← België

Arrest 202848 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.848 Rolnummer: Zaak: Arrest 202848 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-14 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:35 Fiche Arrest nr 202.848 van 7 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.848 van 7 april 2010 in de zaken A. 171.512/X-12.765 (I) A. 171.518/X-12.768. (II) In zake: I. Luc NAEGELS II. André VAN DEN EYNDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 MECHELEN Antwerpsesteenweg 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. + II. 1. de gemeente SINT-KATELIJNE-WAVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hugo Sebreghts en Floris Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen 1. Het beroep, op 27 maart 2006 ingesteld door Luc Naegels, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 3 november 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Dreefvelden”, definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Sint-Katelijne-Waver in zitting van 5 september 2005, wordt goedgekeurd, “met uitsluiting van de zin ‘De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten binnen de bestemmingszone mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1ha per bedrijf of bedrijvencluster’ in de tweede paragraaf van artikel 1.1.1. ‘Hoofdbestemming’ op bl. 7 van de stedenbouwkundige voorschriften”. (zaak I. A.171.512) Het beroep, op 27 maart 2006 ingesteld door André Van Den Eynde, strekt tot de nietigverklaring van hetzelfde bestreden besluit. (zaak II. A.171.518) X-12.765-12.768-1/62 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 165.962 van 15 december 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen in de zaak sub I. Bij arrest nr. 188.773 van 15 december 2008 zijn de zaken A. 171.512/X-12.765 en A. 171.518/X-12.768 gevoegd, worden de debatten in deze zaken heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek in de zaak sub II. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij in de zaak sub II heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Ryckalts, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Floris Sebreghts, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en Hildegard Pettens, afdelingschef, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-12.765-12.768-2/62 III. Feiten 3.1. Het gebied waarvoor het thans bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Dreefvelden” is opgemaakt, behoorde volgens het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen onder meer tot gebied voor milieubelastende industrie en verder tot recreatiegebied, agrarisch gebied, woongebied en landelijk woongebied. 3.2. De verzoeker in de zaak A. 171.518 exploiteert binnen het kwestieuze plangebied een bandencentrale en is tevens eigenaar van de terreinen kadastraal bekend sectie B, nrs. 596/u2, 596/s2 en 596/h. Deze percelen zijn overeenkomstig het bestreden GRUP gelegen binnen de zone 2a “Zone voor lokaal bedrijventerrein”. 3.3. De opmaak van het GRUP “Dreefvelden” beoogt in hoofdzaak het omvormen van een bedrijvenzone met als bestemming op het gewestplan “gebied voor milieubelastende industrie” tot een lokale KMO-zone voor het (her)vestigen van lokale bedrijven. Voorafgaand aan de opmaak van dit GRUP werd reeds een procedure tot opmaak van een bijzonder plan van aanleg opgestart, maar niet voltooid. 3.4. Op 26 juni 2003 keurt de tweede verwerende partij het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de eerste verwerende partij goed. Dit goedkeuringsbesluit vermeldt daarbij als voorwaarde onder meer dat “het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Sint-Katelijne-Waver, definitief vastgesteld door de gemeenteraad in zitting van 7 april 2003, wordt goedgekeurd op voorwaarde dat, (...) bij de omvorming van het industriegebied Dreefvelden-Gelaagputten naar lokaal bedrijventerrein de op het terrein aanwezige bedrijven voor de duur van hun uitbating geen bijkomende beperkingen in hun activiteiten worden opgelegd”. 3.5. Gelet op het goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Sint-Katelijne-Waver en gelet op het onoverkomelijk bevinden van sommige bezwaren geformuleerd naar aanleiding van het ontwerp van bijzonder plan van aanleg, wordt beslist het omvormen tot lokaal bedrijventerrein in een licht aangepaste vorm te hernemen als een ruimtelijk uitvoeringsplan. X-12.765-12.768-3/62 3.6. Na de vaststelling van het voorontwerp wordt de plenaire vergadering georganiseerd op 19 november 2004. 3.7. Bij besluit van 20 december 2004 stelt de gemeenteraad van de gemeente Sint-Katelijne-Waver het plan voorlopig vast. 3.8. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, dat plaatsvindt van 1 februari 2005 tot en met 1 april 2005, dient onder meer de huidige verzoeker in de zaak A.171.518 bezwaar in. 3.9. In zitting van 17 maart 2005 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen advies uit inzake de overeenstemming van het ontwerp van GRUP “Dreefvelden” met het provinciaal ruimtelijk structuurplan Antwerpen en de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen. Er wordt voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht. Een aantal elementen dienen te worden bijgestuurd. Zo mag het ruimtelijk uitvoeringsplan de aanwezige bedrijven voor de duur van hun uitbating geen bijkomende beperkingen in hun activiteiten opleggen, dienen het traject van de weg en het ontsluitingsscenario herbekeken te worden, dient er een ruimtelijk veiligheidsrapport te worden opgesteld en dient de inplantingsplaats van de buffering gemotiveerd herbekeken te worden. 3.10. Bij ministerieel besluit van 29 maart 2005 wordt het ontwerp van GRUP “Dreefvelden” van de gemeente Sint-Katelijne-Waver gunstig geadviseerd “mits rekening (te houden) met de hiervoor vermelde overwegingen”. 3.11. Op 30 mei 2005 brengt GECORO advies uit. Als antwoord op de bezwaren en adviezen verwijst GECORO in hoofdzaak naar een brief van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 26 april 2004 waarin een interpretatie wordt gegeven aan de voorwaarde opgelegd door de bestendige deputatie in het goedkeuringsbesluit van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Sint-Katelijne-Waver. Deze brief van 26 april 2004 stelt het volgende: “In antwoord op uw schrijven van 26 februari 2004 zenden wij u een aantal verduidelijkingen bij het besluit dat de bestendige deputatie nam bij de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. In dit goedkeuringsbesluit werd gesteld dat, bij de omvorming van het industriegebied Dreefvelden-Gelaagputten naar lokaal bedrijventerrein, de op het terrein aanwezige bedrijven voor de duur van hun uitbating geen bijkomende beperkingen in hun activiteiten worden opgelegd. X-12.765-12.768-4/62 In wat volgt wordt op al uw vragen een eenduidig antwoord geformuleerd dat het gemeentebestuur in staat moet stellen de stedenbouwkundige voorschriften voor het gemeentelijk RUP Dreefvelden op te stellen. De huidige bedrijven moeten de mogelijkheid hebben om fysiek uit te breiden. Dit dient als volgt te worden geïnterpreteerd: Het betreft bedrijven die in principe passen binnen de context van een lokaal bedrijventerrein, maar die niet voldoen aan de oppervlaktebeperking van maximaal 5000 m². C De uitbreiding mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster. Onder bedrijvencluster wordt een geheel van bedrijven bedoeld die zich op eenzelfde kadastraal perceel situeren of waarvan de verschillende onderdelen deel uitmaken van dezelfde exploitatie. De uitbreiding kan enkel gebeuren binnen de contouren van het op het plan aangeduide bedrijventerrein. Immers laat ook de huidige bestemming van het gewestplan geen uitbreiding buiten de industriezone toe. Deze voorwaarde kan dus geenszins leiden tot uitbreiding van het bedrijventerrein. Uitbreiding naar een terrein van een ander bedrijf dat zijn activiteiten stopzet kan niet. Een wijziging van de bedrijfsactiviteiten moet passen binnen de voorschriften die het gemeentebestuur uitwerkt voor het lokaal bedrijventerrein. Een loutere naamsverandering of een verandering van eigenaar moeten mogelijk blijven. Wij hopen hiermee voldoende duidelijkheid te hebben geschapen”. 3.12. Bij besluit van 5 september 2005 stelt de gemeenteraad van de gemeente Sint-Katelijne-Waver het GRUP “Dreefvelden” definitief vast. 3.13. Bij besluit van 3 november 2005 keurt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het plan goed, “met uitsluiting van de zin ‘De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten binnen de bestemmingszone mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1ha per bedrijf of bedrijvencluster’ in de tweede paragraaf van artikel 1.1.1 “Hoofdbestemming” op bl. 7 van de stedenbouwkundige voorschriften”. Dit is het thans bestreden besluit. 3.14. De percelen van de verzoeker in de zaak A. 171.518 situeren zich zoals reeds gesteld in de bestemmingszone 2a “Zone voor lokaal bedrijventerrein”. Artikel 2.1.1 “Hoofdbestemming” luidt als volgt: “De zone is bestemd voor bedrijfsactiviteiten met een lokaal karakter. Lokale bedrijven zijn be- en verwerkende bedrijven die wat schaal betreft aansluiten bij de omgeving en beperkt zijn van omvang. Het betreft in hoofdzaak ambachtelijke en KMO-activiteiten met inbegrip van o.a. : • productie en verwerking van goederen • kleinschalige afvalverwerking, recyclage inbegrepen X-12.765-12.768-5/62 • kleinschalige groothandelsactiviteiten Nieuwe activiteiten die de draagkracht van het gebied overstijgen of niet thuishoren in een zone voor lokaal bedrijventerrein, zijn niet toegelaten. Het betreft o.a.: • uitsluitend commerciële activiteiten, zoals winkels, handelszaken,... • uitsluitend kantoorfunctie • bijkomende distributie- en transportbedrijven • bijkomende grootschalige bedrijven •bedrijven die omwille van brandveiligheid geweerd worden, overeenkomstig de geldende wetgeving De zone is tevens bestemd voor het behoud van bestaande bedrijfsactiviteiten die zich verder kunnen ontwikkelen binnen de weergegeven bestemmingszone. Daarnaast worden ook functies toegelaten die gemeenschappelijke en complementaire voorzieningen verzorgen inherent aan het functioneren van het bedrijventerrein. De lokale bedrijven hebben een max. bruto bedrijfsoppervlakte van 5.000 m² (totale oppervlakte van het bedrijf in zone voor lokaal bedrijventerrein exclusief zone voor groenbuffer). Nieuwe bedrijven die een grotere bedrijfsoppervlakte nodig hebben, worden geacht het lokale karakter te overstijgen. De bestaande bedrijven die momenteel gevestigd zijn op het bedrijfsgebied, kunnen afwijken van de max. bruto bedrijfsoppervlakte en gevestigd blijven zolang de bestaande activiteiten blijven behouden. De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten binnen de bestemmingszone mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster. Onder bedrijvencluster wordt een geheel van bedrijven bedoeld die zich op eenzelfde kadastraal perceel situeren of waarvan de verschillende onderdelen deel uitmaken van dezelfde exploitatie”. IV. Afstand in de zaak A.171.512 4. De verzoeker doet bij brief van 4 mei 2009 afstand van het beroep tot nietigverklaring. V. Ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 171.518 5.1. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op: “18. Verwerende partij verwijst naar de ‘eensluidendheid’ van de verzoekschriften één, drie, vier en vijf. Ze zoekt tevergeefs in de middelen naar het ‘persoonlijk’ nadeel (en het persoonlijk belang) van elke verzoekende partij bij elk van de middelen. Blijkbaar is er dat niet. Nochtans is dat een vereiste. De vaststelling geeft aan dat er geen persoonlijk belang is bij de middelen. Dat tast uiteraard het belang aan bij de vordering op zich. 19. Het is vaste rechtspraak dat het belang, als één van de ontvankelijkheidsvoorwaarden, de openbare orde raakt. De Raad van State wijst dan ook ambtshalve op het gemis aan belang in hoofde van de verzoeker, zelfs zo tussenkomende partij hierop niet zou wijzen. 20. Artikel 19, eerste lid, van de R.v.St.-wet vereist niet enkel dat de verzoekende partij over het vereiste belang beschikt tot het instellen van een X-12.765-12.768-6/62 vernietigingsvordering, zij moet dit belang eveneens laten blijken. Het komt aan de verzoekende partij toe om het bestaan van een belang aan te tonen en eventuele twijfel daaromtrent weg te nemen. Laat de verzoeker dit na, of slaagt zij er niet in de twijfel op dat punt weg te nemen, dan is het beroep niet ontvankelijk. 21. Krachtens de rechtspraak van Uw Raad dient het belang te worden uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Het is verzoekende partij niet toegestaan haar belang voor het eerst te omschrijven in een later procedurestuk, en dit gebeurlijk te baseren op grond van een andere hoedanigheid dan deze vermeld in het inleidende verzoekschrift. (...) 22. Wijlen Prof. William LAMBRECHTS omschrijft het belang ‘als het voordeel dat de verzoeker verwacht uit het verdwijnen van het nadeel dat voor hem is ontstaan uit het bestreden besluit, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging’. Het is een vaste rechtspraak van Uw Raad dat een verzoeker ook een belang dient te hebben bij elk der aangevoerde middelen. 23. De vernietiging van de aangevochten akte moet aan de verzoekende partij op hoofdvordering een voordeel verschaffen, ze moet een nuttig effect ressorteren. Blijkt dat de eventueel tussen te komen vernietiging de verzoeker geen nuttig gevolg oplevert, dan zal het beroep bij gebrek aan belang worden afgewezen. 24. In casu is er in hoofde van verzoekende partij geen voordeel bij de vordering tot vernietiging. Indien er vernietigd wordt zal immers het nadeel dat zij zal moeten ondergaan veel erger zijn dan het nadeel dat zij voorhoudt te zullen ondergaan bij niet vernietiging van de bestreden vergunning: de ganse heraanleg van de Mechelsesteenweg die in functie van de toekomstige ontwikkeling van het RUP gebeurde, zal moeten herdaan worden (kostprijs 4.500.000

