id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.888 Rolnummer: A. 195293/XII-6090 Zaak: Arrest 202888 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 13/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-15 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Arrest nr 202.888 van 13 april 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 202.888 van 13 april 2010 in de zaak A. 195.293/XII-6090 In zake: Christ’l DE LANDTSHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christian De Ganck en Marie-Charlotte Vandermeulen kantoor houdend te Gent Koning Leopold II-laan 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 22 januari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de raad van bestuur van de Universiteit Antwerpen van 10 november 2009 ‘om [Christ’l De Landtsheer] niet voor te dragen voor een bevordering’”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 maart
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-6090-1\7 Advocaat Marie-Charlotte Vandermeulen, die verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Donald Hegmans, die loco advocaat Jim Deridder verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is voltijds hoogleraar aan de faculteit politieke en sociale wetenschappen van de Universiteit Antwerpen (hierna ook: UA). Op 20 januari 2009 beslist het bestuurscollege van de UA om 53 voltijdsequivalente (kortweg: vte) bevorderingsposities vacant te verklaren. Deze zijn verdeeld als volgt: 22 vte voor de graad van hoofddocent, 19 vte voor de graad van hoogleraar en 12 vte voor de graad van gewoon hoogleraar. Verzoekster is samen met twee andere collega’s van de faculteit kandidaat voor de bevordering tot gewoon hoogleraar. 3.
- Op 10 juni 2009 adviseert de commissie academisch personeel van de faculteit “unaniem negatief over de aanvraag tot bevordering tot gewoon hoogleraar van Christ’l De Landtsheer, omdat zij - zoals verder uit de analyse mag blijken - vooralsnog niet beantwoordt aan de profielvereisten van een gewoon hoogleraar”. Over de twee andere kandidaten adviseert de commissie academisch personeel om ze voor te dragen voor bevordering tot gewoon hoogleraar. Op 8 juli 2009 beslist de faculteitsraad “unaniem om het advies van de Commissie Academisch Personeel integraal te volgen en de vermelde kandidaten voor te dragen voor bevordering”. XII-6090-2\7 De centrale beoordelingscommissie van de UA komt samen op 17 september en 5 oktober 2009 en adviseert unaniem om, voor de faculteit politieke en sociale wetenschappen, de twee andere kandidaten -en dus niet verzoekster- voor te dragen voor bevordering tot gewoon hoogleraar. Verzoekster tekent bezwaar aan tegen dit advies. Op 30 oktober 2009 hoort de centrale beoordelingscommissie verzoekster, maar komt tot het besluit dat “geen nieuwe elementen werden aangebracht die [het] eerdere advies wijzigen”. 3.
- Op 10 november 2009 beslist de raad van bestuur van de UA om de twee andere kandidaten tot gewoon hoogleraar te bevorderen. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- Zoals verwerende partij terecht opmerkt in de nota met opmer- kingen, behelst de door verzoekster bestreden beslissing niet de weigering om haar voor te dragen, maar de impliciete weigering door de raad van bestuur om verzoekster te benoemen tot gewoon hoogleraar. Even terecht merkt verwerende partij ten overvloede op dat de benoeming van haar twee collega’s door verzoekster niet wordt aangevochten. V. Rechtspleging
- Verzoekster vraagt om over haar vordering uitspraak te doen “na deze te hebben samengevoegd met de procedure gekend onder G/A. 194-506/XII- 6019”. In de zaak die bij de Raad gekend is onder het rolnummer A.194.506/XII-6019 heeft de Raad van State evenwel reeds uitspraak gedaan over de vordering tot schorsing, bij arrest nr. 200.636 van 9 februari
- Alleen reeds die vaststelling volstaat dat op het verzoek tot samenvoeging van de beide vorderingen tot schorsing niet kan worden ingegaan. XII-6090-3\7 VI. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII. Het aangevoerde nadeel Standpunt van de partijen
- Wat de tweede voorwaarde betreft, voert verzoekster in haar verzoekschrift aan dat zij zich “[i]ngevolge de aanhoudende en systematische onwettigheden dewelke de verwerende partij begaat en heeft begaan, [...] in een toestand [bevindt] die elke mogelijkheid tot bevordering op het einde van haar loopbaan uitsluit, terwijl haar veel jongere collega’s wel deze bevordering bekwamen”, dat “[d]eze aanhoudende en uitzichtloze situatie voor de verzoekster tevens bijzonder smalend en vernederend [is] en ook binnen haar dienst [laat] uitschijnen dat zij niet competent zou zijn”, dat “[z]ulke volstrekt aanhoudende oneerlijke behandeling [...], alsmede de ermee gepaard gaande toestand van onzekerheid en publieke vernedering, de gewekte schijn dat de verzoekster niet competent zou zijn en de onmogelijkheid om haar carrière verder uit te bouwen, niet alleen het door de wet vereiste nadeel [inhoudt], maar ook een nadeel dat door een later annulatiearrest niet meer kan goedgemaakt worden [...], terwijl de repetitiviteit van het onwettelijk handelen van de verwerende partij alleen nog maar het nadeel van de verzoeker kan vergroten”, dat “een later vernietigingsarrest onvoldoende [zal] zijn om het voortdurend ervaren van deze oneerlijke en onrechtmatige behandeling welke de verzoekster als gevolg van de bestreden beslissingen ondergaat, alsdan nog te kunnen goedmaken”, dat “[b]ij de beoordeling van het nadeel dat de verzoekster lijdt, tevens [kan] worden rekening gehouden met de aard van de onwettigheden die werden begaan: de omvang van de morele schade kan worden bepaald door de graad van immoraliteit waarvan de aangeklaagde onwettigheden getuigen” en dat “het [daarbij] voor zich [spreekt] dat herhaalde en zware onwettigheden moeilijk om dragen zijn”. XII-6090-4\7
- Verwerende partij betwist dat verzoekster door de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. Zij betoogt dat het administratief dossier tegenspreekt dat verzoekster uitgesloten wordt van iedere toekomstige mogelijkheid tot bevordering. De centrale beoordelingscommissie heeft immers een vooruitgang vastgesteld op het vlak van de onderwijsevaluaties en bemerkt dat verzoekster “vooralsnog” niet volledig aan de profielvereisten voor bevordering tot gewoon hoogleraar voldoet. Daarmee wordt allerminst een uitspraak gedaan over het toekomstig potentieel van verzoekster. Verzoekster toont evenmin aan dat de bestreden beslissing voor haar bijzonder smadend en vernederend is en dat een annulatiearrest terzake niet geacht kan worden afdoende morele genoegdoe- ning te bieden. Ook laat verzoekster volgens verwerende partij na concreet en specifiek te duiden waarin het eigen moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen.
