← België

Arrest 203067 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.067 Rolnummer: A. 182777/IX-5633 Zaak: Arrest 203067 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.067 van 19 april 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.067 van 19 april 2010 in de zaak A. 182.777/IX-5633 In zake : Marc VERCAMMEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de politiezone SINT-GILLIS-WAAS/STEKENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. De gouverneur van de provincie OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 26 april 2007, strekt tot de nietigverkla- ring van: - de beslissing van de politieraad van de lokale politiezone nr. 5431 Sint-Gillis- Waas/Stekene van 20 december 2006 houdende de benoeming van Alex De Graeve als commissaris van politie, diensthoofd dienst kwaliteitszorg; - het voorstel van de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie van 20 november 2006; - het besluit van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 februari 2007 waarbij deze oordeelt dat zijns inziens de meest geschikte kandidaat benoemd is en zodoende impliciet weigert om tot schorsing van de benoemingsbe- slissing over te gaan. IX-5633-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Collin heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart
  5. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de lokale politiezone Sint-Gillis-Waas/Stekene. 3.
  8. Op 21 juni 2006 beslist de politieraad van voormelde zone

(1)één betrekking van diensthoofd (commissaris) dienst kwaliteitszorg vacant te verklaren,
(2)de betrekking te begeven op basis van de wetgeving inzake de mobiliteit van het personeel van de politiediensten,
(3)de selectie van de kandidaten te laten gebeuren middels een selectieproef door een lokale selectiecommissie, met name middels schriftelijke cases met betrekking tot de functie en een interview waarbij de IX-5633-2/25 algemene kennis van de kandidaat wordt onderzocht en nagegaan wordt of hij voldoet aan de in het functieprofiel opgenomen voorwaarden en
(4)de bevoegde plaatselijke selectiecommissie samen te stellen (voorzitter: de korpschef van de politiezone; leden: twee korpschefs van een andere politiezone). 3.
  1. Op 16 oktober 2006 bezorgt de Directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer de mobiliteitsdossiers van de vier kandidaten voor de bediening, onder wie de verzoeker, aan de politiezone. 3.
  2. Met een op 30 oktober 2006 gedateerde brief worden de vier kandidaten uitgenodigd voor deelname aan de selectieproef op 20 november 2006; er wordt hen meegedeeld dat de proef bestaat uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte en dat de kandidaten dienen geslaagd te zijn voor het schriftelijk gedeelte alvorens toegelaten te worden tot het mondeling gedeelte. 3.
  3. Met een 30 oktober 2006 gedateerd faxbericht, dat gericht is aan de vakbonden en dat, zo blijkt uit de verzendrapporten, op die datum wordt verstuurd naar en ontvangen op vier verschillende faxnummers, wordt meegedeeld dat de selecties voor de aanwerving van commissaris diensthoofd/kwaliteitszorg zullen doorgaan op 20 november 2006 en wordt gevraagd dat, indien een vakbonds- afgevaardigde aanwezig wenst te zijn, zulks op voorhand zou gemeld worden. 3.
  4. Het proces-verbaal met betrekking tot de selectieproef luidt als volgt: “In het kader van de mobiliteitsregeling hebben zich vier kandidaten ingeschreven voor de functie van commissaris kwaliteitszorg voor de zone Sint-Gillis-Waas - Stekene, namelijk: DE GRAEVE Alex, Vrijestraat 1, 9960 Assenede (stamnummer 44-03059-35) DE POURCQ Serge, Molenbeekweg 51, 9120 Beveren (stamnummer 44-33439-54) DE RYNCK Laurens, Schuurveldlaan 14, 2610 Wilrijk (stamnummer 44-03164-43) VERCAMMEN Marc, Heerbaan 2B, 9190 Stekene (stamnummer 44-31960-30) Na onderzoek stelt de selectiecommissie vast dat de kandidaturen ontvan- kelijk zijn. VIER KANDIDAAT HEBBEN ZICH AANGEBODEN EN DEELGENO- MEN AAN HET SCHRIFTELIJK EXAMEN OP MAANDAG 20 NOVEMBER
  5. IX-5633-3/25 Volgende kandidaten zijn geslaagd in het schriftelijk examen en hebben zich aangeboden op het interview: De Graeve Alex De Pourcq Serge Vercammen Marc Volgende kandidaat is niet geslaagd in het schriftelijk examen: De Rynck Laurens DE SELECTIECOMMISSIE IS TOT DE VOLGENDE CONCLUSIE GEKOMEN : Volgende kandidaat wordt door selectiecommissie zeer geschikt bevonden:
  6. DE GRAEVE Alex Voorkomen / houding / maturiteit De kandidaat heeft een correcte en integere houding. Hij toont een grote inzet. De kandidaat geeft de indruk beredeneerd en gestructureerd te werk te gaan. De kandidaat is vastberaden en kan zijn standpunten motiveren. Kennis van de politiezone, samenstelling en werking van de geïntegreerde politie. De kandidaat heeft zich geïnformeerd over het bestuur en het beleid van de zone. Motivatie De kandidaat is gemotiveerd door de inhoud van de functie. Hij toont interesse om binnen de lokale zone tewerkgesteld te worden. De kandidaat maakt een bewuste keuze voor deze betrekking. Relevante ervaring / studies De kandidaat heeft in zijn jobverleden gewerkt binnen het klachtenmanage- ment en de sturing van een gerechtelijk secretariaat. De kandidaat heeft ervaring met het sturen en leiding geven van een dienst. Kennis en capaciteiten (bekwaamheden) voor de functie De kandidaat heeft een opleiding EFQM genoten. Zijn kennis is voorname- lijk cognitieve kennis. De verschillende managementmodellen zijn de kandidaat niet onbekend. Hij is zeer gemotiveerd om zich bij te scholen en staat open voor nieuwe uitdagingen. De kandidaat is polyvalent en heeft een loyale houding. Volgende kandidaten worden door selectiecommissie geschikt bevonden, volgens rangschikking:
  7. DE POURCQ Serge Voorkomen / houding / maturiteit De kandidaat heeft een correcte houding. Hij stelt zich luisterbereid en geduldig op en geeft een hulpvaardige indruk. De kandidaat werkt gestructureerd. Hij is een realist en werkt oplossingsge- richt. De kandidaat straalt een minder sterke persoonlijkheid uit. Kennis van de politiezone, samenstelling en werking van de geïntegreerde politie. De kandidaat heeft zich grondig geïnformeerd over de structuur en het beleid van de zone. IX-5633-4/25 Motivatie De kandidaat is goed op de hoogte van de functie-inhoud en lijkt gemoti- veerd om deze in te vullen. Doch kan zijn motivering niet steeds overtuigend overbrengen. Relevante ervaring / studies De kandidaat doet in zijn huidige functie aan kwaliteitscontrole en coaching van mensen. De kandidaat heeft ervaring met coördinatie binnen zijn huidige functie. Kennis en capaciteiten (bekwaamheden) voor de functie De kandidaat is theoretisch onderlegd. Hij heeft een loyale houding. De kandidaat heeft beperkte leidinggevende bekwaamheden en een beperkt overtuigingsvermogen. Hij hanteert een empatische stijl van leidinggeven, die soms te weinig directief kan zijn.
