id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.092 Rolnummer: A. 126090/XII-3642 Zaak: Arrest 203092 - Wapens - 20/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-27 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.092 van 20 april 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 203.092 van 20 april 2010 in de zaak A. 126.090/XII-3642 In zake: Pascal DEVOLDER wonende te Brugge Noord-Gistelhof 37 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2002, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 26 juli 2002 van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen houdende de weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 februari
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. XII-3642-1\8 Wnd. adviseur Vicky Boerjan, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur-generaal Patrick De Wolf heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 21 maart 2002 dient verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een voorlopige vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen. In een brief van 5 april 2002 deelt de politiecommissaris van de stad Brugge aan verzoeker mee dat de gevraagde wapenvergunning niet wordt verleend. In de brief wordt verwezen naar een proces-verbaal met betrekking tot “het bezit (vervoer) van verboden wapens” op 18 april 2001 , waaruit “duidelijk naar voor komt dat er door U een bijzonder agressieve houding werd aangenomen gedurende de interventie van het politiepersoneel en u zich blijkbaar wilde onttrekken aan de verdere vaststelling (starten motor...)”. Met een brief van 22 april 2002 zendt verzoeker een aantal documenten aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen. Die brief wordt beschouwd als een beroepschrift. In een brief van 21 mei 2002 brengt de korpschef van de stad Brugge een negatief advies uit over het verlenen van een wapenvergunning. Er wordt op gewezen “dat een niet beheerste houding in het bezit van (vuur)wapens een potentiële gevaarssituatie inhoudt” en dat het toekennen van een vergunning “meer dan onverantwoord” zou zijn. Op 17 juni 2002 verstrekt de procureur des Konings te Brugge het volgend advies: XII-3642-2\8 “Gelet op de houding die verzoeker heeft aangenomen tegenover de agenten van de Brugse lokale politie, die op 28 april 2001 een mes en een houten matrak aantroffen in de personenwagen van verzoeker, kan ik mij aansluiten bij het standpunt van de lokale politie”. Verzoeker wordt op 17 juli 2002 gehoord door de arrondissementscommissaris te Brugge. Op 26 juli 2002 beslist de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen om het beroep van de verzoeker tegen de beslissing van de korpschef van de politiezone Brugge te verwerpen en om de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen te weigeren. De beslissing steunt op de volgende motivering: “Gelet op het ongunstig advies dd. 21 mei 2002 van de korpschef van de politiezone Brugge; Gelet op het ongunstig advies dd. 17 juni 2002 van de procureur des Konings te Brugge waarbij hij het standpunt van de korpschef van de politiezone Brugge bijvalt; Gelet op het proces-verbaal nr. BG.36.15.6018/01 van 28 april 2001 inzake het bezit (vervoer) van verboden wapens, dat zonder gevolg geseponeerd werd; Overwegende dat, naar aanleiding van een interventie van de lokale politie van Brugge, in de auto van de heer Devolder een mes aangetroffen werd met vaste stootplaat en vast lemmet, wat een verboden wapen is, alsook een stuk afgezaagde borstelsteel met aan het niet afgezaagde einde een gaatje erin met daardoor een stukje touw dat dienst doet als lus; Overwegende dat beide voorwerpen in beslag genomen werden en neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank te Brugge. Overwegende dat uit bovenvermeld proces-verbaal blijkt dat de heer Devolder een bijzonder agressieve houding aangenomen heeft naar aanleiding van de interventie van de lokale politie van Brugge; Overwegende dat de heer Devolder aan de politie verklaard heeft dat hij het mes in zijn auto gebruikt om papiertjes te scheuren, dat hij niet wist dat het een verboden wapen was en dat hij de afgezaagde borstelsteel bij zich had om een nieuwe te gaan halen in een BRICO-vestiging; Overwegende dat de heer Devolder tijdens de interventie van de politie geprobeerd heeft om zijn voertuig te starten, naar eigen zeggen om het voertuig te verplaatsen, volgens de lokale politie om zich te onttrekken aan verdere vaststellingen; Overwegende dat de heer Devolder geweigerd heeft om de verklaringen te ondertekenen die hij afgelegd had naar aanleiding van de interventie van de lokale politie van Brugge; Overwegende dat er op 17 juli 2002 een hoorzitting georganiseerd werd waarop de heer Devolder de kans geboden werd zich te verdedigen; Overwegende dat de heer Devolder verklaard heeft dat alles berust op leugenachtige verklaringen; Overwegende dat volgens de heer Devolder logisch was dat er een mes in zijn auto lag omdat hij slager is; Overwegende dat volgens de heer Devolder de houten stok die in zijn auto gevonden werd helemaal geen matrak is maar een stok die hij gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroep als slager (het maken en draaien van droge worsten); XII-3642-3\8 Overwegende dat de heer Devolder tijdens de interventie tegenover de lokale politie van Brugge nooit gewag heeft gemaakt van het feit dat hij slager is en dat het mes en de houten stok om die reden in zijn auto lagen; Overwegende dat de heer Devolder er voortdurend op gehamerd heeft dat hij een blanco strafblad heeft en nog nooit een veroordeling opgelopen heeft; Overwegende dat de heer Devolder lid is van een schuttersvereniging en dat hij dus enkel de schietsport wens te beoefenen; Overwegende dat een onberispelijk gedrag een absolute vereiste is om een wapenvergunning te verkrijgen; dat het niet noodzakelijk is dat de heer Devolder veroordeeld is opdat een vergunning zou geweigerd worden; dat een potentieel gevaar voor de openbare orde volstaat; Overwegende dat een agressieve en niet beheerste houding onverenigbaar is met het bezit van een vuurwapen en dat dit een potentiële gevaarssituatie inhoudt, zowel voor de betrokkene zelf als voor zijn onmiddellijke omgeving; Overwegende dat gelet op wat voorafgaat het bijgevolg niet opportuun is om aan betrokkene een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen af te leveren”. IV. Onderzoek ten gronde Uiteenzetting van verzoeker
- Verzoeker voert in het verzoekschrift aan wat volgt: “Aangezien verzoeker vooreerst laat gelden dat de beslissing van de gouverneur laattijdig is nu deze de termijn van drie maanden binnen dewelke over het beroep van verzoeker dient te worden geoordeeld, niet werd gerespecteerd; Dat verzoeker immers per 22.04.2002 beroep heeft ingesteld terwijl de beslissing van de gouverneur dateert van 26.07.2002; Aangezien in de voormelde beslissingen telkenmale wordt gerefereerd naar het strafdossier dat lastens verzoeker werd opgemaakt doch geseponeerd; Aangezien de gouverneur door dit advies te volgen het beginsel dat men onschuldig is tot het bewijs van het tegendeel, heeft geschonden; Dat in casu het proces-verbaal werd geseponeerd gezien het geen zware feiten betreft; Dat lastens verzoeker zelfs geen enkel onderzoek werd ingesteld; Dat verzoeker daarenboven nooit voor de rechtbank is moeten verschijnen; Aangezien uit de parlementaire werkzaamheden blijkt dat de aanvraag voor een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen bestemd voor de sport minder streng moet worden onderzocht dan voor doeleinden van verweer; Dat de autoriteit de persoonlijkheid van de aanvrager objectief moet evalueren; Dat zij zich in casu enkel en alleen baseert op een éénmalig feit; Dat de inhoud van het proces-verbaal zoals het door verbalisanten werd opgesteld duidelijk van vooringenomenheid en subjectiviteit doet blijken; Dat de betrokkenheid in een dossier enkel vermeld mag worden als het om zware feiten gaat; Dat dit in casu zeker niet het geval is; Dat in het proces-verbaal sprake is van verboden wapendracht terwijl verzoeker enkel in het bezit was van een keukenmesje om zijn briefwisseling te openen en een afgesneden borstelsteel om worsten te draaien; Dat verzoeker dan ook van oordeel is dat de objectiviteit van zowel het advies alsook van de beslissing dd. 26.07.2002 is aangetast”. XII-3642-4\8
- In de memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat verwerende partij ten onrechte poogt de laattijdigheid van het besluit af te schuiven op verzoeker, dat verwerende partij voorbijgaat aan een correcte toepassing van de wapenwet en de strafrechtelijke rechtsbeginselen en bepalingen, dat een keukenmes en een halve borstelsteel volgens de wapenwet niet als verboden wapens kunnen worden beschouwd en er geen omstandigheden of intenties waren die wijzen op misbruik van deze gebruiksvoorwerpen als wapen, dat tevens de motiveringsplicht werd geschonden doordat de bestreden beslissing niet steunt op concrete en correcte feitelijke gegevens maar op een subjectieve beoordeling van de verbalisanten en het onderzoek van zijn aanvraag op zeer summiere wijze werd gevoerd, dat verwerende partij ook nog op basis van juridisch totaal onaanvaardbare motieven de verzoeker als agressief beschouwt, en dat ook het recht van verdediging werd miskend omdat verwerende partij de verdediging van verzoeker niet ernstig heeft genomen en geen verificatie van zijn beweringen heeft verricht. Beoordeling
- Kennelijk acht verzoeker in de eerste plaats het toentertijd geldend artikel 9, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie geschonden, doordat de bestreden beslissing door de gouverneur genomen werd na het verstrijken van de termijn van drie maanden sinds het instellen van het beroep. De bedoelde bepaling schrijft voor dat de gouverneur over het beroep uitspraak doet binnen drie maanden te rekenen vanaf de instelling van het beroep. Te dezen stelde verzoeker beroep in met een brief van 22 april 2002; de gouverneur nam de bestreden beslissing op 26 juli
- De Raad van State blijft bij de mening die hij eerder in het arrest nr. 82.448 van 28 september 1999 aannam en waarin hij oordeelde dat de termijn van het voormelde artikel 9, § 1, derde lid, een termijn van orde is en dat de gouverneur bij het verstrijken ervan niet zijn bevoegdheid verliest om over het ingestelde beroep uitspraak te doen. Het overschrijden van de termijn van drie maanden -met een paar dagen- kan dus niet tot nietigverklaring leiden. XII-3642-5\8