  1. i)ten einde het zware verkeer er toe te laten een uitweg te nemen (o.a. vervangen van de voorziene wijze van wegbedekking die niet voorzien is op dergelijk zwaar verkeer), het verkeer zal veel moeilijker verlopen, er zal veel stilstaand verkeer zijn, het centrum van het dorp wordt overbelast, de bufferzone zal aanzienlijk vergroot moeten worden nu men in geval van vernietiging terugvalt op de bestemming voorzien in het gewestplan - industriezone - waarvoor de bufferzone naar de woonzone langs de Mechelsesteenweg toe veel groter zal moeten worden en verzoekende partij aldus veel grotere delen van haar eigendom onbruikbaar zal zien worden, ... 25. Er is derhalve geen ‘voordeel dat de verzoeker verwacht uit het verdwijnen van het voorgehouden nadeel dat voor hem is ontstaan uit het bestreden besluit, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging’. Blijkt dat de eventueel tussen te komen schorsing/vernietiging de verzoeker geen nuttig gevolg oplevert, dan zal het beroep bij gebrek aan belang worden afgewezen. In casu is er geen belang bij de vordering tot vernietiging. 26. De vordering tot vernietiging is onontvankelijk”. 5.2. De tweede verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de verzoeker “geen belang (heeft) bij de integrale vernietiging van het aangevochten plan” en dat het belang “enkel tot het eigendom van de verzoekende partij binnen het gebied van het plan te beperken (is)”. 6.1. Het belang bij de middelen valt samen met het onderzoek van de middelen. X-12.765-12.768-7/62 6.2. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoeker eigenaar is van een aantal terreinen die in het plangebied gelegen zijn. Het bestreden besluit bepaalt de rechtstoestand van het eigendom van de verzoeker. De exceptie maakt geenszins aannemelijk dat de verzoeker desondanks niet zou getuigen van het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. De Raad van State kan niet vooruitlopen op de beslissing die de verwerende partijen zouden nemen na een gebeurlijke nietigverklaring van het bestreden besluit. De exceptie van de eerste verwerende partij wordt verworpen. 7. Er bestaat geen noodzaak de exceptie van de tweede verwerende partij te onderzoeken aangezien, zoals hierna zal blijken, besloten wordt tot de verwerping van het beroep. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 8. De verzoeker voert in het eerste middel het volgende aan: “3.1. EERSTE MIDDEL genomen uit schending van artikel 19 §2 en 48 §2 van het Decreet dd. 18.05.1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de beginselen van behoorlijk bestuur inzonderheid het beginsel patere legem quem ipse fecisti alsmede uit machtsoverschrijding. DOORDAT het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van de Gemeente Sint-Katelijne-Waver in de bindende bepaling 9 bepaalt dat ‘in een op te maken uitvoeringsplan verfijnt de gemeente het industriegebied Dreefvelden - Gelaagputten tot een lokaal bedrijventerrein. Momenteel reeds in opmaak als BPA’. EN DOORDAT in het besluit van de Bestendige Deputatie dd. 26 juni 2003 houdende goedkeuring van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Sint- Katelijne-Waver de voorwaarde werd opgelegd dat bij de omvorming van het industriegebied Dreefvelden naar lokaal bedrijventerrein de aldaar aanwezige bedrijven voor de duur van hun uitbating geen bijkomende beperkingen in hun activiteiten worden opgelegd. TERWIJL artikel 1.1.1. van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ bepaalt dat ‘De afbakening van de bestemmingszone geldt als maximum grens van de bedrijfsoppervlakte.’. EN TERWIJL artikel 1.2. van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ bepaalt dat ‘De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster.’. X-12.765-12.768-8/62 EN TERWIJL artikel 2.1.1. van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ bepaalt dat ‘De bestaande bedrijven die momenteel gevestigd zijn op het bedrijfsgebied, kunnen afwijken van de max. bruto bedrijfsoppervlakte en gevestigd blijven zolang de activiteiten blijven behouden. De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster.’. EN TERWIJL het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ middels besluit van 3 november 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen met uitsluiting van de zin ‘De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten binnen de bestemmingszone mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster’ in de tweede paragraaf van artikel 1.1.1. ‘Hoofdbestemming’ op bl. 7 van de stedenbouwkundige voorschriften, werd goedgekeurd. ZODAT het Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ de bepalingen en beginselen ter hoogte van het middel schendt. Toelichting: 1.- Artikel 19 §2, van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna DORO) bepaalt dat bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aanduidt die bindend zijn en voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan deze onderdelen bindend zijn voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren. Artikel 48 §2 DORO bepaalt dat de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. 2.- Het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan werd goedgekeurd door de Bestendige Deputatie op 26 juni 2003. In het goedkeuringsbesluit van de Bestendige Deputatie werd als voorwaarde gesteld dat bij de omvorming van het industriegebied Dreefvelden naar lokaal bedrijventerrein de aldaar aanwezige bedrijven voor de duur van hun uitbating geen bijkomende beperkingen worden opgelegd. 2.- Desalniettemin stelt verzoekende partij vast dat de exploitatiemogelijkheden in haar hoofde door de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP beknot worden. Ter hoogte van artikel 2.1.1. van het verordenend deel -stedenbouwkundige voorschriften van de bestreden beslissing wordt immers gestipuleerd dat ‘De bestaande bedrijven die momenteel gevestigd zijn op het bedrijfsgebied, kunnen afwijken van de max. bruto bedrijfsoppervlakte en gevestigd blijven zolang de activiteiten blijven behouden. De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster.’. Tevens wordt op de percelen van verzoekende partij een bufferzone ingelast, waardoor de uitbreiding onmogelijk wordt. Ook werden in artikel 1.1.1. van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ beperkingen opgenomen nu aldaar gestipuleerd wordt dat ‘De afbakening van de bestemmingszone geldt als maximum grens van de bedrijfsoppervlakte.’. Tenslotte wordt in artikel 1.2. van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ bepaald dat ‘De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster.’. Hierdoor is de bestreden beslissing strijdig met de bindende bepaling 9 van het ruimtelijk structuurplan van eerste verweerder zoals vastgesteld middels de goedkeuringsbeslissing van de Bestendige Deputatie dd. 26 juni 2003. X-12.765-12.768-9/62 De bestreden beslissing schendt dan ook manifest de bepalingen en beginselen ter hoogte van het middel. Het middel is gegrond”. Beoordeling 9.1. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de percelen van de verzoeker binnen het thans bestreden GRUP uitsluitend gelegen zijn in zone 2a “Zone voor lokaal bedrijventerrein”, waarop artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van toepassing is. In zoverre de verzoeker de strijdigheid aanvoert van de artikelen 1.1.1 en 1.2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het thans bestreden besluit met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de eerste verwerende partij, kan een eventuele nietigverklaring van deze voorschriften de verzoeker niet het door hem met zijn beroep nagestreefde voordeel opleveren, nu die voorschriften niet van toepassing zijn op de percelen van de verzoeker. De verzoeker getuigt dan ook niet van het rechtens vereiste belang bij dit middelonderdeel. 9.2.1. Artikel 19, § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) luidt als volgt: “Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. (...) Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren”. Artikel 48, § 2 DRO stelt dat de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. 9.2.2. Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de eerste verwerende partij werd goedgekeurd door de tweede verwerende partij, op voorwaarde dat “bij de omvorming van het industriegebied Dreefvelden- Gelaagputten naar lokaal bedrijventerrein de op het terrein aanwezige bedrijven voor de duur van hun uitbating geen bijkomende beperkingen in hun activiteiten worden opgelegd”. X-12.765-12.768-10/62 Deze voorwaarde kan uiteraard niet in die zin worden begrepen als zou zij voor de op het terrein reeds aanwezige bedrijven een onbeperkte uitbreiding toestaan. Door de tweede verwerende partij werd deze voorwaarde, die zij heeft opgelegd bij de goedkeuring van het gemeentelijk structuurplan, in haar brief van 26 april 2004, als volgt toegelicht: “(...) De huidige bedrijven moeten de mogelijkheid hebben om fysiek uit te breiden. Dit dient als volgt te worden geïnterpreteerd: Het betreft bedrijven die in principe passen binnen de context van een lokaal bedrijventerrein, maar die niet voldoen aan de oppervlaktebeperking van maximaal 5000 m². • De uitbreiding mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster. Onder bedrijvencluster wordt een geheel van bedrijven bedoeld die zich op eenzelfde kadastraal perceel situeren of waarvan de verschillende onderdelen deel uitmaken van dezelfde exploitatie. De uitbreiding kan enkel gebeuren binnen de contouren van het op het plan aangeduide bedrijventerrein. Immers laat ook de huidige bestemming van het gewestplan geen uitbreiding buiten de industriezone toe. Deze voorwaarde kan dus geenszins leiden tot uitbreiding van het bedrijventerrein. (...)”. Artikel 2.1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften past deze regel toe waar het toelaat dat de bestaande bedrijven die momenteel gevestigd zijn op het bedrijfsgebied er gevestigd kunnen blijven zolang de bestaande activiteiten behouden blijven en kunnen afwijken van de maximum bruto bedrijfsoppervlakte. Uit het voorgaande volgt dat, noch de uitbreidingsbeperking tot 1 hectare bedrijfsoppervlakte, zoals voorzien in artikel 2.1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden GRUP, noch de beperking van de mogelijkheid tot uitbreiding tot de bestemmingszone, in strijd is met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de eerste verwerende partij, zoals goedgekeurd door de tweede verwerende partij. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. De verzoeker voert in het tweede middel het volgende aan: X-12.765-12.768-11/62 “3.2. TWEEDE MIDDEL genomen uit schending van artikel 49 §§4 en 5 en artikel 50 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de formele en materiële motiveringsverplichting en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het patere legem quem ipse fecisti beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede uit machtoverschrijding en uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag DOORDAT het Ministerieel Besluit van 29.03.2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en begroting en ruimtelijke ordening houdende advies van het Gemeentelijk Ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ te Sint-Katelijne Waver’ gunstig adviseert mits rekening wordt gehouden met de overweging dat de bepalingen waarbij uitbreidingsbeperkingen worden opgelegd aan bestaande bedrijven strijdig zijn met de beslissing van de Bestendige Deputatie over het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. EN DOORDAT de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen dd. 31.03.2005 het Gemeentelijk Ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ te Sint-Katelijne Waver’ voorwaardelijk gunstig adviseert mits het RUP de aanwezige bedrijven voor de duur van hun uitbating geen bijkomende beperkingen in hun activiteiten oplegt, het traject van de weg en het ontsluitingsscenario wordt herzien, een ruimtelijk veiligheidsrapport wordt gelast en de inplantingsplaats van de buffering wordt herzien. EN DOORDAT verzoekende partij gemotiveerd bezwaar heeft ingediend waarbij ondermeer de strijdigheid van het RUP met het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan werd opgeworpen. TERWIJL eerste onderdeel door de GECORO en de Gemeenteraad van eerste verwerende partij deze bezwaren foutief worden verworpen wegens laattijdig en wegens strijdig met een eerder geformuleerd advies van de daartoe onbevoegde dienst Ruimtelijke Planning van de Provincie Antwerpen dat dateert van voor de plenaire vergadering. EN TERWIJL tweede onderdeel tweede verwerende partij in strijd met de door haar in het kader van het openbaar onderzoek opgeworpen bezwaren en het beginsel ‘patere legem quem ipse fecisti’ alsnog het definitief door de gemeenteraad van eerste verwerende partij vastgestelde ongewijzigde ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan goedkeurt en daarbij bij gebreke aan enige motivering schijnbaar steunt op de door de GECORO en de Gemeenteraad geboden motivering waardoor tweede verwerende partij impliciet erkent in strijd met artikel 49 §2 DORO en het zorgvuldigheidsbeginsel te hebben gehandeld. ZODAT de bestreden beslissing de bepalingen en beginselen ter hoogte van het middel schendt. Toelichting: (...) 2.