← België

Arrest 203046 - Individuele akten (fiscaliteit) - 19/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.046 Rolnummer: A. 167034/IX-5100 Zaak: Arrest 203046 - Individuele akten (fiscaliteit) - 19/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-03 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.046 van 19 april 2010 Fiscaliteit - Individuele akten (fiscaliteit) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.046 van 19 april 2010 in de zaak A. 167.034/IX-5100 In zake : Stefan VUZDUGAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Judo kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 oktober 2005, strekt tot de nietigver- klaring van “de impliciete beslissing(

  1. en)van de minister van Financiën, houdende weigering tot inzage en kopiename in het gehele dossier van Stefan Vuzdugan inzake personenbelasting vanaf aanslagjaar 1989 tot op heden, en met name tot inzage en kopie van de herberekening naar aanleiding van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 24 februari 1994 en de kohieren met betrekking tot de aanslagjaren 1990 tot op heden”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Op 5 februari 2009 wijst de Raad van State het arrest nr. 190.238 van 5 februari 2009. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. IX-5100-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2010. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Natasha Nolet, die loco advocaat Frank Judo verschijnt voor de verzoeker, en inspecteur Jan De Vleeschouwer die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Voor het feitenrelaas wordt verwezen naar het arrest nr. 190.238 van 5 februari 2009 van deze kamer. IV. Het arrest nr. 190.238 van 5 februari 2009 4.1. Het beschikkend gedeelte van voornoemd arrest luidt als volgt: “OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep is zonder voorwerp, in zoverre het strekt tot de vernietiging van de impliciete weigering om de verzoeker inzage te verlenen in de volgende documenten: - het dossier van de verzoeker inzake personenbelastingen; - de herberekening van de belasting, ter uitvoering van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 24 februari 1994. Artikel 2. Het beroep wordt verworpen, in zoverre het strekt tot de vernietiging van de impliciete weigering om de verzoeker inzage te verlenen in de originele kohieren met betrekking tot de aanslagjaren van 1994 tot 2003. IX-5100-2/7 Artikel 3. De debatten worden heropend. Artikel 4. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek.” 4.2. In het arrest nr. 190.238 van 5 februari 2009 oordeelt de Raad van State dat hij bevoegd is, in zoverre het annulatieberoep betrekking heeft op de weigering tot inzage in de originele kohieren van de aanslagjaren 1990 tot en met 1993. Aangezien het auditoraatsverslag van 13 augustus 2008 beperkt was tot het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep en van de rechtsmacht van de Raad van State, werden overeenkomstig artikel 3 van het beschikkend gedeelte van voormeld arrest de debatten heropend voor een aanvullend onderzoek. V. De ontvankelijkheid van het beroep 5. De aanslagjaren 1990 tot en met 1992. 5.1. Voor wat voornoemde aanslagjaren betreft werpt de verwerende partij een exceptie van niet ontvankelijkheid op, omdat de verzoeker niet langer zou doen blijken van het rechtens vereiste actueel belang. Voor wat het aanslagjaar 1990 betreft, werd de fiscale toestand van de verzoeker, aldus de verwerende partij, definitief vastgesteld bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 24 februari 1994. Op basis van dit arrest werd de vordering van de verzoeker gedeeltelijk ingewilligd en werd hem ter uitvoering van dat arrest een ontheffing verleend. Er werd tegen voornoemd arrest geen voorziening in cassatie ingesteld. De verwerende partij besluit dat, vermits de fiscale toestand van de verzoeker voor het aanslagjaar 1990 definitief werd vastgesteld en de verzoeker niet meer over een rechtsmiddel beschikt om nog tegen de aanslagen in de personenbelasting van het aanslagjaar 1990 op te komen, hij niet langer getuigt van het rechtens vereiste actueel belang. IX-5100-3/7 De verwerende partij ontwikkelt dezelfde redenering in haar laatste memorie voor wat de aanslagjaren 1991 en 1992 betreft. Desbetreffend verwijst zij naar de beschikking van de Beslagrech- ter te Mechelen, gewezen op 10 november 2000 en naar het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 oktober 2004 dat voormelde beschikking bevestigt. Tevens refereert zij aan het arrest van het Hof van Cassatie van 17 november 2006, dat de voorziening tegen voormeld arrest verwerpt. De verwerende partij besluit dat vermits de aanslagen in de inkomstenbelastingen voor de aanslagjaren 1991 en 1992 definitief gevestigd zijn, de verzoeker niet langer doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang. Beoordeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid voor wat de aanslagjaren van 1990 tot en met 1992 betreft 5.2. De Raad van State stelt vast dat betreffende de jaren 1990-1992 geen gerechtelijke procedures meer hangende zijn, zodat de exceptie van de verwerende partij voor de aanslagjaren 1990 tot en met 1992 wordt verworpen en de verzoeker nog doet blijken van een actueel belang om inzage en kopiename te vragen van de originele kohieren betreffende voornoemde aanslagjaren. 