id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.066 Rolnummer: Zaak: Arrest 203066 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.066 van 19 april 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.066 van 19 april 2010 in de zaken A. I. 183.147/IX-5644 II. 185.548/IX-5777 In zake : I.+II. Bartel JANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Aube Wirtgen kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I.+II. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Peeters en Arne Vandaele kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 177/6 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen in de zaak A. 185.548/IX-5777:
- Veerle GEENS
- Sven HEYVAERT
- Willem TAELMAN
- Nico VANHOUT
- Henri VAN DEN BOSSCHE
- Maarten DE CLERCQ, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Reiner Tijs kantoor houdend te Antwerpen Graaf van Hoornestraat 34 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- IX-5644-1/25 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 mei 2007, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het Notariaat, betekend bij brief van 21 maart 2007, waarbij aan Bartel Janssens wordt meegedeeld dat hij geen 60 % van de punten heeft behaald op het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen voor de rangschikking van kandidaat- notarissen (jaar 2007) en dus niet uitgenodigd wordt op het mondelinge gedeelte van dit vergelijkend examen, - de door de kandidaten, die toegelaten werden tot het mondelinge gedeelte, behaalde resultaten voor het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen (jaar 2007) en - de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het Notariaat om deze kandidaten toe te laten tot het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen voor de rangschikking van kandidaat-notarissen voor het jaar 2007 (A. 183.147/IX-5644). Het beroep, ingesteld op 19 oktober 2007, strekt tot de nietigver- klaring van: - de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het Notariaat tot voorlopige rangschikking van de meest geschikte kandidaten op basis van de resultaten voor het schriftelijk en mondeling gedeelte, - de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het Notariaat tot definitieve rangschikking van de kandidaten en - de koninklijke besluiten van 17 augustus 2007 houdende benoeming van de kandidaat-notarissen voor de Nederlandse taalrol, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 augustus 2007 (A. 185.548/IX-5777). II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 173.794 van 30 juli 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in de zaak A. 183.147/IX-5644 verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-5644-2/25 De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen in de zaak A. 185.548/IX-5777 hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 januari
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft in beide zaken een verslag opgesteld. De verzoeker heeft in beide zaken een laatste memorie met verzoek tot voortzetting ingediend. De verwerende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Aube Wirtgen, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat Patrick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Ingrid Van Aken, die loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007 wordt het koninklijk besluit van 8 januari 2007 tot vaststelling van het aantal kandidaat- IX-5644-3/25 notarissen per taalrol voor het jaar 2007 bekendgemaakt. Voor de Nederlandse taalrol wordt het aantal te benoemen kandidaat-notarissen vastgesteld op
- In hetzelfde Belgisch Staatsblad verschijnt ook de oproep tot de kandidaten voor het vergelijkend examen voor het jaar
- 3.
- Met een aangetekend schrijven van 6 februari 2007 deelt de verzoeker mee dat hij aan het examen wenst deel te nemen. Bij aangetekende brief van 23 februari 2007 wordt hij uitgenodigd voor het schriftelijk gedeelte. 3.
- Op 10 maart 2007 heeft het schriftelijk examen plaats. Aan de kandidaten worden vier vragenlijsten voorgelegd : een vragenlijst nr. I, met acht open vragen (praktische gevallen), in totaal te quoteren op 22 punten; een vragenlijst nr. II, met zes vragen waarbij de kandidaten telkens een bepaalde clausule moeten schrijven naar aanleiding van een consultatie over een praktisch geval, in totaal te quoteren op 28 punten; een vragenlijst nr. III, met 30 vragen waarop telkens een kort antwoord dient te worden gegeven, in totaal te quoteren op 30 punten; een vragenlijst nr. IV, bestaande uit een akte van oprichting van een vennootschap, waaruit de kandidaten 20 fouten moeten halen, in totaal te quoteren op 20 punten. Het hele examen wordt aldus gequoteerd op 100 punten. Overeenkomstig het examenreglement wordt elke vragenlijst verbeterd door twee leden van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het Notariaat. 3.
- Op 17 maart 2007 vindt de deliberatie van de Benoemingscom- missie plaats. Nadat de punten van de onderscheiden onderdelen van de schriftelijke proef zijn gecollationeerd, blijkt dat slechts 8 kandidaten 60 % of meer behaald hebben. Daarop beslist de commissie, “teneinde voldoende kandidaten toe te laten tot het mondeling examengedeelte”, om de punten voor alle kandidaten met 10 punten op te trekken, te verdelen als volgt: 4 punten voor lijst I, 2 punten voor lijst II, 3 punten voor lijst III, en 1 punt voor lijst IV. Na die aanpassing behalen 51 kandidaten 60 % of meer voor het schriftelijk gedeelte van het examen. De lijst van de geslaagde kandidaten die worden toegelaten tot het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen wordt bekendgemaakt op de website van de Benoemings- commissie. De examenuitslag van deze kandidaten en de beslissing om deze kandidaten toe te laten tot het mondeling gedeelte van het examen zijn de tweede en derde bestreden beslissing in de zaak A. 183.147/IX-
- IX-5644-4/25 3.
- Bij aangetekend schrijven van 21 maart 2007 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat, nu hij niet het vereist aantal punten heeft behaald op het schriftelijk gedeelte, hij niet wordt uitgenodigd op het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen. Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 183.147/IX-
- Deze beslissing luidt als volgt: “Het spijt ons U te moeten meedelen dat U geen 60 % van de punten hebt behaald op het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen voor de rangschikking van kandidaat-notarissen. Wij kunnen U bijgevolg niet uitnodigen op het mondeling gedeelte van dit vergelijkend examen. Dit zijn de punten die door U behaald werden op de vier vragenlijsten : Vragenlijst nr I : Open vragen 15/22 Vragenlijst nr. II : Consultaties en clausules 10/28 Vragenlijst nr. III : Basiskennis 21,25/30 Vragenlijst nr. IV : Te verbeteren akte 12,75/20 _______ TOTAAL 59/100 Indien u meer uitleg wenst bij deze resultaten, kan u deelnemen aan één van de informatievergaderingen die georganiseerd zullen worden en waarvan de data u later zullen meegedeeld worden. [...].” 3.
- Bij aangetekende brieven van 25 en 29 maart 2007 betwist de verzoeker de voormelde quotering. Tevens vraagt hij inzage en afschrift van zijn examenteksten, met de verbetering daarvan, alsook van zijn examendossier. 3.
- Op 30 maart 2007 antwoordt de Voorzitter van de Benoemings- commissie dat een collectieve bespreking van het schriftelijk examen voorzien is op 20 april of 4 mei, en dat de verzoeker dan inzage kan verkrijgen van zijn examen- kopijen. De verzoeker neemt daarop deel aan de informatievergadering van 20 april
- Hij krijgt er inzage van zijn examenkopijen, waarop geen enkele commentaar is aangebracht. Voorts krijgt hij, zoals de andere aanwezigen, een bundel met de modelantwoorden op de vragen. 3.
