id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.973 Rolnummer: A. 184241/VII-37017 Zaak: Arrest 202973 - Milieuvergunningen - 15/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-21 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 10:23 Fiche Arrest nr 202.973 van 15 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.973 van 15 april 2010 in de zaak A. 184.241/VII-37.
(2005), zodat niet kan worden ingezien - minstens wordt dit in de bestreden beslissing niet gemotiveerd - waarom geen 'verdere versoepeling' mogelijk zou zijn, overeenkomstig en rekening houdend met de artikelen 4.2.3.1.3/ en 2.3.6.1. van VLAREM II. (...) Verwerende partij antwoordt ook niet op het middel waar gesteld wordt dat de bestreden beslissing - alsook de beslissing genomen in eerste aanleg - geenszins afdoende gemotiveerd is met betrekking tot de toegestane - bevestigde - termijn van 'versoepeling', met name twee jaar vanaf 9 november 2006 (dus tot en met 9 november 2008). Volgens de bestreden beslissing geeft deze (zeer krappe) termijn de mogelijkheid 'om brongerichte maatregelen te nemen en de lozing van prioritair gevaarlijke stoffen te voorkomen of te beperken', geheel overeenkomstig het beginsel van BBT (beste beschikbare technieken). Verwerende partij blijft volkomen doof voor de argumenten van verzoekster, in het bijzonder met betrekking tot de vele inspanningen die zij de voorbije jaren reeds heeft gedaan via investeringen in én continue opvolging van het afvalwaterbeleid, en meer VII-37.017-8/20 in het bijzonder de realisatie van bronbeperkende maatregelen in deze context (nochtans geenszins tegengesproken in de diverse uitgebrachte adviezen !). Verzoekster kan niet anders dan herhalen, zoals vermeld in haar toelichtende nota dd. 5 februari 2007, dat de (verdere) reductie van TOX en methyleenchloride zeer moeilijk is daar het om zeer kleine hoeveelheden gaat, uiterst moeilijk te traceren in de bedrijfsvoering. In de afwijkingsaanvraag van verzoekster werd aangegeven dat er geen directe bron aanwijsbaar is, zodat men thans tracht via verdere onderzoeken indirecte bronnen op te sporen (o.m. het vermeld onderzoek van Javel). Omwille van het diffuus karakter van de betrokken verontreinigende stoffen en van de (diverse) mogelijke bronnen vergt dit een zeer langdurige inspanning en is zelfs in het geheel geen onmiddellijk resultaat verzekerd. De voormelde stoffen zijn weliswaar detecteerbaar in de afvalwaterstroom, doch uiterst moeilijk identificeerbaar en traceerbaar in de bedrijfsprocessen en -activiteiten. Verwerende partij blijft onjuist en niet onderbouwd beweren dat er hoe dan ook brongerichte maatregelen mogelijk zijn. Derhalve is ook op dit punt de bestreden beslissing geenszins afdoende gemotiveerd, aangezien: - enerzijds een versoepeling van de lozingsnormen principieel en uitdrukkelijk wordt toegestaan (bevestigd); - anderzijds deze versoepeling 'moet beperkt' worden tot maximum twee jaar, terwijl geenszins wordt aangetoond (integendeel) dat verder reducerende bronmaatregelen tot de mogelijkheden behoren, laat staan dat deze al kunnen gerealiseerd worden binnen de voormelde periode van twee jaar. (...) Verzoekster blijft ook bij haar vaststelling dat de afwijking toegestaan bij besluit van de Bestendige Deputatie dd. 9 november 2006 (en bevestigd door de minister) het resultaat is van een 'compromis' tussen verschillende elkaar tegensprekende adviezen. Enerzijds adviseerde de VMM in eerste aanleg de afwijkingsaanvraag van verzoekster gunstig voor een schrapping van de normen voor organohalogeenverbindingen (concentratie en vracht) in de milieuvergunning dd. 9 juni 2005, en vervanging door som AOX+VOX+EOX 1 mg/l, en dit zonder beperking in de tijd, en gunstig voor dichloormethaan 1 mg/l voor een periode van twee jaar, nadien 100 :g/l (cf. advies VMM dd. 15 september 2005). Anderzijds adviseerde de Afdeling Milieuvergunningen in eerste aanleg net 'omgekeerd': gunstig voor het schrappen van de parameter organohalogeenverbindingen en vervangen door som AOX+VOX+EOX 1 mg/1 (tot 31 augustus 2008) én gunstig voor methyleenchloride: 1 mg/l (ogenblikkelijke waarde) en 0,5 mg/l (24uurdebietsproportioneel), zonder beperking in de tijd (cf. advies AMV dd. 31 augustus 2006). Uiteindelijk vonden AMV en VMM elkaar vervolgens in een 'compromis' (zijnde een verstrengd advies) - echter geenszins onderbouwd - in de schoot van de Provinciale Milieuvergunningscommissie". 6. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de Vlaamse Milieumaatschappij aanvankelijk gunstig heeft geadviseerd voor een versoepeling zonder beperking in de tijd, om nadien met de afdeling Milieuvergunningen tot een compromis te komen met een strenger advies dat evenwel niet op afdoende wijze is onderbouwd. VII-37.017-9/20 Standpunt van de verwerende partij 7. De verwerende partij antwoordt dat zij wel terdege rekening heeft gehouden met de nota van 5 februari 2007 en verwijst hierbij naar de hierna volgende overweging van de bestreden beslissing : "Overwegende dat de problematiek van lozing van gevaarlijke stoffen losstaat van het feit of men ze nu loost in oppervlaktewater of in de openbare riolering die is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie; dat namelijk rioolwaterzuiveringsinstallaties worden gedimensioneerd in functie van een bepaalde biologisch verwerkbare vuilvracht maar niet om gevaarlijke stoffen in te verwijderen; dat gevaarlijke stoffen verplicht via voorkoming of aan de bron dienen te worden gesaneerd; dat verdunning via vermenging met rioolwater geen aanvaardbare behande- lingstechniek is voor gevaarlijke stoffen". Ook stelt de verwerende partij dat zij repliek gegeven heeft op de impactstudie van de MER-deskundige en dat de impactstudie de problematiek van de bedrijfsafvallozing enkel beziet vanuit het standpunt van verdunning, zijnde een behandelingstechniek "end of the pipe" en dat van andere behandelingstechnieken, zoals gesloten systeem en substitutie, geen gewag gemaakt wordt. De impactstudie van de verzoekende partij gaat volgens haar uit van de verkeerde premisse dat er voor de verzoekende partij als exploitant geen mogelijkheid voorhanden zou zijn om aan de bron zelf het probleem aan te pakken van de lozing in haar bedrijfsafvalwater. Nochtans is de verzoekende partij ervan op de hoogte dat er in haar bedrijfsafvalwater metingen werden en kunnen worden gedaan van bepaalde gevaarlijke stoffen, die behoren tot de categorie van de "meest gevaarlijke stoffen" volgens Vlarem en die in de europeesrechtelijke context behoren tot de "prioritaire stoffen" waarvan elke lozing op termijn dient te worden beëindigd. Zonder bron-aanpak zal de verzoekende partij zich in de toekomst onvermijdelijk geplaatst zien voor nog veel grotere problemen, waarbij het zelfs mogelijk is dat zij haar exploitatie en productie drastisch zou dienen aan te passen. Het feit dat in het verleden al een aantal inspanningen werden gedaan om het bedrijfsafvalwater te saneren maakt niet onnodig dat er bijkomend nog een aantal inspanningen dienen te worden gedaan in de nabije toekomst. VII-37.017-10/20 De verzoekende partij maakt in haar verzoekschrift wel gewag van verregaande inspanningen die zij in het verleden al zou hebben gedaan om bronbeperkende maatregelen te nemen, maar zij geeft hieromtrent geen verdere uitleg. Eveneens blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing dat de verplichte emissiegrenswaarden, zelfs na het verstrijken van de termijn van twee jaar binnen dewelke de verzoekende partij de nodige maatregelen moet nemen om haar afvalwaterlozing aan te pakken (met andere behandelingstechnieken dan met een zogenaamde "end of pipe"-behandeling) zich duidelijk situeren boven de detectiegrens. Het argument dat de emissie van bepaalde parameters quasi onmogelijk op te sporen zal zijn, houdt geen steek en kan bovendien wetenschappelijk worden tegengesproken. Het argument van de verzoekende partij als zou twee jaar te kort zijn als termijn om in staat te zijn om nieuwe maatregelen te nemen met het oog op bronbeperking van de