijkt verwerende partij hem dan ook niet iets te doen “verliezen” wat hij al had - noch financieel, noch commercieel. Ten gevolge van de bestreden beslissing krijgt verzoeker een standplaats naast de enige andere uitbater van een kippenkraam op de markt. Alvast uit de foto die verzoeker met betrekking tot hun kramen zelf bijbrengt (zijn stuk 8, foto 1) kan niet worden opgemaakt dat zijn standplaats minderwaardig zou zijn in vergelijking met deze van de concurrent. De suggestie dat marktbezoekers verzoekers kraam niet of amper zullen opmerken, is op het eerste gezicht niet meer dan een loze bewering. Veeleer dient de bedenking van verwerende partij te worden bijgevallen “dat doordat hij nu naast het bestaande kippenkraam komt cliënten beter zullen kunnen vergelijken en, zulks hangt natuurlijk af van het marktspel van vraag en aanbod, mogelijks voor verzoeker zullen kiezen”. Voor het overige is vast te stellen dat verzoeker geen enkele concrete en verifieerbare informatie verschaft omtrent de meeropbrengst die hij redelijkerwijze mocht hebben verwacht in geval van een standplaats op het eerste gedeelte van de markt, laat staan nog over hoe groot dan wel het beweerde “uiterst belangrijk aandeel” van de opbrengst van deze markt in zijn totale handel is.
  11. Uit een en ander volgt dat de Raad van State er niet toe kan komen het nadeel dat verzoeker beweert ten gevolge van de bestreden beslissing te lijden, als ernstig te beschouwen. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan alvast één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XII-6058-4\5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 maart 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust XII-6058-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.611 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.