- Intussen vindt tussen 26 en 30 maart 2007 het mondelinge gedeelte van het examen plaats. IX-5644-5/25 3.
- Vervolgens maakt de Benoemingscommissie een lijst op met de voorlopige rangschikking van de kandidaten voor het vergelijkend examen van kandidaat-notaris
- Een eerste versie wordt opgemaakt op 30 maart
- Een tweede, verbeterde versie wordt opgemaakt op 4 april
- Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak G/A. 185.548/IX-
- 3.
- Op 15 juni 2007 stelt de Benoemingscommissie, na onderzoek van de wettelijk vereiste adviezen, de definitieve lijst op van de gunstig gerangschikte kandidaten. Dit is de tweede bestreden beslissing in de zaak G/A. 185.548/IX-
- 3.
- Bij koninklijke besluiten van 17 augustus 2007 worden 35 kandidaat-notarissen benoemd. De lijst van de benoemde kandidaat-notarissen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 augustus
- In de tweede zaak wijst de verzoeker die koninklijke besluiten als de derde bestreden beslissing aan. IV. Samenhang
- In het belang van een goede rechtsbedeling is er grond om de beroepen samen te voegen. V. Ontvankelijkheid van de beroepen Standpunt van de partijen Zaak A.183.147/IX-5644
- In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het betrekking heeft op “de door de kandidaten die toegelaten werden tot het mondelinge gedeelte, behaalde resultaten voor het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen (jaar 2007)”, aangezien “resultaten” geen voor schorsing of vernietiging vatbare handelingen zijn in de zin van de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Wat het beroep betreft tegen de beslissing van de Benoemings- commissie om de kandidaten die geslaagd waren in de schriftelijke proef toe te laten tot het mondeling gedeelte van het examen, laat de verwerende partij gelden dat de IX-5644-6/25 verzoeker geen actueel belang heeft bij die vordering, nu hij geen beroep heeft ingesteld tegen de koninklijke besluiten van 17 augustus 2007 waarbij de kandidaat- notarissen werden benoemd. De verzoeker toont volgens de verwerende partij evenmin aan in welke mate de vermelding van de kandidaten die geslaagd zijn voor het schriftelijk examen, voor hem griefhoudend is. Zij laat gelden dat de verzoeker overigens geen middelen ontwikkelt tegen die vermelding. Hij heeft aldus geen belang bij de nietigverklaring van die beslissing.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat de kritiek betreffende de ontvankelijkheid van het beroep kan weerlegd worden met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State betreffende de beroepen gericht tegen de beslissingen van de Benoemingscommissie voor het Notariaat waarbij een kandidaat niet geslaagd wordt verklaard voor het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen. Volgens de verzoeker eist die rechtspraak dat, opdat de verzoeker van het vereiste belang zou doen blijken, hij ook de door de andere kandidaten behaalde resultaten voor het examen zou aanvechten en nadien zou opkomen tegen de definitieve rangschikking van de kandidaten. Uit de rechtspraak blijkt minstens impliciet dat de resultaten voor vernietiging vatbare rechtshande- lingen zijn en dat de verzoeker belang heeft bij de vernietiging van de resultaten van andere kandidaten en van hun toelating tot het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen en de daaropvolgende rangschikking. Wat betreft de kritiek dat tegen de derde bestreden beslissing geen middelen worden aangevoerd, merkt de verzoeker op dat de onwettigheid van de eerste bestreden beslissing uiteraard ook de wettigheid van alle navolgende beslissingen van de Nederlandstalige Benoemingscommissie aantast, derwijze dat de verzoeker geen middelen moet ontwikkelen die uitsluitend de derde bestreden beslissing betreffen. De verzoeker wijst er verder op dat de exceptie dat hij geen actueel belang heeft bij het beroep doordat hij geen beroep zou hebben ingesteld tegen de koninklijke besluiten van 17 augustus 2007 tot benoeming van de kandidaat-notarissen, feitelijke grondslag mist. Hij laat gelden bij verzoekschrift van 19 oktober 2007 zowel de nietigverklaring gevorderd te hebben van de beslissingen van de Nederlandstalige Benoemingscommissie tot voorlopige en tot definitieve IX-5644-7/25 rangschikking van de kandidaten, als van de daaropvolgende koninklijke besluiten tot benoeming van de kandidaat-notarissen van de Nederlandse taalrol. Zaak A.185.548/IX-5777
- In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat de argumentatie van de verzoeker in deze zaak gelijk loopt met deze in de eerste zaak. Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker geen belang bij het aanvechten van de koninklijke besluiten tot benoeming van de kandidaat-notarissen, aangezien slechts 35 kandidaat-notarissen werden benoemd, terwijl er 36 plaatsen vacant waren. Indien de Raad van State de argumentatie van de verzoeker in de eerste zaak zou volgen en zou oordelen dat de verzoeker ten onrechte niet werd toegelaten tot het mondeling examen, zou de verzoeker alsnog als zesendertigste kandidaat-notaris kunnen worden benoemd, gesteld dat hij ook de andere voorwaarden voor deze benoeming vervult. De omstandigheid dat de verzoeker geen enkel specifiek middel ontwikkelt tegen de 35 koninklijke besluiten van 17 augustus 2007, noch tegen de twee andere bestreden beslissingen, bevestigt dat hij geen enkel voordeel kan halen uit de nietigverklaring van de bestreden beslissingen en dienvolgens geen belang heeft bij zijn beroep.
