← België

Arrest 203069 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.069 Rolnummer: A. 64053/IX-1058 Zaak: Arrest 203069 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.069 van 19 april 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.069 van 19 april 2010 in de zaak A. 64.053/IX-1058 In zake : Jacob MONNISSEN wonende te Maasmechelen Thomas Boslaan 74 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Oczakowski kantoor houdende te Mons rue des Telliers 6, bus 5 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 12 juni 1995, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing waarbij de bevordering van Jacob Monnissen tot de graad van eerste korporaal-chef wordt uitgesteld. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 182.976 van 16 mei 2008 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Eerste auditeur-afdelingshoofd Raf Aertgeerts heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart
  3. IX-1058-1/13 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Yves Schneider, die loco advocaat Olivier Oczakowski verschijnt voor de verzoeker, en luitenant-kolonel militair administrateur Arnaud De Decker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Raf Aertgeerts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker, die op 9 juli 1962 als gewoon vrijwilliger bij de Landmacht in dienst getreden is, wordt op 1 februari 1965 benoemd tot korporaal en op 26 september 1977 tot korporaal-chef op het kader van de beroepsvrij- willigers. 3.
  6. Op 29 augustus 1994 bericht de divisie Personeel van de Generale Staf van de Krijgsmacht, toepassing makend van de reglementair ingestelde mogelijkheid om vanaf 15 augustus 1994 beroepsvrijwilligers tot de nieuw ingestelde graad van eerste korporaal-chef te benoemen, aan de korpscommandant dat de verzoeker opgenomen is op de kandidatenlijst voor de bevordering tot eerste korporaal-chef met ingang van 26 september
  7. Uit de toepasselijke regelgeving blijkt dat de bevordering van de kandidaten gebeurt door de korpscommandant en zulks “naar anciënniteit, voor zover hun wijze van dienen bevredigend wordt geacht door hun hiërarchische chefs” (artikel 7 van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst (hierna: de wet van 12 juli 1973) en artikel 1ter, § 1, van het uitvoeringsbesluit van 11 juni 1974). In de reglementering is ook bepaald dat een kandidaat voorbijgegaan kan worden, dat in dat geval zijn kandidatuur opnieuw onderzocht wordt -volgens artikel 1ter, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 één jaar en IX-1058-2/13 negen maanden na het eerste onderzoek, maar de stafchef van het betrokken krijgsmachtdeel kan beslissen dat het tweede onderzoek eerder gebeurt- en dat “de vrijwilliger wiens kandidatuur niet tijdig onderzocht werd om gezondheidsredenen of om redenen te wijten aan de administratie” met terugwerkende kracht benoemd wordt (artikel 8, § 2, van de wet van 12 juli 1973). 3.
  8. De eenheidscommandant van de verzoeker verleent eerst een ongunstig advies wegens een “onvoldoende” beoordeling van zijn wijze van dienen, maar wijzigt zijn standpunt vervolgens in “zonder advies”, in essentie omdat hij, wegens de medische vrijstellingen van dienst die de verzoeker sinds augustus 1992 verkregen heeft, de verzoeker niet in zijn eenheid gekend heeft, omdat bij navraag bij de meerderen die hem gekend hebben niet veel positiefs naar voren is gekomen om hem, ook zonder hem te kennen, toch gunstig te beoordelen en omdat de verzoeker in de loop van september 1994 het werk zou hernemen. Het leek hem daarom aangewezen de actuele promotieronde te laten voorbijgaan en de verzoeker opnieuw te beoordelen “na zijn aanwezigheids- en werkperiode”. Ook de korpscommandant en de divisiecommandant van de verzoeker beperken hun beoordeling van zijn wijze van dienen tot de vermelding “zonder advies” en verantwoorden dat met de gedachte dat de bevordering van verzoeker beter wordt uitgesteld, in wezen wegens de -uit zijn permanente afwezigheden volgende- onmogelijkheid om uit te maken of hij geschikt is om als eerste korporaal-chef te dienen. De verzoeker krijgt op 2 en 5 september 1994, respectievelijk op 5 oktober 1994 kennis van de stukken opgemaakt door zijn eenheids-, korps- en divisiecommandant. 3.
