← België

Arrest 203036 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.036 Rolnummer: A. 191978/IX-6282 Zaak: Arrest 203036 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-03 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.036 van 19 april 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 203.036 van 19 april 2010 in de zaak A. 191.978/IX-6282 In zake : Kathleen DE CLEENE wonende te As Einderheibosstraat 24 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de lokale politiezone MAASLAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te Beringen Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 maart 2009, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 29 januari 2009 van het politiecollege van de politiezone Maasland waarbij aan Kathleen De Cleene de tuchtstraf van de blaam opgelegd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld overeenkom- stig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart
  3. IX-6282-1/8 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Verzoekster, en advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekster treedt op 1 juni 2004 in dienst van de lokale politiezone Maasland. Zij is er -statutair- adviseur van de korpschef en secretaris van het politiecollege, de politieraad en de zonale veiligheidsraad. 3.
  6. Op 3 juli 2008 neemt het politiecollege van de politiezone Maasland kennis van een informatieverslag van 27 juni 2008 van de zonechef, waarin wordt gesteld dat uit een intern onderzoek naar het telefoongebruik is gebleken dat de verzoekster oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de diensttelefoon die haar is toegewezen. Dat oneigenlijk gebruik leidt ook tot de vaststelling dat verzoeksters opgegeven tijdsgebruik niet overeen zou stemmen met de werkelijk- heid. Het politiecollege beslist vervolgens om een commissaris het tuchtrechtelijk vooronderzoek te laten voeren. Op dezelfde dag beslist het politiecollege om de verzoekster bij hoogdringendheid voorlopig te schorsen. Deze voorlopige schorsing wordt, na de verzoekster te hebben gehoord, bevestigd met een beslissing van 9 juli 2008 van het politiecollege. De verzoekster stelt tegen de beide beslissingen een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Die vordering wordt verworpen bij arrest nr. 186.045 van 4 september
  7. Er wordt ook een gewone vordering tot schorsing en een annulatieberoep ingediend tegen die beslissingen (rolnummer A. 189.406/IX-6018). IX-6282-2/8 3.
  8. Met een nota van 24 juli 2008 maakt de onderzoeker zijn bevindingen omtrent “onrechtmatig telefoongebruik alsook foutieve invulling van de tijdsregistratiedocumenten” over aan het politiecollege. Op 6 augustus 2008 stelt het politiecollege lastens de verzoekster een inleidend tuchtverslag op, waarin het onder meer overweegt om haar de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dat inleidend verslag wordt aan de verzoekster betekend met aangetekende zendingen van 14 en 18 augustus
  9. 3.
  10. Op 12 september 2008 stuurt de verzoekster het politiecollege volgend schrijven: “Ik neem aan dat ik wellicht bepaalde inschattingsfouten gemaakt heb welke een inbreuk zouden kunnen uitmaken op de deontologische code. M.i. is het gebeuren terug te brengen tot een ernstig misverstand met de korpsleiding en sommige personen binnen het korps, een weergave die de aanleiding tot de voorgevallen feiten beter omschrijft. Met de gevoerde procedures van ordemaatregel en disciplinair onderzoek begrijp ik dat het college geen verdere samenwerking met mij als medewerkster van de politiezone wil. In de huidige omstandigheden zie ik een verder engagement inzake tewerkstelling in dezelfde hoedanigheid met dezelfde personen in de politiezo- ne Maasland eveneens als problematisch. Toch wil ik met stelligheid de mogelijkheid tot de uitbouw van een verdere loopbaan bij de geïntegreerde politie vrijwaren. Daartoe verzoek ik u te willen overwegen om uw ordemaatregel tot voorlopige schorsing te willen opheffen minstens op datum van 12 september
  11. Ik engageer mij om maximaal te kandideren in de huidige lopende mobiliteitsronde en de mobiliteitsronden die nog zullen komen. U zal begrijpen dat ik mij volledig zal inzetten om een nieuwe functie van hetzelfde niveau te bekomen. Tevens verzoek ik u te willen overwegen om in de disciplinaire procedure niet te willen overgaan tot het voorstellen en het opleggen van een zware tuchtstraf. U zal immers willen begrijpen dat het opleggen van een zware sanctie mijn mogelijkheden tot het vinden van een nieuwe functie binnen de mobiliteit ernstig kan beperken. Een eventueel lichte straf biedt meer mogelijkheden. Ik zal tijdens de lopende procedures de nodige middelen uitputten van de diverse vormen van verlof in zover deze mij toelaten in dienstactiviteit te blijven. Uiteraard is het in ieders voordeel dat alle lopende procedures zo vlug mogelijk beëindigd worden, niet enkel de tuchtprocedure. Indien u ingaat op mijn overwegingen, verbind ik er mij ook toe om een afstand van geding te doen m.b.t. het verzoekschrift tot nietigverklaring tegen de preventieve schorsing (procedure gekend bij de Raad van State onder G/A 189.406/IX-6.018) en zal ik afzien van om het even welke vordering of vergoeding voor de inmiddels ondergane preventieve schorsing.” IX-6282-3/8 Het politiecollege beslist op 15 september 2008 om de voorlopige schorsing per 12 september 2008 op te heffen “om [de verzoekster] de kans te geven om te postuleren binnen het raam van de mobiliteit waarbij invulling wordt gegeven aan datgene wat het college met [zijn] maatregelen beoogde”. 3.
