← België

Arrest 202851 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.851 Rolnummer: A. 194797/X-14478 Zaak: Arrest 202851 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-09 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 04:35 Fiche Arrest nr 202.851 van 7 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.851 van 7 april 2010 in de zaak A. 194.797/X-14.478. In zake: 1. Gery VAN DE VEIRE 2. Bart VAN BIESBROECK 3. Carlos VAN DEN BOSSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Coryn kantoor houdend te 9000 GENT Casinoplein 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: 1. de stad EEKLO 2. de c.v.b.a. VENECO beide bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Kempinaire kantoor houdend te 9051 GENT Putkapelstraat 105 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 2 december 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van : - het besluit van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 8 juli 2009 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening kleinstedelijk gebied Eeklo” X-14.478-1/14 - het besluit van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport van 16 september 2009 houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Eeklo”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frédéric Coryn, die verschijnt voor de verzoekende partijen, bestuurssecretaris Kaat Van Keymeulen, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de tweede verwerende partij en advocaat Thomas Eyskens, die loco advocaat Sylvie Kempinaire verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. Met een op 12 februari 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vragen de stad Eeklo en de c.v.b.a. Intercommunale voor Ruimtelijke Ordening en Economische Ontwikkeling Veneco om in het geding te mogen tussenkomen. X-14.478-2/14 Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. IV. Feiten 4. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen selecteert Eeklo als een “structuurondersteunend kleinstedelijk gebied”. Dergelijke gebieden moeten in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend worden. In januari 2006 wordt een eindrapport opgesteld met betrekking tot de afbakening van het kleinstedelijk gebied Eeklo. Vervolgens wordt het voorontwerp uitgewerkt en verschillende keren aangepast. 5. Eén van de elementen die aan bod komen in het voorontwerp is de inplanting van een nieuw regionaal bedrijventerrein. Na de bestemming van bijkomende bedrijventerreinen in het verbindingsgebied tussen de R43 en het Schipdonkkanaal en in het gebied ten noorden van Nieuwendorpe, is er nog een resterende taakstelling bedrijvigheid van ongeveer 20 hectare. Uit de afweging van de verschillende locatie-alternatieven blijkt dat deze resterende taakstelling het best kan opgevangen worden in het gebied ten noorden van de woonkern van Balgerhoeke. Eén van de randvoorwaarden om deze locatie te ontwikkelen is dat er flankerende maatregelen moeten genomen worden ten aanzien van de actieve beroepslandbouw, in het bijzonder daar waar actieve beroepsbedrijven landbouwgrond verliezen en/of daar waar (huis)kavels door (wegen)infrastructuur worden doorsneden. Het volledige gebied tussen de woonkern van Balgerhoeke, de N49/A11, de Sint-Laureinsesteenweg en de R43 wordt opgenomen in het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en modulair ingedeeld, waardoor een verdere uitbouw van het bedrijventerrein in de toekomst mogelijk wordt naar gelang de vraag en de toekomstige taakstellingen bedrijvigheid. Het betrokken gebied is volgens het gewestplan gelegen in agrarisch gebied en is in agrarisch gebruik. Langsheen de N49/A11 is een reservatiestrook ingetekend met het oog op de omvorming tot autosnelweg met een breedte van 125m. 6. Het voorontwerp bepaalt dat de externe ontsluiting van het nieuwe bedrijventerrein in twee fasen zal gebeuren met het oog op de omvorming van de N49/A11 tot autosnelweg. Zolang het bestaande knooppunt van de N455 Sint-Laureinsesteenweg met de N49/A11 in gebruik blijft, wordt het bedrijventerrein