  9. Op 18 oktober 1994 zendt de divisie Personeel van de Generale Staf het bevorderingsdossier van de verzoeker “ter beschikking” terug naar zijn eenheid met de mededeling: “De bevordering voor de benoeming in de graad van 1CC (eerste korporaal-chef) wordt uitgesteld tot 26 sep.
  10. Bij gunstig voorstel zal betrokkene benoemd worden met terugwerkende kracht op datum van 26 sep. 94”. 3.
  11. Op 19 oktober 1994 maakt de korpscommandant een dossier over aan de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform (MCGR) voor het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid van de verzoeker. IX-1058-3/13 Op 26 januari 1995 beslist de MCGR dat de verzoeker lichamelijk definitief ongeschikt is voor de dienst. Deze beslissing wordt aan de verzoeker ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 30 januari
  12. Hij tekent geen beroep aan tegen dat besluit. Bij koninklijk besluit nr. 784 van 4 april 1995 wordt de verzoeker met ingang van 1 mei 1995 definitief op anciënniteitspensioen gesteld in toepassing van artikel 3, littera C, van de samengeordende wetten op de militaire pensioenen. 3.
  13. In het arrest nr. 157.620 van 18 april 2006 is vastgesteld dat het beroep gericht is tegen de weigering om de verzoeker vanaf 26 september 1994 tot eerste korporaal-chef te benoemen zoals die blijkt uit de nota van 18 oktober 1994 en dat die beslissing tijdig bestreden is. Eveneens is erin vastgesteld dat de oppensioenstelling van de verzoeker niet belet dat een vernietigingsarrest hem nog een voordeel kan opleveren. IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Het arrest nr. 182.976 van 16 mei 2008
  14. In het arrest nr. 182.976 van 16 mei 2008 is vastgesteld dat het tweede middel, in zoverre de verzoeker erin aanvoert dat de bestreden beslissing formeel niet gemotiveerd is, ongegrond is omdat de bestreden beslissing verwijst naar de bevorderingsfiche van de verzoeker, waarbij de adviezen van verzoekers eenheids-, korps- en divisiechef met hun respectieve verantwoording zijn gevoegd. De verzoeker heeft deze verantwoordingen voor kennisneming ondertekend, hij kende aldus de redenen waarop het bestreden besluit steunt en had de mogelijkheid om zich ten gronde te verweren. Daarnaast is ook vastgesteld dat de verzoeker met het middel eveneens de deugdelijkheid van de in aanmerking genomen grondslag betwist waar hij stelt dat de gerechtvaardigde afwezigheid om gezondheidsredenen geen reden kan zijn om een bevordering in een vlakke loopbaan te weigeren en, subsidiair, dat de eenheidscommandant niet regelmatig -want van horen zeggen- tot het besluit gekomen is dat hij geen gunstig advies kon verlenen. Dit onderdeel van het middel diende het voorwerp uit te maken van een verder onderzoek. IX-1058-4/13 Verdere uiteenzetting van het middel
  15. De verzoeker betwist de deugdelijkheid van de motivering van de oorspronkelijke bevorderingsfiche en van het oorspronkelijk gemotiveerd advies. Hij ziet niet in hoe de eenheidscommandant hem voor de rubriek “wijze van dienen” als onvoldoende kon kwalificeren. Het is niet omdat hij afwezig is om gezondheids- redenen dat zijn wijze van dienen onvoldoende is waardoor hij ongeschikt is om bevorderd te worden tot de graad van eerste korporaal-chef. Hetzelfde geldt voor het beoordelen van zijn “morele hoedanigheden”. De