  12. Op 17 september 2008 bezorgt de verzoekster haar verweerschrift aan het politiecollege. Zij vraagt om gehoord te worden en wenst ook dat zes getuigen worden gehoord. 3.
  13. Met brieven van 25, 26 en 29 september 2008 brengt het politiecollege de verzoekster op de hoogte van de termijnverlenging om een tuchtbeslissing te nemen en nodigt het de verzoekster uit om te worden gehoord op 1 oktober
  14. Het verhoor van de verzoekster wordt vervolgens op haar verzoek uitgesteld tot 16 oktober
  15. 3.
  16. Bij arrest nr. 189.057 van 22 december 2008 willigt de Raad van State de afstand van het geding in van de verzoekster met betrekking tot de vordering tot schorsing en het annulatieberoep gericht tegen de beslissingen van het politiecollege aangaande de voorlopige schorsing. 3.
  17. Op 28 januari 2009 aanvaardt de verzoekster een betrekking van niveau A “met reeksnummer 4149 bij DGS - Niet Ops informatie Beheersdienst”. De mobiliteit vindt plaats op 1 februari
  18. 3.
  19. Op 29 januari 2009 beslist het politiecollege om de verzoekster de tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de thans bestreden beslissing. Zij wordt aan de verzoekster ter kennis gebracht met aangetekende brieven van 30 januari en 17 februari
  20. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  21. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekster. Zij verwijst daarvoor naar de brief van 12 september 2008 die de verzoekster aan het bestuur gericht heeft met de vraag om de voorlopige schorsing op te heffen en geen IX-6282-4/8 zware tuchtstraf op te leggen en met het aanbod om in dat geval afstand te doen van het rechtsgeding. Het bestuur heeft dienovereenkomstig gehandeld, zodat de verzoekster volledige genoegdoening verkregen heeft. Zij heeft overigens een andere functie verkregen bij wege van mutatie.
  22. De verzoekster betwist in haar memorie van wederantwoord dat zij met het bestuur een akkoord zou aangegaan hebben; zij heeft zich ook nooit akkoord verklaard met het opleggen van een lichte tuchtstraf maar alleen aang- evoerd dat een lichte tuchtstraf haar meer mogelijkheden zou bieden bij het vinden van een nieuwe functie.
  23. De stelling van de verzoekster wordt bijgevallen: in de brief van 12 september 2008 kan geen akkoord gelezen worden met het opleggen van een lichte tuchtstraf; zij uit daarin enkel haar bezorgdheid om binnen het kader van de mobiliteit nog een andere functie te krijgen, wat door een zware tuchtstraf in het gedrang zou kunnen komen en verbindt zich ertoe afstand te doen van haar beroep tegen de voorlopige schorsing. Over de tuchtvordering zelf wordt geen verbintenis aangegaan en er blijkt ook geen akkoord met een lichte tuchtstraf uit. De verzoekster heeft een tuchtstraf opgelegd gekregen. Zij heeft belang bij de nietigverklaring ervan. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  24. De verzoekster voert de schending aan van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet). Zij is van oordeel dat de tuchtoverheid ten onrechte de termijn waarbinnen zij een beslissing diende te nemen verlengd heeft. Er zijn met name geen getuigen verhoord en zodoende is de termijn, bedoeld in artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet ruimschoots overschreden. Het gevolg daarvan is dat de tuchtoverheid geacht wordt af te zien van de tuchtvordering.
  25. De verwerende partij antwoordt dat uit het horen van de verzoekster -alsook uit de brief van 12 september 2008- gebleken is dat verder getuigenverhoor niet meer nodig was. Zij stelt dat de verzoekster zelf om uitstel van IX-6282-5/8 haar eigen verhoor gevraagd heeft en dat zij artikel 38sexies van de tuchtwet nu misbruikt terwijl er toch afspraken tussen de partijen waren gemaakt. Zij besluit dat rekening houdend met de gemaakte afspraken en met de mutatie van de verzoekster, er geen reden meer was om een zware tuchtstraf op te leggen.