emissie van gevaarlijke stoffen in het bedrijfsafvalwater, wordt door de verwerende partij niet aangenomen. De verwerende partij vervolgt : "Verzoekster krijgt vanwege de overheid gedurende twee jaar een ruime versoepeling van de emissiegrenswaarden (op haar eigen aangeven) voor een aantal zeer gevaarlijke stoffen. De termijn van twee jaar is noodzakelijk om juist haar ertoe aan te zetten om zich in regel te stellen met de decretale en europeesrechtelijke regelgeving. Zij klaagt er eigenlijk bij voorbaat al over dat deze termijn te kort zal zijn. Het is pas bij het verstrijken van de termijn van twee jaar dat zal kunnen worden beoordeeld hoe ver verzoekster al staat met haar brongerichte aanpak van de lozingsproblematiek van het afvalwater op haar bedrijf. Verzoekster maakt gewag van 'compromissen' die door de overheid zouden zijn gemaakt bij de beoordeling van de precieze emissiegrenswaarden en bij de beoordeling van de termijn gedurende de welke verzoekster kan genieten van een versoepeling van de bijzondere milieuvoorwaarden. De versoepeling die haar bij wijze van gunst word(
- t)gegeven door de overheid wordt enkel en alleen toegestaan om de exploitant toe te laten zich te buigen over een totaal andere aanpak van de problematiek van bedrijfsafvalwaterlozing. Artikel 3.3.01 § 1 van Vlarem II bepaalt dat de overheid bij het verlenen van een vergunning steeds bijzondere vergunningsvoorwaarden kan opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van de milieukwaliteitdoelstellingen van Vlarem II. VII-37.017-11/20 Overeenkomstig artikel 4 van het Milieuvergunningendecreet mag niemand, zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijke inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse exploiteren of veranderen. Het systeem van vergunningen impliceert overduidelijk het bestaan van een verbod, waarbij voor de vergunninghouder enkel de schriftelijke vergunning met inbegrip van de daarin opgelegde milieuvoorwaarden de politiemaatregel is die het algemeen verbod opheft om te exploiteren of te veranderen. De activiteiten van de nv Terumo Europe te Heverlee situeren het bedrijf van verzoekster in de meest hinderlijke klasse I uit VLAREM I en eisen bijgevolg de meest gedetailleerde en omzichtige milieuvoorwaarden uit VLAREM II omwille van hun potentieel omvangrijke risico op hinder voor de omgeving (het leefmilieu in zijn primaire betekenis). De Bestendige Deputatie heeft bij haar beslissing van 9 november 2006 geoordeeld dat door de exploitant nog bepaalde bijkomende maatregelen genomen dienden te worden om de problematiek van de afvalwaterlozing op het niveau van haar onderneming aan te pakken naar de toekomst toe. De vergunningverlenende overheden (Bestendige Deputatie en later ook de Minister in graad van beroep) oordeelden het bij verlenen van de versoepeling van de bijzonder milieuvoorwaarden strikt noodzakelijk om een termijn op te leggen binnen dewelke verzoekster een aantal bijkomende maatregelen moet nemen. Zulks betekent met andere woorden dat de Bestendige Deputatie in 2006 (en de Minister in graad van beroep in 2007) de gevraagde versoepeling van de emissiegrenswaarden van bepaalde parameters in de afvalwaterzuivering van de exploitatie van verzoekende partij ook hadden kunnen/moeten weigeren indien niet verzoekende partij als exploitant in de reële mogelijkheid zou zijn om bijkomende maatregelen te nemen die technisch haalbaar zijn en voldoen aan de vereiste van best beschikbare schone technologie zonder overmatig hoge kosten. Verzoekende partij staat nu al - onmiddellijk na het verkrijgen van een (toch wel ruim te noemen) versoepeling van haar bijzondere milieuvoorwaarden op het vlak van bedrijfsafvalwaterlozing - klaar bij de overheid die haar deze gunst heeft toegestaan om te klagen dat het haar niet gaat lukken om binnen een termijn van twee jaar na het verkrijgen van deze versoepeling de nodige maatregelen te nemen 'aan de bron' van het probleem. Het gaat niet op om onmiddellijk na het verkrijgen van een gunst (namelijk de