id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.935 Rolnummer: A. 196146/XIV-32728 Zaak: Arrest 202935 - Penitentiair recht - 13/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-14 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Arrest nr 202.935 van 13 april 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 202.935 van 13 april 2010 in de zaak A. 196.146/IX-6770 In zake : Yonas MEHARI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te Hoeselt Tongersesteenweg 4, bus 1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 april 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 8 april 2010 van de directeur van de gevangenis te Hasselt waarbij Yonas Mehari als tuchtsanctie drie keer geen ongestoord bezoek wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 april 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Pascal Quadflieg, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor de verzoeker, en attaché Wim Van Brussel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-6769-1/4 Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Hasselt. Op 2 april 2010 wordt tegen hem een tuchtrapport opgesteld waarin gesteld wordt: “Na het beëindigen van het ongestoorde bezoek van bovenvernoemde gedetineerde stelde ik een sterke rookgeur alsook visuele rook vast. Toen ik hem hiermee confronteerde ontkende hij dat hij gerookt had. Hij werd verbaal agressief en lachte ons uit met het feit dat we toch niets kunnen bewijzen. waren getuigen (vermelden van de volledige identiteit van de getuigen): [...].” De verzoeker wordt op 8 april 2010 gehoord door de directeur, die dezelfde dag de bestreden beslissing neemt en daarvoor de volgende motivering opgeeft: “Gelet op de argumenten van de gedetineerde (en/of zijn advocaat) die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 08/04/2010 werd gehoord: Betr.: Ik betreur dat ik hier zit. Als ik zou gerookt hebben, dan had ik het daarvoor ook al wel gedaan. Zelfs visuele rook is na 1 minuut weg. Ik ontken gerookt te hebben, en ik ontken verbaal agressief geweest te zijn tegen de cheffen. Zelfs al zouden er redenen zijn om boos te zijn, blijf ik kalm en beleefd. Adv.: Mijn cliënt heeft nog geen tuchten gehad, werkt in de keuken, heeft een voorbeeldfunctie in de gevangenis, en vertoont geen tekenen van agressie of verbale agressie. Gelieve hiermee rekening te houden in uw besluitvorming. [...] Motivering van de sanctie: - overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan roken in de kamer van het ongestoord bezoek en verbale agressie ten aanzien van het personeel. Betrokkene geeft de feiten niet toe, hoewel het personeel formeel is over hetgeen werd vastgesteld. Het roken in de ruimte voor het ongestoord bezoek is in strijd met de lokale leefregels in de gevangenis. De feiten van verbale IX-6769-2/4 agressie brengen de orde en de veiligheid in de inrichting in gevaar. Om deze redenen wordt een tuchtsanctie opgelegd. Bij het bepalen van de sanctie werd rekening gehouden met het feit dat betrokkene geen tuchtrechtelijke anteceden- ten heeft.” IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel De verzoeker zet uiteen dat hem een onwettige sanctie opgelegd is -hij voert als eerste middel aan dat de wet van 2 maart 2010, die de sanctie van het ontnemen van het voordeel van het ongestoord bezoek instelt, niet in werking was op het ogenblik van de feiten noch op het ogenblik van de bestreden beslissing en als tweede middel dat de motiveringsplicht is geschonden omdat de feiten niet deugdelijk bewezen zijn en de motivering van de straf niet toereikend is- en dat het ontzeggen van seksueel contact “voor een lange periode” -hij spreekt van drie maanden- niet kan “teruggegeven” worden na een vernietigingsarrest. De schorsingsvoorwaarde van het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een aparte voorwaarde, waarbij de Raad van State in beginsel geen onderzoek voert naar de ernst van een der aangevoerde middelen. Uit het door de auditeur-verslaggever gevoerd onderzoek blijkt de evidente gegrondheid van de middelen niet, integendeel. Het intrekken van het voordeel van het ongestoord bezoek gedurende een niet al te lange periode -de verwerende partij betoogt dat het ongestoord bezoek twee keer per maand mogelijk is- vormt gewis een nadeel. Met zijn uiteenzetting, die louter toegespitst is op het ontberen van de intieme contacten die het ongestoord bezoek mogelijk maakt, toont de verzoeker evenwel niet aan dat dit nadeel dermate ernstig is dat het een schorsing van het bestreden besluit IX-6769-3/4 rechtvaardigt. De verwijzing naar het snakken naar enige affectiviteit van buitenaf is ter zake niet dienend, aangezien het bezoekrecht van de verzoeker niet verminderd wordt en hij niet verhinderd wordt om andere uitingen van affectiviteit te ondervin- den. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6769-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.935 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.499 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div