ontsloten via dit knooppunt. Van zodra dit knooppunt afgesloten wordt, moet het bedrijventerrein ontsloten worden via een aan te leggen weg tussen X-14.478-3/14 de N49/A11 en de R43 in het oosten van het gebied ter hoogte van de Vrouwestraat. Op deze manier ontstaat een laterale verbindingsweg tussen de N455 en de R43, die eveneens gebruikt kan worden als ontsluiting voor de kern van Sint-Laureins naar de N49/A11. Voorts wordt in het voorontwerp gesteld dat de meest optimale ligging van de ontsluitingsas moet worden afgewogen bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein, aangezien aanvankelijk enkel de eerste module (in het westen van het gebied aansluitend bij de Sint-Laureinsesteenweg) wordt ontwikkeld. 7. De eerste verzoeker is exploitant van een melkveebedrijf dat percelen gebruikt die gelegen zijn in het plangebied en is bewoner van een woning aan de Pastoor Bontestraat 51, die grenst aan het plangebied. De tweede verzoeker is bewoner van een woning aan de Pastoor Bontestraat 11D, die grenst aan het plangebied. De derde verzoeker is als landbouwer eigenaar en gebruiker van verscheidene gronden die gelegen zijn in het plangebied. 8. Op 14 september 2007 wordt een milieubeoordeling opgemaakt en wordt een landbouwtoets uitgevoerd. 9. Op 22 april 2008 brengt de Afdeling Ruimtelijke Planning een gunstig advies uit. 10. Op 22 april 2008 brengt de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling een ongunstig advies uit over het deelplan “Regionaal bedrijventerrein Balgerhoeke”, gelet op de ruime inname van landbouwgrond, de grote claim op de naastliggende landbouwgrond en het ontbreken van milderende maatregelen voor de landbouwsector. 11. Op 25 juni 2008 stelt de provincieraad het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Eeklo” met de deelplannen “Afbakeningslijn”, “Uitbreiding Nieuwendorpe”, “Bedrijventerrein Balgerhoeke Noord”, “Jachthaven” en “Uitbreiding Kunstdal” voorlopig vast. 12. Van 18 augustus 2008 tot 16 oktober 2008 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Er worden 335 bezwaren ingediend, waaronder 83 gelijkaardige individuele bezwaren en een petitie van ongeveer 500 handtekeningen tegen het bedrijventerrein Balgerhoeke. X-14.478-4/14 Zowel de eerste als de tweede verzoeker dienen een individueel bezwaarschrift in. 13. Op 12 februari 2009 bespreekt de Provinciale Commissie voor Ruimtelijke Ordening (hierna: Procoro) de bezwaren en geeft zij een unaniem gunstig advies voor wat betreft de afbakening van het kleinstedelijk gebied en de verschillende deelplannen “Uitbreiding Nieuwendorpe”, “Jachthaven” en “Uitbreiding Kunstdal”. Voor wat betreft het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke” wordt met 6 stemmen voor, 5 stemmen tegen en 2 onthoudingen een gunstig advies gegeven. Het minderheidsstandpunt over dat deelplan wordt aan het advies gehecht. 14. Op 15 juni 2009 wordt voor het gemengd regionaal bedrijventerrein Balgerhoeke Eeklo een mobiliteitseffectenrapport opgesteld. 15. Op 8 juli 2009 stelt de provincieraad van Oost-Vlaanderen het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Eeklo” met de deelplannen “Afbakeningslijn”, “Uitbreiding Nieuwendorpe”, “Bedrijventerrein Balgerhoeke”, “Jachthaven” en “Uitbreiding Kunstdal” definitief vast. Dit is het eerste bestreden besluit, waarin met betrekking tot het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke” het volgende wordt overwogen: “overwegende dat het bedrijventerrein Balgerhoeke op dit moment ontsloten kan worden via het knooppunt van de Sint-Laureinse Steenweg/N49/A11 maar dat op termijn een ontsluiting via de R43 noodzakelijk is, dat er bijgevolg een nieuwe weg moet komen in het gebied tussen Balgerhoeke en de N49/A11, dat de weg een tweevoudige functie zal hebben, nl. ontsluiting van het bedrijventerrein én ontsluiting van het verkeer afkomstig van Sint-Laureins; dat de Procoro in haar advies van 12 februari 2009 adviseert om de weg in te tekenen op het grafisch plan, dat uit een gedetailleerde studie, opgemaakt door Veneco i.s.m. Administratie Wegen en Verkeer, blijkt dat omwille van verkeerskundige, ruimtelijke, milieukundige en economische aspecten tracéalternatief 2 (zuidelijke variante) als meest aangewezen tracé wordt aangeduid, dat, door de keuze van het zuidelijke tracé, er een belangrijke impact is op de landbouw, dat het effect enerzijds te maken heeft met inname van landbouwgrond en anderzijds met het doorsnijden van landbouwgronden, dat het doorsnijden van kavels vooral problematisch is voor melkveebedrijven wanneer het gaat om huiskavels, dat voor andere landbouwers het doorsnijden van de landbouwgronden minder problematisch (