versoepeling van de milieuvoorwaarden die gelden voor ander vergelijkbare inrichtingen) al te gaan stellen dat de termijn voor bijkomende maatregelen onrealistisch kort is zonder dat zij zich vooreerst bewijst naar haar vergunningverlenende overheid toe. Het betaamt dat zij eerst aantoont dat zij zich werkelijk voldoende inspanningen heeft getroost om terug op termijn haar exploitatie terug te voeren zoals haar oorspronkelijk in de basisvergunning vergund, ttz mits naleving van de haar opgelegde (bijzondere) milieuvoorwaarden. Verzoekster keert hiermee de rollen om. Zijzelf vraagt een uitzondering op de naleving van de normering die voor andere vergelijkbare inrichtingen wél van toepassing is en blijft. Het spreekt voor zich dat de vergunningverlenende overheid die zich geconfronteerd ziet met de vraag tot versoepeling van (niet zoveel eerder in de tijd) door haarzelf opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden deze aanvraag met de nodige zorgvuldigheid dient te behandelen. Van de exploitant wordt verwacht dat deze minstens aantoont waarom brongerelateerde maatregelen voor hem niet technisch haalbaar en/of slechts door het maken van overmatig hoge kosten kan worden verwezenlijkt. VII-37.017-12/20 Verzoekende partij betwist in het verzoekschrift bovendien niet de zeer belangrijke vaststelling van de Minister in de bestreden beslissing dat de problematiek van lozing van gevaarlijke stoffen losstaat van het feit of men ze nu loost in oppervlaktewater of in de openbare riolering die is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Bovendien kan verzoekster niet op een ernstige wijze blijven betwisten dat verdunning via vermenging met rioolwater geen aanvaardbare behandelingstechniek is voor gevaarlijke stoffen; zij kent voldoen of dient minstens voldoende op de hoogte te zijn van de toepasselijke regelgeving binnen het niveau van het gewest (watertoets) én op het europeesrechtelijke niveau. Zij beperkte er zich toe om 'gratuit' in haar aanvraag tot versoepeling van bijzondere voorwaarde te stellen dat zij in haar exploitatie reeds in het verleden heel veel inspanningen heeft gedaan om maximaal de algemene milieudoelstellingen na te streven. Haar stelling als zouden de kwestieuze gevaarlijke stoffen erg moeilijk of zelfs onmogelijk op te sporen zijn wordt absoluut tegengesproken door wetenschappelijk onderzoek. Het spreekt voor zich dat het opleggen door de milieuvergunnende overheden van brongerelateerde maatregelen binnen een redelijke termijn kadert in een ruimer sturend vergunningenbeleid van de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid is hier op haar beurt gebonden door de reeds bestaande richtlijnen op europees vlak en draagt een immense verantwoordelijkheid. Er anders over oordelen zou pas getuigd hebben van onzorgvuldig overheidshandelen. Aangezien de gevraagde versoepeling van de emissiegrenswaarden voor bedrijfsafvalwaterlozing op de inrichting van verzoekster een uitzonderingsaanvraag blijft (en moet blijven), mag van de aanvrager vereist worden dat deze meer doet dan vroeger geleverde inspanningen belichten en zich beperken tot een zogenaamde impactstudie waarvan gemakkelijk via wetenschappelijk tegenbewijs kan worden aangetoond dat deze op een belangrijk aantal punten in gebreke blijft om antwoorden te bieden op zeer relevante open vragen en aldus - op korte termijn zelfs - de exploitatie van verzoekster toe te laten haar vergunning te blijven behouden. De impliciete verwijten van verzoekende partij naar de overheid dat het haar in het geheel niet bekend is hoe er in haar eigen exploitatie nog mogelijke maatregelen zouden kunnen worden genomen met het oog op een brongerichte aanpak van de problematiek van haar bedrijfsafvalwaterlozing vormen een aanfluiting van de ernst waarmee een dergelijke aanvraag zou dienen te worden voorbereid door de exploitant. Het is de taak van de aanvrager van een uitzonderingsregeling om een dergelijke aanvraag van in den beginne voldoende te verantwoorden (de Vlarem-reglementering spreekt