verzoeker ziet niet in hoe men om redenen van ziekte niet langer over de morele hoedanigheden zou beschikken om bevorderd te kunnen worden. De verzoeker besluit dat de overheid weigert om een persoonlijkheidsnota op te maken omdat hij niet in de eenheid gekend is maar zij geeft hem dan toch voor dezelfde criteria de vermelding “onvoldoende”. Voorts betwist de verzoeker ook de deugdelijkheid van het eerste gemotiveerd advies. Ten slotte voert de verzoeker aan dat de gerechtvaardigde afwezigheid om gezondheids- redenen geen reden kan zijn om hem een bevordering in een vlakke loopbaan te weigeren en, subsidiair, dat de eenheidscommandant niet regelmatig -want van horen zeggen- tot het besluit gekomen is dat hij geen gunstig advies kon verlenen. Beoordeling
  16. De verzoeker betwist de deugdelijkheid van de motivering van de bevorderingsfiche en het gemotiveerd advies dat de eenheidscommandant in eerste instantie verstrekte en waarbij hem een “onvoldoende” -alias “ongunstig”- werd toegekend. De desbetreffende uiteenzetting kan echter niet in aanmerking genomen worden omdat de eenheidscommandant van de verzoeker na deze beoordeling een nieuwe bevorderingsfiche en een nieuw gemotiveerd advies uitgebracht heeft met het besluit: “zonder advies”. Deze en geen andere stukken liggen aan de grondslag van de bestreden beslissing. De kritiek op de oorspronkelijke bevorderingsfiche en het eerste gemotiveerd advies kan dan ook niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden.
  17. De verzoeker kan ook niet gevolgd worden waar hij stelt dat het bestuur geweigerd heeft een persoonlijkheidsnota op te maken. De eenheidscom- mandant heeft op de persoonlijkheidsnota immers uiteengezet waarom hij geen beoordeling kon geven. Dit is geen weigering en kan evenmin als een onvoldoende worden begrepen. IX-1058-5/13
  18. Vervolgens voert de verzoeker aan dat zijn gerechtvaardigde afwezigheid om gezondheidsredenen geen reden kan zijn om een bevordering in een vlakke loopbaan te weigeren.
  19. Artikel 7 van de wet van 12 juli 1973, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing, luidt : “De graden van de vrijwilligers worden door de Koning of door de door Hem bepaalde autoriteit verleend naar anciënniteit voor zover hun wijze van dienen bevredigend wordt geacht door hun hiërarchische chefs. Elk ongunstig advies moet schriftelijk aan de vrijwilliger bekendgemaakt worden. Hij kan zijn rechtvaardiging doen gelden. Wanneer een vrijwilliger bij de bevordering is voorbijgegaan, kan zijn kandidatuur opnieuw worden onderzocht; de eerste maal moet zulks geschieden binnen twee jaar te rekenen van het eerste onderzoek, en een tweede en laatste maal in de loop van het vijfde jaar na dat, waarin dat eerste onderzoek heeft plaatsgehad. De vrijwilliger die na dit laatste onderzoek, niet is bevorderd, komt niet langer voor bevordering in aanmerking.” Uit deze bepaling blijkt dat de bevordering tot eerste korpo- raal-chef niet het voorwerp van een gebonden bevoegdheid is: zelfs wanneer een kandidaat de vereiste anciënniteit heeft bereikt, wordt de benoeming slechts verleend voor zover diens wijze van dienen “bevredigend” wordt geacht door zijn hiër-archische chefs. Op deze discretionaire bevoegdheid van het bestuur mag de Raad van State slechts een marginale controle uitoefenen.