  8. VERCAMMEN MARC Voorkomen / houding / maturiteit De kandidaat voert een aarzelende communicatie en is niet standvastig. Hij heeft een gesloten en starre houding. De kandidaat neigt naar een autoritaire aanpak. Hij stelt zich flexibel op. De kandidaat heeft een weinig verzorgd voorkomen. Kennis van de politiezone, samenstelling en werking van de geïntegreerde politie De kandidaat is als hoofdinspecteur tewerkgesteld binnen de zone en heeft daardoor een grondige kennis van het bestuur en het beleid van de zone. Motivatie De kandidaat is gemotiveerd voor de inhoud van de functie en de tewerkstel- ling binnen de zone. Relevante ervaring / studies De kandidaat heeft een uitgebreide theoretische kennis opgebouwd tijdens zijn studies. Hij heeft een eerder onrealistische visie over het implementeren van bepaalde voorstellen. Kennis en capaciteiten (bekwaamheden) voor de functie De kandidaat doet op een onvoldoende gefundeerde manier aan stellingna- me. Hij is steeds op zoek naar sociaal wenselijke antwoorden. De kandidaat blijft zeer theoretisch in zijn benadering: hij bezit een grote cognitieve kennis, maar het blijft beperkt tot dat niveau. Volgende kandidaat wordt door selectiecommissie ongeschikt bevonden:
  9. DE RYNCK Laurens De kandidaat is niet geslaagd in het schriftelijk examen en kan bijgevolg niet deelnemen aan het interview. De kandidaat beschikt niet over de nodige theoretische basiskennis en het beleidsmatig inzicht voor de omschreven betrekking.” 3.
  10. Met een brief van 1 december 2006 deelt de korpschef aan de verzoeker mee dat de selectiecommissie hem op basis van de schriftelijke en mondelinge proef geschikt heeft bevonden en dat zij haar gemotiveerd voorstel, IX-5633-5/25 bevattende de door haar geschikt bevonden kandidaten, alsook alle kandidaturen en haar beoordeling hiervan, zal meedelen aan de politieraad van 20 december
  11. Het “voorstel van de plaatselijke selectiecommissie [...], meegedeeld aan de politieraad” maakt het tweede voorwerp uit van het onderhavig beroep. 3.
  12. Op 20 december 2006 beslist de politieraad Alex De Graeve te benoemen tot commissaris dienst kwaliteitszorg. Het desbetreffend uittreksel uit het notulenboek van de politieraad luidt als volgt: “GEHEIME ZITTING
  13. Personeel - Benoeming 1 commissaris (diensthoofd) kwaliteitszorg De politieraad, Gelet op de wet van 07 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus; Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 2001 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten; Gelet op het koninklijk besluit van 20 november 2001 tot vaststelling van de nadere regels inzake de mobiliteit van het personeel; Gelet op de omzendbrieven GPI 15, 15 bis, 15 ter en 15 quater die toelich- ting geven aangaande de aanwerving van personeel van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus; Gelet op de goedgekeurde personeelsformatie; Gelet op de politieraadsbesluit dd. 21.06.2006 houdende de vaststelling van de selectiemodaliteiten; Gelet op de politieraadsbesluiten dd. 21.06.2006 tot vacantverklaring van 1 betrekking commissaris (diensthoofd) kwaliteitszorg; Overwegende dat door de Algemene Directie Personeel van de Federale Politie elke vacante betrekking in aanmerking werd genomen voor de publicatie via de mobiliteitscyclus 2006/2; Overwegende dat voor de betrekking van commissaris (diensthoofd) kwaliteitszorg; zich 4 personen kandidaat stelden, nl. - DE GRAEVE Alex, Vrijestraat 1 te 9960 ASSENEDE - DE POURCQ Serge, Molenbeekstraat 51, 9120 BEVEREN - DE RYNCK Laurens, Schuurveldlaan 14, 2610 WILRIJK - VERCAMMEN Marc, Heerbaan 2B, 9190 STEKENE; Gelet het proces-verbaal dd. 20.11.2006 van het advies van de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie waaruit blijkt dat; - Alle kandidaten zich hebben aangeboden op de selectieproeven. - na het onderzoek door de selectiecommissie de kandidaturen ontvankelijk werden verklaard; - Kandidaat DE GRAEVE Alex zeer geschikt werd bevonden; - Kandidaten DE POURCQ Serge en VERCAMMEN Marc geschikt werd bevonden - Kandidaat DE RYNCK Laurens ongeschikt werd bevonden; Gelet op het individuele mobiliteitsdossier; IX-5633-6/25 Overwegende dat de raadsleden inzage hebben gehad in de individuele dossiers van de kandidaat; Gelet op de uitslag van de ter zake gehouden geheime stemming; BESLUIT : met 9 ja-stemmen voor DE GRAEVE Alex, 8 ja-stemmen voor VERCAMMEN Marc en 2 onthoudingen; Artikel 1 Kennis te nemen van het advies van de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie. Artikel 2 DE GRAEVE Alex, Vrijestraat 1 te 9960 ASSENEDE te benoemen tot commissaris dienst kwaliteitszorg Artikel 3 De datum van indiensttreding gaat in als het ambt door het personeelslid daadwerkelijk wordt opgenomen. Artikel 4 Een afschrift zal worden overgemaakt aan de Directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer te Brussel. Artikel 5 Overeenkomstig artikel 86 van de wet van 07 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wordt een eensluidend verklaard afschrift van deze beslissing overgemaakt aan de provinciegouverneur.” Dit is het eerste voorwerp van het onderhavig beroep. 3.