- De tussenkomende partijen argumenteren in dezelfde zin als de verwerende partij dat de voorlopige en definitieve rangschikking en de benoeming van 35 kandidaat-notarissen geen nadelige gevolgen heeft voor de verzoeker, zodat de vernietiging daarvan hem geen bijkomend voordeel oplevert. Er werden immers slechts 35 kandidaat-notarissen benoemd, terwijl er 36 benoemd hadden mogen worden. Indien het beroep van de verzoeker in de eerste zaak gegrond zou worden verklaard, dan zou de benoemingsprocedure nog kunnen worden verder gezet. In dat geval zou de verzoeker het mondeling examen kunnen afleggen en, voor zover hij dit met succes zou doorlopen hebben, nog steeds benoemd kunnen worden, aangezien één van de te begeven plaatsen nog niet ingevuld is. Onderhavige zaak is volgens de tussenkomende partijen dan ook wezenlijk verschillend van hetgeen in het arrest nr. 148.756 van 12 september 2005 inzake Hertogen aan de orde was waarin de verzoeker bij gebrek aan belang werd afgewezen in zijn vordering tegen de voorbeslissing om reden dat hij nadien de eindbeslissing niet bestreden had. Te dezen is immers één plaats nog niet ingevuld, zodat de verzoeker desgevallend benoemd zou kunnen worden, zonder dat de benoeming van de andere kandidaat- notarissen moet aangevochten worden. IX-5644-8/25
- In zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie merkt de verzoeker vooreerst op dat de verwerende partij in de eerste zaak zelf gesteld heeft dat, in zoverre hij geen beroep zou hebben ingesteld tegen de koninklijke besluiten van 17 augustus 2007 tot benoeming van de kandidaat-notarissen, hij zijn actueel belang om beroep in te stellen tegen de beslissing van de Benoemingscommissie om bepaalde kandidaten toe te laten tot het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen zou hebben verloren, omdat deze beslissing de noodzakelijke rechtsgrond vormt voor de benoeming tot kandidaat-notaris. De verwerende partij stelde volgens de verzoeker, zelf dat hij, teneinde zijn belang bij het eerste beroep te behouden, verplicht was om ook een beroep in te stellen tegen de koninklijke besluiten tot benoeming van de kandidaat-notarissen. In verband met de kritiek dat hij tegen de 35 koninklijke besluiten van 17 augustus 2007 geen specifieke middelen aanvoert, merkt de verzoeker op dat de onwettigheid van de beslissing van de Benoemingscommissie waarbij wordt beslist dat hij geen 60 % van de punten heeft behaald op het schriftelijk gedeelte en dus niet wordt uitgenodigd op het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen, uiteraard ook alle navolgende beslissingen van de Benoemingscommissie aantast, en dus ook de koninklijke besluiten tot benoeming van de kandidaat-notarissen. De verzoeker betwist dat hij geen belang zou hebben bij het aanvechten van de koninklijke besluiten tot benoeming van de kandidaat-notarissen omdat hij als zesendertigste kandidaat-notaris zou kunnen benoemd worden. Volgens de verzoeker gaat de verwerende partij aldus voorbij aan de bepalingen van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt. Artikel 35 van deze wet bepaalt dat de Koning ieder jaar een bepaald aantal kandidaat-notarissen benoemt. Hij stelt ieder jaar het aantal te benoemen kandidaat-notarissen per taalrol vast. Dit aantal wordt vastgesteld op basis van het aantal te benoemen notarissen-titularis, op basis van het aantal aangewezen plaatsvervangende notarissen, in functie van het aantal laureaten van vroegere sessies die nog niet geassocieerd of niet benoemd zijn en op basis van de behoefte aan geassocieerden. Overeenkomstig artikel 39, § 5, van voormelde wet gaat de Benoemingscommissie over tot een definitieve rangschik- king van de kandidaten en worden er maximaal zoveel kandidaten gerangschikt als er vacante plaatsen zijn van kandidaat-notaris. Luidens artikel 39, § 6, van deze wet benoemt de Koning de betrokkenen tot kandidaat-notaris binnen de maand na de overzending van de definitieve lijst met de gerangschikte kandidaten. Met toepassing van deze bepalingen werd bij koninklijk besluit van 14 december 2006 IX-5644-9/25 het aantal te benoemen kandidaat-notarissen voor het jaar 2008 vastgesteld, waarbij uiteraard rekening werd gehouden met het aantal kandidaat-notarissen die voor het jaar 2007 werden benoemd. Aldus kan door de verwerende partij op geen enkele wijze worden gegarandeerd dat bij de vernietiging van de met het eerste beroep bestreden beslissingen, de aanvankelijke zesendertigste plaats voor de verzoeker kan worden opengehouden. De verzoeker behoudt derhalve zijn belang bij de vernietiging van de bedoelde 35 koninklijke besluiten. Beoordeling
- In de zaak A. 183.147/IX-5644 vordert de verzoeker vooreerst de nietigverklaring van de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie, hem meegedeeld bij brief van 21 maart 2007, waarbij hem voor het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen geen 60 % van de punten werden toegekend en hij bijgevolg niet werd uitgenodigd voor het mondeling gedeelte van dit vergelijkend examen. De verzoeker ontleent zijn belang bij die vordering aan het feit dat hij na een nieuwe deliberatie voor het schriftelijk gedeelte tot het mondeling gedeelte van het examen zou kunnen worden toegelaten en dat hij, indien hij slaagt voor het mondeling gedeelte, in de door de Benoemingscommissie opgemaakte voorlopige en definitieve rangschikking van de kandidaten zou kunnen worden opgenomen en tot kandidaat-notaris zou kunnen benoemd worden. De verschillende excepties doen de vraag rijzen of de verzoeker om dat doel te kunnen bereiken, en dus belang te hebben bij zijn vordering, eveneens de nietigverklaring dient te vorderen van de door hem bestreden beslissingen die ten opzichte van andere, meer succesvolle deelnemers aan het vergelijkend examen werden genomen.
- Uit de feitelijke gegevens van de zaak blijkt dat het aantal kandidaat-notarissen voor de Nederlandse taalrol bij koninklijk besluit van 8 januari 2007 werd vastgesteld op 36, doch slechts 35 kandidaat-notarissen werden benoemd. De verwerende en de tussenkomende partijen leiden hieruit terecht af dat de benoeming van de verzoeker tot kandidaat-notaris mogelijk blijft, zonder dat het nodig is de resultaten van de andere kandidaten, de voorlopige en definitieve rangschikking van de geslaagde kandidaten en de daaropvolgende benoeming van IX-5644-10/25 de kandidaat-notarissen te vernietigen. Er blijft immers nog één plaats van kandidaat-notaris open, zodat het, in tegenstelling tot de feitelijke gegevens in de zaak die aanleiding gaf tot het door de verzoeker ingeroepen arrest Hertogen, niet noodzakelijk is dat “minstens één van de gerangschikte kandidaten de plaats ruimt” om de verzoeker desgevallend tot kandidaat-notaris te kunnen benoemen. Waar de verzoeker stelt dat er geen waarborg is dat de zesender- tigste plaats van kandidaat-notaris vacant zal blijven, dient te worden opgemerkt dat de verwerende partij in functie van verzoekers beroep en het gebeurlijk vernieti- gingsarrest deze plaats dient onbezet te houden te meer dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij blijk zou geven van deloyaal procesgedrag indien zij eerst zou opwerpen dat de verzoeker omwille van het vacant zijn van de zesendertigste plaats van kandidaat-notaris geen belang heeft bij de nietigverklaring van de koninklijke besluiten tot benoeming van de kandidaat-notarissen, om vervolgens aan de verzoeker tegen te werpen dat hij niet tot kandidaat-notaris kan worden benoemd omdat de zesendertigste plaats van kandidaat-notaris inmiddels reeds werd ingevuld door de latere benoemingen als kandidaat-notaris.
