← België

Arrest 203098 - Tucht (openbaar ambt) - 20/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.098 Rolnummer: A. 170148/XII-5912 Zaak: Arrest 203098 - Tucht (openbaar ambt) - 20/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-28 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.098 van 20 april 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 203.098 van 20 april 2010 in de zaak A. 170.148/XII-5912 In zake: Jean-Pierre DENGIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie Beuselinck kantoor houdend te Destelbergen Eenbeekstraat 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:

  1. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN WETTEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van Der Gucht kantoor houdend te Gent Sint-Denijslaan 201 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 30 januari 2006, strekt tot de nietigverklaring van : 1/ het besluit van 14 december 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, tot inwilliging van het beroep, ingesteld door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Wetteren tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 mei 2005 houdende niet-goedkeuring van het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van Wetteren van 13 april 2005 houdende het opleggen van een tuchtsanctie van ontslag van ambtswege aan Jean-Pierre Dengis en tot goedkeuring van het voormeld tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van Wetteren van 13 april 2005; XII-5912-1\31 2/ het besluit van 13 april 2005 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Wetteren waarbij Jean-Pierre Dengis bij wijze van tuchtsanctie van ambtswege wordt ontslagen met ingang van 16 oktober 1991; 3/ het besluit van 5 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Wetteren waarbij wordt beslist om aan de raad van bestuur van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis Aalst AV te vragen met toepassing van artikel125, 8/, van de ziekenhuiswet aan de medische raad namens het OCMW advies te vragen omtrent het voorstel tot het opleggen van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege aan Jean-Pierre Dengis; 4/ het besluit van 21 december 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Wetteren waarbij wordt beslist, eensdeels, om aan de raad van bestuur van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis Aalst AV te vragen met toepassing van artikel 125, 8/, van de ziekenhuiswet aan de medische raad namens het OCMW advies te vragen omtrent het voorstel tot het opleggen van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege aan Jean-Pierre Dengis en, anderdeels, om aan de medische raad van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis Aalst AV te vragen met toepassing van artikel 125, 8/, van de ziekenhuiswet advies te geven omtrent het voorstel tot het opleggen van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege aan Jean-Pierre Dengis. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. Verzoeker en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 februari
  5. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristien Ceuleers, die loco advocaat Sophie Beuselinck verschijnt voor verzoeker, advocaat Frank Dieu, die loco advocaat XII-5912-2\31 Willy Van Der Gucht verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoeker was destijds in vast verband benoemd als deeltijds oftalmoloog bij het OCMW van Wetteren, voor een periode eindigend op 31 juli
  8. Hij oefende die functie uit in het Emmanuel Ziekenhuis dat toen nog onder het voornoemde OCMW ressorteerde. 3.
  9. Met brieven van 3 september 1991 maakt dokter M.V., hoofdgeneesheer van het OCMW-ziekenhuis te Wetteren, aan verzoeker, de medische raad en het beheerscomité melding van het feit dat verzoeker op 1 september 1991 verzuimd heeft de wachtdienst waar te nemen in het ziekenhuis, niettegenstaande hem meermaals uitdrukkelijk op die plicht was gewezen. Aangezien zulks de erkenning van het ziekenhuis in het gedrang kan brengen wordt het beheerscomité verzocht het ontslag van verzoeker in overweging te nemen. Op 26 september 1991 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van Wetteren de behandeling van een al dan niet te nemen tuchtstraf op de agenda van de eerstvolgende raadszitting te plaatsen en verzoeker uit te nodigen om te worden gehoord in zijn verdediging. Op 9 oktober 1991 wordt aan verzoeker een afschrift van die beslissing betekend, met de uitnodiging om te worden gehoord op 15 oktober
  10. Verzoeker antwoordt eerst telefonisch dat hij wegens verblijf in het buitenland niet aanwezig kan zijn op de vergadering van 15 oktober 1991 en laat vervolgens weten met een brief van 10 oktober 1991 dat zijn verdediging luidt dat het niet verzekeren van de wachtdienst op zondag 1 september 1991 te wijten was aan een misverstand tussen hem en zijn voor het eerst optredende vervangster, die pas om 20 uur is komen opdagen, zoals op een weekdag. XII-5912-3\31 Op 15 oktober 1991 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn (hierna ook : OCMW-raad) van Wetteren verzoeker bij tuchtmaatregel met ingang van 16 oktober 1991 af te zetten. Bij arrest nr. 106.171 van 29 april 2002 vernietigt de Raad van State, op vordering van verzoeker, zowel het tuchtbesluit van 15 oktober 1991 van de raad voor maatschappelijk welzijn, als het navolgende goedkeuringsbesluit van 13 november 1995 van de minister van Cultuur, Gezin en Welzijn. Het middel waarin verzoeker onder meer aanvoert dat artikel 125, eerste lid, 7/, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 (hierna ook : de ziekenhuiswet), werd geschonden, doordat de beheerder van het ziekenhuis aan de medische raad geen advies heeft gevraagd over zijn afzetting, wordt gegrond bevonden. 3.