  14. Op 27 december 2006 dient de verzoeker het hiernavolgend bezwaarschrift in bij de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen: “BEZWAARSCHRIFT - KLACHT Betreffende: Bezwaarschrift tegen politieraadsbesluit van de Politiezone Sint-Gillis-Waas-Stekene inzake de benoeming van commissaris kwaliteitszorg dd/ 20/12/2006 27 december 2006 Aan de Heer Provinciegouverneur van de Provincie Oost-Vlaanderen Dhr. André Denys Gouvernementstraat 1 9000 Gent Geachte heer Gouverneur, Bij deze wens ik bezwaar te maken en klacht te formuleren tegen het politieraadsbesluit van de Politiezone Sint-Gillis-Waas - Stekene van 20 December 2006 inzake de stemming met betrekking tot de benoeming van Alex De Graeve als commissaris kwaliteitszorg. Ikzelf ben kandidaat voor deze functie en heb als zodanig hoedanigheid en belang bij het formuleren van deze klacht. Ik richt deze klacht naar U, de toezichthoudende overheid conform artikel 248 § 1 2/ van het gemeentede- creet
  15. IX-5633-7/25 Mijn voornaamste bezwaar bestaat er vooral in dat de politieraadsleden niet vrij konden stemmen over deze benoeming, zij werden door de Burgemees- ters als het ware gedwongen om te stemmen voor de tegenkandidaat en dit op basis van foutieve gegevens verstrekt door de korpschef en de burge- meesters. De politieraadsleden werd gezegd dat indien zij niet zouden kiezen voor mijn tegenkandidaat dat dan de Gouverneur de beslissing met zekerheid ging schorsen. De politieraadsleden werden dan verplicht om voor de tegenkandidaat te stemmen. Hoewel de stemming 9 stemmen voor de tegenkandidaat en 8 stemmen voor mij was en er twee onthoudingen waren ben ik ervan overtuigd dat indien de politieraadsleden vrij konden stemmen de stemming anders zou geweest zijn en in mijn voordeel zou zijn uitge- draaid. Dit werd trouwens mondeling bevestigd door enkele politieraadsle- den. Deze stemming is ook gebeurd op basis van niet complete en foutieve gegevens. Er werd op deze stemming twijfel gezaaid, dit omdat de selectiecommissie mijn tegenkandidaat de kwalificatie zeer geschikt had meegegeven. Deze kwalificatie is onwettelijk en niet voorzien bij een niet-vergelijkend examen. Conform artikel 62.29 van het Koninklijk Besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten kan de selectiecommissie de kandidaten of geschikt bevinden of de kandidaatstel- lingen onontvankelijk bevinden of de kandidaten niet geschikt bevinden. Bij een niet vergelijkend examen kan geen ranking worden opgesteld er kan enkel de kwalificatie geschikt of niet geschikt worden gegeven. Er kan wel een motiverend gedeelte worden bijgevoegd en dit conform artikel 62.30 van het genoemd Koninklijk Besluit doch zonder een ranking onder de kandidaten op te stellen. Het is dan de politieraad die de meeste geschikte kandidaat benoemt wat in deze niet zo is. De politieraad dient conform artikel 6.2.31 van het reeds genoemde Koninklijk Besluit de aanspraken en verdiensten van de door de selectiecom- missie geschikt bevonden kandidaten te vergelijken en op grond van het voorstel van de selectiecommissie en op grond van deze aanspraken en verdiensten de voor de mobiliteit te begeven betrekking in te vullen door de meest geschikte kandidaat te benoemen. De politieraadsleden hebben echter geen kennis genomen van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten en op die wijze niet kunnen kiezen voor de meest geschikte kandidaat. Dat er geen rekening werd gehouden door zowel de selectiecommissie als door de politieraadsleden met de conform artikel 6.2.19 § 1 3/ tweede lid verplicht bij te voegen nota waarin de kandidaat zijn aanspraken en verdiensten dient uiteen te zetten is duidelijk indien deze aanspraken en verdiensten van de drie kandidaten zouden vergeleken worden met de functieomschrijving van de te begeven betrekking. Hier kan een vergelijk duidelijkheid brengen. Voor deze functie is belangrijk het item organisatie- ontwikkeling, kennis van de zonale veiligheidsplannen, intern toezicht en kwaliteitszorg. Ikzelf werd op de selectie over geen van deze onderwerpen getoetst op mijn kennis. Een tweede bezwaar wens ik te maken tegen het examen op zich, bij dit examen heb ik als lid van de politiezone andere vragen gekregen dan mijn tegenkandidaten. Zij kregen kennisvragen over de politiezone en over het zonale veiligheidsplan, daarnaast hebben zij kort nog een visievraag gekregen. Ikzelf heb geen enkele kennisvraag gekregen omdat men wist dat ik deze zeer goed zou kennen gelet op het feit dat ik van de politiezone zelf ben en het zonale veiligheidsplan volledig heb uitgeschreven, dit werd mij IX-5633-8/25 na het examen ook letterlijk meegedeeld door de korpschef. Doch hierdoor voel ik mij uiteraard benadeeld omdat met visievragen de visie van kandidaat en selectiecommissie perfect moet overeenstemmen om zeer geschikt te worden bevonden, dit was bij deze niet het geval. Tevens hadden kennisvragen mijn zelfvertrouwen doen stijgen op die wijze dat ik zelfs met visievragen de selectiecommissie van mijn capaciteiten en vaardigheden had kunnen overtuigen. Ik weet dat deze inhoudelijke bezwaren moeten bestreden worden voor rechtsprekende instanties. Maar ik wacht terzake uw beslissing af en dit conform artikel 259 van het gemeentedecreet
  16. Er zijn nog een aantal andere bezwaren maar deze zijn ook voor eventuele rechtsprekende instanties om hierover te oordelen met betrekking tot het afgelegde examen. Ik voeg in bijlage mijn CV met aanspraken en verdiensten zoals deze bij mijn mobiliteitsdossier werd gevoegd. Conform artikel 249 van het gemeentedecreet 2005 gebeurt uw toetsing aan het recht en aan het algemeen belang. Wat het recht betreft wens ik u zoals hoger aangehaald de schending te melden van het Koninklijk Besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en meer bepaald van de artikelen 6.2.28, 6.2.29, 6.2.30 en 6.2.31 zoals hoger uiteengezet. Het algemeen belang wordt mijns inziens geschonden door het niet benoemen van de meest geschikte kandidaat wat kan aangetoond worden door vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de drie kandidaten en dit in vergelijking met het functieprofiel voor deze functie. Hopend op een gunstig gevolg tot mijn vraag tot schorsing van dit politie- raadsbesluit zie ik uw antwoord tegemoet conform artikel 258 van het gemeentedecreet van 2005 op mijn adres.” 3.
  17. Met een brief van 12 januari 2007 wordt de voorzitter van het politiecollege door de gouverneur verzocht mee te delen wat er tijdens de politieraad van 20 december 2006 precies is gezegd met betrekking tot het agendapunt “benoeming van een commissaris” en het verslag van de selectiecommissie te bezorgen. 3.