- Gelet op het voorgaande dient met betrekking tot de ontvankelijk- heid van de beroepen tot het volgende te worden besloten : - het eerste beroep is ontvankelijk in zover de verzoeker de nietigverklaring vordert van de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie, hem meege- deeld bij brief van 21 maart 2007, waarbij hem voor het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen geen 60 % van de punten werden toegekend en hij dus niet werd uitgenodigd op het mondeling gedeelte van dit vergelijkend examen; - het eerste beroep is niet ontvankelijk in zover de verzoeker de nietigverklaring vordert van de door de kandidaten, die toegelaten werden tot het mondelinge gedeelte, behaalde resultaten voor het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen en van de beslissing om deze kandidaten toe te laten tot het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen; - het tweede beroep is niet ontvankelijk. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen IX-5644-11/25
- In het enig middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van de materiële motiveringsplicht. De verzoeker merkt op dat de feitelijke en juridische motieven die het examenresultaat verantwoorden hem niet ter kennis werden gebracht. Er kan niet worden aangenomen dat de motivering van de examenuitslag in de punten zelf gelegen is, aangezien dit slechts geldt wanneer de punten antwoorden op kennis- vragen waarderen. Op 20 april 2007 heeft de verzoeker inzage kunnen nemen van de modelantwoorden van de commissie en van de examenkopijen, maar zonder aantekeningen van de examencommissie die hem in staat zouden hebben gesteld de motieven te kennen die het examenresultaat verantwoorden. Het examen omvat meer dan louter kennisvragen en beoogt niet enkel de louter theoretische kennis van de kandidaten te toetsen. In die omstandigheden volstaat een cijfer niet als formele motivering van de beoordeling van de examenproef. Wat de materiële motivering betreft, heeft de verzoeker redenen om aan te nemen dat hem onvoldoende punten werden toegekend, zeker op het vierde onderdeel, met name de te verbeteren akte. Op dat onderdeel behaalde hij 12,75 punten op 20 en zou 1 punt meer of 13,75 op 20 voldoende zijn geweest om toegelaten te worden tot het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen. De volgende door de verzoeker vastgestelde fouten werden door de Benoemingscom- missie ten onrechte niet in aanmerking genomen : “1) de oorsprong van eigendom van het ingebrachte onroerend goed was beperkt tot 3 jaar. Dit moet volgens artikel 226,7/ W.Venn. 5 jaar zijn. 2) de notaris attesteerde de naam en voornamen van de oprichter- inbrenger van een onroerend goed, doch niet zijn geboorteplaats en - datum : schending van artikel 139, tweede lid Hyp.W 3) de statuten vermelden de dag en het uur waarop de jaarvergadering moet plaatsvinden, doch niet de gemeente (schending van artikel 282 W.Venn.), 4) de te verbeteren statuten spraken van ‘register van vennoten’, terwijl artikel é W.Venn. spreekt over ‘register van aandelen’. Vennoten en aandelen zijn evenwel geen synoniemen. Bovendien moet dat register nog andere gegevens bevatten dan de loutere identiteit van de vennoten (artikel é, tweede lid W.Venn.). 5) in de akte wordt op een bepaalde plaats van ‘accountant’ gesproken terwijl de wettelijke term ‘bedrijfsrevisor’ is. Op een andere plaats in de akte wordt dit wel als een fout erkend.” IX-5644-12/25 Volgens de verzoeker was er geen enkele objectieve reden om deze fouten die de verzoeker in de akte verbeterd had bij het bepalen van het puntenaantal niet in aanmerking te nemen.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker erkent dat hij op 20 april 2007 inzage heeft kunnen nemen van het bundel met de modelantwoorden en van zijn eigen examenkopij. De verzoeker is aldus in staat geweest om, aan de hand van de modelantwoorden, na te gaan wat van hem werd verwacht, en kon aldus kennis nemen van de motivering van de punten die hij op de verschillende vragen heeft behaald. De correctoren maken geen aantekeningen op de examenkopij nu zij de antwoorden onafhankelijk van elkaar nakijken en beïnvloeding moet vermeden worden. De verzoeker kon nochtans aan de hand van het modelantwoord nagaan in welke mate zijn antwoord overeenstemt met het modelantwoord. Uit de bijlage bij het ministerieel besluit van 13 januari 2003 houdende de goedkeuring van het programma van het jaarlijks vergelijkend examen tot rangschikking van de kandidaat-notarissen blijkt, zo vervolgt de verwerende partij, dat het te dezen om kennisvragen gaat. De schriftelijke proef bestaat uit onderdelen waarbij het enkel vermelden van een waardecijfer het mogelijk maakt om inzicht te krijgen in de motieven die tot de in het cijfer uitgedrukte waardering hebben geleid. De verzoeker heeft de modelantwoorden en zijn examenkopij mogen inkijken. Voorts merkt de verwerende partij op dat de verzoeker ten onrechte aanvoert dat de Benoemingscommissie vijf fouten in vraag IV niet in aanmerking heeft genomen. Het komt uitsluitend aan de Benoemingscommissie toe om, binnen de grenzen van de redelijkheid, te oordelen over de examenuitslag en om te bepalen aan de hand van welke objectieve criteria de examens verbeterd en beoordeeld moeten worden. De Raad van State mag zijn oordeel niet in de plaats stellen van de administratieve overheid wat de criteria betreft om een proef te verbeteren. In de mate het toch aan de Raad van State zou toekomen de toegekende punten te toetsen, merkt de verwerende partij met betrekking tot de door de verzoeker opgeworpen fouten die bij de quotering van vraag IV niet in rekening zouden zijn gebracht, het volgende op: IX-5644-13/25 “Verzoeker kan in geen geval argumenteren dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met de ‘fouten’ die hij opwerpt onder l/ en 2/, nu hij deze opmerkingen maakte buiten de daartoe voorziene ruimte. Verzoeker heeft nochtans op zijn antwoordblad volgende tekst eigenhandig geschreven : ‘Er wordt geen rekening gehouden met de antwoordbladen die niet ingevuld werden overeenkomstig de onderrichtingen’. In die onderrichtingen staat duidelijk vermeld dat moet geantwoord worden in de daartoe voorziene kaders (stuk 31). De Benoemingscommissie achtte het redelijk om de antwoorden buiten de voorgedrukte vakken niet te quoteren nu op die manier wordt vermeden dat de kandidaat onbeperkt ‘fouten’ zou opwerpen, in de hoop dat hij of zij aldus de 20 terechte fouten zou vinden die in het modelantwoord vermeld staan. Wat de eerste ‘fout’ betreft, moet trouwens worden opgemerkt dat artikel 226, 7/ W. Venn. de vermelding oplegt van de overdrachten onder bewarenden titel gedurende de vijf voorgaande jaren. Uit niets in de akte blijkt dat dit beperkt werd tot drie jaar. Met betrekking tot de derde ‘fout’, vereist de wet niet uitdrukkelijk de vermelding in de oprichtingsakte van de plaats waar de algemene vergadering bijeenkomt. Artikel 282 W.Venn. (oud artikel 73 wet op de handelsvennoot- schappen) stelt integendeel uitdrukkelijk dat de dag en het uur in de statuten moeten worden bepaald, en legt dit niet uitdrukkelijk op voor de gemeente, ook al wordt gesteld dat de vergadering in de gemeente moet plaatsvinden. Volgens Van Ryn en Heenen bepalen de statuten vrij de plaats waar de algemene vergaderingen gehouden worden, maar moeten ze gehouden worden op de zetel als de plaats niet in de statuten is aangegeven (J. Van Ryn en J. Heenen, Principes de droit commercial, Brussel, Bruylant, 1976, deel 1, nr. 696 p. 437). Met betrekking op de vierde ‘fout’ die verzoeker opwerpt, is het gebruik van de term ‘register van vennoten’ (dat zijn oorsprong vindt in het oud artikel 125 van de wet op de handelsvennootschappen) niet onjuist, nu artikel é W.Venn. refereert aan de term ‘register van aandelen’. Betreffende de vijfde ‘fout’, vermeldt verzoeker in zijn antwoord onder nr. 14 (stuk 11, lijn nr. 145) dat het verslag dient te worden opgemaakt door de commissaris. Verzoeker laat evenwel op regel 22 van de ontwerpakte na om ‘verslag van de accountant’ aan te duiden als fout. Meer zelfs, onder nr. 4, van zijn antwoord verwijst hij naar ‘de conclusies van het verslag van de accoun- tant’. Verzoeker krijgt dan ook een score van 0,5 punten.”
