← België

Arrest 203042 - Varia (justitie) - 19/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.042 Rolnummer: A. 135340/IX-3969 Zaak: Arrest 203042 - Varia (justitie) - 19/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.042 van 19 april 2010 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.042 van 19 april 2010 in de zaak A. 135.340/IX-3969 In zake : Tofec BEN KHAYI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Uyttendaele en Anne Feyt kantoor houdend te Brussel Bronstraat 68 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Levert kantoor houdend te Brussel Louizalaan 149/22 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. de NV van publiek recht BRUSSELS INTERNATIONAL AIRPORT COMPANY, thans de NV van privaat recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvain Silber kantoor houdend te Brussel Dieweg 274 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 11 april 2003, strekt tot de nietigverkla- ring van “het negatief advies van onbekende datum, uitgaande van een onbekende auteur, verleend over de verzoeker door de Staatsveiligheid” en van “de beslissing waarbij aan de verzoeker de aflevering van een identificatiebadge wordt geweigerd, die toegang moet verlenen tot de niet-openbare zones van de luchthaven en waarbij de badge die hij reeds bezat wordt ontnomen, beslissing van onbekende datum en uitgaande van een onbekende auteur en waarvan de inhoud is vermeld in de briefwisseling van 26 februari 2003 gevoerd door Brussels International Airport Company”. IX-3969-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 129.232 van 15 maart 2004 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Emiel Haesbrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart
  5. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jean-François De Bock, die loco advocaten Marc Uyttendaele en Ann Feyt verschijnt voor de verzoeker, advocaat Audrey Adam, die loco advocaat Philippe Levert verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Florin Mihut, die loco advocaat Sylvain Silber verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. IX-3969-2/8 III. Feiten 3.
  7. De verzoeker is sedert 2001 werkzaam in de luchthaven Brussel Nationaal. Op 1 oktober 2002 wordt hij op proef aangeworven door de NV Belgian Ground Services (hierna : NV BGS) en beschikt daartoe over een identificatiebadge, die afgeleverd wordt door de tweede verwerende partij, waardoor hij toegang heeft tot zekere niet-openbare zones van de luchthaven te Zaventem. De verzoeker wenst opgenomen te worden in een dienst van de NV BGS, “speciale eenheden” genaamd. Voor die dienst is ook een identificatie- badge vereist. 3.
  8. Op een niet nader te bepalen datum dient de verzoeker een aanvraag voor dergelijke badge in bij BIAC. 3.
  9. Op 5 november 2002 geeft de dienst Veiligheid van de Staat een “ongunstig advies” over die aanvraag. Dit is het eerste voorwerp van het beroep. 3.
  10. Op 7 november 2002 laat de tweede verwerende partij aan de NV BGS weten dat “de luchthaveninspectie-Dienst Beveiliging- om redenen haar bekend- geen identificatiebadge voor de niet-publieke delen van de luchthaven Brussel- Nationaal kan afleveren op naam van BEN KHAYI Tofec” en verzoekt ze haar hem “niet binnen die zones te willen tewerkstellen”. Dit is het tweede voorwerp van het beroep. 3.
  11. Op 13 november 2002 deelt de NV BGS ter bevestiging van een mondeling onderhoud van de vorige dag aan de verzoeker mee dat hij onmiddellijk ophoudt deel uit te maken van het personeel en vraagt zij hem de identificatiebadge terug te geven. 3.
  12. Op 18 november 2002 wordt de beslissing van 7 november 2002 naar de werkgever van de verzoeker gestuurd. IX-3969-3/8 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  13. De verzoeker merkt in zijn inleidend verzoekschrift op dat hij een manifest belang heeft bij de aanvechting van de beide administratieve rechtshande- lingen; hij stelt rechtstreeks en persoonlijk getroffen te zijn door de beslissing van de tweede verwerende partij; deze beslissing geeft gevolg aan het negatief advies van de Staatsveiligheid dat ten aanzien van deze beslissing een voorbereidende handeling is.
  14. De eerste verwerende partij wijst er, wat het belang van de verzoeker betreft, op dat, wat voor de verzoeker de eigenlijke griefhoudende handeling is, zijn ontslag door zijn werkgever is. Een vernietiging van de bestreden akten kan de voor hem nadelige gevolgen van materiële of van morele aard niet ongedaan maken, het behoort tot de rechtsmacht van de arbeidsrechtbanken om te oordelen over de wettigheid en de regelmatigheid van het ontslag van de verzoeker. De eerste verwerende partij concludeert dat het beroep onontvan- kelijk is bij gebreke aan belang. Voorts merkt zij op dat het advies van de Veiligheid van de Staat slechts een voorbereidend karakter heeft ten aanzien van de beslissing van de tweede verwerende partij; dit advies is geen vernietigbare rechtshandeling. Dienvolgens verzoekt de eerste verwerende partij dat zij buiten de zaak wordt gesteld.
  15. In zijn memorie van wederantwoord merkt de verzoeker op dat er te dezen “ontegensprekelijk sprake [is] van een beslissing die griefhoudend is voor de verzoekende partij en die een invloed heeft op zijn juridische situatie nu het hem de toegang tot de niet-openbare zones van de luchthaven ontkent en deze toegang onontbeerlijk is om de functie waarvoor hij zijn kandidatuur gesteld had te kunnen uitoefenen”. Hij besluit dat het dan ook gaat om een aanvechtbare rechtshandeling. Ook het advies van de Staatsveiligheid is griefhoudend en een aanvechtbare rechtshandeling. IX-3969-4/8 Voorts benadrukt hij dat de vernietiging van de bestreden handelingen de verzoeker reeds een belangrijk moreel voordeel zou verschaffen door de verdwijning van het uiterst negatief beeld dat thans aan zijn huid kleeft. Ten slotte wijst hij erop dat, naar aanleiding van een vernietigingsarrest, de kans bestaat dat zijn werkgever hem opnieuw in dienst neemt.