  11. Op 15 januari 2003 besluit de OCMW-raad van Wetteren om de tuchtprocedure te hernemen. Bij besluit van 30 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn, verbeterd bij besluit van 19 november 2003, wordt verzoeker bij tuchtmaatregel met ingang van 16 oktober 1991 van ambtswege ontslagen. Omdat het OCMW van Wetteren dan geen ziekenhuis meer beheert -het Emmanuel Ziekenhuis is met ingang van 1 juli 1998 gefuseerd met het Stedelijk Ziekenhuis van Aalst en ingebracht in een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : OCMW-wet), namelijk het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis Aalst AV- besluit de OCMW-raad dat zijn tuchtbesluit voor advies “overgemaakt [zal] worden aan de leden van de Medische Raad die in september 1991 in het toenmalige Emmanuel Ziekenhuis in functie was”. Op 18 december 2003 besluit de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het tuchtbesluit van 30 oktober 2003 niet goed te keuren. 3.
  12. Op 6 april 2004 verwerpt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het beroep dat het OCMW van Wetteren tegen dit niet-goedkeuringsbesluit van de deputatie heeft ingesteld. XII-5912-4\31 Ook hij keurt het tuchtbesluit van 30 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn niet goed. De minister overweegt onder meer dat bij het hernemen van de tuchtprocedure moet worden getracht de destijds gemaakte procedurefouten te herstellen, dat derhalve het advies van de medische raad moet worden ingewonnen over de voor de betrokkene voorgestelde tuchtsanctie van het ontslag van ambts- wege, dat daaraan niet is tegemoetgekomen door de leden van de ten tijde van de vernietigde tuchtmaatregel samengestelde medische raad op te roepen en te horen, dat niet valt in te zien waarom het niet mogelijk zou zijn dat het “huidige orgaan” in zijn huidige samenstelling -bedoeld wordt de medische raad van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis Aalst AV (hierna : ASZ Aalst AV)- een advies zou verlenen. 3.
