id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.672 Rolnummer: A. 190950/XIV-30802 Zaak: Arrest 202672 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 31/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-15 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:33 Fiche Arrest nr 202.672 van 31 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.672 van 31 maart 2010 in de zaak A. 190.950/XIV-30.
- In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59 B tegen : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, op 31 december 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 19.745 van 28 november 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3833 van 13 januari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2009; XIV-30.802-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid en van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 22 augustus 2007 via de burgemeester van de stad Antwerpen een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9 bis (in het bestreden arrest wordt verkeerdelijk naar het oude artikel 9, derde lid verwezen) van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken op 1 juli 2008 een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 31 juli 2008 een beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 1 juli 2008 indient; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die beslissing met een arrest van 28 november 2008 vernietigt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet en van de jurisdictionele motiveringsplicht en het recht van verdediging als algemene rechtsbeginselen opwerpt; dat zij in een eerste onderdeel aanvoert dat de motivering van het bestreden arrest manifest onvoldoende is omdat er helemaal niet uit blijkt om welke redenen de huidige verwerende partij volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “met haar betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten verzoekster bevel om het grondgebied te verlaten af te geven”, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel het principe aangeeft dat een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, (oud) van de Vreemdelingenwet geen schorsende XIV-30.802-2/6 werking heeft doch niet aangeeft waarom het bevel om het grondgebied te verlaten kennelijk onredelijk zou zijn, dat in het bestreden arrest slechts zeer summier naar een deel van het verweer van de huidige verzoekende partij wordt verwezen, dat uit die zeer summiere motieven allerminst blijkt waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten van 1 juli 2008 heeft vernietigd, dat de concrete redenen waarom die oorspronkelijke beslissing kennelijk onredelijk zou zijn, niet worden vermeld, dat de verzoekende partij aldus geen afdoende verweer kan voeren en de Raad van State evenmin zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen, dat niet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze wordt vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen precies zijn beslissing steunt en dat de aangehaalde bepalingen en beginselen aldus worden geschonden; dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel aanvoert dat de motivering van het bestreden arrest behalve gebrekkig ook foutief is, dat het oorspronkelijk bestreden bevel op 1 juli 2008 werd gegeven, dat de minister van Migratie- en Asielbeleid toen geen kennis van een aanvraag om machtiging tot verblijf had, dat, naar aanleiding van opmerkingen van de huidige verwerende partij in haar verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, is gebleken dat die aanvraag op 22 augustus 2007 via de stad Antwerpen was ingediend doch slechts op 12 augustus 2008 aan de gemachtigde van de minister werd overgemaakt, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorbijgaat aan het verweer van de huidige verzoekende partij dat de aanvraag van de huidige verwerende partij zich niet in het administratieve dossier bevond, zodat de huidige verzoekende partij er redelijkerwijze ook geen beslissing in kon nemen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest kennelijk meent dat de minister rekening moest houden met een aanvraag waarover hij niet beschikte, dat dit des te vreemder is daar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het arrest nr. 16.240 van 23 september 2008 heeft overwogen dat de regelmatigheid van een administratieve beslissing moet worden beoordeeld in functie van de gegevens waarover het bestuur ten tijde van het nemen van die beslissing kon beschikken, dat de Raad van State dit standpunt ook huldigt en dat, naast de jurisdictionele motiveringsplicht, aldus ook de rechten van verdediging op flagrante wijze worden geschonden; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, wat betreft het eerste onderdeel, stelt dat in het bestreden arrest uitdrukkelijk naar de memories en de opmerkingen ter terechtzitting wordt verwezen, dat de huidige verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf slechts summier is ingegaan op het ten tijde van het bestreden bevel geen kennis hebben van de aanvraag om machtiging tot verblijf, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet verplicht is om op iedere alinea van het gevoerde verweer in te gaan en dat helemaal geen effectieve schending van de rechten van XIV-30.802-3/6 verdediging wordt aangetoond; dat de verwerende partij wat betreft het tweede onderdeel nalaat aan te duiden welke wetsbepalingen door de