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat uit de beschrijving van het vergelijkend examen in de bijlage bij het ministerieel besluit van 13 januari 2003 niet anders kan dan besloten worden dat ook het schriftelijk gedeelte meer omvat dan loutere kennisvragen. De schriftelijke proef strekt er onder meer toe de bekwaamheid van de kandidaten te toetsen in het voorstellen van billijke en juridisch geschikte oplossingen. Een groot deel van het examen bestaat uit gevalstudies. In die omstandigheden neemt de rechtspraak aan dat een louter cijfer niet volstaat als formele motivering van de beoordeling van een examenproef. IX-5644-14/25 De verwerende partij, aldus de verzoeker, schijnt te beweren dat aan de formele motiveringsplicht is voldaan doordat de verzoeker op 20 april 2007 inzage heeft kunnen nemen van het bundel met modelantwoorden en van zijn eigen examenkopij. Volgens de verwerende partij is de verzoeker in staat geweest om aan de hand van modelantwoorden na te gaan wat van hem werd verwacht en kon hij kennis nemen van de motivering van de punten die hij op de verschillende vragen heeft behaald. Bij de beoordeling van de vraag of een beslissing wettig gemotiveerd is kan echter in beginsel geen rekening worden gehouden met motieven die niet in de beslissing zelf, maar in andere stukken worden verstrekt. De op 20 april 2007 door de verwerende partij georganiseerde collectieve examenbespreking kan dus op geen enkele wijze herstellen dat de bestreden beslissing niet formeel is gemotiveerd. Deze collectieve examenbespreking kwam er trouwens op neer dat de voorzitter eerst een korte, zeer algemene inleidende uiteenzetting gaf, waarna iedereen zijn examenkopijen ter inzage kreeg, waarop evenwel geen enkele vermelding, verbetering of quotering was aangebracht, evenals een bundel met de modelant- woorden. Bij gebrek aan quotering per vraag was het voor wie deelnam aan de collectieve examenbespreking onbegonnen werk de toebedeelde punten te controleren, mede gelet op de korte tijdspanne die de kandidaten werd gelaten. De verzoeker heeft bovendien herhaaldelijk gevraagd om een kopie van het examendos- sier te ontvangen, maar dat werd hem uitdrukkelijk geweigerd. Betreffende de redenen die de verzoeker in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd om aan te tonen dat hem op het vierde onderdeel, de “te verbeteren akte”, onvoldoende punten werden toegekend, voert de verzoeker, na kennis te hebben genomen van het administratief dossier nog het volgende aan: “1) in de te verbeteren akte worden terzake de oorsprong van eigendom van het ingebrachte goed de overdrachten onder bezwarende titel gedurende de vijf voorafgaande jaren niet vermeld (schending van artikel 226, 7/ W. Venn.). De te verbeteren akte, verleden op 10 maart 2007, vermeldt letterlijk: ‘De inbrenger is eigenaar van dit goed om het verkregen te hebben [...] ingevolge een akte [...] verleden [...] op 30 oktober 2005, overgeschre- ven. De verkrijgende vennootschap zal zich met deze oorsprong van eigendom tevreden moeten stellen en geen andere titels kunnen eisen dan een uitgifte van deze akte.’ De inbrenger was dus ongeveer anderhalf jaar eerder eigenaar gewor- den. Wie eigenaar van het betrokken goed is geweest in de resterende tijd van de vijf jaar vóór de datum van de akte (d.w.z. tussen 10 maart 2002 en 30 oktober 2005) wordt niet door de instrumenterende notaris vermeld. Indien de laatste eigendomstitel meer dan 5 jaar oud is, volstaat het dat de instrumenterende notaris deze vermeldt. Is dat evenwel niet het geval, IX-5644-15/25 dan moeten alle ontbrekende eigendomstitels worden vermeld. In dat geval volstaat het wat de persoon betreft die precies 5 jaar geleden eigenaar was, te vermelden dat deze sinds 5 jaar eigenaar was, zonder diens eigendomstitel te moeten opgeven. Maar in de te verbeteren akte wordt hier niets over vermeld. De notaris heeft artikel 226, 7/ W.Venn. dus niet nageleefd. Uit de akte blijkt dat de notaris alleen met artikel 141, derde lid Hyp.W. heeft rekening gehouden, te meer daar er wordt toegevoegd: ‘De verkrijgende vennootschap zal zich met deze (+/- 1,5 jarige) oorsprong van eigendom tevreden moeten stellen.’ Die laatste toevoeging is bekritiseerbaar omdat de instrumenterende notaris op die manier zijn aansprakelijkheid wenst te beperken, terwijl het juist zijn taak is de oorsprong van eigendom te duiden. 2) bij de lijnen 502 en 503 van de te verbeteren akte, maakte de verzoeken- de partij de opmerking dat de notaris enkel de naam en voornamen van de oprichter-inbrenger van het onroerend goed attesteerde, doch niet zijn geboorteplaats en -datum. Dit is een schending van artikel 139, § 1, tweede lid Hyp.W., sindsdien gewijzigd door artikel 2 van de wet 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III), B.S. 14 maart 2007, p. 13.
- Opmerkelijk is dat deze fout niet was vermeld op het modelantwoorden- blad dat op de collectieve examenbespreking van 20 april 2007 ter inzage lag van de kandidaten, terwijl deze fout wel wordt vermeld op het antwoordenblad dat deel uitmaakt van het administratief dossier van de verwerende partij (stuk 15). De benoemingscommissie erkent dus wel dat die fout in aanmerking moet worden genomen, maar heeft hiervoor ten onrechte geen punt toegekend aan de verzoekende partij. 3) de te verbeteren statuten vermelden (lijnen 313 en 314): ‘ieder jaar wordt een algemene vergadering gehouden op de derde vrijdag van de maand juni om 18 uur.’ Terwijl artikel 282 W.Venn. bepaalt: ‘Ieder jaar moet ten minste één algemene vergadering gehouden worden in de gemeente, op de dag en het uur bij de statuten bepaald.’ Het spreekt vanzelf dat de algemene vergadering steeds in een gemeente plaatsheeft. Die bepaling kan dus geen andere betekenis hebben dan dat men moet specificeren om welke gemeente het gaat, ook al is dat voorschrift niet op straffe van nietigheid voorgeschreven (art.