  13. Op 5 mei 2004 neemt de OCMW-raad akte van dit besluit van de minister van 6 april
  14. De OCMW-raad beslist zijnerzijds om tegen dit besluit geen beroep bij de Raad van State in te dienen. Tijdens dezelfde zitting besluit de OCMW-raad aan de raad van bestuur van het ASZ Aalst AV te vragen namens het OCMW van Wetteren “in toepassing van artikel 125, 8/ van de Ziekenhuiswet” een adviesaanvraag te richten aan de medische raad van het ziekenhuis omtrent het voorstel tot het opleggen van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege aan verzoeker met ingang van 16 oktober
  15. Dit is het derde voorwerp van voorliggend beroep. Op 14 mei 2004 verzoeken de voorzitter en de secretaris van het OCMW de raad van bestuur van het ASZ Aalst AV om een dergelijke adviesaanvraag bij de medische raad van het ziekenhuis in te dienen. Op 25 mei 2004 antwoorden de voorzitter en de algemeen direc- teur van het ASZ Aalst AV dat op dit verzoek niet kan worden ingegaan, omdat de betrokken geneesheer ter gelegenheid van de fusie niet aan de nieuwe vereniging werd overgedragen en toentertijd ook geen melding werd gemaakt van de problematiek die tot het ministerieel besluit van 6 april 2004 heeft geleid. Het besluit van de minister van 6 april 2004 maakt vervolgens voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing, op 4 juni 2006 ingesteld door het ASZ Aalst AV. XII-5912-5\31 Op 1 juli 2004 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van het op 25 mei 2004 geformuleerde standpunt van het ASZ Aalst AV en besluit hij om rechtstreeks bij de medische raad van het ASZ Aalst AV een adviesaanvraag in te dienen. Op 7 juli 2004 vragen de voorzitter en de secretaris van het OCMW van Wetteren het advies van de medische raad van het ASZ Aalst AV. 3.
  16. Bij gebrek aan een ernstig middel verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing van het sub 3.
  17. vermeld ministerieel besluit van 6 april 2004 bij arrest nr. 136.608 van 25 oktober
  18. In die zaak wordt naderhand afstand gedaan van het geding, zoals wordt vastgesteld in arrest nr. 149.936 van 10 oktober
  19. 3.
  20. Op 21 december 2004 herhaalt de OCMW-raad, na kennisname van voormeld schorsingsarrest, zijn verzoek aan de raad van bestuur van het ASZ Aalst AV om advies te krijgen van de medische raad alsook om -desnoods- zelf over die kwestie advies te vragen aan de medische raad. Dit is het vierde voorwerp van huidig beroep. 3.
  21. Met brieven van 24 december 2004 wordt aan dit besluit gevolg gegeven. Op 3 februari 2005 adviseert de medische raad van het ASZ Aalst AV dat hij zich niet kan uitspreken over de grond van de zaak waarmee hij geen enkele affiniteit heeft. Dit advies wordt door het ASZ Aalst AV op 23 maart 2005 2005 bezorgd. 3.
  22. Hierop besluit de OCMW-raad op 13 april 2005 verzoeker bij wijze van tuchtmaatregel ambtshalve te ontslaan met ingang van 16 oktober
  23. Dit besluit vormt het tweede voorwerp van het voorliggende beroep. 3.
  24. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen beslist op 26 mei 2005 om het tuchtbesluit niet goed te keuren. De deputatie is van oordeel dat door voorafgaandelijk advies in te winnen bij de medische raad nu tegemoet gekomen is aan het voorschrift vervat in artikel 125 van de ziekenhuiswet en dus aan de vernietigingsgrond in het arrest nr. 106.
  25. De deputatie stelt evenwel vast XII-5912-6\31 dat verzoeker noch in kennis werd gesteld van het advies van de medische raad, noch werd opgeroepen om gehoord te worden door de raad van bestuur of de medische raad van het ASZ Aalst AV of door de OCMW-raad van Wetteren, zodat volgens de deputatie de raad voor maatschappelijk welzijn niet rechtmatig tot zijn voorstelling betreffende de toedracht van de feiten is gekomen en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de rechten van verdediging, niet werden gerespecteerd. 3.
  26. Op 14 december 2005 willigt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering een door het OCMW tegen het besluit van de deputatie ingesteld beroep in. Dit besluit is het eerste voorwerp van voorliggend beroep. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  27. De verwerende partijen werpen op dat het beroep niet ontvankelijk is wat het derde en het vierde voorwerp betreft, omdat dit geen uitvoerbare beslissingen en dus geen voor vernietiging vatbare handelingen zijn. 4.
  28. Verzoeker argumenteert dat tegen de derde en vierde aangevochten beslissingen wel een annulatieberoep kan worden ingesteld omdat ze gevolgen hebben voor zijn rechtstoestand en omdat het niet de OCMW-raad maar de beheerder van het ziekenhuis is die luidens de ziekenhuiswet aan de medische raad advies moet vragen. 4.