  18. Met een brief van 7 februari 2007 deelt de voorzitter van het politiecollege aan de gouverneur mee wat volgt: “Verwijzend naar uw schrijven van 12 januari 2007 laat ik u hierbij ons antwoord op uw vraag met betrekking tot het agendapunt waarvan sprake. Eveneens vindt u in bijlage kopie van het verslag van de selectiecommissie zoals gevraagd. De benoeming tot commissaris (diensthoofd) kwaliteitszorg werd in de geheime zitting van de politieraad op 20 december 2006 behandeld. Het agendapunt werd in de bespreking van de geheime zitting toegelicht. Aangezien de korpschef steeds de vergadering verlaat tijdens de geheime zitting, heeft hij niet deelgenomen aan de bespreking. IX-5633-9/25 In de geheime zitting werd met betrekking tot dit agendapunt door een raadslid duidelijkheid gevraagd rond de bevoegdheden en mogelijkheden van de raad inzake benoemingen, in casu het pv van selectie, waarbij de selectie- commissie een rangorde vaststelt en een onderscheid maakt tussen zeer geschikte, geschikte en ongeschikte kandidaten. Hierop werd geantwoord dat het verkiezen van een lager gekwalificeerde kandidaat boven een hoger gekwalificeerde kandidaat administratief en juridisch risico's kan inhouden en tot schorsing en/of vernietiging van een beslissing van de politieraad kan leiden. Tevens werd gesteld dat deze stellingname naar ons werd gecommuni- ceerd door de toezichthoudende overheid.” 3.
  19. Met een brief van 27 februari 2007 deelt de gouverneur aan de verzoeker mee wat volgt: “Ik heb uw klacht tegen de beslissing van de politieraad van de PZ Sint- Gillis-Waas Stekene van 20 december 2006 houdende de benoeming van een commissaris onderzocht. Ik kan u meedelen dat de informatie die door de burgemeesters in de bespreking van de geheime zitting werd meegedeeld correct was. Artikel VI.2.29 RPPOL dat stelt dat de selectiecommissie na de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten een gemotiveerd voorstel opmaakt bevattende enerzijds de kandidaten die zij geschikt heeft bevonden en anderzijds de kandidaten die ze niet geschikt heeft bevonden, sluit niet uit dat de selectiecommissie een gradatie in de geschiktheid aanbrengt of een rangorde opstelt. Het is immers de essentiële taak van een selectiecommissie om advies te verlenen aan de politieraad, en aan te geven wie zij het meest geschikt acht voor de job. Bovendien dient de politieraad de meest geschikte kandidaat te benoemen overeenkomstig de bepaling van artikel VI.2.31, wat ze bij deze ook gedaan heeft. Wat betreft uw klacht over het verloop van de selectie zelf kan ik u meedelen dat uit het verslag van de selectiecommissie duidelijk blijkt dat dezelfde attitudes werden gemeten en vergeleken.” Deze beslissing vormt het derde voorwerp van het onderhavig beroep. 3.
  20. Met een brief van 26 maart 2007 deelt de rechtsbijstandsverant- woordelijke Oost-Vlaanderen van het VSOA - Politie aan de raadsman van de verzoeker mee wat volgt: “Naar aanleiding van uw verzoek desbetreffende kan ik u het volgende mededelen: IX-5633-10/25 Wat betreft het selectie-examen voor de vacante plaats van CP in de politiezone Sin-Gilis-Waas Stekene, selectie welke heeft plaatsgevonden op 20.11.2006, kan ik u mededelen dat ik nazicht gedaan heb in mijn persoonlijke bestanden alsmede heb ik nazicht laten doen in de bestanden bij onze hoofdzetel te Brussel. Nergens is er een uitnodiging toegekomen bij het syndicaat om bij desbetreffend examen een waarnemer te kunnen afvaardigen. Ook onze plaatselijke afgevaardigde heeft geen uitnodiging terzake ontvangen. Nochtans is, zoals u weet, dergelijke kennisgeving verplicht cfr de vigerende wetgeving en omzendbrieven.” 3.
  21. Met een op 4 april 2007 ter post aangetekend verzonden bief richt de raadsman van de verzoeker het hiernavolgend verzoek aan de burgemeester- voorzitter en de korpschef: “Ik werd geraadpleegd door uw personeelslid dhr. Marc Vercammen dewelke kandidaat was voor de betrekking als commissaris kwaliteitszorg. Naar dat cliënt louter mondeling kon vernemen is bij politieraadsbesluit van 20 december 2006 dhr. Alex De Graeve als dusdanig benoemd. Enig resultaat van de benoemingsprocedure noch terzake de activiteiten van de desbetreffende selectiecommissie dewelke u een gemotiveerd voorstel diende over te maken is cliënt niet betekend of anderszins ter kennis gebracht. Wil u mij per kerende een uitgifte van het desbetreffende politieraadsbe- sluit overmaken samen met de notulen van de desbetreffende vergadering van het politiecollege evenals de bevindingen van de desbetreffende selectiecom- missie, omvattende minstens het gemotiveerde voorstel. Cliënt heeft zich daartoe reeds persoonlijk bij uw diensten aangeboden doch werd zonder enige commentaar wandelen gestuurd. Cliënt is hierop gerechtigd in toepassing van de samengelezen bepalingen van zowel het decreet als de wet openbaarheid van bestuur evenals conform vaststaande rechtspraak van de raad van state luidens dewelke aan kandidaten terzake een benoemingsprocedure het resultaat er van dient te worden meegedeeld. Teneinde welkdanig misverstand met de postbedeling uit te sluiten stuur ik u dit per aangetekend schrijven. Dank bij voorbaat voor uw spoedige berichten.” Met een faxbericht van 24 april 2007 richt de raadsman van de verzoeker zich, gezien het uitblijven van “enig antwoord dan wel reactie in welke zin ook”, tot de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur. IX-5633-11/25 3.
  22. Op 26 april 2007 dient de verzoeker zijn beroep tot nietigverkla- ring in. Met een op 13 april 2007 gedateerde brief, die evenwel slechts op 2 mei 2007 ter post aangetekend wordt verzonden, wordt aan de raadsman van de verzoeker een afschrift van het benoemingsbesluit van 20 december 2006 bezorgd, alsook “de resultaten van de selectiecommissie met betrekking tot uw cliënt”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen het voorstel van de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie Standpunt van de partijen
  23. De eerste verwerende partij werpt op dat beroep onontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen het voorstel van de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie. Zij betoogt dat het voorstel van de selectiecom- missie een louter voorbereidende handeling is die op zichzelf geen enkel rechtsge- volg teweegbrengt ten aanzien van de verzoeker. Weliswaar kan elke onwettigheid die de verzoeker in dat voorstel meent te ontwaren betrokken worden op het politieraadsbesluit, dit neemt evenwel niet weg dat enkel het politieraadsbesluit zelf rechtsgevolgen teweegbrengt en aanvechtbaar is bij de Raad van State. Voorts laat de eerste verwerende partij gelden dat zij als rechtspersoon verantwoordelijk is voor de beslissingen die haar organen nemen, dat de plaatselijke selectiecommissie zelf niet kan optreden als verwerende partij en dat deze dan ook buiten de zaak dient te worden gesteld.