  1. is)aangezien de noordelijke percelen bereikbaar blijven (via lokale weg), dat flankerende maatregelen ten aanzien van de landbouw mogelijk zijn onder meer via kavelruil, dat het noodzakelijk is dat de projectontwikkelaar i.s.m. de Vlaamse Landmaatschappij hier een project uitwerkt en milderende maatregelen voorziet; X-14.478-5/14 overwegende de milderende maatregelen die genomen worden om de hinder ten opzichte van Balgerhoeke te beperken o.m. door te voorzien in een buffer op berm tussen het bedrijventerrein en de woonkern Balgerhoeke”. Op het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke” komt slechts een indicatieve weergave van de ontsluitingsweg voor. Voor deze ontsluitingsweg gelden de volgende stedenbouwkundige voorschriften: “Art. 1A ontsluitingsweg (indicatieve weergave) De ontsluiting van het bedrijventerrein gebeurt via een ontsluitingsas die aan de westzijde aantakt op de Sint-Laureinse steenweg. Zolang het op- en afrittencomplex aan de Sint-Laureinsesteenweg in gebruik blijft, kan de ontsluiting van het regionaal bedrijventerrein langs dit op- en afrittencomplex gebeuren. Ten laatste op het moment dat het op- en afrittencomplex aan de Sint-Laureinsesteenweg gesloten wordt, gebeurt de ontsluiting van het bedrijventerrein via een nieuw aan te leggen weg zoals aangeduid op het grafisch plan”. 16. Op 16 september 2009 keurt de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Eeklo” goed. Dit is het tweede bestreden besluit, dat geen specifieke overwegingen bevat met betrekking tot het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke”. V. Ontvankelijkheid van de vordering Uiteenzetting van de excepties 17. De verwerende partijen en de tussenkomende partijen betwisten het belang van de verzoekers bij de schorsing van het bestreden plan in zijn geheel. De middelen en de uiteenzetting met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn beperkt tot het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke”, dat bovendien afgescheiden kan worden van de rest van het plan. De verzoekers hebben geen belang bij de schorsing van de overige deelplannen. De tussenkomende partijen betwisten bovendien op meer algemene wijze het belang van de verzoekers en stellen dat de verzoekers niet aantonen welk voordeel zij halen uit een schorsing van het bestreden plan. Zij voeren eveneens aan dat de tweede en de derde verzoeker geen stukken overleggen waaruit hun hoedanigheid van bewoner resp. eigenaar blijkt. X-14.478-6/14 Beoordeling 18. De verzoekers stellen in hun verzoekschrift dat zij hun belang ontlenen aan hun hoedanigheid van eigenaar van gronden en/of bewoner van woningen, gelegen in het plangebied. Uit hun uiteenzetting van de middelen en van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan evenwel worden opgemaakt dat hun grieven beperkt zijn tot het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke”, dat afsplitsbaar is van de overige deelplannen van het bestreden plan. Met de verwerende partijen kan bijgevolg worden aangenomen dat de vordering tot schorsing onontvankelijk is in de mate dat ze gericht is tegen de overige deelplannen. In tegenstelling tot wat de tussenkomende partijen betogen, zetten de verzoekers hun belang bij de schorsing van het betrokken deelplan op voldoende wijze uiteen. Aangezien de eerste tussenkomende partij zelf toegang heeft tot de bevolkingsregisters, kan van haar verwacht worden dat zij de waarachtigheid van de hoedanigheid van eigenaar of bewoner van de tweede en derde verzoeker met meer concrete gegevens betwist dan de loutere stelling dat die hoedanigheid door de betrokken verzoekers niet wordt aangetoond. De excepties zijn ongegrond in de mate dat ze betrekking hebben op het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke”; voor het overige zijn ze gegrond en is de vordering tot schorsing onontvankelijk. VI. Onderzoek van de vordering 19. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen 20. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. X-14.478-7/14 De verzoekers stellen dat de problematiek van de ontsluiting van het bedrijventerrein te Balgerhoeke niet op een rechtszekere wijze wordt geregeld in het bestreden deelplan. Na het advies van de Procoro werd gekozen voor het zuidelijke tracé voor de ontsluiting van het bedrijventerrein mits flankerende maatregelen die door de projectontwikkelaar in samenwerking met de Vlaamse Landmaatschappij moeten worden uitgewerkt. Omdat de ontsluiting een belangrijk aspect is van het bestreden deelplan, moet dit alles op planniveau worden geregeld. Op geen enkele wijze werd onderzocht hoe de 15 landbouwbedrijven, waaronder de eerste verzoeker nog toegang zullen hebben tot de kavels achter de ontsluitingsweg. In het verslag aan de provincieraad wordt enkel voorgesteld, bij wijze van voorbeeld, dat compensatie of ruiling mogelijk is met gronden die ten zuiden van de ontsluitingsweg gelegen zijn. Aldus worden flankerende maatregelen die van essentieel belang zijn nog niet genomen en worden de belanghebbenden in het ongewisse gelaten over de aard van deze maatregelen, zo de projectontwikkelaar deze maatregelen al neemt. 21. De eerste verwerende partij repliceert dat de keuze voor de locatie van de ontsluitingsweg uitgebreid werd onderzocht, zowel in de mobiliteitsstudie als in de bestreden besluiten. De locatie van de ontsluitingsweg staat vast en is als dusdanig rechtszeker. De impact van deze locatie en de eventuele hinder voor de omliggende landbouwbedrijven behoort niet tot het voorwerp van het bestreden deelplan, aangezien het niet-planologische gevolgen van bepaalde beleidskeuzen betreft. De plannende overheid beschikt overigens niet over de bevoegdheid om verordenende maatregelen uit te werken die de hinder kunnen milderen. Zij heeft een oplossing gezocht door de projectontwikkelaar, in samenwerking met de Vlaamse Landmaatschappij de beste maatregelen te laten zoeken. In het mobiliteitseffectrapport wordt verduidelijkt dat die maatregelen in samenwerking met de landbouwers moeten worden uitgewerkt en in eerste instantie door de projectontwikkelaar bekostigd moeten worden. 22. De tweede verwerende partij argumenteert dat de door de verzoekers aangehaalde beginselen niet impliceren dat alle aspecten van een plan op een precieze en gedetailleerde wijze moeten worden geregeld. De plannende overheid vermag veeleer algemene en vage bepalingen te gebruiken, waarbij een ruimere beoordelingsruimte wordt gelaten aan de vergunningverlenende overheid dan normaal gesproken het geval zou zijn. Het openbaar onderzoek vooraf en de adequate rechtsbescherming achteraf bieden voldoende waarborgen. Het tracé van de ontsluitingsweg ligt vast en is aangeduid op het grafische plan. De door de X-14.478-8/14 verzoekers bekritiseerde passages met betrekking tot de flankerende maatregelen vormen geen deel van de bestemmingsvoorschriften en kunnen best op vergunningenniveau worden geregeld. Over latere vergunningen wordt ook een openbaar onderzoek georganiseerd. 