zelfs van 'motiveren') naar de overheid toe. De bestreden beslissing geeft duidelijk aan welke motieven de vergunningverlenende overheid heeft weerhouden om de beroepen beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. De motivering van huidige bestreden beslissing is voldoende consistent en voldoende concreet, ttz toegespitst op het betrokken dossier. Paragraaf 1 van artikel 45 van Vlarem I, gewijzigd bij besluit van 12 januari 1999 van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, bepaalt dat de bevoegde overheid bij gemotiveerde beslissing de in de lopende VII-37.017-13/20 vergunning(
- en)opgelegde voorwaarden kan wijzigen of aanvullen op verzoek van de exploitant. In paragraaf 3 wordt verduidelijkt dat het in paragraaf 1 bedoelde verzoek o.a. dient te vermelden welke de gevraagde wijziging of aanvulling van de opgelegde vergunningsvoorwaarde juist is en welke de 'motivering' (bedoeld als 'redengeving') is van de gevraagde wijziging of aanvulling. Verzoekster diende aldus op zo volledig mogelijke wijze de technische redenen voor te brengen dewelke de gevraagde versoepeling motiveerden. Zij diende bovendien zelf een voorstel te doen van maatregelen die van aard zijn om gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken. Zoals hierboven reeds aangetoond, is verzoekster in gebreke gebleven om voldoende technische redenen te geven die de aanvraag ondersteunen. Het aanknopingspunt dat door Uw Raad in zijn rechtspraak met betrekking tot artikel 1.2.2.2 § 2 wordt gehanteerd bij de beoordeling van de technische motieven voor een afwijkingsaanvraag is immers de definitie van de 'best beschikbare technieken'. Bovendien dient de exploitant die een afwijking van de milieuvoorwaarden wenst te bekomen in zijn aanvraag maatregelen te formuleren die gelijkwaardige waarborgen bieden voor mens en leefmilieu als deze waarvan hij een afwijking vraagt (artikel1.2.2.2.§ 2,3/). Verzoekende partij heeft in haar aanvraagdossier helemaal geen maatregelen geformuleerd dewelke gelijkwaardige waarborgen bieden voor mens en leefmilieu als de bijzondere milieuvoorwaarden (in casu de versoepeling van de emissiewaarden van bepaalde parameters van bedrijfsafvalwaterlozing) waarvan zij een afwijking vroeg. De vraag dient dan ook vooreerst te worden gesteld door Uw Raad of het in een dossier als dit sowieso mogelijk is om individuele afwijkingen toe te staan zonder daarvoor een 'wederprestatie' te vragen vanwege de exploitant in de vorm van alternatieve maatregelen om - naar de nabije toekomst toe - deze versoepeling te verrechtvaardigen. Individuele afwijkingen van milieuvoorwaarden kunnen immers maar mogelijk zijn voor zover de belangen die worden beschermd door deze milieuvoorwaarden op identieke wijze blijven gewaarborgd na versoepeling. Indien de Minister een versoepeling toestaat, dan mag deze versoepeling hoe dan ook niet leiden tot een vermindering van de beschermingsgraad die wordt gegarandeerd door de milieuvoorwaarden. Een aanvraag tot versoepeling van de milieuvoorwaarden door een exploitant moet daarom getoetst worden aan het doel of de finaliteit van de regel waarvan afwijking wordt gevraagd. Het is slechts in de mate dat er alternatieven worden geboden én dat deze alternatieven tot eenzelfde resultaat kunnen leiden, dat er een versoepeling van de milieuvoorwaarden kan worden bekomen door een exploitant. De redelijkheidsnorm en de zorgvuldigheidsnorm zijn aldus zeker niet geschonden, wel in tegendeel. In de mate waarin artikel 23 lid 3 4/ van de Grondwet (het recht op bescherming van een gezond leefmilieu) aan de Vlaamse Regering een stand- still van het beschermingsniveau (= garantie van een beschermingsniveau dat niet van een lager gezondheidsniveau is dan het bestaande) oplegt, kan/mag de Minister het beschermingsniveau gegarandeerd bij de strikte toepassing van de algemene en sectorale normen van toepassing overeenkomstig Vlarem II zoals opgelegd in de basisvergunning van verzoekster niet 'zomaar' verminderen. De minister kan dit beschermingsniveau