6. Het aanslagjaar 1993. Uit de debatten is gebleken dat de verzoeker hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 8 juni 2007, waarbij uitspraak werd gedaan over het aanslagjaar 1993, zodat de Raad van State desbetreffend geen rechtsmacht heeft, nu de justitiële rechter gevat is. VI. De grond van de zaak Standpunt van de partijen 7. De verzoeker roept de schending in van artikel 32 van de Grondwet, van artikel 6 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbe- IX-5100-4/7 ginsel. Aan de verzoeker wordt de uitoefening van het grondrecht op openbaarheid van bestuur ontzegd, zonder dat dit werd voorafgegaan door een zorgvuldig onderzoek van het dossier van de zaak en zonder dat dit gepaard ging met een draagkrachtige motivering. Artikel 6 van de wet van 11 april 1994 laat een impliciete afwijzing van een verzoek om inzage in bestuursdocumenten enkel toe op grond van een restrictieve lijst van weigeringsgronden. Indien een afwijzingsbeslissing wettig wil zijn, moet duidelijk worden gemaakt welke weigeringsgrond in concreto aanleiding heeft gegeven tot de weigering tot inzage. Bij gebreke aan enige verwijzing naar een dergelijke weigeringsgrond, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing onwettig is. Stilzwijgende beslissingen komen uit hun aard tot stand zonder voorbereiding en zonder belangenafweging en zijn bijgevolg per definitie onzorgvuldig. 8. De verwerende partij voert geen verweer ten gronde in de memorie van antwoord. 9. De verzoeker voert geen verweer ten gronde in de memorie van wederantwoord. 10. In de laatste memorie na het auditoraatsverslag van 13 augustus 2008 stelt de verzoeker dat met artikel 32 van de Grondwet en met de wet van 11 april 1994 de belastingplichtige twee wettelijke garanties kreeg om het bestuur, waaronder de belastingsadministratie, tot meer openbaarheid van zijn documenten te verplichten. Artikel 6 van de wet van 11 april 1994 geeft aan wanneer de openbaarheidsverplichting niet geldt, vermits het belang van de openbaarheid in conflict kan komen met andere fundamentele belangen. De in dit artikel aangehaal- de weigeringsgronden zijn uitzonderingen op het grondwettelijk recht van openbaarheid. Deze weigeringsgronden zijn limitatief en de uitzonderingen moeten restrictief worden geïnterpreteerd. Indien een weigeringsbeslissing wettig wil zijn, moet minstens aan de aanvrager duidelijk worden gemaakt welke weigeringsgrond in concreto aanleiding heeft gegeven tot de weigering tot inzage. Beoordeling 11. De openbaarheid van bestuursdocumenten is een door artikel 32 van de Grondwet gewaarborgd fundamenteel recht. Het grondwettelijk karakter van IX-5100-5/7 het recht houdt in dat de openbaarheid de regel is en de uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd. Het grondwettelijk recht van openbaarheid van bestuurshandeling- en heeft op federaal niveau een neerslag gekregen in de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. De artikelen 4 en volgende van deze wet regelen de passieve openbaarheid, dit is het recht op het raadplegen van een bestuursdocument. Artikel 6 van deze wet somt de ‘verplichte’ uitzonderingsgronden op waarbij de openbaarmaking kan worden geweigerd, vermits het belang van de openbaarheid in conflict kan komen met andere fundamentele belangen. De opsomming in artikel 6 van de weigeringsgronden zijn uitzonderingen op het grondwettelijk recht van openbaarheid, zodat deze opsomming limitatief is en de uitzonderingsgronden restrictief moeten geïnterpreteerd worden. De verplichte uitzonderingsgronden, zoals bepaald in artikel 6, §§ 1en 2, van de wet van 11 april 1994, zijn uitzonderingsgronden waarbij het bestuur de openbaarmaking van bestuursdocumenten dient te weigeren, indien de openbaarheid tekort komt aan het beschermde belang of indien de schade aan het beschermde belang niet opweegt tegen de openbaarmaking. De weigeringsgronden vermeld in artikel 6, § 3, van de wet van 11 april 1994 zijn facultatief en gelden enkel voor de federale overheden. Indien het bestuur weigert om inzage te verlenen of een afschrift af te geven van een bestuursdocument op grond van een verplichte uitzonderings- grond, moet het bestuur dit in concreto motiveren. Een uitsluiting in abstracto behoort niet tot de mogelijkheden. Het gevolg van een beoordeling in concreto is dat geen enkele uitzonderingsgrond op een systematische wijze kan worden ingeroepen. Krachtens de motiveringsplicht moeten voor elke administratieve rechtshandeling aanvaardbare motieven bestaan die berusten op werkelijk bestaande feiten. De uitzonderingen op het recht om een bestuursdocument in te zien en er een afschrift van te krijgen, moeten als uitzonderingen op een algemene regel beperkend worden uitgelegd en concreet worden verantwoord. IX-5100-6/7 Noch uit de (impliciete) weigeringsbeslissing, noch uit het administratief dossier valt op te maken op grond van welke uitzonderingsgrond de inzage van de desbetreffende stukken zijn geweigerd. 12. Het enig middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de impliciete beslissing(
  2. en)van de minister van Financiën, houdende weigering tot inzage en kopiename van de originele kohieren betreffende de aanslagjaren van 1990 tot 1992. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5100-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.046 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.238 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.