id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.701 Rolnummer: A. 164928/VII-37414 Zaak: Arrest 202701 - Monumenten en Landschappen - 01/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-12 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:34 Fiche Arrest nr 202.701 van 1 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.701 van 1 april 2010 in de zaak A. 164.928/VII-37.
- In zake: Arnold JONCKHEERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Robert Volckaert en Francis Volckaert kantoor houdend te Oostende Elisabethlaan 25, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 augustus 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 26 mei 2005 in zoverre daarbij het winkelpand met houten pui, gelegen aan de Hendrik Serruyslaan 3 te Oostende, als monument wordt beschermd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. VII-37.414-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sara Casteur, die loco advocaat Francis Volckaert, verschijnt voor de verzoeker en advocaat Nathalie De Clercq, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is eigenaar van een pand gelegen aan de Hendrik Serruyslaan 3 te Oostende en verhuurt dit pand, thans een café, aan Brouwerij Alken Maes. 3.
- In een nota van 19 april 2004 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om voornoemd winkelpand met houten pui als monument te beschermen wegens de historische en sociaal-culturele waarde. 3.
- Op 4 juni 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om dit pand als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brief van 25 juni 2004 naar de verzoeker en de betrokken besturen verstuurd. 3.
- Op 22 juli 2004 dient de verzoeker een bezwaarschrift in. 3.
- De afdeling Monumenten en Landschappen bespreekt de bezwaren in haar verslag van 5 november
- VII-37.414-2/8 3.
- De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 2 december 2004 haar advies. 3.
- Op 26 mei 2005 neemt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het bestreden besluit met de volgende motivering inzake voornoemd pand : "De historische waarde wordt als volgt omschreven : - Als zijnde een mooi en gaaf bewaard voorbeeld van een winkelhuis langs een drukke invalsweg tot de stad, ingericht tijdens het interbellum in een eind-19de-eeuws woonhuis, dat volgens de eigentijdse mode werd voorzien van art-decogetint gecementeerd gevelparement, met als blikvanger een fraaie houten winkelpui met fijne roedeverdeling. - Als zijnde een winkelpand met op de gelijkvloerse verdieping een houten winkelpui, waarbij veel zorg werd besteed aan de fijne roedeverdeling in de beglazing van etalagevensters en deuren. Dit soort winkelpuien zijn zeldzaam geworden, daar handelspanden zeer vaak worden gewijzigd volgens de nieuwe modes op vlak van etalages. - Als zijnde een getuige van de historische evolutie in het uitbaten van een winkel en in het architectonisch vertalen van de commerciële functie. De sociaal-culturele waarde wordt als volgt omschreven : - Als zijnde een illustratie van de economische welvaart in het interbellum, een periode van economische hoogconjunctuur in Oostende - 'Koningin der badsteden' - als mondaine badstad. In die context werden in en rond de binnenstad van Oostende enkele straten ingericht als winkelstraat, waarbij zorg werd besteed aan uitstraling van de handelszaak door de uitbouw van etalages en winkelpuien". Dit besluit wordt op 13 juni 2005 aangetekend naar de verzoeker verstuurd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 2, 2/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten doordat er een gebrek aan historische en socio-culturele waarde is en doordat de opname op de lijst van monumenten niet in overeenstemming is met het algemeen belang. VII-37.414-3/8 Hij stelt dat het pand geen unieke kenmerken heeft die het onderscheiden van andere oude gebouwen en dat de omschrijving van het gevelparement als "art-deco getint" en het feit dat het een gaaf bewaard huis is met houten winkelpui met roedeverdeling in de beglazing van de etalage onvoldoende motieven zijn om een bescherming als monument te verantwoorden. Volgens de verzoeker is het pand niet representatief voor de welvaart in de interbellumperiode, zullen de ramen van het gelijkvloers ooit vernieuwd moeten worden voor de uitbating als café en zijn verbouwingswerken noodzakelijk indien het pand als winkelpand zou worden verhuurd. De verzoeker stelt ten slotte dat de bescherming van het pand tot gevolg zal hebben dat het leeg zal komen te staan.
