← België

Arrest 202699 - Monumenten en Landschappen - 01/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.699 Rolnummer: A. 161584/VII-37439 Zaak: Arrest 202699 - Monumenten en Landschappen - 01/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:34 Fiche Arrest nr 202.699 van 1 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.699 van 1 april 2010 in de zaak A. 161.584/VII-37.

  1. In zake:
  2. Jean LACQUET
  3. Ann VANDERFAEILLIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Deloffer kantoor houdend te Alken Hoogsimsestraat 49 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te Antwerpen Grotehondstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 7 april 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 29 december 2004 in zoverre daarbij de landelijke omgeving van de vakwerkhoeves, gelegen aan de Grootstraat 102 en 114 te Alken, als dorpsgezicht beschermd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. VII-37.439-1/9 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 februari
  6. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Eyskens, die loco advocaat Frank Deloffer verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Helen Van Nijverseel, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De verzoekende partijen zijn eigenaar van het perceel kadastraal bekend Alken, 2e afdeling, sectie E, nummer 663G, waarvan een deel onder de bescherming van het bestreden besluit valt. 3.
  9. Op 28 mei 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om onder meer een deel van voornoemd perceel nr. 663G als onderdeel van een dorpsgezicht op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brief van 1 augustus 2003 naar de verzoekende partijen en de betrokken besturen verstuurd. 3.
  10. Op 25 augustus 2003 dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. VII-37.439-2/9 3.
  11. Bij ministerieel besluit van 11 juni 2004 wordt de geldigheidsduur van voornoemd voorlopig beschermingsbesluit van 28 mei 2003 verlengd met een termijn van zes maanden. Dit verlengingsbesluit wordt op 28 juli 2004 aan de verzoekende partijen betekend. 3.
  12. Het bezwaar van de verzoekende partijen wordt door de afdeling Monumenten en Landschappen besproken in haar verslag. 3.
  13. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 7 oktober 2004 advies. 3.
  14. Op 29 december 2004 beslist de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening de landelijke omgeving van de vakwerkhoeves, gelegen aan de Grootstraat 102 en 114 te Alken, bekend ten kadaster Alken, 2e afdeling, sectie E, perceel nrs. 663G(deel), 671B(deel), 671C, 699M, 701H, 707L(deel), 707M, 709C, 711E als dorpsgezicht te beschermen wegens de historische, socio-culturele en volkskundige waarde. Dit besluit wordt op 10 februari 2005 aangetekend naar de verzoekende partijen verstuurd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  15. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna : decreet van 3 maart 1976), doordat geen melding gemaakt wordt van een gemotiveerde beslissing van de regering waarbij de termijn overeenkomstig artikel 5, § 7, van het decreet van 3 maart 1976 verlengd wordt en dat het bestreden besluit niet binnen de in voornoemd artikel 5, § 7, voorgeschreven termijn onderschreven is, zodat het bestreden besluit nietig is.
  16. De verwerende partij antwoordt dat overeenkomstig artikel 5, § 7, van het decreet van 3 maart 1976 de uitwerkselen van het voorlopig bescher- mingsbesluit van toepassing zijn vanaf de betekening die te dezen heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2003, dat bij ministerieel besluit van 11 juni 2004 de geldigheidsduur van het voorlopig beschermingsbesluit met zes maanden verlengd VII-37.439-3/9 is, dat dit verlengingsbesluit eveneens betekend is op 28 juli 2004 en dat het bestreden besluit op 29 december 2004 genomen is. Uit dit feitelijk overzicht blijkt volgens de verwerende partij dat de wettelijk voorziene termijnen gerespecteerd zijn en dat het middel gebaseerd is op een foutieve interpretatie van de procedure.