23. De tussenkomende partijen stellen dat de locatie van de ontsluitingsweg vastligt. Een ruimtelijk uitvoeringsplan moet niet erg gedetailleerd zijn en over alle mogelijke onderwerpen strikte voorschriften bevatten. Er zijn geen bestemmingsvoorschriften naar de projectontwikkelaar “doorgeschoven”; “het gaat om een loutere bewering” van de verzoekers. Beoordeling 24. Tijdens de opmaak van het bestreden deelplan wordt tot op zekere hoogte aandacht besteed aan de impact van het nieuwe bedrijventerrein Balgerhoeke op de verkeersstromen in het gebied en op de aanwezige landbouwactiviteiten, zoals blijkt uit wat volgt. In haar advies van 12 februari 2009 antwoordt de Procoro als volgt op bezwaarschriften met betrekking tot de gevolgen van het bestreden deelplan voor de landbouwbedrijven: “In de landbouwtoets zijn de effecten van het RUP Balgerhoeke op de landbouw nagegaan. Het is zo dat in het oostelijk gebied, de meest dynamische landbouw gesitueerd is, wat meespeelde in de keuze om het bedrijventerrein aan te leggen langs de Sint-Laureinsesteenweg. Zo lang er geen weg wordt gerealiseerd doorheen het bouwvrij agrarisch gebied, is de impact voor de landbouwers ten zuiden van dit gebied, zeker wat de huiskavels betreft, beperkt. Pas als er een weg wordt gerealiseerd doorheen het gebied, zal er een impact zijn op de huidige bedrijfsvoering van deze bedrijven. Hoe groot de impact is, hangt af van de keuze van de weg. De ligging van de weg is in het ontwerp RUP niet bepaald, maar wordt onderzocht in een aparte studieopdracht, waarvan de projectontwikkelaar i.s.m. de Administratie Wegen en Verkeer opdrachtgever is. Er zijn verschillende elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de weg: de waterloop, de pijpleiding, de technische randvoorwaarden inzake het aansluiten op de Sint-Laureinsesteenweg en R43, (
  2. de)ligging van het Walleken, de inrichting en ontsluiting van de bedrijfspercelen, de landbouw-, milieu- en mobiliteitseffecten, enz. De Procoro oordeelt dat de ontsluitingsweg moet worden aangeduid op het grafisch plan”. In de (niet gedateerde) landbouwtoets, opgemaakt in opdracht van de provincie Oost-Vlaanderen, wordt de impact onderzocht van het verlies van gronden voor landbouwgebruik binnen het plangebied, maar is geen sprake van de impact van het doorsnijden van de (huis)kavels met een weg. X-14.478-9/14 In het mobiliteitseffectenrapport van 15 juni 2009 worden drie tracé-alternatieven uitgewerkt. Aangaande het tweede alternatief wordt onder meer het volgende overwogen: “Door zijn zuidelijke ligging is de weg wel het dichtst bij de woonomgeving van Balgerhoeke en de landbouwbedrijven langs de Pastoor Bontestraat gelegen. De weg wordt hierdoor ten opzichte van de woonomgeving enkel gebufferd door de aan te leggen berm. Voor de landbouw betekent dit dat de weg tussen de bedrijfszetels en de landbouwpercelen komt te liggen waardoor huiskavels mogelijks worden afgesneden. In overleg met de betrokken landbouwers moet gezocht worden naar flankerende maatregelen. Anderzijds blijven wel relatief grote percelen behouden aan de overzijde van de weg”. Verder in dit rapport wordt aangaande flankerende maatregelen voor landbouw en woonomgeving nog het volgende gesteld: “Belangrijkste aandachtspunt bij het gekozen tracé is de impact op de landbouwbedrijfsstructuur en -bedrijfsvoering. Er moet dus gezocht worden naar flankerende maatregelen die de impact van de weg tot een minimum kunnen herleiden. Overleg met de betrokken landbouwers is aangewezen om de impact beter in beeld te kunnen brengen en de gepaste flankerende maatregelen uit te werken. Mogelijkheden kunnen er in bestaan een langsweg aan te leggen, grondruil te faciliteren, een veetunnel aan te leggen, ... In samenspraak met de betrokken landbouwers moeten de verschillende mogelijkheden onderzocht worden en dienen maatregelen uitgewerkt te worden die een oplossing bieden voor de specifieke situatie van het bedrijf. De projectontwikkelaar zal dit verder behartigen. De kostprijs van de flankerende maatregelen moeten in eerste instantie bekostigd worden door de projectontwikkelaar. (...)”