  26. In haar repliek stelt de verzoekster nog dat zij steeds het belang van een getuigenverhoor benadrukt heeft, dat het pas met de ontvangst van de bestreden beslissing is dat zij zich gerealiseerd heeft dat het bestuur geen getuigen- verhoor meer zou organiseren, dat het bestuur wel discretionair beslist of het getuigen hoort, maar dat het wel moet motiveren waarom een vraag van de verdediging daaromtrent wordt afgewezen. Zij besluit dat de verwerende partij totaal arbitrair besloten heeft dat een getuigenverhoor slechts nuttig kon zijn indien een zware tuchtstraf opgelegd zou worden. Beoordeling
  27. Artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalt de timing waarbinnen een tuchtprocedure voor de hogere tuchtoverheid wordt gevoerd. Die bepaling legt aan het bestuur strikte termijnen op die bij niet-naleving leiden tot het verval van de tuchtvordering. Een niet specifiek afgebakend element daarin is vervat in artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet, waarin bepaald is dat de termijn waarbinnen het bestuur een beslissing moet nemen “verlengd (wordt) met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”. Artikel 38quinquies handelt over het verhoor van getuigen en beoogt het geval dat het dossier, zoals dat aan het bestuur voorligt na het verweer en eventueel het horen van de betrokkene, nog onduidelijkheden vertoont. Voor het verhoor van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zelf is geen termijnsverlenging mogelijk gemaakt, zodat dit moet gebeuren binnen de originele beslissingstermijn van 15 dagen.
  28. Aangenomen dat de termijn van verweer tegen het inleidend verslag aangevangen is op 20 augustus 2008, dit is de dag na de ontvangst van de tweede aangetekende verzending van dat verslag, kon de verzoekster een verweer indienen tot 18 september 2008 en ving daags nadien de termijn van 15 dagen aan waarbinnen de verwerende partij principieel een beslissing diende te nemen. Dit is IX-6282-6/8 dus tot 3 oktober
  29. Vóór het verstrijken van deze termijn, met name bij brief van 26 september 2008, heeft het bestuur de verzoekster laten weten dat de termijn zou verlengd worden om haar te horen en, voor zoveel als nodig, ook de opgegeven getuigen.
  30. Het verhoor van de verzoekster was gepland op 1 oktober
  31. Zij heeft evenwel zelf om uitstel gevraagd wat kan gezien worden als een verzaking aan de bescherming van de vervaltermijn om te beslissen. De verwijzing, door het bestuur, naar de noodzaak van de verzoekster te verhoren, kan op zich evenwel nooit een deugdelijke grondslag vormen voor een termijnsverlenging.
  32. Het bestuur heeft de beslissingstermijn verlengd om “voor zoveel als nodig” de gevraagde getuigenverhoren af te nemen. Die beslissing verleent het bestuur geen vrijbrief om de beslissingstermijn naar eigen goeddunken te verlengen. Integendeel, artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet houdt de termijn voor dit verhoor en de repliek van de betrokkene beperkt -met name de termijn die “noodzakelijk” is om het verhoor te houden, om het verslag ervan aan de ambtenaar ter kennis te brengen en zijn repliek af te wachten. Het bestuur moet derhalve kunnen rechtvaardigen waarom de termijn die het nodig gehad heeft, “noodzakelijk” was.
  33. Te dezen heeft de tuchtoverheid geen getuigenverhoor opgestart. Zij vond zulks naar eigen zeggen niet meer nodig na het verhoor van de verzoekster. Maar daarmee heeft zij zichzelf het recht ontzegd om langer tijd te nemen voor het nemen van een beslissing. Zij moest dan ook beslissen vóór 3 oktober 2008, verlengd met de periode van gedwongen inertie door de aanvraag van de verzoekster om haar verhoor uit te stellen.
  34. Het bestreden besluit is niet binnen die termijn getroffen zodat de tuchtoverheid volgens artikel 38sexies, vijfde lid, van de tuchtwet geacht wordt af te zien van de tuchtvervolging. Zij had op 29 januari 2009 geen tuchtbevoegdheid meer voor de bestraffing van de feiten opgenomen in het inleidend verslag van 6 augustus
  35. Het middel is gegrond. IX-6282-7/8 BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt de beslissing van 29 januari 2009 van het politiecollege van de politiezone Maasland waarbij aan Kathleen De Cleene de tuchtstraf van de blaam opgelegd wordt.
  37. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6282-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.