  29. De als derde en vierde voorwerp aangemerkte beslissingen betreffen slechts een vraag van het OCMW van Wetteren om advies aan de medische raad van het ASZ Aalst AV, al dan niet via bemiddeling van de raad van bestuur van dit ziekenhuis als beheerder ervan. Het zijn voorbereidende handelingen, die nog geenszins de rechtstoestand van verzoeker hebben gewijzigd zoals hij beweert. Het zijn derhalve geen voor vernietiging vatbare handelingen. De exceptie is gegrond. Mocht aan deze adviesaanvragen een onregelmatigheid kleven, dan rijst eventueel de vraag in welke mate dit afkleurt op de eindbeslissing. XII-5912-7\31 Het argument van verzoeker, dat het OCMW te dezen geen advies mocht vragen, gaat evenwel niet op. De Raad van State overwoog in zijn voormeld arrest nr. 136.608 van 25 oktober 2004 inzake ASZ Aalst AV, “dat de eventuele tuchtbeslissing immers genomen wordt door de raad voor maatschappelijk welzijn van Wetteren, orgaan van het OCMW van dezelfde gemeente waarvan [verzoeker] een personeelslid is en nog steeds geacht wordt te zijn; dat de bestuursorganen van [het ASZ Aalst AV] daarbij over geen enkele bevoegdheid beschikken noch enige verantwoordelijkheid op zich nemen”. Er is geen reden om thans van die zienswijze afstand te nemen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel Uiteenzetting van de middelen
  30. Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift op bladzijde 19 tegelijk twee vernietigingsgronden aan, die hij dan tezamen toelicht. Het eerste middel luidt : “schending van de bepalingen van de OCMW-wet, w.o. artikel 51 van de OCMW-wet-schending van art. 94, par.6 van de OCMW-wet schending van de bepalingen, w.o. art. 18-25 van het inwendig reglement van het OCMW-ziekenhuis”. Het tweede middel luidt : “Schending van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens Schending van de rechten van verdediging en het recht van eenieder op een fair en eerlijk proces schending van het hoorrecht en het recht zijn standpunt naar voor te brengen”. Hier voegt verzoeker aan toe dat “voormelde drie middelen” (sic) “tevens een onderdeel vormen van de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur (artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991)”. Het grieft verzoeker dat de bestreden beslissingen van 5 mei 2004 en 21 december 2004 en de briefwisseling tussen verwerende partij en het ASZ Aalst AV en de medische raad niet aan hem werden meegedeeld, dat hij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord met betrekking tot het voorstel tot sanctie XII-5912-8\31 of de genoemde briefwisseling, dat hij niet is gehoord door de medische raad, dat er geen advies is gegeven door het beheerscomité hoewel dit vereist is voor beslissingen met een financiële weerslag voor het ziekenhuis. Verzoeker merkt op dat de sanctie van het ontslag niet voorkomt in de lijst van tuchtstraffen bepaald in artikel 25 van het reglement van Orde van de medische organisatie van het ziekenhuis. De rechten van de verdediging noemt verzoeker nog geschonden omdat het dossier onvolledig is, omdat hij pas meer dan tien jaar na de feiten werd ondervraagd, omdat in die omstandigheden bepaalde personen niet meer als getuigen opgeroepen konden worden, omdat er geen medische raad meer was die -tenminste met affiniteit met de zaak- advies kon verlenen, omdat die medische raad over een onvolledig dossier beschikte en omdat de raadsleden die over hem een beslissing hebben genomen niet verondersteld kunnen worden terug te komen op eerdere beslissingen die zij in het verleden hebben genomen. Beoordeling 6.