- W. Venn.). In de praktijk wordt evenwel aanvaard dat aan dit voorschrift is voldaan wanneer de statuten bepalen op welke plaats de algemene vergaderingen zullen plaatsvinden, met name bijv. in de zetel van de vennootschap, nu de zetel uiteraard in een bepaalde gemeente is gevestigd en aldus het betreffende artikel van de statuten niet hoeft te worden gewijzigd ingeval van zetelverplaatsing naar een andere gemeente. 4) De te verbeteren statuten spraken van ‘register van vennoten’, terwijl. artikel é W.Venn. spreekt over ‘register van aandelen’. Vennoten en aandelen zijn evenwel geen synoniemen. Overigens moet dat register nog andere gegevens bevatten dan de loutere identiteit van de vennoten (artikel é, tweede lid W. Venn.). 5) in lijn 92 van de te verbeteren akte stond vermeld ‘tenzij zij verkiest de vergoeding voor verbreking te betalen’. De verzoekende partij heeft deze fout aangeduid omdat ‘zo'n vergoeding voor verbreking van verzekeringscontract verboden is door de wet’. Oude verzekeringspolissen bepaalden dat, ingeval van eigendomsover- dracht, de overdrager gehouden was de overnemer te verplichten de bestaande verzekering verder te zetten. Tevens moest de overdrager aan de maatschappij de identiteit van de overnemer ter kennis brengen. Zo hij deze verplichtingen niet nakwam, moest hij schadevergoeding IX-5644-16/25 betalen. Aan de koper werd dus de voortzetting van de verzekering opgelegd, tenzij deze de vergoeding wegens contractbreuk wenste te betalen (L. Weyts, Notarieel Contractenrecht, deel 1, Kluwer, 1999, nr. 91). Het K.B. van 1 februari 1988 heeft die praktijk stopgezet. Deze regeling werd nadien opgenomen in de landverzekeringswet van 25 juni
- Artikel 57 van die wet bepaalt: ‘In geval van overdracht onder de levenden van een onroerend goed, eindigt de verzekering van rechts- wege drie maanden na de datum van het verlijden van de authentieke akte.’ Die nieuwe regeling geldt voor de nieuwe brandverzekeringspolissen vanaf 30 september 1989, alsook voor de oude die sindsdien vernieuwd, verlengd of waarvan de voorwaarden wijzigingen hebben ondergaan (L. Weyts, ibidem). De inbrenger heeft de polis ofwel overgenomen bij zijn verwerving van het goed in 2005, ofwel later afgesloten. Dus valt de polis alleszins onder de nieuwe regeling. Men mag dus in de akte niet stellen dat de verkrijgende vennootschap de verzekeringscontracten moet voortzetten op straffe van een verbre- kingsvergoeding te moeten betalen aan de verzekeringsmaatschappij. Zelfs indien de polis toch een dergelijke clausule zou vermelden, mag de notaris dat niet klakkeloos overnemen in de akte zonder er aan toe te voegen dat zulks in strijd is met artikel 57 van de landverzekeringswet.” De verzoeker herhaalt dat hij de hiervoor vermelde fouten in de akte verbeterd heeft, doch deze fouten door de Benoemingscommissie ten onrechte niet in aanmerking werden genomen, terwijl er geen enkele objectieve reden is om bepaalde fouten wel en andere fouten niet in aanmerking te nemen voor de bepaling van het puntenaantal. Bovendien heeft de Benoemingscommissie onvoldoende punten toegekend voor sommige fouten die de verzoeker in de te verbeteren akte wist op te sporen . Desbetreffend laat hij het volgende gelden: “In de te verbeteren akte stond : ‘De vennootschap zal de inbrenger vrijwaren jegens alle aanspraken op het goed’ (lijn 23). De verzoekende partij verbeterde dit als volgt: ‘Het is de inbrenger die moet vrijwaren en niet de ontvangende vennootschap’. De benoemingscommissie heeft voor deze verbetering slechts 0,25 punten toegekend. Dit had meer moeten zijn aangezien het bij een eigendomsover- dracht de overdrager is die vrijwaring is verschuldigd aan de overnemer en niet omgekeerd. Het goed verdwijnt immers uit het patrimonium van de overdrager. In dit verband bepaalt artikel 22, tweede lid W. Venn. het volgende: ‘Wanneer de [...] inbreng bestaat in een bepaalde zaak, en deze zaak onder de vennoot- schap wordt uitgewonnen, is de vennoot tot vrijwaring jegens de vennootschap gehouden...’.” Tenslotte stelt de verzoeker dat hij redenen heeft om aan te nemen dat hem onvoldoende punten werden toegekend op het derde onderdeel, met name de “vragenlijst nr. III. Korte antwoorden”. Desbetreffend stelt hij het volgende: IX-5644-17/25 “Wat de 14e vraag betreft, werd aangegeven dat de notaris in het bezit werd gesteld van een verslag van de raad van bestuur en van een staat van activa en passiva, welke meer dan drie maanden oud bleek te zijn. Men maakt evenwel geen gewag van andere documenten. Echter zelfs indien de data van activa en passiva minder dan 3 maanden oud waren geweest, was ook nog een verslag van de commissaris over die staat nodig, opdat de algemene vergadering geldig zou kunnen beraadslagen (zie artikel 559 W. Venn., in het bijzonder derde lid). De verzoekende partij merkte dit op maar hiervoor werden ten onrechte geen punten toegekend. Wat de 15e vraag betreft, heeft de verzoekende partij onder andere geantwoord dat op grond van artikel 134,2/ W. Succ., de belastingschuld alleszins nog bijkomend mag worden aangegeven. De verzoekende partij heeft hier een half punt voor gekregen. Evenwel aanvaardt de Administratie van de registratie ook dat ziekenhuis- kosten achteraf nog in rekening mogen worden gebracht, als het bestaan ervan pro memorie in de oorspronkelijke aangifte werd opgegeven (L. Weyts, Notarieel Fiscaal recht, deel 2 - De aangifte van nalatenschap, Kluwer, 1997, nr. 71 in fine en nr. 258; M. Donnay, Droits de succession, Rep Not., nr. 872-1), wat in het antwoord van de verzoekende partij werd vermeld (‘mits die was voorbehouden’). Dit werd overigens ook bevestigd in een antwoord van de Minister van Financiën op een parlementaire vraag (L. Weyts, o.c., voetnoot 364bis op p. 81; Rep. Not., ibid.). Dus verdiende de verzoekende partij een half punt meer op deze vraag.” De verzoeker besluit dat alleen al om deze redenen de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie dat de verzoekende partij geen 60 % van de punten heeft behaald op het schriftelijk gedeelte en dus niet wordt uitge-nodigd om deel te nemen aan het mondelinge gedeelte van het vergelijkend examen, niet blijkt te steunen op motieven waarvan het bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden.