- De verwerende partij antwoordt dat de afdeling Monumenten en Landschappen, de KCML, de stad Oostende en de provincie West-Vlaanderen van oordeel zijn dat het beschermde pand monumentale waarde heeft en dat het gunstig advies van de KCML een garantie is voor de juistheid van de motieven. Volgens de verwerende partij wordt in het bestreden besluit op concrete wijze te kennen gegeven om welke redenen het betroffen pand wordt beschermd, waarom de beschermingswaarden van algemeen belang worden geacht en dat de motieven van het bestreden besluit de redelijkheidstoets doorstaan. De verwerende partij stelt dat de verzoeker niet aantoont dat een foutieve of onwettige beoordeling is gemaakt en dat niet enkel de houten winkelpui beschermingswaardig is. De argumentatie van de verzoeker met betrekking tot de normen inzake geluidshinder, veiligheid en beveiliging is volgens de verwerende partij irrelevant, wordt niet aangetoond en is weerlegd bij de behandeling van zijn bezwaren. Ten slotte stelt de verwerende partij dat de bewering dat de bescherming tot leegstand zou leiden, op geen gegeven is gestoeld.
- De verzoeker repliceert dat hij zich ernstige vragen stelt bij de adviezen van de afdeling Monumenten en Landschappen, van de KCML, van de stad Oostende en van de provincie West-Vlaanderen met betrekking tot de individuele beoordeling van elk betrokken pand omdat in alle adviezen van de betrokken winkelpanden stelselmatig dezelfde stijlclausules terugkomen. Volgens de verzoeker is de feitenbeoordeling van de KCML en de afdeling Monumenten en Landschappen foutief omdat er onvoldoende intrinsieke elementen van het pand zelf aanwezig zijn om de bescherming te verantwoorden. Hij stelt dat enkel de winkelpui als gebeurlijk historisch en socio-cultureel waardedragend element kan worden vermeld, maar dat dit onvoldoende is om het hele pand van algemeen belang te achten. Volgens de verzoeker spreekt de Raad van State zich niet uit of de adviezen van de KCML een VII-37.414-4/8 vermoeden van deugdelijke verantwoording met zich meebrengen en brengt een gunstig advies van de KCML niet de verplichting mee om tot bescherming te beslissen.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het bestreden besluit tot bescherming van het hele pand onwettig tot stand is gekomen aangezien in het bestreden besluit en de motiveringsnota van 19 april 2004 aangegeven wordt dat het interieur geen authentieke elementen bevat en dat aan de verdiepingen geen interieurbezoek gebracht is. Voorts stelt de verzoeker dat de verwerende partij de grenzen van de redelijkheid overschrijdt waar enerzijds de woning als historisch en sociaal-cultureel waardevol beschermd wordt en anderzijds een vergunning tot afbraak van de hele blok rondom het beschermde gebouw wordt verleend. Beoordeling
- De verzoeker voert niet aan dat de feitelijke gegevens waaruit de verwerende partij de historische en sociaal-culturele waarde van het betrokken pand afleidt, foutief zijn. Hij stelt enkel dat die elementen niet van aard zijn om een bescherming te verantwoorden en plaatst zijn beoordeling omtrent het beschermingswaard zijn van het pand in de plaats van de beoordeling van de overheid. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel beschermingswaard is. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid bij de uitoefening van haar bevoegdheid binnen de grenzen van de wettigheid is gebleven. Zo een onwettigheid wordt met de argumenten van de verzoeker niet aangetoond. Bovendien hebben de argumenten die de verzoeker aanvoert om het "algemeen belang" te betwisten, geen uitstaans met de vereiste van het algemeen belang en zijn zij derhalve niet dienend. Het eerste middel is niet gegrond. VII-37.414-5/8 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) omdat de motieven van het bestreden besluit niet afdoende de redengeving bevatten die toelaat te begrijpen waarom de bescherming van algemeen belang is en zij niet in verhouding staan met de genomen beslissing. Volgens de verzoeker wordt er geen historische achtergrond noch het belang aangetoond van de in het bestreden besluit vermelde winkelpui en laat het bestreden besluit na aan te tonen dat het pand een getuige is van de historische evolutie in het uitbaten van een winkel en in het architectonisch vertalen van de commerciële functie. Hij stelt voorts dat in het bestreden besluit niet wordt aangetoond dat de Hendrik Serruyslaan destijds werd ingericht als winkelstraat waarbij zorg werd besteed aan uitstraling.