  16. Ambtshalve merkt de auditeur-verslaggever op dat de beide voorwerpen van het beroep slechts adviezen zijn ten aanzien van de beslissing van de werkgever om de verzoeker te ontslaan en dat ze derhalve niet voor vernietiging vatbaar zijn. Voorts wordt de exceptie van gebrek aan belang van de eerste verwerende partij bijgevallen.
  17. In zijn laatste memorie betwist de verzoeker de conclusie van de auditeur-verslaggever dat het beroep onontvankelijk is wegens ontstentenis van belang; hij wijst erop dat een vernietiging van de bestreden akten voor hem een voordeel kan opleveren. Beoordeling
  18. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 houdende regeling van de beveiliging van de burgerluchtvaart bepaalt dat de personeelsleden werkzaam op de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden houder dienen te zijn van een luchthavenidentificatiebadge. Artikel 9 van dit koninklijk besluit bepaalt dat deze badge wordt uitgereikt door de door de directeur-generaal van het Bestuur van Luchtvaart aangewezen instantie, dit is de tweede verwerende partij. In het kader van een aanvraag voor dergelijke badge wordt een veiligheidsonderzoek georganiseerd door de tweede verwerende partij waarbij zij advies vraagt aan de Veiligheid van de Staat.
  19. De beslissing van de tweede verwerende partij tot niet-uitreiking van de badge voor de verzoeker is een voor vernietiging vatbare beslissing; de omstandigheid dat deze beslissing de directe aanleiding was voor de werkgever van de verzoeker om hem te ontslaan en dat de gewone rechtbanken bevoegd zijn voor de betwistingen inzake arbeidsovereenkomsten tussen de werkgever en de IX-3969-5/8 werknemer, belet niet dat de Raad van State bevoegd is voor betwistingen aangaande de eenzijdig door een administratieve overheid, die te dezen trouwens niet de werkgever is, genomen beslissingen die afsplitsbaar zijn van een arbeidsovereen-komstproblematiek. De eerste bestreden handeling, dit is het negatieve advies van de Veiligheid van de Staat, is door de tweede verwerende partij gevolgd geworden omdat, aldus de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord, “bij gebreke aan concrete elementen die haar zouden toelaten om van het advies af te wijken, [...] haar zonder enige twijfel verweten [zou] worden, ten titel van foutieve beoordeling, een badge te hebben afgeleverd tegen het negatief advies in van de Staatsveiligheid, daar waar ze over geen enkel gunstig en voldoende appreciatie- element beschikt om een dergelijke afgifte te rechtvaardigen”. Er dient aangenomen te worden dat het advies van de Veiligheid van de Staat slechts een voorbereidend karakter heeft ten aanzien van de beslissing van de tweede verwerende partij en op zich niet vatbaar is voor vernietiging. Dienvolgens is het beroep tegen het advies van de Veiligheid van de Staat onontvankelijk. Dit advies maakt deel uit van de complexe rechtshandeling die leidde tot de tweede bestreden beslissing en de onwettigheid ervan kan worden aangevoerd. De Belgische Staat blijkt als verwerende partij aangewezen.
  20. Artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling Bestuurs- rechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het in deze bepaling bedoelde belang moet persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig zijn. Het rechtstreeks karakter van het belang houdt in dat er een rechtstreeks causaal verband moet bestaan tussen het door de verzoeker geleden nadeel, enerzijds, en de bestreden beslissing, anderzijds.
  21. Er dient te worden vastgesteld dat de beslissing van de tweede verwerende partij, zoals voorafgegaan door het advies van de eerste verwerende partij, inhoudt dat de verzoeker geen identificatiebadge meer afgeleverd kreeg voor IX-3969-6/8 de toegang tot de niet-publieke delen van de luchthaven Brussel- Nationaal en dat hij dienvolgens niet meer kon tewerkgesteld worden binnen deze zones. De verzoeker situeert zijn belang bij zijn beroep in het feit dat hij professioneel in zijn kansen geschaad wordt nu hem de toegang tot de niet-openbare gedeelten van de luchthaven ontzegd wordt, enerzijds, en een vernietiging hem een belangrijk moreel voordeel zou verschaffen, anderzijds. Dit belang dient aangenomen te worden.
  22. Het aangevoerde belang is tevens rechtstreeks; de omstandigheid dat de badge aangevraagd wordt door de werkgever op naam van de werknemer leidt niet tot een andere conclusie.
  23. Daar het auditoraatsverslag beperkt is tot de bespreking van de exceptie van gebrek aan belang en van de exceptie nopens de aanvechtbaarheid van het voorwerp van het beroep, dient het onderzoek van de zaak te worden voortgezet. BESLISSING
  24. De Raad van State heropent de debatten.
  25. De Raad van State belast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat ermee het verder onderzoek van de zaak voort te zetten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-3969-7/8 Vera Wauters André Vandendriessche IX-3969-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.042 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.129.232 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.198 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.