- In haar laatste memorie merkt de verwerende partij op dat het om een juridisch examen gaat; om die reden peilt de te verbeteren akte enkel naar fouten die rechtsgevolgen ressorteren en mogelijks resulteren in een aansprakelijkheid van de instrumenterende notaris. Opmerkingen van de examinandi die de aansprakelijk- heid van de notaris niet in het gedrang kunnen brengen, worden dan ook, aldus de verwerende partij, niet als “fout” aangemerkt. Wat de derde zogenaamde fout betreft, met name het feit dat volgens de verzoeker in de statuten van de te verbeteren akte niet opgenomen is in welke gemeente de algemene vergadering zal worden gehouden, merkt de verwerende partij op dat noch artikel 282 W. Venn., noch een andere bepaling voorschrijft dat in de statuten het adres wordt vermeld waar de algemene vergade- IX-5644-18/25 ring zou moeten plaatsgrijpen. Een vermelding van een welbepaalde gemeente in de statuten heeft dan ook maar zin indien een andere gemeente gekozen wordt voor de algemene vergadering dan die van de zetel van de vennootschap. De niet-vermel- ding is dan ook niet foutief. Hoe dan ook, zo vervolgt de verwerende partij, is het niet kennelijk onredelijk dat de Benoemingscommissie de zogenaamde fout niet als dusdanig weerhouden heeft, en dat te dezen, al is er geen sprake van fout, zij de verzoeker er toch nog 0,5 punten heeft voor toegekend. Tenslotte meent de verwerende partij dat dit middelonderdeel de verzoeker niet vooruit zal helpen nu hij op dit punt hoogstens een 0,5 punt kan bekomen wijl hij 1 punt nodig heeft om geslaagd te zijn in het schriftelijke examen. Wat de vierde zogenaamde fout betreft, met name het feit dat in de statuten van de te verbeteren akte er gehandeld wordt over het register van vennoten wijl volgens de verzoeker het wetboek van vennootschappen het heeft over het register van aandelen, merkt de verwerende partij op dat de wetgever de termen “register van vennoten “ en “register van aandelen” door elkaar gebruikt; hiervoor haalt zij de statuten van de cvba Kringloopfonds goedgekeurd bij koninklijk besluit van 3 mei 2003 en de statuten van de “Société wallonne des Eaux” goedgekeurd bij besluit van de Waalse regering van 15 januari 2007 aan. Ook de rechtsleer gebruikt de term register van vennoten. Het is dan ook, aldus de verwerende partij, niet onredelijk dat de commissie hier geen punten heeft toegekend. Wat de vijfde zogenaamde fout betreft, met name het feit dat in de statuten van de te verbeteren akte er gehandeld wordt over het feit dat de verkrijgende vennootschap ter ontlasting van de inbrenger de verzekeringscontrac- ten betreffende het goed zal voortzetten en er de premies van betalen tenzij zij verkiest de vergoeding voor verbreking te betalen, wijl volgens de verzoeker deze clausule verboden is, merkt de verwerende partij op dat de clausule handelt over de verzekeringscontracten betreffende het onroerend goed en niet enkel zaakverzeke- ringen waarvoor artikel 57, § 1, van de wet op de landverzekeringen stipuleert dat in geval van overdracht onder de levenden van een onroerend goed, de verzekering van rechtswege eindigt drie maanden na de datum van het verlijden van de authentieke akte. Dit artikel is aldus niet van toepassing op aansprakelijkheidsverze- keringen zoals een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid onroerend goed. De verwerende partij concludeert dat de commissie dan ook redelijkerwijze geen punten heeft toegekend voor dit antwoord. IX-5644-19/25 Beoordeling
- Wat de aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht betreft. De verzoeker betwist de punten die hem werd toegekend voor het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen. De Raad van State kan zijn beoordeling niet in de plaats van de examencommissie stellen. De Raad van State is geen beroepsinstantie om in de plaats van de examinatoren examens opnieuw te verbeteren en punten toe te kennen. De deskundigheid van de examinatoren moet in beginsel aangenomen worden. De verzoeker stelt trouwens die deskundigheid als zodanig ook niet in vraag. Deze veronderstelde deskundigheid biedt in beginsel de nodige waarborgen tegen onredelijke beoordelingen. Het komt dan ook op de eerste plaats aan de verzoeker toe om dit vertrouwen op geloofwaardige wijze aan het wankelen te brengen. Te dezen betekent zulks dat het niet de bedoeling kan zijn dat de Raad van State één na één de in het verzoekschrift en memorie van wederantwoord vermelde antwoorden op de examenvragen op hun juistheid gaat beoordelen om dan vervolgens te beslissen of aan de verzoeker al dan niet de juiste punten werden toegekend. Daarentegen kan wel aan de hand van de door de verzoeker uitgebrachte kritieken en de daarop door de verwerende partij gegeven repliek worden nagegaan of het schriftelijk examen van de verzoeker met de vereiste zorgvuldigheid verbeterd werd. Overeenkomstig het beginsel van de materiële motiveringsplicht moeten er voor elke administratieve beslissing immers rechtens aanvaardbare motieven bestaan, wat onder meer inhoudt dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
- Wat betreft de opmerking van de verwerende partij in haar laatste memorie dat bij het gedeelte van het schriftelijk examen aangaande de te verbeteren akte enkel gepeild wordt naar fouten die rechtsgevolgen ressorteren en mogelijks resulteren in een aansprakelijkheid van de instrumenterende notaris en dat derhalve geen rekening gehouden wordt met opmerkingen van examinandi die de aansprake- lijkheid van de notaris niet in het gedrang brengen, dient opgemerkt te worden dat deze zienswijze niet blijkt uit het administratief dossier en thans voor de eerste keer IX-5644-20/25 door de verwerende partij naar voor wordt gebracht. Voorts werd deze zienswijze door de verwerende partij zelf in de feiten niet in acht genomen. Bij de zogenaamde derde fout die de verzoeker in de te verbeteren akte aanhaalt, merkt de verwerende partij op dat dit hoegenaamd geen fout is, terwijl ze er wel 0,5 punt heeft voor toegekend. De conclusie is dat de verwerende partij niet aannemelijk maakt dat de beoordeling van de door de verzoeker opgegeven fouten vanuit deze zienswijze dient te gebeuren.
- Wat betreft de eerste twee fouten die de verzoeker in zijn verzoekschrift aanhaalt, met name de eerste fout die regel 46 van de verbeteren akte betreft en waarbij de verzoeker onder verwijzing naar artikel 226, 7/, W. Venn. had opgemerkt: “Er wordt niet gezegd of er geen andere overgang van eigendom is geweest tijdens de laatste vijf jaar” en de tweede fout die de regels 501 e.v. van de te verbeteren akte betreft en waarover de verzoeker had opgemerkt: “Vermits deze akte op het hypotheekkantoor moeten worden overgeschreven, moet niet alleen de naam en de voornamen van de inbrenger waarmerken, doch ook zijn geboorteplaats en datum (art. 139 § 1 Hyp. W.). De woonplaats dient niet te worden gewaarmerkt, maar moet de notaris bekend zijn; anders is de vermelding juist”, en waarvoor hij ten onrechte geen punten zou hebben gekregen, dient het volgende opgemerkt te worden. De verwerende partij wijst er terecht op dat met deze antwoorden geen rekening kon worden gehouden. Beide antwoorden werden immers door de verzoeker neergeschreven buiten de daartoe voorziene kaders. Eén van de onderrichtingen luidde immers: “Uw antwoorden moeten geschreven worden in de daarvoor voorziene kaders”. Voorts wijst de verwerende partij er eveneens terecht op dat niet kon aanvaard worden dat een kandidaat een onbeperkt aantal fouten zou aanwijzen, in de hoop dat hij aldus 20 echte fouten in de verbeteren akte zou vinden. Het aantal antwoorden werd dus terecht tot 20 beperkt. Met het 21ste en 22ste antwoord werd terecht geen rekening gehouden.