  20. De bevordering van de verzoeker wordt uitgesteld omdat hij gedurende de laatste 24 maanden permanent afwezig geweest is wegens medische redenen. De verzoeker betwist dit zelf niet. De eenheidscommandant van de verzoeker heeft op 2 september 1994 geoordeeld dat hij de wijze van dienen van de verzoeker niet “bevredigend” kon vinden aangezien hij de verzoeker sedert mei 1993 -toen hij als eenheidscom- mandant aangetreden is- geen enkele dag heeft weten komen werken. De eenheids- commandant heeft niet geoordeeld dat de verzoeker ongeschikt is voor de uitoefening van de functie van eerste korporaal-chef en dat zijn afwezigheid of verlof om gezondheidsredenen een beletsel zou zijn voor zijn bevordering; hij heeft in zijn “gemotiveerd advies” alleen vastgesteld dat de verzoeker door zijn meer dan IX-1058-6/13 twee jaar durende afwezigheid in de eenheid, voor het werk geen rendement heeft en dat hij wil wachten op de -vanaf september 1994 geplande- werkhervatting om hem te beoordelen. De adviezen van de korpscommandant en van de divisiecomman- dant liggen in dezelfde lijn, met dien verstande dat de korpscommandant de verzoeker het voordeel verschaft om zijn karakteriële en morele hoedanigheden als “voldoende” te beoordelen. Dit heeft evenwel geen invloed op zijn eindadvies om de bevordering uit te stellen.
  21. Er is de Raad van State geen bepaling bekend die de militaire overheid zou verhinderen het uitstel van de bevordering te steunen op de vaststelling dat de betrokkene lange tijd afwezig geweest is om medische redenen, ook wanneer die afwezigheid volledig gerechtvaardigd werd en ook gerechtvaardigd was. Dergelijk standpunt is ook niet kennelijk onredelijk, aangezien de wet zelf verwijst naar de beoordeling van de “wijze van dienen” van de betrokkene hetgeen, in redelijkheid begrepen, niet gelijk is aan het formeel nazicht of de betrokkene stipt de gedragsregels binnen het korps gevolgd heeft en aangezien het bestuur, door de bevordering uit te stellen, haar geenszins definitief onmogelijk maakt.
  22. De verzoeker voert ook nog aan dat de eenheidscommandant niet regelmatig - want enkel van horen zeggen - tot het besluit is gekomen dat hij geen gunstig advies kon verlenen.
  23. Het advies van de eenheidscommandant van 2 september 1994 vermeldt, na de vaststelling dat hijzelf de verzoeker “geen enkele dag (heeft) weten komen werken”, dat “bij navraag bij zijn meerderen die [de verzoeker] gekend hebben” om een idee te krijgen over zijn wijze van dienen, en over zijn morele en fysieke hoedanigheden “er niet veel positiefs naar voren (kwam)” om hem “zonder hem te kennen gunstig te beoordelen”. Gelet op het feit dat, wegens de ziekte van de verzoeker, de eenheidscommandant niet de gelegenheid gehad heeft hem persoonlijk te leren kennen, kan hem geenszins verweten worden zich bevraagd te hebben bij de meerderen die hem wel gekend hebben hetgeen niet zonder meer als een “van horen zeggen” van de hand kan worden gewezen, maar getuigt van verantwoordelijkheids- zin; het kon voor de verzoeker ook gunstige gevolgen gehad hebben. Nu die IX-1058-7/13 raadpleging niet de gevolgen gehad heeft die de verzoeker wenste, kan hij aan zijn eenheidscommandant niet verwijten dat hij zich beperkt heeft tot de vaststelling dat hij persoonlijk geen inhoudelijk advies kon geven.