- Ter terechtzitting argumenteert verzoekster dat zij sinds de bestreden beslissing dagelijks het nadeel ervan ondervindt: zij is sindsdien in een aantal commissies vervangen door haar bevorderde collega’s die als gewoon hoogleraar voorrang hebben; zij heeft bestuursfuncties verloren; een opleiding komt in het gedrang; een medewerker is haar ontnomen. Dit alles, zo betoogt verzoekster, verzwakt nog meer haar positie in een volgende promotieronde. Beoordeling
- Verzoekster lijkt in het inleidend verzoekschrift haar nadeel vooreerst te zien in de “toestand [...] die elke mogelijkheid tot bevordering op het einde van haar loopbaan uitsluit” en de “onmogelijkheid om haar carrière verder uit te bouwen”. De Raad van State sluit aan bij de uiteenzetting van verwerende partij, dat verzoekster in het geheel niet aantoont dat ook voor de toekomst iedere mogelijkheid tot bevordering voor haar is uitgesloten. Bovendien dient erop gewezen dat het mislopen van een kans op bevordering, als zodanig, niet getuigt van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat na een vernietigingsarrest niet of nog slechts moeilijk kan worden hersteld. Het nadeel dat voortkomt uit een vertraging in de loopbaan, is inherent aan elke gemiste kans op een bevordering en kan in beginsel niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden gekwalificeerd.
- Voorzover verzoekster zich “vernederd” acht, voert zij een moreel nadeel aan. XII-6090-5\7 Een dergelijk moreel nadeel kan in beginsel worden goedgemaakt door de morele voldoening die een vernietigingsarrest met zich brengt. Het komt aan verzoekster toe om aan de hand van concrete en precieze gegevens aan te tonen dat er in haar geval uitzonderlijke omstandigheden zijn die ertoe nopen anders te oordelen. Dat doet verzoekster alvast niet door vaagweg te verwijzen naar “het voortdurend ervaren van deze oneerlijke en onrechtmatige behandeling welke de verzoekster als gevolg van de bestreden beslissingen ondergaat”.
- Verzoekster betrekt ook de beweerde ernst van de middelen op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Vooreerst dient erop gewezen te worden dat het om twee afzonderlijke -en dus in beginsel ook afzonderlijk te beoordelen- voorwaarden gaat waaronder de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing kan worden bevolen. Zelfs aangenomen dat van dit principe in uitzonder- lijke omstandigheden mag worden afgeweken, toont verzoekster -behoudens een andermaal vage verwijzing naar “aanhoudende en systematische onwettigheden”- niet concreet aan waarom dat in haar geval precies zo zou moeten zijn. Op het eerste gezicht bespeurt de Raad van State noch in de aangevoerde middelen, noch in de bewoordingen van de aan de bestreden beslissing onderliggende stukken, aanwijzingen die het aanvaardbaar maken dat uitzonderlijk het onderzoek van de middelen met dat van het nadeel verbonden zou moeten worden.
- Dat de bevorderde collega’s -waarvan verzoekster de bevordering overigens niet aanvecht- haar verdringen in bepaalde commissies op grond van de voorrang die gewoon hoogleraars nu eenmaal hebben, is een nadeel dat verzoekster kon inschatten bij het inleiden van de vordering nu het een toepassing is van de vigerende regelgeving. Daargelaten nog dat verzoekster niet uiteenzet waarom dit voor haar een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel vormt, wordt er geen rekening mee gehouden omdat verzoekster het in het inleidend verzoekschrift kon -en dus moest- aanbrengen.
- Verzoekster maakt geheel niet duidelijk of er enig verband is tussen de “dreigende” -en dus zelfs hypothetische- opheffing van de masteropleiding politieke communicatie en haar gemiste bevordering. Zelfs als die opheffing er zou komen en zelfs als die opheffing verzoeksters toekomstige kansen op bevordering bezwaren, is geen verband aangetoond met de thans bestreden beslissing. XII-6090-6\7
- Ook over het verband tussen de bestreden beslissing en de aanwijzing van de mandaatassistente N.K. laat verzoekster na iets concreet te specificeren.
- Daargelaten dus of het verzoekster nog wel toegelaten is om op de terechtzitting met nieuwe ontwikkelingen voor de dag te komen, zijn die hoe dan ook niet van aard om anders te oordelen over het nadeel dan zoals op grond van hetgeen in het verzoekschrift is aangevoerd, namelijk dat verzoekster de Raad van State niet ervan kan overtuigen dat het ernstig en moeilijk herstelbaar is. Derhalve is niet voldaan aan alvast één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing, bepaald in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 april 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6090-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.888 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.683 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.