id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.937 Rolnummer: A. 184705/XIV-29695 Zaak: Arrest 202937 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-06 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Arrest nr 202.937 van 14 april 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.937 van 14 april 2010 in de zaak A. 184.705/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 6 augustus 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 534 van 3 juli 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1229 van 31 augustus 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 187.572 van 31 oktober 2008 waarbij het cassatieberoep wordt verdergezet overeenkomstig de artikelen 13 tot 18 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van cassatieprocedure bij de Raad van State; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2009; XIV-29.695-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 5 juli 2005 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 16 mei 2006 een beslissing tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 1 juni 2006 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de toenmalige Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aantekent; dat het beroep nadien door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt behandeld, die het beroep met een arrest van 3 juli 2007 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de motiveringsverplichting opwerpt; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij in het verzoekschrift tot beroep punt voor punt de redenen had aangevoerd waarom zij niet naar Nepal kon terugkeren en wat haar concrete angst was, dat zij zich niet met de motivering kan verzoenen waarom zij niet als vluchteling werd erkend en waarom haar de subsidiaire beschermingsstatus werd geweigerd, dat haar vordering niet-ontvankelijk bij gebrek aan een wettelijk vereist rechtmatig belang is verklaard omdat zij niet van bij de aanvang had verklaard over een paspoort te beschikken of dit te hebben aangevraagd, dat het bezit van een paspoort en de reisweg slechts één element is, maar niet van aard is om de verdere redenen om asiel te vragen niet verder te onderzoeken, dat de verzoekende partij door de maoïsten is bedreigd omdat hij hen in de steek heeft gelaten en ontsnapt is, dat hij een vijand van het volk is, dat de voorwaarden voor het verkrijgen van subsidiaire bescherming bovendien anders zijn dan om als vluchteling te worden erkend, dat niet afdoende op de aangevoerde XIV-29.695-2/6 angst voor het leger en de maoïsten is geantwoord, dat een beslissing is genomen, voornamelijk op grond van de algemene situatie in het land van herkomst, zonder de persoonlijke situatie van de verzoekende partij te onderzoeken, dat die situatie morgen terug veranderd kan zijn, dat de politieke situatie in Nepal zeer precair is, dat de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen (lees: de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen) op de dag van zitting moet oordelen of er werkelijk gevaar bij een eventuele terugkeer bestaat en daarbij met alle argumenten rekening moet houden, dat er geen zekerheid is of het precair politiek akkoord in Nepal zal worden uitgevoerd, dat de motivering om tot weigering over te gaan niet afdoende is, dat de maoïsten nog steeds hun eigen autoriteiten en wapens hebben, dat het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus niet wordt toegelicht of gemotiveerd, dat de problematiek zeer ernstig is, dat het in de situatie van de verzoekende partij niet volstaat enkel naar een rapport over de algemene situatie te verwijzen zonder de persoonlijke redenen in overweging te nemen bij de beoordeling van de asielaanvraag en de subsidiaire beschermingsstatus, dat de verzoekende partij ondertussen een aanvraag op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet) heeft ingediend en dat zij op grond van artikel 3 van het E.V.R.M. niet kan worden teruggestuurd zonder het risico te lopen opgepakt en gefolterd te worden; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord in een eerste middel betreffende de “schending van de beginselen van behoorlijk bestuur” toevoegt dat het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden, dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissingen dient voor te bereiden en op een correcte feitenvinding te stoelen, dat dit niet is gebeurd, dat het verzoek in beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard zonder zelfs de motieven van de verzoekende partij te onderzoeken, dat de verzoekende partij haar paspoort niet heeft vermeld uit angst te worden teruggestuurd, dat zij die angst en haar problemen in Nepal duidelijk heeft toegelicht, dat de neergelegde stukken niet zijn onderzocht hoewel zij het asielrelaas bevestigen, dat de verzoekende partij niet kan begrijpen waarom haar argumenten niet zijn onderzocht, dat haar asielaanvraag dus niet op zorgvuldige wijze is behandeld, dat enkel op grond van de