  24. De verzoeker repliceert dat de politieraad de aanspraken en verdiensten vergelijkt op grond van het voorstel van de selectiecommissie, dat de beslissing van die commissie om bepaalde kandidaten geschikt of ongeschikt te bevinden en om een gemotiveerd voorstel op te maken voor vernietiging vatbaar is omdat de selectiecommissie over een eigen beslissingsbevoegdheid beschikt die haar rechtstreeks door de wet is toegekend en dat, indien en voor zover de Raad van State zou oordelen dat zulks niet het geval is, minstens moet worden vastgesteld dat onwettigheden die kleven aan het voorstel van de selectiecommissie kunnen betrokken worden op het bestreden politieraadsbesluit. IX-5633-12/25 Beoordeling
  25. De benoeming van een commissaris van politie maakt een complexe rechtshandeling uit, bestaande uit een reeks op elkaar volgende administratieve handelingen waarvan het benoemingsbesluit beslissend is en de andere beslissingen ten opzichte van die laatste handeling een voorbereidend karakter hebben. Handelingen voorafgaand aan een beslissing zijn in beginsel niet vatbaar voor vernietiging, behoudens indien het “voorbeslissingen” zijn, dat wil zeggen, voorbereidende beslissingen die de te nemen eindbeslissing reeds determineren, op zichzelf rechtsgevolgen scheppen en dus onmiddellijk met een annulatieberoep kunnen bestreden worden zonder de eindbeslissing af te wachten. Luidens artikel 54 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP) worden de officieren van de lokale politie benoemd door de gemeente- of door de politieraad onder de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten. Voor een kandidaat die door de selectiecommissie ongeschikt wordt bevonden is die beslissing een beslissing die op zichzelf rechtsgevolgen schept, vermits hij ingevolge die beslissing niet meer voor benoeming in aanmerking komt. Voor de kandidaten die geschikt worden bevonden, brengt de beslissing van de selectiecommissie evenwel geen enkel rechtsgevolg teweeg, ook niet indien - zoals in de onderhavige zaak- in het voorstel vooreerst een onderscheid wordt gemaakt tussen “zeer geschikte” en “geschikte” kandidaten en die “geschikte” kandidaten vervolgens nog eens worden gerangschikt, vermits de gemeente- of politieraad weliswaar de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten mede op grond van dat voorstel moet vergelijken, maar hij, bij zijn uiteindelijke keuze van de volgens hemzelf meest geschikte kandidaat, noch door het in het voorstel gemaakte onderscheid tussen “zeer geschikte” en “geschikte” kandidaten, noch door de in het voorstel gedane rangschikking van de “geschikte” kandidaten gebonden is. De onwettigheid van het voorstel van de selectiecommissie kan echter steeds worden aangevoerd in het kader van het beroep tegen het politieraads- besluit van 20 december
  26. IX-5633-13/25 De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk in zoverre het gericht is tegen het voorstel van de plaatselijke selectiecommissie.
  27. De eerste verwerende partij vraagt vervolgens om de plaatselijke selectiecommissie buiten de zaak te stellen omdat de eerste verwerende partij als rechtspersoon verantwoordelijk is voor de beslissingen die haar organen nemen. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat de plaatselijke selectiecommissie niet als verwerende partij werd aangeduid. Bijgevolg dient zij niet buiten de zaak gesteld te worden. B. Ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen het besluit van de provinciegouverneur van 27 februari 2007 Standpunt van de partijen
  28. De eerste verwerende partij stelt dat het beroep onontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen het besluit van de provinciegouverneur van 27 februari
  29. Zij laat gelden dat tegen de weigering van de toezichthoudende overheid om de tenuitvoerlegging van een handeling van een lagere overheid te schorsen of om die handeling te vernietigen, geen beroep bij de Raad van State openstaat.
  30. De tweede verwerende partij werpt dezelfde exceptie op.
  31. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker zich dienaangaande naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen. Beoordeling
  32. De verwerende partijen betogen terecht dat de expliciete of impliciete beslissing van de toezichthoudende overheid om niet op te treden in het kader van het -louter facultatief- algemeen administratief toezicht geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State is. De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk in zoverre het gericht is tegen het besluit van de provinciegouverneur van 27 februari
  33. IX-5633-14/25 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  34. In zijn verzoekschrift voert de verzoeker een eerste middel aan, afgeleid uit de schending van artikel 15 van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten. Hij laat gelden dat, conform voormeld wetsartikel, het een prerogatief van de vakorganisaties is om aanwezig te zijn bij de examens die voor de personeelsleden worden georganiseerd. Teneinde dit prerogatief te kunnen uitoefenen dienen de vakorganisaties in kennis gesteld te worden van de datum waarop de examens doorgaan. Uit een door de verzoeker voorgelegd stuk blijkt evenwel dat de erkende vakorganisatie VSOA-Politie voor de betreffende selectie geen enkele uitnodiging heeft ontvangen. De verzoeker stelt dat hij er rechtstreeks belang bij heeft aan te voeren dat de vakorganisaties hun prerogatief niet hebben kunnen uitoefenen, vermits dat prerogatief er is ten behoeve van de personeelsleden en teneinde over hun belangen te waken.
  35. De eerste verwerende partij werpt op dat het middel onontvanke- lijk is. Zij stelt dat de in het middel aangevoerde bepaling een prerogatief verleent aan iedere representatieve vakorganisatie maar niet rechtstreeks aan de deelnemers aan een proef of examen. Bijgevolg hebben enkel de representatieve vakorganisaties -en dus niet de verzoeker- een belang bij het middel. Voorts stelt de eerste verwerende partij dat het middel in feite faalt, vermits zij per faxbericht van 30 oktober 2006 de vakbonden heeft uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de selecties die zouden plaatsvinden op 20 november
  36. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker dat het prerogatief van de syndicaten de belangen van alle kandidaten en ambtenaren raakt zodat hij wel degelijk een belang heeft bij het middel. IX-5633-15/25 Waar de verwerende partij verwijst naar een faxbericht van 30 oktober 2006 stelt de verzoeker dat dit faxbericht geen ontegensprekelijk, sluitend bewijs uitmaakt van effectieve communicatie, temeer nu VSOA-Politie bevestigt geen enkele uitnodiging te hebben ontvangen. De verwerende partij levert daarenboven ook niet het minste bewijs of de minste aanduiding dat één van de andere vakbonden wel weet zou hebben gehad van deze selectie.