- De derde fout die de verzoeker in de te verbeteren akte vond en die hij opmerkte in zijn inleidend verzoekschrift en waarvoor hem ten onrechte geen IX-5644-21/25 punten zouden zijn toegekend, heeft betrekking op de regels 313 en 314 (antwoord 19). De verzoeker stelde op zijn antwoordblad: “De statuten dienen ook te vermelden in welke gemeente de algemene vergadering zal worden gehouden (art. 282 W. Venn.).” Artikel 282 W. Venn. luidt: “Ieder jaar moet ten minste één algemene vergadering gehouden worden in de gemeente, op de dag en het uur bij de statuten bepaald.” Volgens de verwerende partij vereist de wet “niet uitdrukkelijk” dat de plaats waar de algemene vergadering bijeenkomt in de oprichtingsakte of de statuten wordt vermeld en moeten de algemene vergaderingen op de zetel worden gehouden als de plaats niet in de statuten is aangegeven; het zou dan ook, aldus de verwerende partij, niet om een fout gaan. Artikel 282 W. Venn. vereist dat niet alleen “de dag en het uur”, maar ook “de gemeente” waar de algemene vergadering wordt gehouden in de statuten wordt vermeld. De omstandigheid dat die vermelding niet op straf van nietigheid is voorgeschreven en dat wanneer de gemeente niet in de statuten vermeld wordt, de algemene vergadering op de zetel van de vennootschap wordt gehouden, doet geen afbreuk aan het feit dat het ontbreken van die vermelding als een te verbeteren fout kan worden aangemerkt, hetgeen de verwerende partij trouwens erkent door de toekenning van een 0,5 punt. Het is niet duidelijk waarom het antwoord van de verzoeker een 0,5 punt waard was.
- De vierde fout die de verzoeker in de te verbeteren akte vond en waarvoor hem ten onrechte geen punten zouden zijn toegekend, heeft betrekking op regel 231 (antwoord 16). De verzoeker schreef: “Register van vennoten”: Doch de wet spreekt van “register van aandelen” (art. é W. Venn.). Volgens de verwerende partij is het gebruik van de term “register van vennoten”, dat zijn oorsprong vindt in het oud artikel 125 van de wet op de handelsvennootschappen, niet onjuist, nu artikel é W. Venn. refereert aan de term “register van aandelen”. IX-5644-22/25 Aldus geeft de verwerende partij zelf aan dat de benaming “register van vennoten” achterhaald is. Het is dan ook niet duidelijk waarom aan de verzoeker voor het opmerken van die fout geen punten werden toegekend. De opwerping van de verwerende partij in haar laatste memorie dat de verwerende partij zelf de twee termen door elkaar gebruikt en dat er daarom geen te verbeteren fout was, gaat niet op. De voorbeelden die de verwerende partij aanhaalt, zijn akten van de Koning en van de Waalse regering die nalaten de in het wetboek van vennootschappen voorgeschreven term te gebruiken. Dit nalaten stelt uiteraard de wettelijk voorgeschreven term niet buiten gebruik.
- In zijn memorie van wederantwoord voert de verzoeker aan dat hij met betrekking tot regel 92 van de te verbeteren akte waar gestipuleerd was dat de verkrijgende vennootschap de verzekeringscontracten diende voort te zetten “tenzij zij verkiest de vergoeding voor verbreking te betalen”, had opgemerkt: “zo’n vergoeding voor verbreking van verzekeringscontract is verboden door de wet” (antwoord 9). Voor dit antwoord werden aan de verzoeker geen punten toegekend. In zijn memorie van wederantwoord verwijst de verzoeker nochtans naar artikel 57 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten. Artikel 57, § 1, van die wet bepaalt: “In geval van overdracht onder de levenden van een onroerend goed, eindigt de verzekering van rechtswege drie maanden na de datum van het verlijden van de authentieke akte”. De verzoeker kan derhalve op goede grond aanvoeren dat de geviseerde clausule onwettig en dus foutief was. Het verweer in de laatste memorie van de verwerende partij dat de zogenaamde fout van de verzoeker enkel opgaat voor zaakverzekeringen terwijl ook andere verzekeringen betrekkelijk het onroerend goed door de clausule worden geviseerd, gaat niet op. De door de verzoeker opgemerkte fout gaat op voor een belangrijk gedeelte van de verzekeringen voor een onroerend goed en diende dan ook als dusdanig beoordeeld te worden. IX-5644-23/25
- Uit wat voorafgaat volgt dat het middel gegrond is in zover de schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd. Uit verschillende voorbeelden blijkt dat de puntentoekenning niet met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd. De verwerende partij laat in haar laatste memorie trouwens na verweer te laten gelden aangaande de fouten die de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord aanhaalt wat betreft vragenlijst nr. III. De Benoemingscommissie is er dan ook toe gehouden het schriftelijk examen van de verzoeker, mede in het licht van de door hem in de processtukken geformuleerde kritieken, opnieuw te verbeteren en in functie van het resultaat daarvan te beslissen of de verzoeker al dan niet tot het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen wordt toegelaten om hem daarna desgevallend te rangschikken voor de benoeming tot kandidaat-notaris. In deze specifieke situatie lijkt het ook aangewezen dat de Benoemingscommissie zich bij de formele motivering van haar beslissing niet beperkt tot de loutere mededeling van de door de verzoeker behaalde punten. Om nieuwe betwistingen te voorkomen lijkt het integendeel meer dan wenselijk dat de Benoemingscommissie in een onder woorden gebrachte motivering duidelijk maakt waarom zij bij de herverbetering van het schriftelijk examen aan de verzoeker eventueel andere punten per vraag toekent dan voorheen, dan wel beslist de initieel toegekende punten niet te wijzigen. Het middel is in de hiervoor aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De zaken A. 183.147/IX-5644 en A. 185.548/IX-5777 worden samengevoegd.
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het Notariaat, betekend bij brief van 21 maart 2007, waarbij aan Bartel Janssens wordt meegedeeld dat hij geen 60 % van de punten heeft behaald op het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen voor de rangschikking van kandidaat-notarissen (jaar 2007) en dus niet uitgenodigd wordt op het mondelinge gedeelte van dit vergelijkend examen.
- De Raad van State verwerpt de beroepen voor het overige. IX-5644-24/25
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 183.147/IX-5644, begroot op 350 euro. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 185.548/IX-5777, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 750 euro, elk voor een zesde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5644-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div