- In zoverre verzoeker in het middel voorts nog een gebrek aan deugdelijke motieven doet gelden, is op te merken dat op grond van artikel 6, § 1, van de wapenwet, de korpschef van de lokale politie en, in beroep, de provincie- gouverneur over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken. Noch de toenmalige wapenwet van 3 januari 1933 noch het uitvoeringsbesluit bepalen criteria of voorwaarden voor het al dan niet verlenen van een wapenvergunning. Wel bepaalt artikel 6, § 1, eerste lid, van de wapenwet zoals gewijzigd bij wet van 30 januari 1991, dat het, behoudens vergunning, aan particulieren verboden is een verweervuurwapen voorhanden te hebben. Artikel 6, § 1, derde lid, van de voornoemde wapenwet bepaalt verder dat de provincie- gouverneur de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen kan schorsen of intrekken bij een met redenen omklede beslissing “indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren”. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wapenwet blijkt dat het begrip “openbare orde” in de ruime zin moet worden opgevat (Parl. St. Kamer, 1989-1990, 978/6, pp. 26-27) en dat het de bedoeling is om de samenleving te beschermen tegen geweld en om het risico op ongelukken te verminderen (Parl. St. Senaat, 1989-1990, 972/2, pp. 2 en 4 en Parl. St. Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, p. 2). Moet de provinciegouverneur zich bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren weliswaar baseren op feiten die zijn besluit naar recht -inbegrepen naar redelijkheid- kunnen verantwoorden, het is hem niet a priori verboden om rekening te houden met eenmalige feiten of met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Het strafrechtelijk vermoeden van onschuld staat daar niet aan in de weg.
- Blijkens de formele redengeving is de bestreden beslissing hierdoor ingegeven dat het bezit van een vuurwapen een potentieel gevaar inhoudt zowel voor de betrokkene zelf als voor zijn onmiddellijke omgeving. Dit gevaar wordt wezenlijk afgeleid uit de houding die verzoeker op 18 april 2001 bij een politiecontrole aannam: hij betoonde zich agressief, maakte voortdurend verwijten en probeerde zelfs zijn voertuig te starten om zich aan verdere vaststellingen te onttrekken. Het is om die onbeheerste houding dat zowel de korpschef en de XII-3642-6\8 procureur des Konings in hun adviezen van 21 mei 2002, respectievelijk 17 juni 2002, als finaal de gouverneur in het aangevochten besluit, het onverantwoord achten om de gevraagde wapenvergunning te verlenen. Aangezien de gevraagde vergunning niet is geweigerd omdat verzoeker in het bezit zou zijn geweest van verboden wapens, doet het alleszins niet terzake dat het betrokken strafdossier geseponeerd werd en dat de in beslaggenomen voorwerpen volgens verzoeker niet kunnen worden beschouwd als wapens.
- Waarom de verklaringen van de verbalisanten over zijn gedrag op 18 april 2001 niet geloofwaardig zouden zijn, wordt door verzoeker in het verzoekschrift niet uiteengezet. In de memorie van wederantwoord, dan weer, benadrukt hij dat de burger op vandaag “mondiger” is geworden en al eens vaker “in discussie treedt met de verbaliserende agenten”. Naar verzoeker laat verstaan, was dat ook op 18 april 2001 het geval, aangezien hij “dermate verbaasd” was over de houding van de verbalisanten. Het kan dan gebeuren, aldus verzoeker, dat bij de agent “de indruk van onbeleefdheid” wordt gewekt. Met andere woorden spreekt verzoeker niet wezenlijk tegen dat hij de politie een niet-beheerste, agressieve houding liet zien, maar tracht hij vooral ze te minimaliseren.
- Blijft er nog de inschatting van het gevaarsrisico door verzoekers bezit van een vuurwapen, in het licht van die houding. Dit is een kwestie van appreciatie, waarbij mogelijk verschillende zienswijzen denkbaar zijn die elk de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Wat de Raad van State in het kader van zijn wettigheidscontrole van het oordeel van de verwerende partij in dat verband te doen staat, is niet om dit oordeel te toetsen aan een eigen opvatting terzake, maar wel om na te gaan of het oordeel van de verwerende partij binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Te dezen kan de Raad van State er niet toe komen om aan te nemen dat verwerende partij de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan door XII-3642-7\8 in de concrete omstandigheden van de zaak te hebben besloten tot het bestaan van een potentiële gevaarssituatie, van aard om de afgifte van de gevraagde vergunning niet opportuun te maken. Deze weigering mag dan in de ogen van verzoeker misschien wel als zeer streng worden beschouwd, streng en onwettig zijn geen synoniemen.
- Verzoeker voert geen gegrond middel aan. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 april 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-3642-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div