  37. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat een faxrapport geen daadwerkelijk uitsluitsel kan bieden omtrent de daadwerkelijke ontvangst van een bericht door de geadresseerde. Technologisch kan er immers van alles misgaan en zelfs een faxrapport dat een verzending weergeeft, kan foutief zijn. Beoordeling
  38. Zoals de verzoeker terecht opmerkt, houdt de door hem ingeroepen onwettigheid niet alleen een inbreuk in op de prerogatieven “qualitate qua” toegekend aan de representatieve vakorganisaties, maar ook op een waarborg die ingesteld is in het belang van de deelnemers aan een examen of proef, met name het garanderen van toezicht op het correct verloop ervan. De verzoeker heeft dan ook wel degelijk een belang bij het middel. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is niet gegrond.
  39. De verwerende partij legt een op 30 oktober 2006 gedateerd faxbericht neer, dat gericht is aan “vakbonden” en waarin wordt meegedeeld dat de selecties voor de aanwerving van commissaris diensthoofd/kwaliteitszorg zullen doorgaan op 20 november
  40. Zij legt tevens vier “succesvolle verzendrapporten” neer, waaruit blijkt dat dit faxbericht op 30 oktober 2006 werd verstuurd naar en ontvangen op vier verschillende faxnummers. Eén van die faxnummers is het faxnummer van VSOA-Politie. In tegenstelling tot hetgeen de verzoeker voorhoudt levert dit verzendrapport, in weerwil van hetgeen het VSOA-Politie in haar brief van 26 maart 2007 verklaart, wel degelijk voldoende bewijs op dat die vakorganisatie in kennis werd gesteld van de selectieproef die zou doorgaan op 20 november
  41. Overigens IX-5633-16/25 tonen de overige verzendrapporten genoegzaam aan dat ook de andere vakorganisa- ties van de datum van de selectieproef in kennis werden gesteld. Het middel mist feitelijke grondslag. B. Tweede en derde middel Standpunt van de partijen
  42. In zijn verzoekschrift maakt de verzoeker, bij ontstentenis van kennis omtrent de inhoud, strekking en eventuele motivatie van de bestreden benoemingsbeslissing en het voorstel van de selectiecommissie , het voorbehoud om bijkomende middelen te ontwikkelen na kennisname van het administratief dossier.
  43. De eerste verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord, onder verwijzing naar artikel 2, §1, 3/, van het procedurereglement, dat het verzoekschrift een uiteenzetting van alle middelen dient te bevatten. Eventuele later ingeroepen middelen zijn onontvankelijk omdat de verwerende partij er zich niet afdoende kan tegen verdedigen. De verwerende partij wijst vervolgens op tal van elementen waaruit moet blijken dat de verzoeker thans niet dienstig kan aanvoeren dat hij op het moment van het instellen van zijn beroep geen kennis kon hebben van bepaalde feiten of gegevens zodat het voor hem onmogelijk was om al zijn middelen in het inleidend verzoekschrift te formuleren.
  44. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State nieuwe middelen in een memorie van wederantwoord aangevoerd kunnen worden indien het gaat om middelen die niet eerder konden worden aangevoerd omdat ze gesteund zijn op gegevens die de verzoeker niet kende op het moment van het indienen van het beroep. Volgens de verzoeker kon hij de middelen die hij in zijn memorie van wederantwoord bijkomend aanvoert slechts ontwikkelen na kennisname van de notulen van de politieraad en het uittreksel uit het PV van de plaatselijke selectiecommissie. Deze stukken zijn pas aan de raadsman van de verzoeker overgemaakt na indiening van het verzoekschrift tot vernietiging.
  45. Vervolgens voert de verzoeker in een tweede middel in zijn memorie van wederantwoord de schending aan van artikel 54 WGP alsook van de artikelen VI.II.28, VI.II.29,VI.II.30 en VI.II.31 van het koninklijk besluit van IX-5633-17/25 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiedien- sten (hierna: het RPPol) doordat de selectiecommissie in haar verslag een onderscheid gemaakt heeft tussen de “zeer geschikte”, “geschikte” en “ongeschikte” kandidaten, daar waar de voormelde regelgeving enkel voorschrijft dat de selectiecommissie een onderscheid diende te maken tussen de “geschikte” en de “ongeschikte” kandidaten. De verzoeker is van oordeel dat de vermelding van het gegeven dat kandidaat Alex De Graeve “zeer geschikt” is de wet schendt en dat dit de benoemingsbeslissing vitieert daar uit de notulen van de politieraad duidelijk blijkt dat hij met dit onwettig onderscheid rekening heeft gehouden bij zijn besluitvorming. Voorts stelt de verzoeker dat artikel VI.II.28 RPPol geschonden is nu de selectiecommissie luidens dit artikel “met het oog op het geschikt bevinden van de kandidaten” de aanspraken en verdiensten van de kandidaten dient te vergelijken op basis hun kandidaatstelling, hun mobiliteitsdossier en de resultaten van de overeenkomstig artikel VI.II.21 RPPol gekozen selectiemodaliteiten terwijl uit het voorstel van de selectiecommissie hoegenaamd geen enkel element af te leiden valt waaruit blijkt dat zij is overgegaan tot een dergelijke dienstige en deugdelijke vergelijking.