. In het eerste bestreden besluit wordt erkend dat op termijn een ontsluiting via de R43 noodzakelijk is en dat er bijgevolg een nieuwe weg moet komen in het gebied tussen Balgerhoeke en de N49/A11. Onder verwijzing naar het mobiliteitseffectenrapport wordt het tracéalternatief 2 (zuidelijke variante) als meest aangewezen tracé aangeduid. Daarbij wordt erkend dat, door de keuze van het zuidelijke tracé, er een belangrijke impact is op de landbouw (enerzijds omwille van inname van landbouwgrond en anderzijds omwille van het doorsnijden van landbouwgronden) en dat het doorsnijden van kavels vooral problematisch is voor melkveebedrijven wanneer het gaat om huiskavels. Als besluit wordt gesteld “dat flankerende maatregelen ten aanzien van de landbouw mogelijk zijn onder meer via kavelruil, dat het noodzakelijk is dat de projectontwikkelaar i.s.m. de Vlaamse Landmaatschappij hier een project uitwerkt en milderende maatregelen voorziet”. In het tweede bestreden besluit wordt niet ingegaan op de problematiek van de ontsluiting van het bedrijventerrein. X-14.478-10/14 25. Uit de aangehaalde stukken van het dossier blijkt dat de Procoro ingevolge de bezwaarschriften met betrekking tot de gevolgen van de ontsluiting van het bedrijventerrein voor de landbouwpercelen vaststelt dat er alleszins een impact is indien een ontsluitingsweg wordt aangelegd en dat de vastlegging van het tracé afhangt van een aantal factoren, maar in elk geval in het bestreden deelplan moet worden geregeld. Vervolgens wordt een definitief tracé vastgelegd, waarbij wordt vastgesteld dat de keuze voor het zuidelijke traject een impact heeft op de landbouwbedrijfsstructuur en de bedrijfsvoering in deze landbouwbedrijven en dat die impact het “belangrijkste aandachtspunt” is bij het gekozen tracé. Vervolgens worden enkele mogelijke flankerende of milderende maatregelen aangeduid die nog moeten worden onderzocht en uitgewerkt in overleg met de betrokken landbouwers door de projectontwikkelaar, die ook de kosten van deze maatregelen zou dragen. In de stukken van het dossier, noch in de motivering van de bestreden besluiten, noch in de argumentatie van de verwerende en de tussenkomende partijen wordt evenwel uiteengezet waarom die maatregelen niet hetzij mee konden worden opgenomen in het bestreden deelplan, hetzij derwijze konden worden uitgewerkt dat er voldoende concrete vooruitzichten waren op een realisatie van de betrokken flankerende of milderende maatregelen. De argumentatie van de eerste verwerende partij dat de plannende overheid niet over de bevoegdheid beschikt om verordenende maatregelen uit te werken die de hinder kunnen milderen, kan op het eerste gezicht niet worden bijgetreden. De eerste verwerende partij laat immers na om aan te geven welke hogere rechtsnormen aan deze milderende maatregelen in de weg zouden staan of waarom deze milderende maatregelen niet in de vorm van rechtsregels kunnen worden geformuleerd. Aldus werd de vaststelling van een flankerende of milderende maatregel die bij de voorbereiding van het bestreden deelplan als een zeer belangrijk aandachtspunt werd erkend, en dat bijgevolg een belangrijk onderdeel vormt van de realisatie van de bestemming van het deelplangebied, op het eerste gezicht onttrokken aan het besluitvormingsproces dat door de decreetgever voor een ruimtelijk uitvoeringsplan is geconcipieerd, en verschoven naar een later, onbepaald tijdstip, zonder dat op een rechtszekere manier een oplossing lijkt te worden geboden voor het ook door de plannende overheid erkende probleem dat de ontsluiting van het bedrijventerrein vormt voor de betrokken landbouwbedrijven. Er lijkt bijgevolg een schending van het rechtszekerheidsbeginsel voor te liggen. Door een zeer belangrijk onderdeel van de bestemming van het deelplangebied op het eerste gezicht buiten beschouwing te laten en niet te voorzien in bepaalde flankerende of milderende maatregelen die een bevredigende en X-14.478-11/14 rechtszekere regeling van het geheel mogelijk maken, waarbij met het oog op de goede plaatselijke ordening en rekening houdend met het algemeen belang de mogelijke hinder voor de landbouwbedrijven binnen aanvaardbare grenzen kan worden gehouden, lijkt de overheid tevens te zijn tekort geschoten in haar zorgvuldigheidsplicht. Het eerste middel is ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen 26. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel stelt de eerste verzoeker onder meer dat de ontsluitingsweg zijn bedrijfszetel en stallen afsplitst van de gronden waarop zijn runderen grazen. 