zeker niet gaan verminderen door het - voor de volledige vergunningtermijn en bovendien 'à la carte' , namelijk precies zoals door verzoekster zelf in haar aanvraag gevraagd - te gaan VII-37.017-14/20 versoepelen van de nog niet zolang opgelegde milieuvoorwaarden zonder een minimum van opgave door verzoekster in haar aanvraag van minstens één of ander alternatief voor deze milieuvoorwaarden dat niet minstens een evenwaardig beschermingsniveau garandeert". Beoordeling 8. De formele motiveringsverplichting heeft voornamelijk tot doel de bestuurde in de mogelijkheid te stellen om in de beslissing zelf de motieven te vinden op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in feite en in rechte correct zijn. De motiveringsverplichting impliceert dat in de beslissing zelf de fundamentele redenen worden weergegeven die haar verantwoorden. Die motivering moet voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen. De motieven van de bestreden beslissing luiden, onder meer, als volgt : "Overwegende dat de rapportagegrens van adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX) 15 :g/l bedraagt en voor de vluchtige organische halogeenverbindingen (o.a. dichloormethaan) 10 :g/l; dat de rapportagegrens de waarde is beneden welke een component als niet kwantificeerbaar (' (...) Overwegende dat gelet op enerzijds het feit dat er hoge waarde(
- n)dichloormethaan worden gemeten in het afvalwater en anderzijds dat dichloormethaan een prioritaire stof is en dat een brongerichte aanpak noodzakelijk is er geen verdere versoepeling kan worden toegestaan van de in de bestreden beslissing opgelegde lozingsnorm; dat een vergunningstermijn van twee jaar de exploitant de mogelijkheid geeft om brongerichte maatregelen te nemen en de lozing van prioritair gevaarlijke stoffen te voorkomen of te beperken". Uit die motieven en ook uit de overige blijkt afdoende dat de verwerende partij van oordeel is dat de door de verzoekende partij nagestreefde versoepeling van de lozingsnormen slechts van tijdelijke aard mag zijn, namelijk twee jaar, en dat die periode door de exploitant nuttig aangewend moet worden om bijkomende brongerichte maatregelen te nemen teneinde de concentratie van TOX en dichloormethaan in het bedrijfsafvalwater terug te dringen. De verwerende partij VII-37.017-15/20 geeft ook uitdrukkelijk aan dat de verdunning van de concentraties van gevaarlijke stoffen die bereikt wordt door het vermengen van het door de verzoekende partij geloosde afvalwater met ander rioolwater uit milieuoogpunt geen aanvaardbare behandelingstechniek is. De vaststelling van de verzoekende partij dat de in het bestreden besluit opgegeven motivering een nagenoeg volledige en woordelijke overname is van het advies van de afdeling Milieuvergunningen, doet op zich niets af aan de draagkracht van die motieven. De motieven van het bestreden besluit bieden voorts een afdoende antwoord op de bij de aanvraag gevoegde impactstudie afvalwaterlozing en op de nota die de verzoekende partij op 5 februari 2007 heeft overhandigd aan vertegenwoordigers van de afdeling Milieuvergunningen. De impactstudie van de MER-deskundige alsook de bijkomende argumentatie in voormelde nota staan immers uitvoerig stil bij de effecten van de lozing van het met gevaarlijke stoffen verontreinigde bedrijfsafvalwater op de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater. De verwerende partij is evenwel van oordeel dat dergelijke aanpak uit milieuoogpunt onaanvaardbaar is en, meer in het bijzonder, dat in plaats van de lozingsnormen aan te passen aan de actuele verontreiniging van het afvalwater, de exploitant bijkomende maatregelen dient te treffen om de lozing van gevaarlijke stoffen aan de bron aan te pakken. Daardoor wordt een verdere discussie over de impact van de lozing op het ontvangende oppervlaktewater en later op het rioolwater dat afgevoerd wordt naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie van ondergeschikt belang en hoefde de verwerende partij geen antwoord meer te verschaffen op de