  17. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat niet ontkend wordt dat de melding van het verlengingsbesluit niet in het bestreden besluit is opgenomen, wat volgens hen een essentieel element is in de totstandkoming ervan en de wettigheid van het bestreden besluit aantast. Beoordeling
  18. Uit het administratief dossier blijkt dat op 11 juni 2004 een verlengingsbesluit is genomen en dat dit verlengingsbesluit ook aan de verzoekende partijen is ter kennis gebracht. Een middel opgebouwd vanuit de stelling dat geen verlengingsbesluit voorligt, gaat bijgevolg van een verkeerde premisse uit en mist feitelijke grondslag. Het niet-vermelden van het verlengingsbesluit in de aanhef van het bestreden besluit tast de wettigheid van het bestreden besluit niet aan. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  19. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van de artikelen 7, 8 en 9 van het decreet van 3 maart
  20. Zij stellen dat in het bestreden besluit geen beperkingen van het eigendomsrecht worden vermeld, terwijl dit volgens haar substantiële voorschriften zijn en dat er geen decretale rechtsgrond bestond voor het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten dat in het bestreden besluit van toepassing wordt verklaard.
  21. De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 3 maart 1976 een plan bevat met daarop de nauwkeurige aflijning van het beschermde gebied en dat eigendomsbeperkingen opgelegd worden doordat het bestreden besluit voornoemd VII-37.439-4/9 besluit van 17 november 1993 van toepassing verklaart. Zij antwoordt voorts dat het tweede middel bij toepassing van de exceptio obscuri libelli moet worden afgewezen omdat niet duidelijk is wat de verzoekende partijen bedoelen met hun stelling dat voornoemd besluit van 17 november 1993 geen rechtsgrond heeft. Ten slotte stelt zij dat ingevolge de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de bevoegdheden inzake monumenten en landschappen naar het Vlaamse Gewest zijn overgeheveld met als grondslag artikel 39 van de Grondwet, zodat de Vlaamse regering in uitvoering van het decreet van 3 maart 1976 voornoemd besluit van 17 november 1993 kon nemen.
  22. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat de verwerende partij op het tweede middel antwoordt wat volgens hen aanduidt dat het inroepen van de exceptio obscuri libelli een stijlformulering is. Beoordeling
  23. De overheid heeft geen verplichting om in het beschermingsbesluit ook specifieke voorschriften op te leggen. Specifieke voorschriften in hoofde van de overheid zijn slechts facultatief. De verwerende partij kan er zich terecht toe beperken om het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten expliciet van toepassing te verklaren. Als rechtsgrond voor het voornoemde besluit van 17 november 1993 wordt verwezen naar artikel 11, § 5, van het decreet van 3 maart 1976 dat gewijzigd werd bij decreet van 21 november
  24. Luidens de memorie van toelichting bij het decreet van 21 november 2003 bestond de bepaling van het nieuwe artikel 11, § 5, reeds vroeger maar werd dit voorschrift omwille van de duidelijkheid en leesbaarheid vermeld onder artikel 11, § 5, van het decreet van 3 maart
  25. Het tweede middel is ongegrond. VII-37.439-5/9 C. Derde middel Standpunt van de partijen
  26. De verzoekende partijen roepen in een derde middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van artikel 2 van het decreet van 3 maart
  27. Zij stellen in een eerste onderdeel dat een voldoende feitelijke grondslag van de motivering van het bestreden besluit ontbreekt omdat hun perceel bebouwd is terwijl de motivering een onbebouwde context aanhaalt en dat er op het bijhorende plan geen melding is gemaakt van hun woning zodat het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd is. Vervolgens argumenteren zij in een tweede onderdeel dat het motief opgenomen in het bestreden besluit niet valt onder artikel 2 van het decreet van 3 maart 1976 en in een derde onderdeel dat de motivering geen concreet gegeven bevat waaruit op afdoende wijze het algemeen belang van de bescherming blijkt.