27. De eerste verwerende partij repliceert dat het doorsnijden van de percelen van de eerste verzoeker op zich als een ernstige hinder kan worden beschouwd, die evenwel niet moeilijk te herstellen is. Door de plannende overheid wordt immers aan de projectontwikkelaar opgedragen om in samenwerking met de Vlaamse Landmaatschappij een oplossing te zoeken voor het nadeel in overleg met de eerste verzoeker. 28. De tweede verwerende partij formuleert geen specifieke repliek voor wat betreft het door de eerste verzoeker aangevoerde nadeel. 29. De tussenkomende partijen formuleren geen specifieke repliek voor wat betreft het door de eerste verzoeker aangevoerde nadeel. Zij vragen wel om over te gaan tot een belangenafweging en het algemeen belang bij de realisatie van het project te laten doorwegen, aangezien na de uitvoering van het project zal blijken dat dit het individueel belang van de omwonenden ten goede zal komen. Beoordeling 30. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de landbouwpercelen van de eerste verzoeker, die een melkveebedrijf exploiteert, door de ontsluitingsweg worden doorsneden, derwijze dat de bedrijfsgebouwen en stallen worden afgescheiden van de meer noordelijk gelegen gronden waarop de runderen grazen. Het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de normale bedrijfsvoering van het X-14.478-12/14 melkveebedrijf is ernstig, hetgeen door de eerste verwerende partij ook wordt toegegeven. Bij de beoordeling van het eerste middel bleek reeds dat de flankerende of milderende maatregelen voor de aanleg van de ontsluitingsweg nog moeten worden bepaald door de projectontwikkelaar in samenwerking met de Vlaamse Landmaatschappij en in overleg met de betrokken eigenaars. Nu het bestreden deelplan de aanleg van die ontsluitingsweg in het vooruitzicht stelt, zonder dat duidelijk is of en wanneer die maatregelen er zullen komen en in welke mate ze het vastgestelde ernstige nadeel voor de eerste verzoeker ook op voldoende wijze kunnen wegnemen of compenseren, blijkt het tevens om een moeilijk te herstellen nadeel te gaan, aangezien de gevolgen voor de normale bedrijfsvoering van het melkveebedrijf onmiddellijk en zeer ingrijpend kunnen zijn. Er ligt bijgevolg een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor in hoofde van de eerste verzoeker. Er is voldaan aan de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten te bevelen, voor wat betreft het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke Noord”. 31. De tussenkomende partijen stellen dat de realisatie van het bestreden deelplan achteraf beschouwd voordelig zal blijken te zijn voor de omwonenden, maar hun betoog blijft beperkt tot deze loutere affirmatie zonder dit algemeen belang verder uit te werken, terwijl zij zelf niet eens het door de eerste verzoeker aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel concreet weerleggen. In die omstandigheden is er geen reden om over te gaan tot een belangenafweging. BESLISSING 1. Het verzoek van de stad Eeklo en de c.v.b.a. Intercommunale voor Ruimtelijke Ordening en Economische Ontwikkeling Veneco tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van :
  3. a)de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 8 juli 2009 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening kleinstedelijk gebied Eeklo”, in zoverre dit het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke” betreft, en X-14.478-13/14
  4. b)de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport van 16 september 2009 houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening kleinstedelijk gebied Eeklo”, in zoverre dit het deelplan “Bedrijventerrein Balgerhoeke” betreft. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. 3. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk geschorste besluit sub b. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven april 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-14.478-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.851 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.