argumenten van de verzoekende partij waarbij de nadelige effecten van het geloosde afvalwater op het milieu worden geminimaliseerd. Met betrekking tot het aangevoerde gebrek aan motivering voor wat de duur van de verleende versoepeling van de lozingsnormen betreft - die volgens de verzoekende partij veel te kort zou zijn - spreekt de verzoekende partij niet tegen dat organische halogeenverbindingen voorkomen op lijst I van gevaarlijke stoffen, opgenomen in bijlage 2 C van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), waarvan artikel 2.3.6.1, § 1, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) stelt dat de verontreiniging van de wateren door die stoffen dient te worden beëindigd overeenkomstig de bepalingen VII-37.017-16/20 van laatstgenoemd besluit, en, zoals voorts wordt vermeld in de motivering van het bestreden besluit, dat de stof dichloormethaan door richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid is opgenomen in de lijst van prioritaire stoffen waarvoor specifieke maatregelen dienen te worden genomen voor de progressieve vermindering van de lozing ervan. Aldus verschaft het bestreden besluit een afdoende grond voor een termijn van twee jaar waarbinnen de exploitant brongerichte maatregelen dient uit te werken om de lozing van prioritair gevaarlijke stoffen te voorkomen of te beperken. Voorts betwist de verzoekende partij niet dat, zoals wordt aangegeven in het bestreden besluit, de opgelegde emissiegrenswaarden uitgaan van concentraties van de betrokken gevaarlijke stoffen die wel degelijk detecteerbaar zijn. De "vele inspanningen" die de verzoekende partij de afgelopen jaren zou hebben geleverd om het afvalwater te saneren en de "uiterst moeilijk(e)" identificeerbaarheid en traceerbaarheid van TOX en methyleenchloride in de bedrijfsprocessen, doen geen afbreuk aan de fundamentele beweegreden van de verwerende partij om het lozen van prioritair gevaarlijke stoffen in het leefmilieu binnen een voldoende korte termijn terug te dringen. Ten slotte kan de beweerde tegenstrijdigheid van de tijdens de procedure in eerste aanleg verleende adviezen van de Vlaamse Milieumaatschappij en van de afdeling Milieuvergunningen geen dienstig middel uitmaken. In beroep is de adviesprocedure immers volledig overgedaan en met betrekking tot de in beroep verleende adviezen wijst de verzoekende partij niet op tegenstrijdigheden die de motivering van het bestreden besluit wezenlijk hebben aangetast. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 9. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, de hoorplicht en het vertrouwensbeginsel. VII-37.017-17/20 Zij betoogt hierbij dat de conclusie en beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat er "geen verdere versoepeling" kan worden toegestaan niet redelijk verantwoord noch aanvaardbaar zijn in het licht van de door haar aangevoerde feiten en argumenten en dat een dergelijke besluitvorming niet strookt met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Zij argumenteert verder dat bij de behandeling van haar beroep ook de hoorplicht en het vertrouwensbeginsel geschonden zijn en zet uiteen dat op haar verzoek om gehoord te worden zij een uitnodiging voor een hoorzitting door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ontving en zij zich daarop terdege voorbereidde. De dag zelf dat deze hoorzitting zou plaatsvinden, werd haar meegedeeld dat het een vergissing betrof, doch dat zij wel nog kon worden gehoord door twee vertegenwoordigers van de afdeling Milieuvergunningen. Zij kon toen echter enkel haar toelichtende nota afgeven en met deze nota is bij de uiteindelijke besluitvorming in het geheel geen rekening gehouden. 10. In haar memorie van wederantwoord handhaaft de verzoekende partij haar argumentatie en verwijst hiervoor naar rechtspraak van de Raad van State. Standpunt van de verwerende partij 11. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partij door een administratieve fout werd uitgenodigd op het bijwonen van een hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en dat zulks decretaal niet verplicht is. In het kader van de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 9 november 2006 was het zelfs niet "verplichtend" voor de bevoegde minister om het dossier te laten behandelen door en voor advies over te leggen aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Dat de verzoekende partij toch de mogelijkheid heeft gekregen om haar aanvullende argumentatie te laten kennen aan de leden van de Gewestelijke Milieuvergunningscommssie heeft alles te maken met de "good-wil" van de administratie om haar eerdere administratieve vergissing recht te zetten. De verzoekende partij heeft al haar argumenten kunnen laten kennen en uit de motieven VII-37.017-18/20 van de bestreden beslissing zelf blijkt bovendien dat de minister kennis heeft kunnen nemen van de "'bijkomende' argumenten van de toelichtende nota". De verwerende partij concludeert daarop dat de hoorplicht geenszins geschonden is, dat de bestreden beslissing door geen enkele onwettigheid aangetast is en evenmin de beginselen van behoorlijk bestuur schendt. Beoordeling 12. Uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de fundamentele redenen die de verwerende partij er toe hebben gebracht om slechts een tijdelijke versoepeling van de lozingsnormen toe te staan, met name het stimuleren van brongerichte maatregelen, een afdoende antwoord bieden op de conclusies van de impactstudie afvalwaterlozing en op de nota van 5 februari 2007 waarin, voortbouwend op de voornoemde impactstudie, de verzoekende partij nadere uitwerking heeft gegeven aan haar standpunten die er in wezen op neerkomen dat aan het lozen van het bedrijfsafvalwater conform de nagestreefde normen geen significant nadelige milieueffecten verbonden zijn. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan niet worden aangenomen omdat de determinerende motieven van de verwerende partij noodzakelijkerwijze de verwerping impliceren van de zienswijze van de verzoekende partij die steunt op een volkomen ander uitgangspunt. Het standpunt van de verwerende partij is ook niet kennelijk onredelijk omdat de "strengere" norm voor de parameter organohalogeen- verbindingen die na twee jaar van kracht wordt feitelijk neerkomt op een terugkeer naar de oorspronkelijke norm vastgesteld in de milieuvergunning van 9 juni 2005 die de verzoekende partij klaarblijkelijk niet heeft aangevochten. Wat betreft de parameter dichloormethaan bedraagt de opgelegde norm van 100 µg/1 het tienvoudige van de in bijlage 2.3.1 van Vlarem II vastgestelde basismilieukwaliteitsnorm van 10 µg/1 die geldt voor alle oppervlaktewateren. Met betrekking tot de aangevoerde schending van de hoorplicht en het vertrouwensbeginsel, wordt vastgesteld dat het bestreden besluit een verklaring geeft voor het feit waarom de verzoekende partij, ondanks een eerdere uitnodiging, uiteindelijk niet werd gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Het bestreden besluit overweegt in dat verband dat "overeenkomstig artikel 54, § 4 van titel I van het VLAREM de procedure niet VII-37.017-19/20 voorziet dat dergelijke beroependossiers worden geadviseerd en behandeld door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie". De verzoekende partij betwist niet dat nergens in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning noch in een van zijn uitvoeringsbesluiten is voorgeschreven dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie advies dient te verlenen in beroepsprocedures inzake de wijziging van milieuvergunningsvoorwaarden. Er is bijgevolg geen enkele grond om in te gaan op een verzoek om in het kader van dergelijke beroepsprocedure gehoord te worden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. In die omstandigheden kan er bezwaarlijk sprake zijn van een gewekt vertrouwen. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien april tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.017-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.973 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div