- In casu werd door de Bestendige Deputatie middels schrijven dd. 31.03.2005 in het kader van het door eerste verwerende partij georganiseerde openbaar onderzoek aangaande het ontwerp van Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan gunstig advies verleend overeenkomstig artikel 49 §4, 2e lid voor wat betreft de overeenstemming met het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan. Het gunstig advies werd echter verleend onder hiernavolgende voorwaarden: - Het RUP mag de aanwezige bedrijven voor de duur van hun uitbating geen bijkomende beperkingen in hun activiteiten opleggen. - Het traject van de weg en het ontsluitingsscenario dienen herbekeken te worden - Er dient een ruimtelijk veiligheidsrapport te worden opgesteld. - De inplantingsplaats van de buffering dient gemotiveerd herbekeken te worden. X-12.765-12.768-12/62 Ook het Ministerieel Besluit van 29.03.2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en begroting en ruimtelijke ordening houdende advies van het Gemeentelijk Ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ te Sint-Katelijne Waver’ adviseert gunstig mits rekening wordt gehouden met de overweging dat de bepalingen waarbij uitbreidingsbeperkingen worden opgelegd aan bestaande bedrijven strijdig zijn met de beslissing van de Bestendige Deputatie over het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Dezelfde bezwaren werden door verzoekende partij opgeworpen. 3.- De GECORO kwalificeert schrijven van de Bestendige Deputatie dd. 31.03.2005 als bezwaar en weerlegt het als volgt: ‘De inhoud van dit advies verwondert de leden van de Gecoro enigszins. Dergelijke adviezen horen eerder gegeven te worden in een plenaire vergadering zoals de procedure van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en latere wijzigingen bepaalt in artikel 49. Het is voor de Gecoro onduidelijk hoe de provincie tot de inhoud van deze adviezen is gekomen. De Gecoro zou kunnen vermoeden dat de bezwaren ingegeven zijn door advocaat Gysen (...). De bezwaren werden ook niet gemotiveerd. De Gecoro heeft ervoor gekozen om de bezwaren niet naast zich neer te leggen maar wenst toch een passend antwoord te formuleren op de ingediende bezwaren. 1. in de memorie van toelichting bevindt zich een schrijven van 26/04/2004 van de bestendige deputatie waar richtcijfers werden gegeven voor beperkingen aan bestaande bedrijven of bedrijvenclusters. Het ontwerp van RUP is een weerspiegeling van deze richtcijfers. 2. het traject van de weg werd uitgebreid bestudeerd naar aanleiding van de opmaak van het gemeentelijk mobiliteitsplan. Op aanraden van de provinciale auditcommissie werd de rondweg die eerst voorzien was, niet weerhouden in uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) waarbij het aanleggen van nieuwe wegen niet of slechts zeer uitzonderlijk kan toegestaan worden 3. het opmaken van een ruimtelijk veiligheidsrapport kan opgelegd worden door de door de Vlaamse Regering aangeduide diensten (art. 48 DORO) en moet ten laatste tijdens de plenaire vergadering bekend gemaakt worden. Het verslag van de plenaire vergadering van 19 november 2004, geeft een dergelijke verplichting niet weer. De Gecoro adviseert het gemeentebestuur om - als flankerende rapportage - een schrijven te richten naar de cel Veiligheid om te vragen of een ruimtelijke veiligheidsrapportage noodzakelijk is. 4. het is onduidelijk over welke buffering het gaat. Het ontwerp werd opgesteld vanuit de filosofie dat alle buffers binnen de afgebakende site van het RUP moeten voorzien worden. Deze filosofie wordt reeds toegepast voor het inrichten van door het gewestplan vastgelegde bedrijventerreinen en wordt gevolgd bij de opmaak van een RUP. De Gecoro wenst toch te reageren op de bijkomende brief aangezien hij inhoudelijk verschilt met het schrijven van de Provincie van 26 april 2004. De uitbreiding van bestaande bedrijven met 15 % is niet gemotiveerd. De Gecoro gaat ervan uit dat het wel degelijk om een eenmalige uitbreiding gaat. Voor 2 bedrijven kan dat een belangrijke uitbreiding zijn: Jacobs, AWS, EKP + Van Dievel transport. Dit ontkracht de idee van het RUP dat als doelstelling heeft om lokaal bedrijventerreinen in te richten in plaats van de bestaande bestemming in stand te houden. Door het voorstel van de Provincie kunnen twee bedrijven de site monopoliseren. Tijdens de plenaire vergadering is gesteld om te kiezen: ofwel 15 % uitbreiden ofwel de bovengrens van X-12.765-12.768-13/62 1 ha hanteren. De Gecoro wenst dat de bovengrens van 1 ha behouden blijft om de doelstelling niet te hypothekeren.’ De bezwaren opgeworpen in het besluit van de Minister dd. 29.03.2005 werden weerlegd door de GECORO door te verwijzen naar het schrijven van 26.04.2005 van de bestendige deputatie en de hierboven weergegeven motivering. Deze bewaren opgeworpen door verzoekende partij in het kader van het openbaar onderzoek worden door de GECORO eveneens weerlegd door te verwijzen naar de hierboven weergegeven motivering betreffende de weerlegging van de bezwaren van de Bestendige Deputatie. 4.- De motivering van de Gecoro, welke tevens overgenomen werd in het besluit van de gemeenteraad van eerste verwerende partij dd. 5.09.2005 houdende definitieve aanvaarding (vaststelling?) van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, is echter strijdig met de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen. 5.- Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de Bestendige Deputatie door eerste verwerende partij in het kader van het vooroverleg nooit werd aanschreven om advies te verlenen. Dit blijkt afdoende uit de vermelde vaststellingsbeslissing dd. 5.09.2005 waarin geen melding wordt gemaakt van de Bestendige Deputatie maar enkel van de Dienst Ruimtelijke Planning en Waterbeleid van de Provincie. Echter ook uit het verslag en voorstel van de Dienst Ruimtelijke Planning van de Provincie Antwerpen met kenmerk ROGMU/02-21/paujoar, opgesteld ter voorbereiding van het advies van de Bestendige Deputatie in het kader van het openbaar onderzoek wordt ter hoogte van de hoofding ‘procedure’ aangegeven dat ‘De tweede plenaire vergadering omtrent het RUP Dreefvelden vond plaats op 19 november 2004. Uw college heeft geen advies uitgebracht naar aanleiding van deze plenaire vergadering.’. De interpretatie weergegeven in het schrijven van de Dienst Ruimtelijke planning dd. 24.04.2006 aangaande het goedkeuringsbesluit dd. 26.06.2003 van de Bestendige Deputatie van het Ruimtelijk structuurplan van eerste verwerende partij gaat dan ook manifest uit van een onbevoegde instantie, namelijk de diensten van de Bestendige Deputatie en niet van de Bestendige Deputatie zelf. Het advies van de diensten dateert bovendien van ruimschoots voor de plenaire vergadering waarvoor de uitnodigingen pas werden verstuurd op 25.10.2004. Anderzijds verbieden de bepalingen van artikel 49§4 DORO waarin wordt bepaald dat de bestendige deputatie en de Vlaamse Regering een advies inzake de overeenstemming van het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met de hogere structuurplanning dient te verlenen, de Bestendige Deputatie en de Vlaamse regering geenszins om zoals ieder belanghebbende partij alsnog bezwaar in te dienen, cq. haar opmerkingen te formuleren. De bezwaren zijn dan ook geenszins laattijdig. De motivering waarop de GECORO zich steunt om de bezwaren van de Bestendige Deputatie, de Vlaamse Regering en verzoekende partij te weerleggen door te verwijzen naar het schrijven dd. 24.04.2006 zijn dan ook manifest strijdig met artikel 49 §4 en ontberen rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag zodat aan de uitdrukkelijke motiveringsvereiste van artikel 49 §5 in hoofde van de GECORO niet voldaan werd. 6.- Niettegenstaande echter de door tweede verwerende partij in schrijven dd. 31.03.2005 zelf opgeworpen bezwaren wordt aan het ‘Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan Dreefvelden’ dat de gemeenteraad van Sint-Katelijne-Waver op 5 september 2005 definitief vastgesteld heeft en dat aan deze bezwaren niet tegemoet kwam, toch door tweede verwerende partij X-12.765-12.768-14/62 middels het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 3 november 2005 goedkeuring verleend. Door tweede verwerende partij wordt namelijk in strijd met haar eerdere bezwaren enkel de zin ‘De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten binnen de bestemmingszone mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster’ in de tweede paragraaf van artikel 1.1.1. ‘Hoofdbestemming’ op bl. 7 van de stedenbouwkundige voorschriften, van goedkeuring uitgesloten. Hierdoor worden enerzijds de andere beperkingen voor de aldaar aanwezige bedrijven, waaronder verzoekende partij, welke voor de duur van hun uitbating worden opgelegd door artikel 2.1.1., artikel 1.1.1. en artikel 1.2. van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van het RUP ‘Dreefvelden’, wel degelijk goedgekeurd waardoor het goedkeuringsbesluit en ipso facto de voorschriften van het RUP zelf bovendien intern strijdig worden in samenlezing met de van goedkeuring uitgesloten beperking van artikel 1.1.1.. Anderzijds wordt aan de andere bezwaren betreffende het traject van de weg en het ontsluitingsscenario, de ruimtelijk veiligheidsrapportage en de inplantingsplaats van de buffering eveneens zonder enige dienstige motivering voorbijgegaan en wordt het RUP goedgekeurd. Deze handelswijze behelst een manifeste schending van het patere legem quem ipse fecisti beginsel en artikel 50 §2 DORO nu door tweede verwerende partij wordt teruggekomen op een eerder geformuleerd standpunt. Bovendien wordt dit standpunt zonder enige dienstige motivering gewijzigd waardoor de goedkeuringsbeslissing in hoofde van tweede verwerende partij eveneens aan de materiële en formele motiveringsvereisten voorbijgaat. Tenslotte is de handelswijze in hoofde van tweede verwerende partij manifest onzorgvuldig nu zij door goedkeuring aan het RUP te verlenen terugkomt op de eerder geformuleerde bezwaren en daarbij bij gebreke aan een eigen motivering schijnbaar de weerlegging van de bezwaren door de GECORO van eerste verwerende partij volgt welke stelde dat de bezwaren laattijdig zijn en dienden opgeworpen in het kader van de plenaire vergadering. Zoals supra reeds werd aangehaald werd tweede partij dan wel niet aangeschreven in het kader van het plenair overleg, dan wel liet zij volkomen onzorgvuldig na haar bezwaren tijdig te formuleren waardoor aan haar rechtmatige bezwaren niet kon verholpen worden. De bestreden beslissing is dan ook manifest strijdig met de bepalingen en beginselen opgeworpen ter hoogte van het middel. Het middel is gegrond”. Beoordeling 11.1. Artikel 49, § 4 en § 5 DRO luidde toentertijd als volgt: “§ 4. Opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek toegezonden aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. De bestendige deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen dezelfde termijn een advies inzake de overeenstemming van het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met het provinciaal ruimtelijk structuurplan en de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, of, in voorkomend geval, de overeenstemming met een ontwerp van provinciaal X-12.765-12.768-15/62 ruimtelijk structuurplan en een ontwerp of ontwerpen van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. De Vlaamse regering bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen dezelfde termijn een advies inzake de overeenstemming van het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, of, in voorkomend geval, de overeenstemming met een ontwerp van ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en een ontwerp of ontwerpen van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. Het college van burgemeester en schepenen en de bestendige deputatie van respectievelijk de gemeenten en de provincies die grenzen aan de gemeente, kunnen de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening een advies bezorgen binnen dezelfde termijn. § 5. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en brengt binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de gemeenteraad. Dat advies bevat de integrale adviezen van de bestendige deputatie en de Vlaamse regering. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening het college van burgemeester en schepenen de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren. Wanneer de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening geen advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. In dat geval bezorgt ze onmiddellijk de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren aan de gemeenteraad”. Artikel 50 DRO luidde toentertijd als volgt: “§ 1. Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling ter goedkeuring toegezonden aan de bestendige deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen bij aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de gemeente het plan, het besluit van de gemeenteraad en het advies aan de bevoegde planologische ambtenaar. § 2. De bestendige deputatie verstuurt haar beslissing naar het college van burgemeester en schepenen binnen 60 dagen na ontvangst van het dossier. Wanneer aan het plan goedkeuring wordt onthouden, is het besluit gemotiveerd. De beslissing van de bestendige deputatie wordt onmiddellijk gemeld aan de bevoegde planologische ambtenaar. § 3. Als de bestendige deputatie nalaat een beslissing te nemen binnen de termijn, bedoeld in § 2, kan het college van burgemeester en schepenen de bestendige deputatie rappelleren voor wat het ruimtelijk uitvoeringsplan betreft binnen 30 dagen na het verstrijken van die termijn. Deze rappel kan niet worden ingetrokken. Indien het college binnen die termijn geen rappelbrief heeft verstuurd, vervalt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Indien de bestendige deputatie geen beslissing heeft verstuurd binnen 35 dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief is verstuurd, wordt het door de gemeenteraad definitief vastgestelde gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geacht te zijn goedgekeurd, behalve wat het onteigeningsplan betreft. De gemeente brengt de bevoegde planologische ambtenaar onmiddellijk na het verstrijken van de termijn hiervan op de hoogte”. X-12.765-12.768-16/62 11.2.1. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, waar de verzoeker er blijkens de toelichting bij het middel van uitgaat dat GECORO het schrijven van 31 maart 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen naast zich zou hebben neergelegd wegens “laattijdig” en omdat de bezwaren dienden te worden opgeworpen “in het kader van de plenaire vergadering”, het middel feitelijke grondslag mist, nu blijkt dat GECORO “er voor gekozen (heeft) om de bezwaren niet naast zich neer te leggen maar toch een passend antwoord (wenst) te formuleren op de ingediende bezwaren”. 11.2.2. Bovendien kan GECORO, ter weerlegging van de bezwaren aangaande de onverenigbaarheid van het voorliggend GRUP met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de eerste verwerende partij, in tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt, wel degelijk verwijzen naar de brief van de tweede verwerende partij van 26 april 2004 die “verduidelijkingen” inhoudt “bij het besluit dat de bestendige deputatie nam bij de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan” en die gevoegd was bij de toelichtingsnota bij het voorliggend GRUP. Deze brief werd overigens opgesteld door het departement Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit - dienst Ruimtelijke Planning van de provincie Antwerpen, “namens de Bestendige Deputatie”, zodat de verzoeker evenmin kan worden gevolgd waar hij stelt dat deze brief zou uitgaan van een “onbevoegde instantie”. 11.2.3. In zoverre de verzoeker de tweede verwerende partij een onzorgvuldige handelswijze verwijt, nu zij bij het bestreden besluit haar goedkeuring verleent aan het GRUP, daar waar zij in haar schrijven van 31 maart 2005 nog bezwaren uitte ten aanzien van het ontwerp, dient vooreerst te worden vastgesteld dat de tweede verwerende partij haar goedkeuring onthield aan de zin “De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten binnen de bestemmingszone mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1ha per bedrijf of bedrijvencluster” in de tweede paragraaf van artikel 1.1.1. “Hoofdbestemming” van de stedenbouwkundige voorschriften. Daarenboven werden de opmerkingen van de tweede verwerende partij, zoals geuit in haar voormeld schrijven van 31 maart 2005, door GECORO op 30 mei 2005 besproken en beantwoord. Aangaande het advies van GECORO wordt het volgende gesteld in het bestreden besluit: “Overwegende dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van Sint-Katelijne-Waver voorstelt om aan bepaalde bezwaren en opmerkingen gedeeltelijk tegemoet te komen; dat bepaalde andere bezwaren en opmerkingen X-12.765-12.768-17/62 niet worden ingewilligd; dat het advies een argumentatie aanbrengt voor het afwijzen van de meeste van deze bezwaren en opmerkingen”. Uit haar goedkeuring van het GRUP blijkt dat de tweede verwerende partij in het advies van GECORO een afdoende antwoord kreeg op haar bezwaren en dat zij zich bij het standpunt van GECORO heeft aangesloten. Er bestond voor haar, overeenkomstig artikel 50 DRO, geen verplichting om uitdrukkelijk te motiveren waarom zij, ondanks haar eerdere opmerkingen, toch haar goedkeuring heeft verleend. Waar de verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat de bezwaren van de tweede verwerende partij betrekking hadden op alle bestaande bedrijven en niet gedifferentieerd waren naar de individuele bestaande bedrijven toe (terwijl het goedkeuringsbesluit wel een differentiatie maakt tussen de bestaande bedrijven, door voor zone 1 de uitbreidingsbeperking niet goed te keuren en voor zone 2 wel) en dat hij zich “in dezelfde rechtstoestand” bevindt als de bedrijven die vallen onder zone 1 geeft hij een nieuwe en laattijdige grondslag aan het middel. Bovendien heeft de bestendige deputatie, blijkens haar motivering, de goedkeuring aan de uitbreidingsbeperking voor zone 1 onthouden omdat in die zone bedrijven gevestigd zijn die alle een oppervlakte innemen die groter is dan 1 hectare, zodat de uitbreidingsbeperking tot 1 hectare voor die bedrijven geen zin zou hebben. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 12. De verzoeker voert in het derde middel het volgende aan: “DERDE MIDDEL genomen uit de schending van artikelen 3, 4, 38, 39, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, uit schending van de materiële en formele motiveringsverplichting, uit de schending van het rechtszekerheids- en redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur en uit de machtsoverschrijding DOORDAT in artikel 1.2. en 2.2. van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van de bestreden beslissing bepaald wordt dat: ‘De zone voor lokaal bedrijventerrein zal ontwikkeld en beheerd worden hetzij door de overheid hetzij onder toezicht van de overheid. Doel hierbij is een maximale kwalitatieve ontwikkeling na te streven.’ EN DOORDAT de toelichtende nota van de bestreden beslissing aangaande de draagwijdte van vermelde voorschriften in geen verdere duiding voorziet. X-12.765-12.768-18/62 EN DOORDAT verzoekende partij inmiddels een schrijven van de door eerste verwerende partij schijnbaar in functie van vermelde voorschriften daartoe aangestelde Intercommunale IGEMO mocht ontvangen waarin gestipuleerd wordt: ‘Eind 2005 werd het ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) voor het lokaal bedrijventerrein Dreefvelden van kracht. Dit plan heeft tot doel een oplossing te bieden voor een aantal ruimtelijke problemen waaronder de bereikbaarheid van de volledige KMO-zone, de ontsluiting van alle individuele bedrijfspercelen, de afwatering en buffering van het hemelwater, de visuele uitstraling van het bedrijventerrein, enz. Opdat deze doelstellingen ook effectief worden gerealiseerd, is het noodzakelijk dat het plan vertaald wordt in concrete acties. De belangrijkste daarvan zijn ongetwijfeld de aanleg van nieuwe wegen en riolering, alsmede de herkaveling van een aantal bestaande percelen. Als intercommunale voor streekontwikkeling werd IGEMO door het gemeentebestuur Sint-Katelijne-Waver aangesteld om de praktische uitvoering en in het bijzonder de onderlinge samenwerking tussen alle partijen (eigenaars, bedrijven, gemeente) te onderzoeken en de praktische uitvoering van het plan te begeleiden (...)’. EN DOORDAT artikel van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt: ‘De ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten wordt vastgelegd in ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen’ EN DOORDAT artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt: ‘De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.’ EN DOORDAT artikel 38, § 1, eerste lid, 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt: ‘§ 1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: 1/ (...) 2/ de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer’; EN DOORDAT Uw Raad reeds van oordeel was dat uit de wetsgeschiedenis van het voornoemde artikel 38, § 1, eerste lid, 2/ (Gedr. St. Vl. Parl. 1998-99, nr. 1332-1, 23) blijkt dat op het eerste gezicht een stedenbouwkundig voorschrift inzake het beheer van het plangebied geen betrekking lijkt te hebben op de realisatie van de bestemming, maar gericht lijkt op het behoud van de ruimtelijke voorwaarden voor het goed functioneren van functies en activiteiten die in het plangebied zijn toegelaten enerzijds en op de bewaring van ruimtelijk karakteristieke elementen of eigenschappen van het plangebied anderzijds en dat een beheersvoorschrift in ruime zin moet begrepen worden, met dien verstande dat dit zich beperkt tot het domein van de ruimtelijke ordening; EN DOORDAT Uw Raad reeds van oordeel was dat, bij het onderwerpen van een perceel aan een voorschrift van bestemming, inrichting en/of beheer, de bevoegde overheid daartoe, in het licht van de in artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde doelstellingen, over een ruime X-12.765-12.768-19/62 beoordelingsbevoegdheid beschikt en dat derhalve, wanneer een voorschrift van beheer wordt bepaald, de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd lijkt na te gaan of de bevoegde overheid bij de uitoefening van deze bevoegdheid, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; EN DOORDAT Uw Raad reeds van oordeel was dat een voorschrift van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet worden geïnterpreteerd rekening houdend met de hogere norm die artikel 38 van het decreet ruimtelijke ordening is; EN DOORDAT artikel 39 §1 in fine van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat: ‘De stedenbouwkundige voorschriften kunnen modaliteiten voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen.’ DOORDAT uit de parlementaire toelichting blijkt dat met ‘modaliteiten die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen’ bedoeld wordt dat wanneer het voorschrift de inrichting regelt (bijvoorbeeld m.b.t. kavelgroottes, ontsluiting door wegeninfrastructuur, enz ...) dat voorschrift tevens de wijze kan regelen waarop de te nemen beslissingen moeten genomen worden en dat zo procedureregels kunnen worden opgenomen in planvoorschriften voor de verdere uitwerking van de inrichting in een gemeentelijk uitvoeringsplan TERWIJL artikelen 1.2. en 2.2., noch enig ander voorschrift van het verordend deel -stedenbouwkundige voorschriften, noch de toelichtende nota van de bestreden beslissing, noch het grafisch plan enige bepaling of modaliteit betreffende de concrete inrichting of het beheer van het uitvoeringsplan bevatten. EN TERWIJL de bestreden beslissing louter de bevoegdheid tot het vaststellen van de nadere inrichting en beheer zonder enige motivering toekent aan de overheid hetzij aan een entiteit onder toezicht van de overheid. EN TERWIJL de bestreden beslissing geen enkele rechtszekerheid biedt aangaande de concrete inrichting en het beheer van de betreffende zone en een onredelijke invulling van de bevoegdheid tot het vaststellen van voorschriften aangaande de inrichting en het beheer. ZODAT de bestreden beslissing de bepalingen en beginselen ter hoogte van het middel schendt. Toelichting: 1.- Uit lezing van artikel 3, 4, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening volgt dat de ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten wordt vastgelegd in ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen en dat deze ruimtelijke ordening gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden, dat daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen en er rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen en zodoende gestreefd wordt naar ruimtelijke kwaliteit. Het in casu als ruimtelijk ordeningsinstrument gehanteerde gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Dreefvelden op basis van 38 en 39, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer’ dient te bevatten. Artikel 39 §1 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de stedenbouwkundige voorschriften X-12.765-12.768-20/62 modaliteiten kunnen voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen. (...) 2.- Dat thans verzoekende partij zonder dat artikelen 1.2. en 2.2., noch enig ander voorschrift van het verordend deel -stedenbouwkundige voorschriften, noch de toelichtende nota van de bestreden beslissing, noch het grafisch plan enige bepaling of modaliteit betreffende de concrete inrichting of het beheer van het uitvoeringsplan bevatten cq. die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen, thans geconfronteerd wordt met een schijnbaar door eerste verwerende partij aangestelde Intercommunale IGEMO welke zal overgaan tot ‘de praktische uitvoering en in het bijzonder de onderlinge samenwerking tussen alle partijen te onderzoeken en de praktische uitvoering van het plan te begeleiden’ cq. het ontwikkelen en beheren van de zone. Ondermeer wordt ‘een herkaveling van een aantal bestaande percelen’ nagestreefd. In casu wordt dus in strijd met de in het middel aangehaalde bepalingen het daadwerkelijke beheer en inrichten van het plangebied niet in de bestreden beslissing door middel van voorschriften, modaliteiten of een grafisch plan zelf vervat maar wordt louter de bevoegdheid daartoe aan de overheid gelaten i.c. gedelegeerd aan een derde onder toezicht van de overheid. De bestreden beslissing biedt dan ook geen enkele rechtszekerheid aan verzoekende partij aangaande de inrichting en het beheer noch biedt de bestreden beslissing enige vorm van rechtsbescherming bij het daadwerkelijk door IGEMO uitgevoerde beheer en inrichting. In de bestreden beslissing zelf wordt namelijk geen enkele nader inrichting- of beheersvoorschrift opgenomen waarbij bijvoorbeeld m.b.t. kavelgroottes wordt vastgelegd noch enig voorschrift dat de wijze waarop de te nemen beslissingen moeten genomen worden vastlegt. 3.- Bovendien dient te worden vastgesteld dat aangaande de interne wettigheid Uw Raad niet kan toetsen of eerste verwerende partij bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van voorschriften aangaande het beheer en de inrichting van het gebied vervat in artikelen 1.1. en 1.2., uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, bij gebreke aan enige motivering of nadere modaliteit. Daarbij is het toevertrouwen van de inrichting en het beheer zonder te voorzien in enige nadere regeling van het gebied in de bestreden beslissing zelf aan een derde niet anders dan een onredelijke uitoefening van deze bevoegdheid. De bestreden beslissing schendt dan ook de bepalingen en beginselen ter hoogte van het middel. Het middel is gegrond”. 13. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op: “44. Verwerende partij verwijst voor zoveel als nodig naar de weerlegging van het zevende middel hierna dat in feite dezelfde schendingen aanvoert maar ze anders toelicht. 