kwestie van het paspoort een beslissing is genomen, dat de commissaris- generaal moet nagaan of er daadwerkelijk gevaar bij een terugkeer is, dat de beslissing en haar argumentatie niet redelijk zijn gezien de gevolgen van de huidige beslissing voor de verzoekende partij en dat zij nog steeds gevaar loopt; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord in een tweede middel betreffende de “schending van de motiveringsverplichting” XIV-29.695-3/6 toevoegt dat de beslissing gebrekkig is gemotiveerd omdat beslissingen in bestuurszaken draagkrachtig gemotiveerd moeten zijn en het duidelijk moet zijn waarom tot dergelijke motivering werd overgegaan, dat de motivering gebreken vertoont omdat niet wordt aangetoond waarom de aangevoerde angst voor vervolging niet aannemelijk is en omdat men gewoon een weigeringsbeslissing neemt, dat de stukken en de verklaringen van de verzoekende partij worden weggeveegd hoewel er een vrees voor de maoïsten uit blijkt, dat zij alle vragen heeft beantwoord, dat zij vooral represailles door de maoïsten vreest, dat op al die elementen niet wordt ingegaan, dat de verzoekende partij bij een eventuele terugkeer werkelijk gevaar loopt, dat verschillende districten nog onder controle van de maoïsten staan en niet toegankelijk zijn en dat de aanvraag van een visum in het paspoort van de verzoekende partij geen afdoende reden vormt om tot weigering over te gaan; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij voor het eerst in de memorie van wederantwoord in een zogenaamd “eerste middel” de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur opwerpt, zonder aan te geven waarom en aannemelijk te maken dat zij dat niet in het inleidend verzoekschrift heeft kunnen doen; dat het “eerste middel” aldus niet aan de vereisten van artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State beantwoordt en niet- ontvankelijk is, los van de vaststelling dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Overwegende dat de verzoekende partij voor het overige enkel de schending van “de motiveringsverplichting” opwerpt; dat zij in het verzoekschrift tot beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, nadien behandeld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, slechts de redenen heeft aangevoerd waarom zij het bezit van een paspoort had verzwegen en verder dat zij de visumaanvraag wel degelijk gedurende haar detentie heeft gedaan en dat over haar “overige documenten” niet door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen wordt gerept; dat zij dit in haar op 5 februari 2007 verstuurd verzoek tot voortzetting herhaalt, met daaraan toegevoegd nogmaals haar visie op de toestand in Nepal; dat in het bestreden arrest omstandig wordt ingegaan op de verklaringen van de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenzaken en op het commissariaat- generaal alsmede op de werkelijke gang van zaken betreffende het paspoort zoals deze uit het administratieve dossier blijkt, dat op grond daarvan wordt besloten dat de verzoekende partij de Belgische instanties opzettelijk heeft misleid met een herhaalde ontkenning dat zij over een eigen paspoort beschikte waarmee zij de reis naar Europa heeft ondernomen, om aldus de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en de subsidiaire beschermingssta- XIV-29.695-4/6 tus te verkrijgen; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan, omdat de verzoekende partij geen andere concrete elementen had aangevoerd; dat in het bestreden arrest duidelijk wordt gemotiveerd waarom tot een gebrek aan wettig belang wordt besloten; dat, ook al kan de vraag worden gesteld of het niet om de ongegrondheid van het beroep in plaats van de niet-ontvankelijkheid gaat, het middel van de verzoekende partij in ieder geval is behandeld en verworpen; dat niet nader op de kwestie van “overige documenten” moest worden ingegaan, nu de verzoekende partij zich beperkt tot een algemene bewering, zonder aan te geven welke documenten ten onrechte buiten beschouwing zouden zijn gelaten; dat het (in de memorie van wederantwoord genoemd “tweede”) middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij verder in het middel met een eigen visie op de toestand in het land van herkomst en de gevaren die zij er zou lopen, in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat de kritiek op de “beslissing in bestuursza- ken” niet dienstig is omdat het jurisdictionele arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen en niet de bestuurshandeling van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het voorwerp van het cassatieberoep vormt; dat het middel in die mate niet- ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.695-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.695-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.937 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.572 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.904 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.