← België

Arrest 202936 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 14/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.936 Rolnummer: A. 183384/XIV-29551 Zaak: Arrest 202936 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 14/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Arrest nr 202.936 van 14 april 2010 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.936 van 14 april 2010 in de zaak A. 183.384/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 18 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 12 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 913 van 5 juli 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 191.462 van 16 maart 2009 waarbij het cassatieberoep wordt verdergezet overeenkomstig de artikelen 13 tot 18 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van cassatieprocedure bij de Raad van State; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2009; XIV-29.551-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het andersluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 19 september 2005 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 21 februari 2006 een beslissing tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 2 maart 2006 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aantekent; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het beroep met een beslissing van 12 april 2007 onontvankelijk verklaart; dat dit de bestreden beslissing is; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel onder meer opwerpt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens de motivering van het bestreden arrest niet-ontvankelijk is omdat het belang door fraude is aangetast, dat aldus volledig ten onrechte niet over de erkenning als vluchteling noch over de vraag tot subsidiaire bescherming is geoordeeld en dat de subsidiaire bescherming nochtans uitdrukkelijk in het verzoekschrift (tot voortzetting bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen) was gevraagd en zelfs ambtshalve moest worden onderzocht; 2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie stelt dat, gezien de correcte vaststellingen in de bestreden beslissing dat de verzoekende partij heeft getracht op intentionele wijze de asielinstanties te misleiden aangaande wezenlijke elementen van haar asielaanvraag, het belang van de verzoekende partij ontbreekt en niet wettig is, dat het beroep derhalve bij gebrek aan een rechtmatig XIV-29.551-2/6 belang niet-ontvankelijk is, dat de verzoekende partij in een uitgebreide uiteenzetting haar persoonlijke redenen voor de vraag naar de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus benadrukt, dat zij aldus een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is, dat de bestreden beslissing door de verwijzing naar het gebrek aan rechtmatig belang ook voor het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus afdoende is gemotiveerd en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aldus op terechte wijze toepassing van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” heeft gemaakt; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord toevoegt dat de fraude slechts op één element van de asielaanvraag betrekking had, dat heel het relaas op grond daarvan niet vals kan worden bestempeld, dat fraude in een asielaanvraag niet belet dat een ontvankelijk beroep tegen een weigeringsbeslissing kan worden ingesteld en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er met toepassing van artikel 235, § 1, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toe was gehouden uitspraak te doen over het al dan niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus; 2.
  6. Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, ten overstaan van wie door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus is genomen, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aan te vechten, tenzij zou blijken dat dat beroep zelf door bedrog is aangetast; dat de eventuele ongegrondheid van het beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet volstaat om dat beroep als niet- ontvankelijk omwille van het voornoemd algemeen rechtsbeginsel te beschouwen en om geen uitspraak te doen over de erkenning als vluchteling en over de subsidiaire beschermingsstatus; dat de argumentatie betreffende het feit of de verzoekende partij de Belgische autoriteiten al dan niet bewust heeft willen misleiden in de bestreden beslissing wel wordt beantwoord, doch dat de Nepalese afkomst van de verzoekende partij niet wordt betwist en dat geen uitspraak over de subsidiaire beschermingsstatus wordt gedaan; Overwegende dat artikel 235, § 1, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als volgt luidt: XIV-29.551-3/6 “ De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen blijft bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalde beroepen tot daags voor de datum bepaald in artikel
  7. Vanaf de door de Koning te bepalen datum tot daags vóór de datum bepaald in artikel 231, wordt tijdens deze periode inzake de aanhangige beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de bevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgebreid tot de bevoegdheid om te onderzoeken of de verzoekende vreemdeling voldoet aan de in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen voorziene voorwaarden.”; Overwegende dat de hierboven bedoelde datum door artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 oktober 2006 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en tot vaststelling van de data bedoeld in dit artikel 77 en in artikel 235, § 1, tweede lid, van de wet tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd vastgesteld op 10 oktober 2006; dat de in artikel 231 van de voornoemde wet van 15 september 1980 bepaalde datum 1 juni 2007 is; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen derhalve op 12 april 2007, datum van de bestreden beslissing, de bevoegdheid van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen had om uitspraak te doen over de subsidiaire beschermingsstatus; Overwegende dat artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen inzake beroepen die op de datum vastgesteld in artikel 243, derde lid, van die wet (1 december 2006) aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag bepaald is, evenals voor beroepen die ingediend zijn vanaf deze datum, dezelfde bevoegdheid heeft als die welke aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt toegekend; dat artikel 235, § 3, van dezelfde wet voor die beroepen de verplichting van een verzoek tot voortzetting oplegt; Overwegende dat het door de verzoekende partij bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ingediende beroep beantwoordt aan de in het voornoemde artikel 235, § 2 en § 3 bedoelde hypothese; dat de verzoekende partij op 15 januari 2007 een verzoek tot voortzetting heeft ingediend en daarin zelfs uitdrukkelijk de subsidiaire beschermingsstatus heeft gevraagd, voor zover zij niet als vluchteling erkend zou XIV-29.551-4/6 worden; dat, los van de vraag of de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zelfs niet ambtshalve over de subsidiaire beschermingsstatus moest doen, zij er bij het nemen van de bestreden beslissing toe gehouden was een uitspraak te doen over het al dan niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt de beslissing van 12 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, 2de Nederlandse Kamer, waarbij het beroep van de verzoekende partij wordt verworpen. Artikel
  9. Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
  10. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-29.551-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.551-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.936 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.462 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.903 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.