45. De inrichting van het terrein dient in overeenstemming te zijn de toegelaten bedrijfsactiviteiten. Op het ogenblik dat de nabestemming wordt doorgevoerd zal het terrein ontwikkeld en beheerd worden hetzij door verwerende partij, hetzij onder haar toezicht. De oprichting van constructies en gebouwen moet rechtstreeks verband houden met de bestemming die in het X-12.765-12.768-21/62 gebied is toegelaten. Er valt niet in te zien hoe hieruit een nadeel kan voortvloeien voor verzoekende partij. Zij toont haar belang bij het middel niet aan. Ieder die zich tot Uw Raad wendt, moet niet enkel (algemeen) laten blijken een belang te hebben bij het instellen van de procedure zelf, doch dient tevens over een belang te beschikken bij ieder van de ingeroepen middelen. Deze beoordeling van het belang bij een middel, dient te gebeuren aan de hand van dezelfde voorwaarden die welke gelden bij het onderzoek van het belang van de vordering in het algemeen. Aldus moet gesteld worden dat bij de beoordeling van elk middel moet worden teruggegrepen naar de definitie die gegeven wordt van het belang als ontvankelijkheidvoorwaarde. Daar deze niet éénduidig in de rechtspraak van de Raad van State is terug te vinden, sluiten we ons aan bij de auteurs A. MAST en J. DUJARDIN, dewelke het belang als volgt definiëren: ‘Het belang is het voordeel dat de verzoeker verwacht uit het verdwijnen van de schade die voor hem is ontstaan uit de bestreden beslissing, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging.’ 46. Dat een herverkaveling wordt nagestreefd van een aantal bestaande percelen moet gezien worden i.f.v. het algemeen belang van de bestemming die nagestreefd wordt. Het is mogelijk dat het niet samen loopt met het individueel belang van elke eigenaar op zich. De verdere invulling van die planning zal hierover inzicht verschaffen. Het vereist verdere, aanvullende planning. Elke verdere planning houdt voor verzoekende partij waarborgen in. Er zal inspraak zijn, en openbaar onderzoek. De rechten van de eigenaars worden daarbij gerespecteerd. 47. Een onderzoeksopdracht toevertrouwen aan een andere overheid schendt het rechtszekerheidsbeginsel niet. 48. Het middel laat niet toe, op de wijze zoals het toegelicht wordt, de er in geschonden geachte artikelen of beginselen te onderzoeken of weerleggen. 49. In zoverre machtsoverschrijding in het middel wordt ingeroepen, wordt dit niet toegelicht. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. 50. Het middel is, in zoverre ontvankelijk, niet gegrond”. Beoordeling 14.1. Artikel 2.2 “Inrichtings- en beheersvoorschriften” van de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP stipuleert het volgende: “(...) De zone voor lokaal bedrijventerrein zal ontwikkeld en beheerd worden hetzij door de overheid hetzij onder toezicht van de overheid. Doel hierbij is een maximale kwalitatieve ontwikkeling na te streven. (...)”. Verwijzend naar dit onderdeel van dit stedenbouwkundig voorschrift stelt de verzoeker dat noch de “artikelen 1.2. en 2.2., noch enig ander voorschrift van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften, noch de toelichtende nota van de bestreden beslissing, noch het grafisch plan enige bepaling of modaliteit betreffende de concrete inrichting of het beheer van het uitvoeringsplan bevatten”, dat “de bestreden beslissing louter de bevoegdheid tot het vaststellen van de nadere inrichting en beheer zonder enige motivering toekent aan X-12.765-12.768-22/62 de overheid hetzij aan een entiteit onder toezicht van de overheid” en dat “de bestreden beslissing geen enkele rechtszekerheid biedt aangaande de concrete inrichting en het beheer van de betreffende zone en een onredelijke invulling van de bevoegdheid tot het vaststellen van voorschriften aangaande de inrichting en het beheer”. Nu de verzoeker het bestreden besluit in deze zin leest, kan de exceptie van de eerste verwerende partij niet worden aangenomen. De verzoeker heeft belang bij het derde middel. Het middel is ook voldoende duidelijk. 14.2. Artikel 38, § 1, 2/ DRO bepaalt: “§1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat : (...) 2° de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer; (...)”. Onder stedenbouwkundige voorschriften inzake inrichting wordt onder meer begrepen voorschriften met betrekking tot kavelgroottes, ontsluiting door wegeninfrastructuur, bebouwingsvrij houden van bepaalde zones, esthetische voorschriften in verband met bouwmaterialen en plaatsing van gebouwen (Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. P. 1998-1999, stuk 1332, nr. 1, 24). In de Memorie van Toelichting bij het DRO wordt tevens gesteld dat de stedenbouwkundige voorschriften van het plan in de eerste plaats bestemming, inrichting en/of beheer betreffen en: “Het spreekt voor zich dat een ruimtelijk uitvoeringsplan niet steeds alle hierboven vermelde soorten voorschriften moet bevatten”. 14.3. Artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften bij het bestreden GRUP voorziet, naast de bestemmingsvoorschriften bepaald in artikel 2.1, in artikel 2.2 in concrete voorschriften aangaande de inrichting van deze zone. Artikel 2.2 “Inrichtings- en beheersvoorschriften” bepaalt immers het volgende: “2.2 Inrichtings- en beheersvoorschriften De inrichting van het terrein dient in overeenstemming te zijn met de toegelaten bedrijfsactiviteiten. Werken, handelingen, voorzieningen en inrichtingen - zoals bedoeld in artikel 99§1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - die nodig zijn voor de realisatie, het onderhoud en de instandhouding van het terrein als lokaal bedrijventerrein zijn toegelaten. X-12.765-12.768-23/62 De zone voor lokaal bedrijventerrein zal ontwikkeld en beheerd worden hetzij door de overheid hetzij onder toezicht van de overheid. Doel hierbij is een maximale kwalitatieve ontwikkeling na te streven. 2.2.1 Verkavelingvoorschriften In uitvoering van het RUP kunnen er op basis van een verkavelingsplan of stedenbouwkundige vergunning wegen worden aangelegd. Indien de aanleg gebeurt op basis van een stedenbouwkundige vergunning, dient steeds een globaal beeld van de ontsluiting van het bedrijventerrein bij de vergunning te worden gevoegd. Bij herverkaveling staan de nieuwe kavelgrenzen loodrecht op de bestaande rooilijn, mogelijk uitgezonderd de te behouden kavelgrenzen in aansluiting op niet in de verkaveling opgenomen percelen. Herverkaveling kan slechts worden toegestaan voor de totaliteit van een samenhangend bedrijfsgebied. Dit betekent dat geen vergunningen zullen worden afgeleverd voor nieuwe bedrijfsvestigingen als er geen duidelijk beeld is over de percelering en inrichting van de totaliteit van de betrokken zone, ook niet voor delen binnen een bestaand bedrijf of voor delen van geclusterde bedrijven. 2.2.2 Bedrijfsgebouwen en constructies De oprichting van constructies en gebouwen die rechtstreeks verband houden met de bestemming van het gebied zijn toegelaten. Er wordt via een verzorgd materiaalgebruik en een aangepaste hedendaagse vormgeving gestreefd naar architecturaal aantrekkelijke projecten. Een zuinig ruimtegebruik wordt voorop gesteld waarbij de integratie van de verschillende bedrijfsonderdelen voorop wordt gesteld. Dit zuinig ruimtegebruik uit zich tevens door een maximale benutting en verdichting van de beschikbare oppervlakte. Bedrijfsgebouwen worden gegroepeerd gebouwd (gekoppeld of geschakeld). Het optrekken van gebouwen met meerdere bouwlagen is hierbij wenselijk. Voor de inrichting van een bedrijfswoning en kantoren wordt de verplichting opgelegd om deze te integreren in het bedrijfsgebouw. Bedrijfswoningen en kantoren worden zo veel mogelijk in een tweede bouwlaag ondergebracht. Van deze voorschriften kan enkel afgeweken worden indien dit uitdrukkelijk aangetoond wordt op basis van veiligheids- en of andere (o.a. technische) vereisten eigen aan de activiteit of omwille van verordenende regelgeving ter zake. 1/ Bebouwingspercentage (terreinbezetting) Inzake terreinbezetting kunnen twee zones, zoals aangeduid op plan, onderscheiden worden. Zone 2a: oppervlakte bedrijfskavel: minimum 1.800m² / maximum 5.000m² Zone 2b: oppervlakte bedrijfskavel: minimum 1.000m² / maximum 4.000m² Minimum twee/derde van de bouwstrook van een kavel dient te worden bezet met bedrijfsgebouwen en/of infrastructuur. Een bedrijf kan op een bijkomend perceel slechts een stedenbouwkundige vergunning krijgen als minstens 75% van de bestaande zone benut is (bedrijfsgebouwen, opslag, verhardingen), tenzij de opgelegde bouwvrije afstanden dit verhinderen (zoals verder bepaald onder punt 2/). De uitbreiding zal met het bestaande perceel als één bedrijfskavel worden aanzien. 2/ Plaatsing van bedrijfsgebouwen en constructies Plaatsing t.o.v. de rooilijn De gebouwen en constructies kunnen ingeplant worden op min. 15 meter en max. 20 meter van de rooilijn. Deze bepaling is niet van toepassing voor de zone 2b, gelet op de beperkte diepte van de percelen. In deze zone geldt een minimum afstand van 8 meter uit de rooilijn. X-12.765-12.768-24/62 Een uitzondering op de algemene regelgeving inzake plaatsing t.o.v. de rooilijn geldt voor het driehoekig perceel, zoals momenteel aangegeven op het kadastraal plan, gelegen langs Dreefvelden ter hoogte van de zone voor openbare dienstverlening met nabestemming zone voor lokaal bedrijventerrein, waarbij een minimum afstand van 8m geldt. Indien echter voor dit perceel een nieuwe percelering aan de orde is, die mogelijkheden schept voor een nieuwe inplanting van bedrijfsgebouwen, gelden de voorziene afstandregels. Plaatsing t.o.v. andere perceelsgrenzen De afstand tussen de gebouwen en constructies en de zijdelingse perceelsgrens of de achterste grens van de bestemmingszone is, op uitzondering van de gekoppelde en geschakelde gevels, gelijk aan de kroonlijsthoogte, met een min. van 4 meter. Bijzondere regels inzake plaatsing zone 2a: • plaatsing t.o.v. de zone voor groenbuffer (zone 8): minimum 4m; • plaatsing t.o.v. de zone voor open oppervlaktewateren (zone 9): minimum 4m; • plaatsing t.o.v. de kavelgrenzen daar waar geen groenbuffer of zone voor open oppervlaktewateren aanpalend is: minimum 6m; in geval van gekoppelde of geschakelde bebouwing wordt de plaatsing t.o.v. de gemeenschappelijke zijkavelgrens herleid tot 0m; Bijzondere regels inzake plaatsing zone 2b: • plaatsing t.o.v. de zone voor groenbuffer (zone 8): minimum 4m; • plaatsing t.o.v. de zone voor open oppervlaktewateren (zone 9): minimum 4m; • plaatsing t.o.v. de kavelgrenzen daar waar geen bufferstrook aanpalend is: minimum 6m; in geval van gekoppelde of geschakelde bebouwing wordt de plaatsing t.o.v. de gemeenschappelijke zijkavelgrens herleid tot 0m. Wanneer een vergunning wordt verleend voor het bouwen tot op de zij- of achterkavelgrens dan wordt voor de aanpalende de verplichting opgelegd te bouwen tot op de gemeenschappelijke kavelgrens. Om redenen van brandveiligheid wordt tussen de perceelsgrens en de bedrijfsgebouwen een bouwvrije strook voorzien met een breedte van min. 4 meter waarbij de ruimte wordt gevrijwaard voor de doorgang van brandweerwagens, uitgezonderd langs de zijdelingse perceelsgrens waar tegenaan gebouwd wordt. 3/ Afmeting van bedrijfsgebouwen en constructies De hoogte van het gebouw tot de nok van het dak bedraagt minimum 6 meter en maximum 14m in de zone 2b en minimum 6m en maximum 17.5 meter in de zone 2a. De minimum kroonlijsthoogte bedraagt 6m. De dakvorm is vrij voor zover de bouwhoogte gerespecteerd wordt. Bij gekoppelde of geschakelde gebouwen wordt de dakvorm van de gebouwen afgestemd op de eerst ingediende goedgekeurde aanvraag. De hoogte van het gebouw tot de kroonlijst is voor gekoppelde en geschakelde bebouwing gelijk, dit zowel aan de voorgevel als aan de achtergevel. Voor het plaatsen van technische installaties die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het gebouw kan hiervan afgeweken worden, indien de installatie zich uitstrekt over een beperkte oppervlakte van het dak, met een max. van 75 m² of 10% van de totale dakoppervlakte van het gebouw. De hoogte ervan wordt afgestemd op de hoogte van het bedrijfsgebouw. De nevenbestemmingen zoals toonzalen, ruimten voor catering, sociale inrichtingen voor het personeel of een bedrijfswoning moeten worden X-12.765-12.768-25/62 geïntegreerd in de gebouwen en bedragen samen max. 1/3 van de nuttige vloeroppervlakte van de gebouwen. 4/ Welstand van bedrijfsgebouwen en constructies De gebruikte materialen dienen zowel esthetisch verantwoord als aangepast aan de omgeving te zijn. Voor de gevels komen onder andere baksteen, gevelsteen, natuursteen, sierbepleistering, zichtbeton, metaal en aluminium in aanmerking. Het gebruik van hout met een duurzaamheidslabel wordt voorop gesteld. Voor de dakbekleding kunnen onder meer bitumineuze materialen of roofing voor platte daken, pannen of leien voor zadeldaken en koper of zink voor gebogen daken gebruikt worden. Ook ‘groene’ daken zijn toegestaan. Tussen de verschillende bouwdelen dient er een eenheid in vormgeving en in gebruikte materialen te bestaan. Het materiaalgebruik is voor gekoppelde en geschakelde bebouwing gelijk of minstens harmonisch wat betreft textuur, uitzicht en kleur. 5/ Bijzondere bedrijfsgebouwen en constructies Het oprichten van zonnepanelen is toegestaan, zover ze binnen de voorgeschreven omtrek van de bedrijfsgebouwen blijven. Het oprichten van schotelantennes en zendmasten ed. is toegestaan, op of los van de bedrijfsgebouwen. Het plaatsen van een zendmast, inclusief de ruimte voor de bijhorende apparatuur, gebeurt op min. 10m afstand ten opzichte van de aangrenzende bufferstroken. 