  46. In een derde middel voert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de schending aan van het gelijkheidsbeginsel zoals uitgedrukt in de artikelen 10 en11 van de Grondwet evenals de schending van artikel VI.II.31 RPPol alsook de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht. De verzoeker stelt dat de overheid er krachtens het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel toe verplicht is de kandidaten voor examens op dezelfde wijze te behandelen, hetgeen een zorgvuldige vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten impliceert. De verplichting tot vergelijking van de respectieve aanspraken en verdiensten is tevens opgenomen in artikel VI.II.31 RPPol dat bepaalt dat de vergelijking van aanspraken en verdiensten dient te geschieden op grond van het voorstel van de selectiecommissie, de in artikel VI.II.28, derde lid, RPPol bepaalde gegevens en in voorkomend geval zekere adviezen. ArtikelVI.II.28, derde lid, RPPol stelt dat de vergelijking geschiedt op basis van de kandidaatstelling, het mobiliteitsdossier en de resultaten van de overeenkomstig artikel VI.II.21 RPPol gekozen selectiemodaliteiten. IX-5633-18/25 Volgens de verzoeker blijkt uit de notulen van de politieraad van 20 december 2006 dat er geenszins sprake is van enige vergelijking van aanspraken en verdiensten van de door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten in de zin van artikel VI.II.31 RPPol. Wel blijkt dat een meerderheid binnen de politieraad zich heeft laten leiden door het onwettige gegeven dat kandidaat Alex De Graeve door de selectiecommissie “zeer geschikt” werd bevonden. Dit is evenwel geen dienstige en deugdelijke vergelijking van aanspraken en verdiensten. Hierdoor is het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel evenals artikel VI.II.31 RPPoI geschonden. Voorts stelt de verzoeker dat ook de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geschonden is om reden dat er in het bestreden benoemingsbesluit geen enkele formele motivering voorligt waarom onder de geschikt bevonden kandidaten uiteindelijk kandidaat Alex De Graeve werd verkozen, noch op welke wijze en/of in welke zin de benoemingsgerechtigde overheid zelf de aanspraken en verdiensten van de geschikt bevonden kandidaten heeft vergeleken, noch dat de selectiecommissie zulks heeft gedaan. Ten slotte stelt de verzoeker dat de materiële motiveringsplicht geschonden is omdat, indien er toch ergens in het bestreden benoemingsbesluit een motivering zou worden weerhouden die formeel voldoende zou worden geacht , deze onmogelijk voldoende gestaafd kan zijn door het dossier en zodoende minstens ondeugdelijk is. Wat het advies van de selectiecommissie aangaande de verzoeker betreft dient opgemerkt te worden dat het advies klaarblijkelijk louter berust op het onderhoud met de verzoeker en dat zijn aanspraken en verdiensten niet, of minstens niet voldoende, zijn onderzocht en dat het dossier geen tastbaar spoor bevat van de inhoud van dit gesprek en van de aan de verschillende kandidaten gestelde vragen, noch van de resultaten met betrekking tot het schriftelijk examen dat de kandidaten hebben afgelegd. Nochtans dienden ook deze gegevens bij het uiteindelijk advies te worden betrokken. Beoordeling
  47. De middelen die de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord voor het eerst aanvoert zijn niet van openbare orde. Zoals de verzoeker zelf opmerkt, kan hij die nieuwe middelen dan ook enkel ontvankelijk voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord aanvoeren IX-5633-19/25 op voorwaarde dat hij ze niet in zijn verzoekschrift kon aanvoeren, met name omdat ze gesteund zijn op gegevens die hij niet kende bij het indienen van zijn beroep. Volgens de verzoeker kon hij zijn twee bijkomende middelen slechts ontwikkelen na kennisname van de notulen van de politieraad en van het uittreksel uit het proces-verbaal van de plaatselijke selectiecommissie, stukken die met een brief van 2 mei 2007 werden overgemaakt. Uit de neergelegde stukken blijkt dat die stukken werden overgemaakt met een aangetekende brief die weliswaar 13 april 2007 als datum draagt, maar die slechts op 2 mei 2007, met andere woorden, na het indienen van het verzoekschrift, tegen afgiftebewijs aan de post werd bezorgd. Voor het overige blijkt nergens uit dat de verzoeker, op het ogenblik van het indienen van zijn verzoekschrift, reeds op een andere wijze kennis had van de tekst van het politieraadsbesluit van 20 december 2007 en/of van het voorstel van de selectiecommissie. Daaruit mag evenwel niet zonder meer worden afgeleid dat de verzoeker zijn twee bijkomende middelen niet reeds in zijn verzoekschrift kon ontwikkelen, vermits een voldoende feitelijke kennis van de gegevens waarop zij zijn gesteund desgevallend ook kan worden afgeleid uit andere neergelegde stukken die omtrent die voldoende feitelijke kennis geen twijfel laten bestaan.
  48. Op 27 december 2006 diende de verzoeker bij de toezichthouden- de overheid een bezwaarschrift in “tegen het politieraadsbesluit van de politiezone Sint-Gillis-Waas-Stekene van 20 december 2006 inzake de stemming met betrekking tot de benoeming van Alex De Graeve als commissaris kwaliteitszorg”. De verzoeker had op dat ogenblik dus alleszins kennis van de datum van het benoemingsbesluit én van de benoemde kandidaat; hij had trouwens, zo blijkt uit zijn bezwaarschrift, eveneens kennis van het gegeven dat negen politieraadsleden stemden voor Alex De Graeve, dat acht politieraadsleden stemden voor hemzelf en dat er twee onthoudingen waren. In zijn bezwaarschrift voerde de verzoeker aan dat er op de stemming twijfel werd gezaaid omdat de selectiecommissie zijn tegenkandidaat de kwalificatie “zeer geschikt” had meegegeven, dat deze kwalificatie evenwel IX-5633-20/25 onwettelijk is vermits, conform artikel VI.II.29 RPPol, enkel de kwalificatie “geschikt” of “ongeschikt” kan gegeven worden en dat hij dan ook de schending aanvoert van de artikelen VI.II.28 tot en met VI.II.31 RPPol. IX-5633-21/25 De verzoeker kan dan ook niet staande houden dat hij het gegeven “dat de selectiecommissie klaarblijkelijk een onderscheid heeft gemaakt tussen zeer geschikte, geschikte en ongeschikte kandidaten” pas kon kennen na kennisname van de notulen van de politieraad van 20 december
  49. Hij kan dan ook niet ontvankelijk voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord op grond van datzelfde gegeven in zijn tweede middel aanvoeren dat zowel het voorstel van de plaatselijke selectiecommissie als het benoemingsbesluit artikel 54 WGP en de artikelen VI.II.28 tot en met VI.II.31 RPPol schenden.