  28. De verwerende partij antwoordt dat in het bestreden besluit "rekenschap wordt verleend aan" het advies van de KCML, dat in dit advies van de KCML wordt verwezen naar het administratieve verslag en dat in de administratieve toelichtingsnota de situatie van de vakwerkhoeves en diens omgeving is opgenomen, waaruit het belang van de rangschikking blijkt. Zij verwijst naar de uiteenzetting die naar aanleiding van het bezwaar van de verzoekende partijen werd geformuleerd en stelt dat de waarde van de vakwerkhoeves wordt weergegeven in het administratief dossier en dat duidelijk wordt gemaakt welke typische waarde de omliggende percelen hebben in het kader van de vakwerkhoeves. Het feit dat de verzoekende partijen hun woning bouwden op het betroffen perceel, versterkt volgens de verwerende partij de doelstelling van het thans bestreden besluit, met name het bewaren van het landelijke karakter van de vakwerkhoeves aan de Grootstraat 102 en 114 en het voorkomen van lintbebouwing. Dat met de woning van de verzoekende partijen rekening is gehouden, blijkt volgens de verwerende partij uit de repliek op hun bezwaarschrift. Voorts antwoordt de verwerende partij dat zij de typerende stijlkenmerken van de beschermde vakwerkhoeves in hun ruimere omgevingscontext wenst te bewaren en dat de bescherming van het dorpsgezicht door het bestreden besluit te dezen voldoet aan de wettelijke definitie van een dorpsgezicht. VII-37.439-6/9
  29. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat de verwerende partij moet motiveren waarom, na het oprichten van hun nieuwbouwwoning, zij nog overgaat tot bescherming van het dorpsgezicht. Zij stellen dat de verwerende partij de bescherming enkel inroept om latere controle over het gebied te verkrijgen en niet aangeeft in welke mate de bescherming van het dorpsgezicht van historische of culturele waarde is. Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat in het bestreden besluit enkel algemeenheden aangehaald worden die niet geconcretiseerd worden met betrekking tot hun perceel. Beoordeling
  30. De verzoekende partijen voeren aan dat aangezien hun perceel bebouwd is, de motivering in het bestreden besluit dat het om een onbebouwde context gaat, niet met de werkelijkheid overeenstemt. Deze kritiek van de verzoekende partijen is een nagenoeg identieke weergave van het bezwaarschrift ingediend naar aanleiding van het voorlopig beschermingsbesluit van 28 mei
  31. De verzoekende partijen betrekken de weerlegging van hun bezwaar door de afdeling Monumenten en Landschappen niet bij de bespreking van het middel en voeren niet aan dat deze weerlegging onjuist of kennelijk onredelijk is. De Raad van State is niet bevoegd om de weerlegging van de bezwaren te onderwerpen aan een eigen beoordeling. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel beschermingswaard is. De Raad kan enkel nagaan of die overheid bij de uitoefening van haar bevoegdheid binnen de grenzen van de wettigheid is gebleven. Uit de weerlegging van het bezwaar van de verzoekende partijen blijkt dat de verwerende partij de mening toegedaan is dat, ondanks de nieuwbouw van de verzoekende partijen, het hinterland nog gedeeltelijk onbebouwd is gebleven en zijn agrarische karakteristieken heeft behouden. In het bestreden besluit wordt ook gewezen op het feit dat de structuur door verkaveling en nieuwbouw steeds minder blijkt. Bijgevolg tonen de verzoekende partijen niet aan dat de overweging van het bestreden besluit een schending inhoudt van de motiveringswet. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. VII-37.439-7/9
  32. Het tweede onderdeel van het derde middel beperkt zich tot de stelling dat er hier een schending is van artikel 2 van het decreet van 3 maart 1976 "aangezien dergelijke motief zoals opgenomen in het besluit onder geen enkele bepaling van art 2 van het decreet kan vallen". Onder "middel" in de zin van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden. De hiervoor weergegeven "bewering" maakt geen middel in de hiervoor weergegeven zin uit. Het tweede onderdeel van het derde middel is niet ontvankelijk.
  33. In het derde onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de motiveringswet "aangezien de motivering geen enkel concreet gegeven bevat waaruit op afdoende wijze het 'algemeen belang' van de bescherming blijkt". Om als middel ontvankelijk te zijn, volstaat het niet een principe te poneren. Het komt de verzoekende partijen toe in concreto, betrokken op voorliggend bestreden besluit en op de hierin weerhouden overwegingen, aan te tonen dat deze overwegingen geen enkel concreet gegeven bevatten waaruit op afdoende wijze het algemeen belang van de bescherming blijkt. Het derde onderdeel is niet ontvankelijk. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. VII-37.439-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een april tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.439-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.699 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.