- De verwerende partij antwoordt dat het tweede middel onontvankelijk is omdat de verzoeker geen uiteenzetting geeft van de wijze waarop de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet geschonden worden. Voorts verwijst de verwerende partij naar rechtspraak van de Raad van State en stelt zij dat in het bestreden besluit op concrete wijze te kennen wordt gegeven om welke precieze redenen het pand van de verzoeker wordt beschermd en waarom de beschermingswaarden van algemeen belang worden geacht. Volgens de verwerende partij wordt in het bestreden besluit uitdrukkelijk gesteld dat het algemeen belang van de bescherming blijkt uit het uitzonderlijk karakter van de intrinsieke waarde van het monument en dat zowel de afdeling Monumenten en Landschappen als de KCML van oordeel waren dat een bescherming omwille van het algemeen belang noodzakelijk was. Ten slotte antwoordt de verwerende partij dat de motiveringswet geen verplichting oplegt tot het motiveren van de motieven en dat de uitdrukkelijke motivering niet in de plaats komt van het dossier waarin volgens de verwerende partij de argumenten van de verzoeker worden weerlegd.
- De verzoeker repliceert dat de motieven van het bestreden besluit niet in redelijke verhouding staan tot de beslissing van volledige bescherming, omdat de motivering grotendeels betrekking heeft op de winkelpui en in beperkte VII-37.414-6/8 mate op het onroerend goed zelf, terwijl het hele pand beschermd wordt. De verzoeker stelt dat hij uit de motivering niet de feitelijke en juridische overwegingen kan afleiden die hem in staat stellen te weten wat het algemeen belang is.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat de motivering waarnaar de verwerende partij in het bestreden besluit verwijst, bewoordingen zijn die bij diverse panden hernomen worden en niet getuigen van een individueel en grondig onderzoek van zijn pand, dat de motiveringsnota van 19 april 2004 nooit aan hem werd meegedeeld zodat hij niet kon opkomen tegen de hierin weergegeven argumentatie, dat de adviezen van respectievelijk de KCML, de stad Oostende, de provincie West-Vlaanderen en het verslag van 5 november 2004 waarin de bezwaren en opmerkingen behandeld zijn, niet aan hem werden meegedeeld en dat de bescherming in het bestreden besluit enkel formeel gemotiveerd wordt door een overname van de motieven aangehaald in het voorlopig beschermingsbesluit. Beoordeling
- De Raad van State stelt vast dat de verzoeker voldoende uiteenzet op welke wijze volgens hem de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet geschonden worden. Het middel is ontvankelijk.
- De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat op een afdoende wijze. Omwille van de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de overheid beschikt bij het nemen van een beslissing over de bescherming van een monument, moet overeenkomstig de bepalingen van de motiveringswet in een besluit tot definitieve bescherming van een monument worden uiteengezet om welke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of ander sociaal-culturele aard de bescherming als monument in concreto van algemeen belang is. De verzoeker betwist niet dat het bestreden besluit een opsomming geeft van historische en sociaal-culturele waarden ter verantwoording van het algemeen belang. Bovendien blijkt dat deze motivering werd overgenomen uit het advies van de KCML van 2 december 2004 en dat dit advies op zijn beurt is gebaseerd op de historische gegevens en op een beschrijving in de motiveringsnota van de afdeling Monumenten en Landschappen van 19 april
- Van enige VII-37.414-7/8 onvoldoende motivering zoals aangevoerd door de verzoeker is dan ook geen sprake. De motiveringswet legt geen verplichting op tot het motiveren van de motieven.
- De argumentatie door de verzoeker uiteengezet in diens laatste memorie dat in het bestreden besluit geen antwoord op zijn bezwaren is opgenomen en dat het verslag van 5 november 2004 waarin de bezwaren en opmerkingen zijn behandeld, hem niet is meegedeeld, maakt een nieuw middel uit dat pas in de laatste memorie ontwikkeld wordt. Dit middel is niet van openbare orde en kon door de verzoeker ingeroepen worden in zijn inleidend verzoekschrift. Het is bijgevolg niet ontvankelijk. Het tweede middel is voor het overige niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een april tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.414-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.701 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div