2.2.3 Bestaande bebouwing De voorschriften hebben betrekking op de bestaande in hoofdzaak vergunde en niet-verkrotte constructies. De uitbreiding van bestaande bedrijfsactiviteiten mag niet leiden tot een totale oppervlakte van 1 ha per bedrijf of bedrijvencluster. Indien de bestaande bebouwing niet voldoet aan de bebouwings- en inrichtingsvoorschriften van zone 2, zijnde de zone voor lokaal bedrijventerrein, dan vormen de stedenbouwkundige voorschriften van dit RUP op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling van aanvragen tot het verkrijgen van een vergunning met betrekking tot bestaande bedrijfsgebouwen en verhardingen, voor zover de aanvraag betrekking heeft op: • het uitvoeren van instandhoudings- en onderhoudswerken • het verbouwen van niet-verkrotte gebouwen of infrastructuur binnen het bestaande bouwvolume • het herbouwen van niet-verkrotte gebouwen of infrastructuur binnen het bestaande volume op dezelfde plaats • het herbouwen van niet-verkrotte gebouwen of infrastructuur binnen het bestaande volume op een gewijzigde plaats om te voldoen aan de voorschriften van onderhavig plan met betrekking tot afstanden t.o.v. de rooilijnen en kavelgrenzen • het uitbreiden van een bedrijfsgebouw of infrastructuur als deze uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van het voortzetten van de uitbating en deze uitbreiding niet meer bedraagt dan 15% van de bestaande vergunde gebouwen en verhardingen. • het veranderen van de uitbating zonder vermeerdering in oppervlakte of volume • het uitbaten in een gebouw of op een infrastructuur waarvoor bij toepassing van dit voorschrift definitief een vergunning voor instandhouding, onderhoud, ver- of herbouwen of uitbreiden van het gebouw of infrastructuur is verleend. Een loutere naamsverandering of een verandering van eigenaar moeten mogelijk blijven. Indien de bestaande bebouwing niet voldoet aan de bestemmingsvoorschriften van zone 2, zijnde de zone voor lokaal bedrijventerrein, dan vormen de X-12.765-12.768-26/62 stedenbouwkundige voorschriften van dit RUP op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling van aanvragen tot het verkrijgen van een vergunning met betrekking tot bestaande bedrijfsgebouwen en verhardingen, voor zover de aanvraag betrekking heeft op: • het uitvoeren van instandhoudings- en onderhoudswerken • het verbouwen van niet-verkrotte gebouwen of infrastructuur binnen het bestaande bouwvolume • het uitbreiden van een bedrijfsgebouw of infrastructuur als deze uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van het voortzetten van de bestaande uitbating en deze uitbreiding niet meer bedraagt dan 15% van de bestaande vergunde gebouwen en verhardingen. Een loutere naamsverandering of een verandering van eigenaar moeten mogelijk blijven. Bij wijzigingen van gebruik dienen de bestemmingsvoorschriften van dit RUP steeds nageleefd te worden. 2.2.4 Aanleg van het terrein Een zuinig ruimtegebruik geniet de voorkeur. In deze zone mogen geen afval(stoffen), grondstoffen of materialen gestort worden en dient rekening te worden gehouden met de toegankelijkheid voor hulpdiensten. 1/ Algemeen Stapelplaatsen, opslag van materialen, toegangen tot gebouwen, los- en laadkades kunnen worden voorzien in de onbebouwde zones van het terrein. De verharding gebeurt, waar de bedrijfsactiviteiten dit toelaten, bij voorkeur met waterdoorlatende materialen. De percelen dienen afgesloten te worden met levende hagen en/of geplastificeerde draadafsluiting en palen of met hekwerk al dan niet begroeid met klimplanten, van maximaal 2,6m hoogte. De afsluiting wordt geplaatst op de perceelsgrens. 2/ Parkeervoorzieningen Elk bedrijf moet in de desbetreffende zone instaan voor haar eigen behoeften aan parkeervoorzieningen, en dit zowel voor bedrijfswagens, voertuigen personeel als voor bezoekers. De parkeervoorzieningen kunnen enkel toegestaan worden buiten de zone voor groenbuffer (zone 8), de zone voor open oppervlaktewateren (zone 9) en de kaveldelen bestemd voor groenaanleg. Het maximaal aantal parkeerplaatsen bedraagt 1,4 per 100m² bruto vloeroppervlakte van het bedrijfsgebouw. 3/ Toegelaten verhardingen De niet-bebouwde delen van de bedrijfskavel kunnen voor maximaal 80% van hun oppervlakte worden verhard ten behoeve van opritten, de aanleg van parkeervoorzieningen en interne ontsluiting. In de voortuinstrook daarenboven kan slechts 50% worden verhard in functie van opritten en parkeervoorzieningen. De rest van de ruimte dient voorzien te worden van groenaanleg. 4/ Afwatering De afwatering van hemel- en afvalwater is verplicht uit te voeren in een gescheiden stelsel. Het hemelwater moet in eerste instantie maximaal kunnen infiltreren in de bodem. In het andere geval wordt het hemelwater indien mogelijk afgeleid naar het oppervlaktewater (de Pretslandloop) en in het laatste geval naar het hiertoe bestemde rioleringsstelsel. 5/ Groenaanleg Het niet-bebouwde en onverharde deel van het terrein dient als groene ruimte te worden aangelegd en als dusdanig onderhouden. De niet-bebouwde delen van de bedrijfskavel dienen voor minimaal 20% van hun oppervlakte te worden ingericht als groenzones. In de voortuinstrook dient minimaal 50% van de oppervlakte te worden X-12.765-12.768-27/62 ingericht als zone voor groenaanleg. De groenaanleg dient uitgewerkt te worden in een globaal concept. De groenaanleg heeft een afschermende en esthetische functie. De groenaanleg moet gerealiseerd worden ten laatste in het eerstvolgende plantseizoen volgend op de datum van de voltooiing van de bouwwerken. Bovendien moet de eigenaar of uitbater van het bedrijf instaan voor de instandhoudings- en vervangingswerken in de groenstrook. De groenaanleg evenals het latere onderhoud ervan zal een integrerend deel van de stedenbouwkundige vergunning uitmaken. 6/ Diversen Het stapelen van goederen in open lucht moet uit het zicht van het openbaar domein worden onttrokken. De niet gebruikte terreingedeelten moeten goed onderhouden worden; de opritten op het openbaar domein tussen rooilijn en rijweg moeten aangelegd worden in opbreekbare kleinschalige materialen. Reliëfwijzigingen zijn toegelaten als deze beperkt worden tot hetgeen nodig is voor het functioneren van de bedrijfsactiviteiten. Publicitaire voorzieningen zijn toegelaten en dienen zich te beperken tot de bekendmaking van de bedrijvigheid die op die plaats uitgeoefend wordt. De constructies moeten vervaardigd zijn uit duurzame materialen. Volgende bepalingen gelden hierbij : - de maximale hoogte van de constructie is de kroonlijsthoogte - de maximale oppervlakte bedraagt 20m² per bedrijf of bedrijvencluster - de inplanting vindt plaats op de voor- en zijgevels of op een publiciteitspaneel dat opgericht wordt aan de grens met het openbaar domein - het gebruik van neonverlichting is verboden. Voor de verlichting van de gebouwen en terreinen zijn verlichtingspalen of lantaarns toegestaan met een maximale hoogte van 4m. Bij de inrichting van de bedrijfskavels en de plaatsing van de verlichtingspalen of lantaarns dient rekening gehouden te worden met het beperken van de lichthinder voor de omwonenden”. Hieruit blijkt dan ook dat de verzoeker uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden besluit waar hij stelt dat “het daadwerkelijke beheer en inrichten van het plangebied niet in de bestreden beslissing door middel van voorschriften, modaliteiten of een grafisch plan zelf vervat” is maar dat “de bevoegdheid daartoe aan de overheid (wordt) gelaten i.c. gedelegeerd aan een derde onder toezicht van de overheid” en dat “de bestreden beslissing (...) dan ook geen enkele rechtszekerheid (biedt) aan verzoekende partij aangaande de inrichting en het beheer noch (...) enige vorm van rechtsbescherming (biedt) bij het daadwerkelijk door IGEMO uitgevoerde beheer en inrichting”. Bijgevolg mist het middel feitelijke grondslag. Het derde middel is niet gegrond. X-12.765-12.768-28/62 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 15. De verzoeker voert in een vierde middel aan wat volgt: “3.4. VIERDE MIDDEL genomen uit schending van artikel 48 van het Decreet dd. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en artikel 2 van het Besluit van de Vlaamse regering dd. 17 mei 2001 tot aanwijzing van de instellingen en administraties die adviseren over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur ondermeer het zorgvuldigheidsbeginsel de materiële en formele motiveringsverplichting en uit machtsoverschrijding. DOORDAT het RUP ‘Dreefvelden’ de gronden gedeeltelijk bestemt als een zone voor industrie met nabestemming lokaal bedrijventerrein en een zone voor lokaal bedrijventerrein. EN DOORDAT de administratie Economie voorafgaandelijk aan het vooroverleg in plenaire vergadering niet om advies werd verzocht; EN DOORDAT het RUP ‘Dreefvelden’ de vestiging van klasse I milieuvergunningsplichtige activiteiten toelaat. EN DOORDAT de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer voorafgaandelijk aan het vooroverleg in plenaire vergadering niet om advies werd verzocht EN DOORDAT het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Dreefvelden’ een plangebied is waarin zich mogelijks minstens 250 geplande arbeidsplaatsen kunnen bevinden; EN DOORDAT de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn voorafgaandelijk aan het vooroverleg in plenaire vergadering niet om advies werd verzocht; EN DOORDAT de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen voorafgaandelijk aan het vooroverleg in plenaire vergadering niet om advies werd verzocht, minstens in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel geen advies heeft verstrekt; TERWIJL in casu krachtens artikel 48 van voornoemd decreet juncto artikel 2 van voornoemd besluit het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan verplicht voor advies aan deze adviserende instellingen en administraties en overheden dient te worden verstuurd; ZODAT het gemeentelijk RUP ‘Dreefvelden’ de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt. Toelichting: (...) Uit de duidelijke bewoordingen van artikel 48 §1 al.2 DORO blijkt dat het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan door het college van burgemeester en schepenen moet worden voorgelegd aan de planologische ambtenaar, de bestendige deputatie en de adviserende instellingen en administraties. Gezaghebbende rechtsleer stelt dan ook dat het vooroverleg duidelijk als een verplichting is opgevat (...). In artikel 2 van het voornoemd Besluit worden de minstens te raadplegen instellingen en administraties die over een voorontwerp van een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een advies uitbrengen nader bepaald. X-12.765-12.768-29/62 Uit de beslissing van de Gemeenteraad van eerste verwerende partij dd. 05.09.2005 blijkt dat in toepassing van artikel 48 §1 van het decreet dd. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de volgende instanties voor de plenaire vergadering werden uitgenodigd met een aangetekend schrijven verzonden op 25.10.2004: - AROHM, afdeling ruimtelijke planning; - ROHM Antwerpen; - Provincie Antwerpen, dienst Ruimtelijke Planning en Mobiliteit; - Provincie Antwerpen, dienst waterbeleid; - AMINAL, Afdeling Algemeen milieu- en natuurbeleid; - AMINAL, afdeling land; - AMINAL afdeling Water; - GOM Antwerpen; - Toerisme Vlaanderen; - BLOSO; - GECORO. 2.- Artikel 2, 7/ van het voornoemd Besluit bepaalt in uitvoering van artikel 48 §1 al.2 DORO dat de administratie Economie een adviserende administratie is als de gronden, gelegen binnen de begrenzing van het uitvoeringsplan volgens de bestaande plannen van aanleg of uitvoeringsplannen geheel of ten dele zijn bestemd als industriegebied, bedrijventerrein of een ermee vergelijkbaar gebied of deze bestemming verkrijgen in afwijking van de bestaande plannen van aanleg of uitvoeringsplannen. In casu worden door het RUP ‘Dreefvelden’ de gronden gedeeltelijk bestemd als een zone voor Industrie met nabestemming lokaal bedrijventerrein (zone 1) en een zone voor lokaal bedrijventerrein (zone2). Toch heeft eerste verwerende partij nooit de administratie Economie aangeschreven noch om advies gevraagd. 3.- Artikel 2, 10/ van het voornoemd Besluit bepaalt in uitvoering van artikel 48 §1 al.2 DORO dat de 10/ de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, een adviserende administratie is voorzover het uitvoeringsplan de vestiging van bedrijven of activiteiten toelaat die onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht klasse I. In casu zijn in het plangebied van het RUP ‘Dreefvelden’ reeds verscheidende bedrijven onderworpen aan de milieuvergunningsplicht klasse 1. Ondermeer de verzoekende partij zelf, de NV AWS en de BVBA METAALHANDEL WYNANTS EN ZONEN werd een milieuvergunning klasse I verleend. De bestemmingsvoorschriften van minstens zones 1 en 2 staat bovendien de vestiging van klasse I milieuvergunningsplichtige activiteiten niet in de weg. Aangaande de hoofdbestemming van zone 1 wordt in artikel 1.1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften bepaald: ‘De zone is bestemd voor bedrijfsactiviteiten met een indistrieel karakter. Dit kunnen zowel lokale als bovenlokale bedrijven zijn. Volgende activiteiten zijn niet toegestaan binnen deze zone: • uitsluitend commerciële activiteiten, zoals winkels, handelszaken,... • distributie- en transportbedrijven. De zone is bestemd om de uitbating en ontwikkeling van de huidige, op het terrein aanwezige milieubelastende industriële activiteiten te continueren binnen de weergegeven bestemmingszone. De afbakening van de bestemmingszone geldt als maximum grens van de bedrijfsoppervlakte. (...) Onder bedrijvencluster wordt een geheel van bedrijven bedoeld die zich op eenzelfde kadastraal perceel situeren of waarvan de verschillende onderdelen deel uitmaken van dezelfde exloitatie. X-12.765-12.768-30/62 Daarnaast worden ook functies toegelaten die gemeenschappelijke en complementaire voorzieningen verzorgen inherent aan het functioneren van het bedrijventerrein. Na het definitief stopzetten van de toegelaten bedrijfsactiviteiten met industrieel karakter krijgt de zone een bestemming als zone voor lokaal bedrijventerrein. Een loutere naamsverandering of een verandering van eigenaar mits behoud van de bestaande activiteiten blijft mogelijk. Vanaf het ogenblijk dat de bedrijfsactiviteiten worden gewijzigd, gelden de voorschriften van artikel 2.’ De stedenbouwkundige voorschriften van zone 2 voor lokaal bedrijventerrein bevatten evenmin enige bepaling welke klasse I activiteiten verbiedt. Toch heeft eerste verwerende partij nooit de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer aangeschreven noch om advies gevraagd. 4.- Artikel 2, 17/ van het voornoemd Besluit bepaalt in uitvoering van artikel 48 §1 al.2 DORO dat de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn een adviserende administratie is voor zover het uitvoeringsplan betrekking heeft op:
  2. a)een gebied waarin zich minstens 250 bestaande en/of geplande woongelegenheden bevinden;
  3. b)een gebied waarin zich minstens 250 bestaande en/of geplande arbeidsplaatsen bevinden;
  4. c)de geografische afbakening van een grootstedelijk gebied, een stedelijk gebied, een randstedelijk gebied, een kleinstedelijk gebied of een buitengebied zoals bedoeld in het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen. Alhoewel eerste verwerende partij reeds vanaf de studie- en ontwerpfase, minstens voorafgaandelijk aan de plenaire vergadering in het kader van het verplichte vooroverleg, diende te onderzoeken of meer dan 250 arbeidsplaatsen in het plangebied konden ontwikkeld worden, heeft zij dit onomstotelijk nagelaten. Het spreekt dienaangaande voor zich dat in de toelichtende nota geen enkel gewag wordt gemaakt van enig onderzoek of raming naar het te verwachten aantal arbeidsplaatsen in het plangebied. Nochtans is het gelet de reeds in het plangebied aanwezige tewerkstelling niet onredelijk aan te nemen dat in de toekomst minstens een totaal van 250 arbeidsplaatsen kunnen gevestigd zijn. Het ontwerp van gemeentelijk RUP diende dan ook aan de Vlaamse Vervoersmaatschappij de Lijn ter advies te verstuurd te worden, minstens diende na een onderzoek deugdelijk formeel gemotiveerd te worden waarom eerste verwerende partij dit advies niet noodzakelijk achtte. 5.- Tenslotte stelt verzoekende partij vast dat voorafgaandelijk aan de plenaire vergadering in het kader van het voorverleg geen advies werd ingewonnen bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Er werd enkel advies ingewonnen en verleend door het Departement ruimtelijke ordening en mobiliteit, Dienst Ruimtelijke Planning van de Provincie Antwerpen. Geenszins werden de verplichtingen ex artikel 48 §1 al.2 DORO vervuld. 6.- Minstens is het bijzonder onzorgvuldig dat tweede verwerende partij geen advies heeft uitgebracht naar aanleiding van de plenaire vergadering zoals wordt aangemerkt in het verslag en voorstel van de Dienst Ruimtelijke planning verstrekt aan de Bestendige Deputatie in het kader van het openbaar onderzoek. De organisatie van een ‘plenaire vergadering’ is namelijk minstens een pleegvorm die opgelegd om de goede werking van het bestuur te verzekeren. X-12.765-12.768-31/62 Door het feitelijke gegeven dat in casu deze pleegvorm in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur uiterst gebrekkig werd vervuld door eerste verwerende partij nu niet al de adviserende instanties werden aangeschreven, minstens tweede verwerende partij nagelaten heeft haar opmerkingen mede te delen in het kader van de plenaire vergadering, werden de belangen van verzoekende partij inzonderheid wat betreft de overeenstemming van de bestreden beslissing met het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan wat betreft de bindende bepaling 9 en de ontsluiting van het gehele gebied grovelijk geschonden. Hierdoor is ook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Het vierde middel is gegrond”. Beoordeling 16.1. Artikel 48, § 1 DRO luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt: “Het college van burgemeester en schepenen is belast met het opmaken van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen tot opmaak. Het college van burgemeester en schepenen stuurt het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan naar de planologische ambtenaar, de bestendige deputatie en de adviserende instellingen en administraties. De Vlaamse regering kan bepalen aan welke adviserende instellingen en administraties het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan minstens moet worden voorgelegd. Ten vroegste de eenentwintigste dag na het versturen van het voorontwerp door het college van burgemeester en schepenen, houdt dat college een plenaire vergadering met bovenvermelde instanties. De planologische ambtenaar brengt uiterlijk tijdens de plenaire vergadering advies uit over de verenigbaarheid met het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, of, in voorkomend geval, de overeenstemming met een ontwerp van ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en een ontwerp of ontwerpen van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt de bestendige deputatie advies uit, en delen de adviserende instellingen en administraties, bedoeld in het tweede lid, hun al dan niet schriftelijke opmerkingen mee. De vertegenwoordigers van die instanties dienen gemandateerd te zijn voor het innemen van een standpunt tijdens de vergadering. Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dit verslag wordt binnen 14 dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig dienden te zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen 14 dagen na ontvangst van het verslag, bezorgd worden aan het college van burgemeester en schepenen”. X-12.765-12.768-32/62 16.2. De in het voornoemde artikel 48, § 1 DRO bedoelde “plenaire vergadering” kadert in de procedure van vooroverleg die de formele besluitvorming voorafgaat, dewelke ingaat met de in artikel 49, § 1 DRO bepaalde voorlopige vaststelling van het ontwerp van GRUP. Uit de voorbereidende werken blijkt dat “het vooroverleg (...) tot doel (heeft) om de betrokken overheden en adviserende administraties en instellingen reeds in een vroege fase te raadplegen over de hoofdlijnen van het voorontwerpplan” (Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. P. 1998-1999, stuk 1332, nr. 1, 25). Als onderdeel van het vooroverleg kan de organisatie van een “plenaire vergadering” dan ook geen substantiële, noch een op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvorm uitmaken, doch betreft het meer een vorm van concertatie en een pleegvorm die uitsluitend is opgelegd om de goede werking van het bestuur te verzekeren. Het loutere feit dat “dit ambtelijk vooroverleg geformaliseerd werd in het Decreet zelf”, vermag daar niets aan te veranderen. 16.3. Daargelaten de vraag of de verzoeker een belang heeft bij het aanvoeren van de schending van deze aan de formele besluitvorming voorafgaande pleegvorm, kan het al dan niet aanvaarden van een schending ervan niet tot de nietigverklaring van het eindbesluit van de procedure, in casu het GRUP, leiden. Overigens toont de verzoeker niet genoegzaam aan dat de overheid niet zorgvuldig te werk zou zijn gegaan “bij de vormelijke voorbereiding van de beslissing”. Het vierde middel is niet dienend. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 17. De verzoeker voert in een vijfde middel het volgende aan: “3.5. VIJFDE MIDDEL genomen uit schending van artikel 38 §1 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening (DORO), artikel 4.2.1. van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM), van artikel 3 van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s X-12.765-12.768-33/62 (SEA-richtlijn), de beginselen van behoorlijk bestuur inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en uit machtsoverschrijding. DOORDAT bij de totstandkoming van het gemeentelijk RUP ‘Dreefvelden’ op generlei wijze een beoordeling werd gemaakt van de milieueffecten; TERWIJL het in casu een plan betreft dat aanzienlijke milieueffecten teweeg brengt; ZODAT de bepalingen en beginselen ter hoogte van het middel geschonden zijn. Toelichting: 1.- Artikel 38§ 1, 6/ bepaalt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan in voorkomend geval, het ruimtelijk veiligheidsrapport, het planmilieueffectenrapport en/of de passende beoordeling bevat. Artikel 4.2.1 DABM zoals ingevoegd bij Decreet van 18 december 2002 bepaalt dat voorgenomen plannen en programma’s, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, in de gevallen bepaald in Titel IV, hoofdstuk 2 DABM aan een milieueffectrapportage onderworpen worden. Vastgesteld dient te worden dat de Vlaamse Regering tot op heden nagelaten heeft om overeenkomstig art. 4.2.2. DABM de plannen en programma’s aan te duiden die onderhevig zijn aan de in vermeld hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage. Inmiddels heeft echter de SEA-richtlijn (Publicatieblad Nr. L 197 van 21/07/2001 blz. 0030 - 0037) sinds 21 juli 2004 directe werking verkregen. In zijn arresten van 19 januari 1982 (...) en van 26 februari 1986 (...) heeft het Hof vastgesteld, dat in alle gevallen dat de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, particulieren zich voor de nationale rechter op die bepalingen kunnen beroepen tegenover de Staat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan. In casu kan niet op redelijke wijze worden voorgehouden dat de SEA-richtlijn geen nauwkeurig en in details omschreven regeling inzake milieubeoordeling van plannen en programma’s behelst. Artikel 3 van de SEA-richtlijn omschrijft haar werkingsfeer: ‘1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde plannen en programma's die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 2. Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
  5. a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
  6. b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG. 3. Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 4. Voor andere dan de in lid 2 bedoelde plannen en programma’s, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, bepalen de lidstaten of het plan of het programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. 5. De lidstaten stellen vast, door een onderzoek per geval of door specificatie van soorten plannen en programma’s, of door combinatie van X-12.765-12.768-34/62 beide werkwijzen, of de in de leden 3 en 4 bedoelde plannen of programma’s aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Hierbij houden zij voor alle gevallen rekening met de relevante criteria van bijlage 11, om ervoor te zorgen dat plannen en programma’s met mogelijke aanzienlijke milieueffecten door deze richtlijn zijn gedekt. 6. Bij het onderzoek per geval en bij de specificatie van soorten plannen en programma’s, zoals bedoeld in lid 5, worden de in artikel 6, lid 3, bedoelde instanties geraadpleegd. 7. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 5 bedoelde vaststellingen, inbegrepen de redenen waarom geen milieubeoordeling overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9 wordt verlangd, voor het publiek beschikbaar worden gesteld. 8. De volgende plannen en programma’s vallen niet onder deze richtlijn: - plannen en programma’s die uitsluitend bestemd zijn voor nationale defensie of noodsituaties, - financiële of begrotingsplannen en -programma’s. 9. Deze richtlijn geldt niet voor plannen en programma’s die worden medegefinancierd in het kader van de huidige respectieve programmeringsperioden

(11)van de Verordeningen (EG) nr. 1260/1999
(12)en (EG) nr. 1257/1999
(13)van de Raad.’ Artikel 13 van de SEA-richtlijn omschrijft de toepassing van de richtlijn: ‘1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen. 2. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 3. De in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichting is van toepassing op plannen en programma’s waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na het in lid 1 vermelde tijdstip. Plannen en programma’s waarvoor de eerste voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving, vallen onder de verplichting van artikel 4, lid 1, tenzij de lidstaten per geval beslissen dat dit niet haalbaar is en het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen. 4. De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk 21 juli 2004 naast informatie over de in lid 1 bedoelde maatregelen, afzonderlijke informatie over de soorten plannen en programma’s die overeenkomstig artikel 3 aan een milieubeoordeling uit hoofde van deze richtlijn onderworpen zouden zijn. De Commissie stelt deze informatie beschikbaar voor de lidstaten. De informatie wordt regelmatig bijgewerkt.’ 2.- In casu kan niet op redelijke wijze beargumenteerd worden dat het gemeentelijk RUP ‘Dreefvelden’ niet tot aanzienlijke milieueffecten leidt. In het plangebied is enerzijds reeds aanwezige milieubeslastende industrie gevestigd zodat het RUP belangrijke effecten opzichtens het milieu ressorteert nu expliciet in de voorschriften van het RUP werd opgenomen dat de aanwezige industrie naar de toekomst toe bestendigd blijft en anderzijds wordt eveneens een zone lokaal bedrijventerrein ingericht waarin activiteiten kunnen ontwikkeld worden met affecten op het milieu. Zoals supra reeds werd aangehaald bepaalt lid 3 van de SEA-richtlijn dat een milieubeoordeling wordt gemaakt van alle plannen en programma’s die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme X-12.765-12.768-35/62 en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten. In bijlage 2, van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40) werd ondermeer hiernavolgende in casu van toepassing zijnde projecten aangemerkt: ‘10. Infrastructuurprojecten
  1. a)Werken voor de uitrusting van industrieterreinen
  2. d)Aanleg van wegen, havens (met inbegrip van visserijhavens) en luchthavens (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I)
  3. e)Werken inzake kanalisering en regulering van waterwegen