  24. Een en ander leidt tot het besluit dat de verzoeker niet aantoont dat de motieven waarop de bestreden beslissing steunt niet verantwoord zijn. Het tweede middel is niet gegrond. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  25. In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 7 van de wet van 12 juli 1973 en van artikel 1ter van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst (hierna: het koninklijk besluit van 11 juni 1974). Hij stelt dat hij geen kennis gekregen heeft van enig ongunstig advies alvorens zijn korpsoverste het dossier heeft overgemaakt aan de stafchef, hetgeen reeds gebeurde op 8 september
  26. In zijn laatste memorie houdt de verzoeker vol dat de nieuwe bevorderingsfiche en het nieuw gemotiveerd advies hem niet zijn betekend, wat een miskenning inhoudt van de regels opgelegd door artikel 7 van de wet van 12 juli
  27. Beoordeling
  28. Artikel 7 van de wet van 12 juli 1973, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing, is hiervoor sub 9 geciteerd. Artikel 1ter van het koninklijk besluit van 11 juni 1974, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing, luidt als volgt : “§
  29. De benoeming in de graad van korporaal, korporaal-chef of eerste korporaal-chef wordt verleend door de korpscommandant van betrokkene op voordracht van de eenheidscommandant, voor de beroepsvrijwilliger op de zesentwintigste dag (...) op de zevenentwintigste dag van de laatste maand van IX-1058-8/13 het trimester waarin de in artikel 1bis vastgestelde anciënniteitsvoorwaarden vervuld zijn. Wanneer een vrijwilliger bij de bevordering is voorbijgegaan, wordt zijn kandidatuur opnieuw onderzocht; een tweede onderzoek heeft plaats één jaar en negen maanden na het eerste onderzoek, en een derde en laatste onderzoek heeft plaats vier jaar en drie maanden na het eerste onderzoek. Op beslissing van de stafchef van het betrokken krijgsmachtdeel kan de kandidatuur evenwel voor de tweede maal worden onderzocht vooraleer de termijn van één jaar en negen maanden is verstreken. Wanneer een kandidaat voor de eerste of de tweede maal in aanmerking komt voor de benoeming in één van de in het eerste lid vermelde graden van vrijwilliger wordt, in het geval dat de korpscommandant een ongunstig advies uitbrengt, het dossier voorgelegd aan de stafchef van het betrokken krijgs- machtdeel, die in laatste aanleg beslist op stukken en, in voorkomend geval, de vrijwilliger benoemt. (...) Indien de vrijwilliger bij toepassing van het derde of het vierde lid benoemd wordt, wordt de korpscommandant van betrokkene hiervan ingelicht. §
  30. Indien een vrijwilliger anciënniteit verliest overeenkomstig de artikelen 6 of 18ter, 1 /, van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilli- gers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, wordt zijn datum van benoeming in de graad die hij bekleedt verschoven met een tijdsduur overeenstemmend met de in mindering te brengen anciënniteit. §
  31. De wijze van dienen wordt beoordeeld op basis van de professionele, karakteriële en lichamelijke geschiktheid van de betrokkene, volgens de regels vastgelegd door de chef van de generale staf.” Uit artikel 7, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 volgt dat elk ongunstig advies schriftelijk aan de vrijwilliger moet worden bekendgemaakt en dat hij zijn rechtvaardiging kan doen gelden. Uit artikel 1ter, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 volgt dat wanneer een kandidaat voor de eerste of de tweede maal in aanmerking komt voor de benoeming in één van de in het eerste lid vermelde graden van vrijwilliger, en de korpscommandant een ongunstig advies uitbrengt, het dossier wordt voorgelegd aan de stafchef van het betrokken krijgsmachtdeel, die in laatste aanleg beslist op stukken en, in voorkomend geval, de vrijwilliger benoemt.
  32. De vraag rijst te dezen of er in het dossier ongunstige adviezen zijn die niet aan de verzoeker werden meegedeeld en waarop hij zich niet heeft kunnen “rechtvaardigen”. IX-1058-9/13 Op 2 september 1994 heeft de verzoeker een “ongunstig advies” en een persoonlijkheidsnota van de eenheidscommandant ondertekend. Dezelfde dag noteert de eenheidscommandant op een nieuwe bevorderingsfiche “zonder advies” en vervangt hij het “ongunstig advies” door een nieuw advies waarin hij “zonder advies” besluit. Eveneens op 2 september 1994 heeft de verzoeker dit “zonder advies” van de eenheidscommandant ondertekend en genoteerd dat hij zijn rechtvaardigingsgronden zou laten gelden. Op 5 september 1994 dient de verzoeker een verweerschrift in met betrekking tot het bevorderingsdossier. Op 7 september 1994 stelt de korpscommandant van de verzoeker een “gemotiveerd advies” op dat de verzoeker voor kennisneming ondertekent. Op 27 september 1994 stelt de divisiecommandant een “gemotiveerd advies” op dat de verzoeker op 5 oktober 1994 voor kennisneming ondertekent en waarbij hij uitdrukkelijk noteert “ik dien geen verweerschrift in”. Aan de bestreden handeling van 18 oktober 1994 gingen geen andere “ongunstige adviezen” vooraf.
