← België

Arrest 203068 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.068 Rolnummer: A. 180340/IX-5548 Zaak: Arrest 203068 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.068 van 19 april 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.068 van 19 april 2010 in de zaak A. 180.340/IX-5548 In zake : Patrick DE GRAEVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te Zellik Noorderlaan 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 januari 2007, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 27 oktober 2006 van de raad van beroep bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie waarbij Patrick De Graeve de eindevaluatie “onvoldoende” wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 169.370 van 26 maart 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-5548-1/8 Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart
  3. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisaties (GDA Leuven). 3.
  6. Krachtens artikel XII.VII.18, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol), zoals gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten kan de hoofdinspecteur van politie, lid van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die op de datum van inwerkingtreding van de bepaling de loonschaal M5.2., M6, M7 of M7bis geniet, bevorderd worden tot de graad van commissaris van politie indien hij geen evaluatie “onvoldoende” geniet en voor zover een bepaalde in § 2 omschreven proportionaliteit tussen de personeelsleden van de vroegere rijkswacht en gerechtelijke politie wordt in acht genomen. Artikel XII.VII.19, tweede lid, RPPol bepaalt dat de in aanmerking IX-5548-2/8 komende personeelsleden vooraf door de overheid naar hun intenties gevraagd zullen worden en dat hun antwoord onherroepelijk is. 3.
  7. Op 4 april 2006 ondertekent de verzoeker een “oproepformulier benoeming tot de graad van commissaris van politie”, waarin hij verklaart er kennis van te nemen dat hij, gelet op zijn anciënniteit en onder voorbehoud van de proportionaliteitstoetsing, in aanmerking komt voor bevordering op 1 april 2006, dat hij wenst gebruik te maken van deze mogelijkheid en dat hij dus vraagt “benoemd te worden tot de graad van commissaris op datum van 1 april 2006 (datum onder voorbehoud van de proportionaliteitsvereiste)”. 3.
  8. Op 4 juli 2006 stelt de gerechtelijk directeur, eindverantwoordelij- ke voor de evaluatie, een advies op over de verzoeker, waarin hij de eindvermelding “onvoldoende” voorstelt. 3.
  9. Op 14 juli 2006 stelt de verzoeker tegen dat advies hoger beroep in bij de raad van beroep bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. 3.
  10. Op 27 oktober 2006 beslist de raad van beroep de aan de verzoeker toegekende eindvermelding “onvoldoende” te bevestigen. Die beslissing maakt het voorwerp uit van het onderhavige beroep. Zij luidt als volgt: “[...] Gelet op het verzoekschrift d.d. 14 juli 2006 uitgaande van DE GRAEVE Patrick, identificatienummer 44-03062-38, hoofdinspecteur in GDA Leuven, strekkende tot het instellen van hoger beroep tegen het advies met eindvermel- ding ‘onvoldoende’ d.d. 4 juli 2006 toegekend door REVIERS Dirk, HCP, Dirjud GDA Leuven; Gehoord DE GRAEVE Patrick in zijn verweer, bijgestaan door DELEU Luc en RENAERS Hendrik, verdedigers; Overwegende dat het hoger beroep werd ingesteld conform de wettelijke voorschriften en bijgevolg ontvankelijk is; Overwegende dat het niet tot de bevoegdheid behoort van de Raad van Beroep te oordelen over de wettigheid van een ministeriële omzendbrief; IX-5548-3/8 Overwegende dat de Raad van Beroep zijn eindbeoordeling omtrent de wijze van dienen van verweerder dient te baseren op het door de beoordelaar opgestelde dossier; Overwegende dat het niet volgen van de procedure door de beoordelaar niet automatisch kan leiden tot een beoordeling van de wijze van dienen van verweerder als zijnde ‘goed’; Overwegende dat dit eindadvies hetzij een bevestiging hetzij een gehele of gedeeltelijke wijziging van het bestreden advies betreft; Overwegende dat uit het onderzoek ten gronde blijkt dat :
  11. De eindvermelding ‘onvoldoende’ door de eindverantwoordelijke formeel wordt gemotiveerd door het aanbrengen van zowel positieve als negatieve commentaren aangaande de wijze van dienen van betrokkene.
  12. Het advies niet enkel steunt op algemene beschouwingen, maar ook op een aantal concrete feiten.
  13. Het dossier voldoende bewijsstukken bevat ter ondersteuning van deze feiten in het bijzonder: - de verschillende vaststellingen van disfuncties zoals aangehaald in de evaluatie. - verschillende werkafspraken met betrokkene aangaande zijn drankgebruik en zijn functioneren.