  50. In zijn bezwaarschrift voerde de verzoeker voorts aan dat de politieraadsleden als het ware werden gedwongen om te stemmen voor de tegenkandidaat en dit op basis van het - foutief - verstrekt gegeven dat de gouver- neur anders de beslissing met zekerheid zou schorsen, dat de politieraad, conform artikel VI.II.31 RPPol, de aanspraken en verdiensten van de door de selectiecommis- sie geschikt bevonden kandidaten moet vergelijken en op grond van het voorstel van de selectiecommissie én op grond van deze aanspraken en verdiensten de meest geschikte kandidaat moet benoemen, dat de politieraadsleden echter geen kennis hebben genomen van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten en op die wijze niet hebben kunnen kiezen voor de meest geschikte kandidaat, dat het niet rekening houden met de verplicht bij te voegen nota waarin de kandidaat zijn aanspraken en verdiensten dient uiteen te zetten duidelijk is indien deze aanspraken en verdiensten van de drie kandidaten zouden vergeleken worden met de functieom- schrijving van de te begeven betrekking en dat het algemeen belang dan ook geschonden is door het niet benoemen van de meest geschikte kandidaat. De verzoeker kan dan ook niet redelijk staande houden dat hij het gegeven “dat - blijkbaar - een meerderheid binnen de politieraad zich heeft laten leiden door het onwettig gegeven dat de kandidaat De Graeve Alex door de selectiecommissie “zeer geschikt” werd bevonden, niets meer en niets meer” pas kon kennen na kennisname van de notulen van de politieraad van 20 december
  51. Hij kan dan ook niet ontvankelijk voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord op grond van datzelfde gegeven in zijn derde middel aanvoeren dat het politieraadsbesluit van 20 december 2006 het gelijkheidsbeginsel, artikel VI.II.31 RPPol en de formele en de materiële motiveringsplicht schendt. IX-5633-22/25
  52. Het tweede en het derde middel zijn in de bovenvermelde mate onontvankelijk.
  53. In zijn tweede middel voert de verzoeker bijkomend aan dat artikel VI.II.28 RPPol eveneens geschonden is nu de selectiecommissie luidens dat artikel met het oog op het geschikt bevinden van de kandidaten de aanspraken en verdiensten van de kandidaten dient te vergelijken op basis van hun kandidaatstel- ling, hun mobiliteitsdossier en de resultaten van de overeenkomstig artikel VI.II.21 gekozen selectiemodaliteiten, en dat uit het advies/voorstel van de selectiecommissie hoegenaamd geen enkel element valt af te leiden dat zij is overgegaan tot een dergelijke dienstige en deugdelijke vergelijking. In zijn derde middel voert de verzoeker, met betrekking tot de materiële motiveringsplicht, bijkomend aan dat het advies van de selectiecommissie aangaande hemzelf klaarblijkelijk louter berust op het onderhoud dat zij met hem heeft gehad, dat zijn aanspraken en verdiensten niet, of minstens niet voldoende zijn onderzocht en dat het dossier geen tastbaar spoor bevat van de inhoud van het gesprek en van de aan de verschillende kandidaten gestelde vragen, noch van de resultaten met betrekking tot het schriftelijk examen dat de kandidaten hebben afgelegd, terwijl ook deze pertinente gegevens bij het uiteindelijk advies hadden betrokken moeten zijn.
  54. Enerzijds werd reeds vastgesteld dat aan de verzoeker slechts met een op 2 mei 2007 aan de post afgegeven brief een uittreksel uit het voorstel van de selectiecommissie werd overgemaakt en dat voor het overige nergens uit blijkt dat hij, op het ogenblik van het indienen van zijn verzoekschrift, reeds op een andere wijze kennis had van de tekst van dat voorstel. Anderzijds blijkt uit zijn bezwaar- schrift van 27 december 2006 enkel dat de verzoeker kennis had van het gegeven dat de selectiecommissie kandidaat De Graeve “zeer geschikt” had bevonden. De verzoeker kan deze middelonderdelen dan ook ontvankelijk voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord aanvoeren.
  55. Blijkens het proces-verbaal van het advies van de plaatselijke selectiecommissie heeft deze commissie de aanspraken en verdiensten van de kandidaten vooreerst vergeleken op grond van hun al dan niet geslaagd zijn in het schriftelijk examen en vervolgens op grond van hun voorkomen/houding/maturiteit, hun kennis van de politiezone en van de samenstelling en werking van de geïnte- IX-5633-23/25 greerde politie, hun motivatie, hun relevante ervaring en studies en hun kennis en capaciteiten (bekwaamheden) voor de functie. De verzoeker poneert wel dat uit het advies/voorstel hoegenaamd geen enkel element valt af te leiden waaruit blijkt dat die vergelijking op dienstige en deugdelijke wijze is geschied op basis van de in artikel VI.II.28 opgesomde elementen, maar blijft volkomen in gebreke dat argument op concrete wijze te onderbouwen. Vermits het aangevoerde middel niet van openbare orde is, komt het de Raad van State niet toe om zulks in de plaats van de verzoeker te doen. Het ontvankelijk middelonderdeel van het tweede middel kan, zoals het door de verzoeker wordt ontwikkeld, niet tot de onregelmatigheid van het voorstel van de selectiecommissie doen besluiten.
  56. In zoverre de verzoeker in het ontvankelijk onderdeel van zijn derde middel poneert “dat het advies aangaande de verzoeker klaarblijkelijk louter berust op het onderhoud van de verzoeker en dat zijn aanspraken en verdiensten niet, of minstens niet voldoende, zijn onderzocht”, dient vooreerst verwezen te worden naar de beoordeling van het ontvankelijk onderdeel van het tweede middel. Voorts besliste de politieraad op 21 maart 2006 om de kandidaten bij wijze van selectie te onderwerpen aan een door de selectiecommissie afgenomen interview “waarbij de algemene kennis van de kandidaat wordt onderzocht en nagegaan wordt of hij voldoet aan de in het functieprofiel opgenomen voorwaar- den”. Het dossier diende dan ook geen “tastbaar spoor” te bevatten van de inhoud van het interview en/of van de aan de verschillende kandidaten gestelde vragen. Het door de eerste verwerende partij neergelegd administratief dossier bevat inderdaad geen puntenresultaten met betrekking tot het schriftelijk examen dat de kandidaten hebben afgelegd. Op 30 oktober 2006 werd aan de kandidaten meegedeeld dat zij dienden te slagen voor het schriftelijk gedeelte alvorens toegelaten te worden tot het mondeling gedeelte. IX-5633-24/25 Het schriftelijk examen was derhalve opgevat als een eliminatie- proef. De kandidaten die slaagden voor deze eliminatieproef werden vervolgens onderworpen aan een interview waarbij hun algemene kennis werd onderzocht en werd nagegaan of zij voldeden aan de in het functieprofiel opgeno- men voorwaarden. De verzoeker poneert wel dat, maar verduidelijkt niet waarom, de selectiecommissie de puntenresultaten met betrekking tot het schriftelijk gedeelte als dusdanig bij haar uiteindelijk advies/voorstel had moeten betrekken. Het ontvankelijk middelonderdeel van het derde middel kan, zoals het door de verzoeker wordt ontwikkeld, niet tot de onregelmatigheid van het voorstel van de selectiecommissie doen besluiten. BESLISSING
  57. De Raad van State verwerpt het beroep.
  58. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5633-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.