  31. In welk opzicht artikel 51 van de OCMW-wet geschonden zou zijn wordt door verzoeker niet toegelicht. De schending ervan is niet ontvankelijk aangevoerd. Overigens verwijst dit artikel 51 van de OCMW-wet voor de tuchtstraffen die aan personeelsleden van het OCMW opgelegd kunnen worden naar artikel 283 van de nieuwe gemeentewet, dat op zijn beurt bij de maximumstraffen “het ontslag van ambtswege” vermeldt. Verwerende partij vermocht bijgevolg wel degelijk het ontslag als tuchtsanctie op te leggen. 6.
  32. Verzoeker heeft er geen belang bij om te doen gelden dat het intern reglement van het OCMW-ziekenhuis toentertijd de afzetting en niet het ontslag vermeldde, aangezien het ontslag milder is in zijn gevolgen dan de afzetting. Overigens kan een intern reglement niet afwijken van een wettelijke bepaling. 6.
  33. Artikel 94, § 6, van de OCMW-wet verwijst naar beslissingen “met financiële weerslag” die betrekking hebben op het beheer van het ziekenhuis als bedoeld in artikel 94, § 3, van de OCMW-wet. De aangevoerde paragraaf 6 van artikel 94 heeft niet de draagwijdte die verzoeker er aan geeft, en is hoe dan ook niet XII-5912-9\31 te lezen als zijnde van toepassing op een tuchtprocedure ten aanzien van een OCMW-personeelslid. 6.
  34. Verzoeker beklaagt zich er over dat hij over feiten van 1991 slechts is gehoord in
  35. Preciezer is het, te stellen dat hij opnieuw in de gelegenheid is gesteld om over die feiten gehoord te worden. Het OCMW heeft immers niet nagelaten bij aanvang van de tuchtprocedure, meer bepaald op 9 oktober 1991, verzoeker op te roepen voor een tuchtverhoor. In antwoord op die brief van de OCMW-raad waarbij hij opgeroepen werd om op 15 oktober 1991 gehoord te worden, heeft verzoeker zich telefonisch verontschuldigd en heeft hij zijn argumentatie schriftelijk naar voor gebracht. Hij heeft bij die gelegenheid niet gevraagd naar een latere datum voor het verhoor, hetgeen de minister in zijn goedkeuringsbesluit van 13 november 1995 er toe bracht vast te stellen “dat de raad hieruit kan besluiten dat de betrokkene verzaakt aan het recht gehoord te worden”. In ieder geval stelt de Raad van State vast dat verzoeker toentertijd nooit heeft gevraagd om getuigen op te roepen, om inzage te krijgen in de wachtlijsten of om andere documenten aan het dossier toe te voegen. De OCMW-raad heeft de tuchtprocedure hernomen waar ze volgens de Raad van State was misgelopen. Dat verzoeker in 2003 toch een nieuwe kans kreeg om zich voor de OCMW-raad te verdedigen kan aan de eerste verwerende partij moeilijk kwalijk worden genomen. 6.
  36. In het arrest nr. 136.608 van 25 oktober 2004 overwoog de Raad van State met betrekking tot het gegeven dat de oorspronkelijke medische raad geen advies kan verlenen en dat het voorgeschreven advies dan werd gevraagd aan de medische raad van het ASZ Aalst AV, “dat, te dezen evenwel het Emmanuel Ziekenhuis waaraan Jean-Pierre Dengis verbonden was materieel opgehouden heeft te bestaan doch het juridisch door fusie is opgegaan in de autonome verzorgings- instelling ASZ Aalst [AV]; dat het voorschrift om het advies in te winnen van de medische raad van het ziekenhuis waaraan Jean-Pierre Dengis verbonden was dan ook niet in de letterlijke zin kan worden nageleefd; dat het recht voor de betrokkene om over zijn zaak een advies verleend te zien daarentegen blijft bestaan en eraan het best tegemoet kan worden gekomen door een advies te vragen aan de medische raad van het in rechte opvolgend ziekenhuis waarnaar de medische activiteiten van het voornoemde Emmanuel Ziekenhuis zijn overgedragen, te weten [het ASZ Aalst AV]; dat zulks alleszins meer met de vereisten van de wet zou stroken dan het XII-5912-10\31 advies in te winnen van de nog te bereiken artsen die ten tijde dat de eerste, vernietigde tuchtstraf werd uitgesproken tegen Jean-Pierre Dengis, deel uitmaakten van de medische raad van het Emmanuel Ziekenhuis”. De Raad van State blijft deze zienswijze ook voor de huidige zaak toegedaan. Dat de medische raad van het ASZ Aalst AV dan weer meent geen inhoudelijk advies te kunnen geven, kan niet tot gevolg hebben dat de tuchtoverheid zonder bevoegdheid zou vallen. Alleszins heeft verwerende partij het recht van verzoeker om over zijn zaak door de medische raad een advies verleend te zien - vernietigingsgrond voor de eerst opgelegde afzetting- naar best vermogen en volgens de aanwijzingen van ’s Raads arresten nageleefd en vervolgens daaruit mogen afleiden dat het advies van de medische raad “hoe dan ook geen enkel element aanbrengt dat een aanleiding of een reden uitmaakt om het voorstel tot de sanctie van het ontslag van ambtswege geheel of gedeeltelijk te wijzigen of te herzien”. 6.