  33. In tegenstelling met wat de verzoeker beweert dient derhalve besloten te worden dat hij wel kennis heeft gekregen van de uitgebrachte adviezen en dat hij wel zijn verweer heeft kunnen laten gelden. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  34. In het derde middel voert de verzoeker de schending aan van de regels van behoorlijk bestuur en van de zorgvuldigheidsplicht. Ter adstructie van zijn middel voert de verzoeker volgende zes elementen aan: - de beoordelende overheid heeft noch de wet van 12 juli 1973, noch het koninklijk besluit van 11 juni 1974 toegepast; - na het bezwaar van de verzoeker volhardt de overheid in de fouten en motiveert zij ondeugdelijk; - de beslissing van het tweede echelon is niet aan de verzoeker bekendgemaakt; IX-1058-10/13 - de Stafchef van het krijgsmachtdeel (GS) heeft evenmin zijn beslissing gemoti- veerd of bekendgemaakt; - een vraag om uitleg van de verzoeker bleef onbeantwoord; - de minister heeft op een gelijkaardig verzoek niet geantwoord en heeft pas na een herinnering een oppervlakkige, ondeugdelijk gemotiveerde beslissing medege- deeld. Beoordeling
  35. De verzoeker voert vooreerst aan dat de verwerende partij noch de wet van 12 juli 1973, noch het koninklijk besluit van 11 juni 1974 heeft toegepast. Uit de beoordeling van het eerste en het tweede middel blijkt evenwel dat de overheid de door de verzoeker vermelde bepalingen niet heeft geschonden.
  36. De verzoeker stelt dat de overheid de bestreden beslissing ondeugdelijk motiveert. Uit de bespreking van het tweede middel blijkt evenwel het tegendeel.
  37. Voorts werpt de verzoeker op dat de beslissing van het tweede echelon hem niet bekendgemaakt is. Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat het advies van het “tweede echelon”, dit is de korpscommandant, wel degelijk aan de verzoeker is meegedeeld en dat hij het advies voor kennisneming heeft ondertekend. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier niet dat de korps- commandant met betrekking tot de bevordering van de verzoeker tot eerste korporaal-chef een beslissing heeft genomen.
  38. De verzoeker doet gelden dat de stafchef zijn beslissing niet gemotiveerd of bekendgemaakt heeft. Uit het administratief dossier blijkt evenwel niet dat de stafchef van de Landmacht (GS), een beslissing zou hebben genomen. Uiteraard kan men bij ontstentenis van een dergelijke beslissing de overheid niet verwijten de beslissing niet te hebben gemotiveerd en/of bekendgemaakt.
  39. Nog daargelaten de vraag of, zoals de verzoeker aanvoert, een vraag om uitleg onbeantwoord bleef, heeft dit geen invloed op de wettigheid of rechtmatigheid van de bestreden beslissing van 18 oktober
  40. IX-1058-11/13
  41. Ten slotte voert de verzoeker aan dat de minister op een gelijkaardig verzoek niet heeft geantwoord en pas na een herinnering een oppervlakkige, ondeugdelijk gemotiveerde beslissing heeft medegedeeld. De bestreden beslissing is neergelegd in de nota van 18 oktober 1994 van de divisie Personeel van de Generale Staf van de Krijgsmacht; zij gaat niet uit van de minister van Landsverdediging. De kritiek van de verzoeker heeft betrekking op de brief van de minister van Landsverdediging van 4 mei 1995 aan de voorzitter van het V.S.O.A. Deze brief is niet het voorwerp van het annulatieberoep. De verzoeker brengt kritiek uit op een brief met inlichtingen die hij van de minister van Landsverdediging mocht ontvangen. Eventuele onwettighe- den in dat schrijven kunnen niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden.
  42. Het middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. BESLISSING
  43. De Raad van State verwerpt het beroep.
  44. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 99,16 euro. IX-1058-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-1058-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.069 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.620 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.