  4. f)Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of duurzaam opslaan van water
  5. c)Installaties voor de vernietiging van industrieel afval en huisvuil (voor zover niet genoemd in bijlage I)
  6. f)Opslag van schroot’ Aan de totstandkoming van het gemeentelijk RUP had derhalve een plan-MER, dan wel minstens enige vorm van milieubeoordeling dienen vooraf te gaan nu wegens het uitblijven van nadere uitvoeringsmaatregelen van de DABM, de SEA-richtlijn directe werking heeft verkregen bij toepassing van haar artikel 13, 3/ omdat de eerste formele voorbereidende handeling, het ontwerp van RUP pas nà 21 juli 2004 door de gemeenteraad van eerste verwerende partij voorlopig werd vastgesteld. In het arrest (...) werd namelijk reeds overwogen: ‘dat de in artikel 41, § 1, bedoelde ‘plenaire vergadering’ kadert in de procedure van vooroverleg die de formele besluitvorming voorafgaat, dewelke lijkt in te gaan met de in artikel 42, § 1, van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde voorlopige vaststelling van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;’ De gemeenteraad is op 20 december 2004 tot de voorlopige vaststelling van het plan overgegaan, zijnde nà de inwerkingtreding van de SEA-richtlijn. Minstens diende toepassing gemaakt van het voorzorgsbeginsel. Het middel is gegrond”. Beoordeling 18. Vooreerst geeft de verzoeker, die zijn uitbreidingsmogelijkheden gefnuikt weet, niet aan welk belang hij heeft bij het middel genomen uit het gebrek aan opmaak van een MER. 19.1. Artikel 3.2 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna: SEA-richtlijn) luidt als volgt: “Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
  7. a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, X-12.765-12.768-36/62 toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
  8. b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG”. Artikel 3.3 SEA-richtlijn luidt als volgt: “Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben”. Artikel 13.1 SEA-richtlijn luidt als volgt: “De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen”. Overeenkomstig artikel 13 SEA-richtlijn, diende deze richtlijn aldus uiterlijk op 21 juli 2004 in de interne rechtsorde te zijn omgezet. 19.2. Door middel van het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: D.A.B.M.) met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, werd de SEA-richtlijn gedeeltelijk omgezet in de Belgische interne rechtsorde. Artikel 4.2.1 D.A.B.M., zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, luidt als volgt: “Voorgenomen plannen en programma’s worden, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk”. Artikel 4.2.2, §§ 1 tot 3 D.A.B.M., zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, luidt als volgt: “§ 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, de plannen en programma’s aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage. § 2. De Vlaamse regering beslist geval per geval en aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, of andere plannen en programma’s dan die vermeld in §§ 1 en 3 al dan niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffect- rapportage omdat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. X-12.765-12.768-37/62 § 3. De Vlaamse regering wijst de plannen en programma’s aan die niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat de desbetreffende besluitvormingsprocedure de in artikel 4.1.4, § 2, opgesomde essentiële kenmerken van de milieueffectrapportage heeft”. 19.3. Geen uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering met betrekking tot het toepassingsgebied van de plannen en programma’s die in de Vlaamse regelgeving in aanmerking kunnen komen voor de uitvoering van de plan- milieueffectenrapportage (hierna: plan-MER) werd uitgevaardigd, zodat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, de omzetting van de SEA-richtlijn op onvolledige wijze was gebeurd en de relevante bepalingen van het D.A.B.M. aldus nog niet operationeel waren. Nu blijkt dat de SEA-richtlijn op onvolledige wijze in het interne recht was omgezet, dient vooreerst nagegaan te worden of de verzoeker de schending van artikel 3 van de SEA-richtlijn voor de Raad van State kan inroepen. Bijgevolg dient te worden onderzocht of artikel 3.2,
  9. a)van de SEA-richtlijn, waarvan de verzoeker meent dat daaruit voor het thans bestreden GRUP de verplichting voortvloeide tot de opmaak van een MER, al dan niet directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. In beginsel hebben richtlijnen geen directe werking. Een richtlijn heeft wel directe werking in de Belgische rechtsorde wanneer de omzettingstermijn voor de betrokken richtlijn is verstreken en indien de richtlijn duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen bevat die geen verdere substantiële interne uitvoeringsmaatregel door communautaire of nationale overheden behoeven om het gewild effect op nuttige wijze te bereiken. Het dient te worden vastgesteld dat de omzettingstermijn voor de SEA-richtlijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit verstreken was. Er dient eveneens te worden vastgesteld dat de plicht die artikel 3.2 SEA-richtlijn aan de lidstaten oplegt om plannen die aanleiding geven tot MER-plichtige projecten ook zelf te onderwerpen aan een milieubeoordeling, voldoende duidelijk en nauwkeurig is om te kunnen aannemen dat deze bepaling directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. Overeenkomstig artikel 3.2,
  10. a)van de SEA-richtlijn dient voor plannen en programma’s die worden voorbereid voor een aantal sectoren, zoals in casu ruimtelijke ordening, en die het kader vormen voor het toekennen van toekomstige vergunningen voor de in de bijlagen I en II bij de richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, een plan-MER te worden opgemaakt. X-12.765-12.768-38/62 De verzoeker meent dat in casu de verplichting tot het opmaken van een MER voortvloeit uit artikel 3.2,
  11. a)van de SEA-richtlijn, stellende dat het voorliggend plan het kader vormt voor het toekennen van toekomstige vergunningen voor de in bijlage II bij de richtlijn 85/337/EEG genoemde “infrastructuurprojecten”, meer bepaald voor “
  12. a)Werken voor de uitrusting van industrieterreinen”, “
  13. d)Aanleg van wegen, havens (met inbegrip van visserijhavens) en luchthavens”, “
  14. e)Werken inzake kanalisering en regulering van waterwegen”, “
  15. f)Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of duurzaam opslaan van water”, “
  16. c)Installaties voor de vernietiging van industrieel afval en huisvuil” en “
  17. f)Opslag van schroot”. De richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten werd omgezet bij besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. Punt 10,
  18. a)van bijlage II bij het voornoemde besluit duidt infrastructuurprojecten, meer bepaald industrieterreinontwikkeling met een oppervlakte van 50 hectare of meer, aan als project-MER-plichtig. In casu wordt met het voorliggend plan echter niet voorzien in de uitrusting van een industriegebied. Zoals reeds bij de feitenuiteenzetting werd aangestipt, betreft de opmaak van het thans bestreden GRUP, blijkens de toelichtingsnota, in hoofdzaak het omvormen van een bedrijvenzone met als bestemming op het gewestplan “gebied voor milieubelastende industrie” tot een lokale KMO-zone voor het (her)vestigen van lokale bedrijven. Waar de verzoeker verder verwijst naar de andere onder punt 10 opgesomde infrastructuurprojecten, vormt het voorliggend bestreden besluit hiervoor evenmin een kader, waarvan het de specifieke karakteristieken reeds zou hebben vastgelegd. Bovendien dient erop te worden gewezen dat, zelfs al zou worden aangenomen dat er van enige uitrusting van een industriegebied als infrastructuurproject sprake zou zijn, punt 10,
  19. a)van bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, slechts industrieterreinontwikkeling met een oppervlakte van 50 hectare of meer aanduidt als project-MER-plichtig. Het voorliggend GRUP behelst slechts een oppervlakte van circa 27 hectare. Met de verwerende partijen dient daarentegen te worden vastgesteld dat artikel 3.3 SEA-richtlijn uitdrukkelijk “plannen en programma’s die X-12.765-12.768-39/62 het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s” vrijstelt van de verplichte milieubeoordeling, tenzij wanneer de lidstaten bepalen dat deze plannen en programma’s wél aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Voor dergelijke plannen en programma’s is er aldus geen verplichting tot het opstellen van een MER, tenzij de nationale overheid er anders over beslist, wat in casu niet is gebeurd. Het vijfde middel is niet gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 20. De verzoeker voert in het zesde middel het volgende aan: “3.6. ZESDE MIDDEL genomen uit schending van artikelen 3, 38 §1 en artikel 39, § 1, derde lid van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening (DORO), artikel 51 van het Decreet betreffende de Ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (DRO) en het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, inzonderheid haar artikel 16 alsmede het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en uit machtsoverschrijding. DOORDAT een Gemeentelijk RUP de bestemming, de inrichting en het beheer moet bepalen; TERWIJL artikel 0.4 van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP ‘Dreefvelden’ bepaalt dat hiernavolgende plannen bij de bouwaanvraag dienen gevoegd: - voor de (
  20. te)verharde(
  21. n)delen van het terrein zal functie en materiaalgebruik duidelijk omschreven worden; dit moet toelaten de voorschriften op een aantal vlakken te toetsen; - voor de niet-verharde delen van het terrein zal een gedetailleerd beplantingsplan de bouwaanvraag vergezellen; dit moet toelaten de voorschriften op een aantal vlakken te toetsten; - een toelichtingsnota inzake mobiliteit en ontsluiting, die enerzijds inzicht biedt in het aantal verkeersbewegingen per vervoerseenheid en anderzijds aangeeft hoe de interne circulatie en ontsluiting van het betrokken gebied wordt aangepakt; - een berekeningsnota van de vereiste stallingscapaciteit voor het parkeren van personenwagens en vrachtwagens wordt toegevoegd. EN TERWIJL artikel 51 van het Decreet houdende de decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat de Vlaamse regering bepaalt aan welke voorwaarden een dossier moet voldoen om als volledig te worden beschouwd. EN TERWIJL het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning nader bepaalt aan welke voorwaarden een dossier moet voldoen om als volledig te worden beschouwd, geen enkele X-12.765-12.768-40/62 bepaling bevat dat de door artikel 0.4 van de stedenbouwkundige voorschriften omschreven plannen bij een bouwaanvraag dienen gevoegd. EN TERWIJL in artikel 1.2. en 2.2. van het verordenend deel -stedenbouwkundige voorschriften van de bestreden beslissing bepaald wordt dat: ‘De zone voor lokaal bedrijventerrein zal ontwikkeld en beheerd worden hetzij door de overheid hetzij onder toezicht van de overheid. Doel hierbij is een maximale kwalitatieve ontwikkeling na te streven.’ ZODAT de bepalingen en beginselen ter hoogte van het middel geschonden worden. Toelichting: 1.- Artikel 3 van het decreet ruimtelijke ordening bepaalt dat de ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten wordt vastgelegd in ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen. Artikel 38, § 1, eerste lid, 2/, van hetzelfde decreet bepaalt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan de stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer bevat. Artikel 39, § 1, derde lid, van hetzelfde decreet bepaalt dat ‘de stedenbouwkundige voorschriften (...) modaliteiten (kunnen) voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen’. In de memorie van toelichting (Parl. St. Vl. Parl. 1998-99, nr. 1332-24) ter zake wordt gesteld wat volgt : ‘Stedenbouwkundige voorschriften kunnen ook de modaliteiten van de inrichting van het gebied voorschrijven. Wanneer het voorschrift de inrichting regelt, bijvoorbeeld m.b.t. kavelgroottes, ontsluiting door wegeninfrastructuur, bebouwingsvrij houden van bepaalde zones, esthetische voorschriften i.v.m. bouwmaterialen, plaatsing van gebouwen, enz., dan kan het voorschrift tevens de wijze regelen waarop de te nemen beslissingen moeten genomen worden. Zo kunnen bijvoorbeeld procedureregels worden opgenomen in gewestelijke planvoorschriften voor de verdere uitwerking van de inrichting in een gemeentelijk uitvoeringsplan, of voor raadpleging en advisering.’; 2.- Uw Raad was in het geciteerde arrest NV Schelfhout van oordeel dat uit de samenlezing van de voornoemde bepalingen volgt dat de ruimtelijke ordening van een gebied of gebiedsdeel alleen in de in artikel 3 bepaalde uitvoeringsinstrumenten kan worden vastgelegd en dat de stedenbouwkundige voorschriften in een ruimtelijk uitvoeringsplan moeten worden opgenomen en dat uit voormelde bepalingen tevens volgt dat de omstandigheid dat de stedenbouwkundige voorschriften ‘modaliteiten’ - nadere regels - kunnen voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen, niet kunnen inhouden dat hiermee een bijkomend ordeningsinstrument wordt gecreëerd dat tot doel heeft deel uit te maken van het verordenend toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning. (...) 3.- In casu wordt door artikel 1.2. en 2.2. van het verordenend deel - stedenbouwkundige voorschriften van de bestreden beslissing bepaalt de zone voor lokaal bedrijventerrein zal ontwikkeld en beheerd worden hetzij door de overheid hetzij onder toezicht van de overheid. Doel hierbij is een maximale kwalitatieve ontwikkeling na te streven Deze bepaling impliceert zondermeer dat de bestemming en de ruimtelijke ordening van het gebied pas kan

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.