voorgehouden foutieve motivering zouden zijn geschonden, dat, in ondergeschikte orde, een met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet bij de burgemeester ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf moet worden beschouwd als bij de minister zelf te zijn ingediend, dat de huidige verzoekende partij zich wat dat betreft dus niet op onwetendheid kan beroepen, dat de verzoekende partij perfect de instructie aan haar gemachtigden, de burgemeesters, kan geven om iedere aanvraag onmiddellijk ter informatie over te maken, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest uitdrukkelijk stelt dat de huidige verzoekende partij de in de aanvraag om machtiging tot verblijf aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft beoordeeld, dat dus niet kan worden nagegaan of de gedwongen terugkeer naar het land van herkomst niet betekent dat de in de aanvraag om machtiging tot verblijf aangehaalde buitengewone omstandigheden niet worden miskend, dat de handelwijze van de huidige verzoekende partij onredelijk is omdat aldus iedereen van het grondgebied kan worden verwijderd na een aanvraag om machtiging tot verblijf zonder de in die aanvraag aangevoerde omstandigheden te onderzoeken, dat de verzoekende partij zich schaamteloos achter haar eigen tekortkomingen verschuilt, met name het geen kennis hebben van een aanvraag die bij haar werd ingediend en dat het arrest waarnaar wordt verwezen op een totaal andere situatie betrekking heeft; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt en toevoegt dat zij zowel in de omzendbrief van 21 juni 2007 als in de eerdere omzendbrieven van 15 december 1998 en 19 februari 2003 als instructie heeft gegeven dat de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene binnen de 10 dagen moet worden gecontroleerd en dat de aanvraag samen met het controlerapport “onverwijld” naar de dienst Vreemdelingenzaken moet worden gestuurd indien de betrokkene effectief in de gemeente verblijft; 2.
- Overwegende dat de huidige verwerende partij, oorspronkelijk verzoekende partij, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet had opgeworpen; dat zij had aangevoerd dat zij op 22 augustus 2007 een aanvraag om machtiging tot verblijf via de burgemeester van haar woonplaats had ingediend, dat daarover op de datum van het bestreden bevel nog geen uitspraak was gedaan, dat bij dergelijke aanvraag eerst uitspraak over de aangevoerde buitengewone omstandigheden moet worden gedaan alvorens een XIV-30.802-4/6 verwijderingsmaatregel te nemen en dat volgens vaststaande rechtspraak dus geen bevel kan worden gegeven zolang er nog een aanvraag tot regularisatie in onderzoek is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest overweegt dat het niet relevant is waarom de op 22 augustus 2008 (lees: 2007) ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf door de stad Antwerpen niet aan de dienst Vreemdelingenzaken was overgemaakt, dat het immers niet betwist is dat die aanvraag was ingediend doch op het ogenblik van het kwestieuze bevel van 1 juli 2008 nog niet was behandeld, dat de huidige verwerende partij met die aanvraag buitengewone omstandigheden wilde aantonen om het indienen ervan in België i.p.v. via de normale in artikel 9, tweede lid, (oud) van de Vreemdelingenwet voorziene weg te rechtvaardigen, dat het bevel dus is gegeven zonder te hebben geoordeeld of de huidige verwerende partij buitengewone omstandigheden had aangevoerd die het indienen van haar aanvraag om machtiging tot verblijf in het land van herkomst zouden verhinderen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest besluit dat, hoewel het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet geen schorsende werking heeft, de huidige verwerende partij met haar betoog dat “Alvorens een verwijderingsmaatregel te nemen de bevoegde Minister uitspraak (dient) te doen over de verblijfsvergunning die werd aangevraagd voor meer dan drie maanden nadat een uiteenzetting werd gegeven van de buitengewone omstandigheden die rechtvaardigen dat die aanvraag wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente van de betrokkene” aannemelijk maakt dat de verwerende partij op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten een bevel om het grondgebied te verlaten te geven; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de voormelde motivering in het bestreden arrest wel aangeeft dat hij de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten kennelijk onredelijk acht, doch dat hij niet naar behoren aangeeft waarom dat zo is; dat in het bestreden arrest immers uitdrukkelijk wordt overwogen dat een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid (lees: artikel 9 bis), van de Vreemdelingenwet geen schorsende werking heeft; dat uit de motivering niet valt af te leiden waarom het dan in concreto toch kennelijk onredelijk zou zijn om de behandeling van die aanvraag niet af te wachten; dat het middel voor wat betreft de aangevoerde schending van de jurisdictionele motiveringsplicht, zoals vastgelegd in artikel 149 van de Grondwet en in artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet gegrond is, XIV-30.802-5/6 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het arrest nr. 19.745 van 28 november 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig maart tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.802-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.