  37. Geen regel of beginsel verplicht de medische raad er toe om het betrokken personeelslid te horen alvorens aan de tuchtoverheid een advies over het voorgenomen ontslag te geven. Het recht van verdediging omsluit immers niet het recht om ook voor de medische raad zijn standpunt uiteen te zetten. De Raad van State ziet a fortiori dan ook niet op grond van welke regel of beginsel de voorbereidende handelingen en briefwisseling die vereist zijn om dit advies te vragen, aan verzoeker ter kennis moeten worden gebracht. Over de beweerde onvolledigheid van het dossier dat aan de medische raad was voorgelegd -nog daargelaten dat verzoeker in het verzoekschrift niet concretiseert om welke stukken het zou gaan- sluit de Raad van State zich in de gegeven omstandigheden eveneens aan bij de overweging in het ministerieel besluit “dat zelfs indien wordt vastgesteld dat het advies van de medische raad melding maakt van een onvolledig dossier, moet opgemerkt worden dat het gebrek aan affiniteit met de zaak, zoals vermeld in dit advies, ook bij een vervolledigd dossier tot dezelfde uitspraak zal leiden”, zodat verzoeker bij deze grief geen belang heeft. 6.
  38. Verzoeker is na het advies van de medische raad niet meer opnieuw gehoord door verwerende partij. Het bestreden tuchtbesluit overweegt ter zake “dat er zich tussen 5 mei 2004, datum van het raadsbesluit houdende formulering van het voorstel tot sanctie, en vandaag evenmin andere feiten of XII-5912-11\31 gebeurtenissen voorgedaan hebben die een aanleiding of een reden uitmaken om het voorstel tot de sanctie van het ontslag van ambtswege geheel of gedeeltelijk te wijzigen of te herzien” en “dat de Raad de motivering van het voorstel tot sanctie, zoals uitgedrukt in zijn besluit van 5 mei 2004, bijgevolg onverkort handhaaft en voor zover nodig uitdrukkelijk herneemt”. In het bestreden ministerieel besluit overweegt de minister daarover “dat het aanvragen en bekomen van een bijkomend stuk desgevallend aan de betrokkene moet voorgelegd worden indien het enige toegevoegde waarde heeft die medebepalend is bij de beslissing; dat in casu moet vastgesteld worden dat dit niet het geval is vermits het advies van de medische raad van 3 februari 2005 enkel inhoudt dat geen uitspraak wordt gedaan over de zaak”. Zich aansluitend bij deze overwegingen ziet ook de Raad van State niet in waarom de OCMW-raad in de heel bijzondere omstandigheden van deze zaak verzoeker nogmaals had moeten horen, gelet op de inhoud -of beter, gebrek aan inhoud- van het advies van de medische raad. Verzoeker ziet in zijn verzoekschrift als reden voor, en dus zijn belang bij, zulk een nieuw verhoor, dat de raadsleden “over de opmerkingen van verzoeker [hadden] kunnen beschikken om tot een besluitvorming te komen en had verzoeker ook kunnen laten opmerken dat hij nog vooraf diende gehoord te worden én door het beheerscomité én door de medische raad”. Hiervoor is reeds vastgesteld dat noch het beheerscomité, noch de medische raad verzoeker moesten horen; zijn eventuele andere opmerkingen had hij reeds aan de OCMW-raadsleden kunnen voorleggen bij de verschillende hoorzittingen die aan zijn zaak zijn gewijd en waarop het gemotiveerd voorstel tot ontslag is gevolgd. 6.