  14. de bestuurlijke overheid het probleem reeds lang erkend heeft en voldoende inspanningen leverde opdat betrokkene niet zou hervallen. BESLUIT : Artikel 1 : De eindvermelding ‘onvoldoende’ toegekend aan de hoofdinspecteur van politie DE GRAEVE Patrick op 4 juli 2006 wordt BEVESTIGD. [...]” IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  15. De verzoeker roept in een derde middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van de rechten van verdediging. Hij betoogt dat de bestreden beslissing amper gemotiveerd is en dat zij de verzoeker het recht ontzegt stukken neer te leggen in verband met vormingen die hij heeft gevolgd en felicitaties die hij mocht ontvangen. IX-5548-4/8 Daar waar het verzoekschrift tot hoger beroep uitvoerig gemotiveerd was, wordt het in de bestreden beslissing nauwelijks weerlegd. Bij een evaluatie horen relevante stukken zoals getuigschriften betreffende bijkomende vormingen en felicitaties van onder andere gerechtelijke overheden; ze maken deel uit van het dossier; ze bevonden zich echter niet in het evaluatiedossier zodat de verzoeker ze de raad van beroep aanbood. De raad van beroep, aldus de verzoeker, heeft enkel overwogen dat het de eindbeoordeling omtrent verzoekers wijze van dienen dient te baseren op het door de beoordelaar opgestelde dossier in plaats van vast te stellen dat het evaluatiedossier onvolledig was en de mogelijkheid aan te bieden aan de verzoeker om bijkomende stukken neer te leggen.
  16. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing gemotiveerd werd conform de bepalingen van de motiveringswet en dat het vaste rechtspraak is van de Raad van State dat de rechten van verdediging enkel van toepassing zijn in straf- en tuchtzaken wijl het te dezen om een bevordering gaat.
  17. De verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord onder meer dat het evaluatiedossier dat onvolledig is doordat het stukken in verband met gevolgde opleidingen of ontvangen felicitaties niet bevat, niet voldoet aan de wettelijke vereisten van een evaluatiedossier. De beslissing van de raad van beroep die hierop steunt, kan aldus evenmin wettelijk zijn.
  18. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat in het verslag van de zitting van de raad van beroep van 27 oktober 2006 het volgende vermeld wordt: “Door de verdediger wordt aan de voorzitter nog kopies overhandigd van diverse getuigschriften inzake gevolgde opleidingen. Deze worden aan dossier gevoegd.” Hieruit dient, aldus de verwerende partij, afgeleid te worden dat de raad van beroep met de bijgebrachte stukken rekening heeft gehouden. Beoordeling
  19. Bij zijn inleidend verzoekschrift voegt de verzoeker acht getuigschriften met betrekking tot het volgen van bijkomende opleidingen en twee felicitatiebrieven. IX-5548-5/8 Deze stukken bevonden zich niet in het dossier, samengesteld door de korpschef voor het uitbrengen van zijn advies dat op 28 juli 2006 aan de raad van beroep werd overgemaakt. Volgens de verklaring van de verzoeker bood hij om die reden de raad van beroep aan die stukken neer te leggen. Uit het door de verwerende partij bij haar laatste memorie bijgebracht verslag van de zitting van de raad van beroep blijkt dat deze stukken effectief werden afgegeven.
  20. Luidens artikel VII.I.26 RPPol, zoals vervangen door artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 december 2007, oordeelt de raad van beroep “op basis van het evaluatiedossier waarvan alle stukken opgesteld in het raam van de betwiste evaluatie deel uitmaken.” Het beroepschrift dat het betrokken personeelslid indient, is een stuk dat wordt opgesteld in het raam van de betwiste evaluatie en maakt dan ook deel uit van het evaluatiedossier op basis waarvan de raad van beroep dient te oordelen. De stukken die een beroepsindiener bijbrengt ter staving van zijn beroep, behoren evenzeer tot het dossier op basis waarvan de raad van beroep dient te oordelen. Uit de overweging in de bestreden beslissing “dat de raad van beroep zijn eindbeoordeling omtrent de wijze van dienen van verweerder dient te baseren op het door de beoordelaar opgesteld dossier”, moet worden afgeleid dat de raad van beroep gemeend heeft met deze stukken geen rekening te kunnen houden bij zijn onderzoek ten gronde. Deze motivering dat de raad van beroep zijn eindbeoordeling omtrent de wijze van dienen van de verzoeker dient te baseren op het door de beoordelaar opgestelde dossier, is dan ook gebrekkig. De omstandigheid dat in het verslag van de raad van beroep vermeld wordt dat diverse getuigschriften inzake gevolgde opleidingen aan het dossier worden gevoegd, weerspreekt niet de duidelijke motivering in de bestreden beslissing zelf waaruit, zoals gesteld, dient afgeleid te worden dat de raad van beroep gemeend heeft geen rekening te moeten houden met deze stukken.
  21. Het derde middel is gegrond. IX-5548-6/8 IX-5548-7/8 BESLISSING
  22. De Raad van State vernietigt de beslissing van 27 oktober 2006 van de raad van beroep waarbij Patrick De Graeve de eindevaluatie “onvoldoende” wordt toegekend.
  23. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5548-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.068 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.