  39. Dat, ten slotte, sommige getuigen na tien jaar niet meer opgeroepen konden worden en dat dezelfde raadsleden een beslissing nemen na een eerdere nietigverklaring, zijn algemene beschouwingen die door verzoeker in de beide besproken middelen niet voldoende concreet zijn onderbouwd om een schending aan te tonen van de rechten van verdediging, eensdeels, of van het beginsel van een fair en eerlijk proces, anderdeels. Hiervoor is overigens reeds opgemerkt dat verzoeker in 1991, toen alle getuigen nog identificeerbaar en oproepbaar waren, daaromtrent geen enkel verzoek heeft geformuleerd. Voor laatstgenoemd aspect van verzoekers grieven moge ook naar de bespreking van het vierde middel worden verwezen. XII-5912-12\31 6.
  40. Besluit van wat voorafgaat is, dat het eerste en tweede middel niet gegrond zijn. Wat verzoeker daaraan toevoegt als “de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur (artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991)” is overigens bij gebrek aan nadere toelichting voor de Raad van State een enigma. De wet van 29 juli 1991 heeft betrekking op de formele-motiveringsplicht. Die bij wet geregelde verplichting tot uitdrukkelijke motivering is géén algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Wat aldus aangevoerd wordt is een contradictio in terminis. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  41. Het derde middel is geput uit de schending van “de plicht tot zorg- vuldige bewijsvoering”, “eveneens een onderdeel van het middel van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur (artikel 2 en 3 van de wet van 29/07/1991)”. Verzoeker betoogt dat het dossier waarop “de raadsleden” zich moesten steunen onvolledig was omdat gegevens ontbraken met betrekking tot “het inwendig reglement”, de “beraadslaging van het Comité”, de personeelsleden aan- wezig tijdens de bewuste wacht en een voorafgaand verhoor door het beheerscomité van belangrijke getuigen. Hij herhaalt voorts dat hij niet op de hoogte werd gebracht van de beslissingen van 5 mei 2004 en van 21 december 2004 en de daarbij aansluitende briefwisseling met het ASZ Aalst AV en de medische raad en dat hij niet in de gelegenheid werd gesteld om te worden gehoord met betrekking tot die beslissingen en briefwisseling en dat hij niet is gehoord door de medische raad. Beoordeling 8.
  42. De OCMW-raad overwoog : “dat de bezwaren wat betreft de beweerde onvolledigheid van het dossier betreft ongegrond zijn omdat * dr. Dengis er ten onrechte van oordeel schijnt te zijn dat de huidige tuchtprocedure als finaliteit heeft de door de Raad van State ongedaan gemaakte tuchtprocedure aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, terwijl de XII-5912-13\31 tuchtprocedure volledig hernomen is vanaf het punt waarop de raad kennis heeft genomen van het hoger vermeld besluit van het Beheerscomité van 13 september 1991 * de elementen van het dossier dat destijds aan de Raad van State is voorgelegd geweest geen enkele relevantie meer hebben voor het verloop van de huidige tuchtprocedure * vanaf het ogenblik van de herneming immers een volkomen nieuwe procedure afgehandeld wordt, gebaseerd op de elementen van het dossier zoals het door de raad is samengesteld en aan dr. Dengis samen met de ten laste gelegde feiten is medegedeeld * de raad tijdens de hoorzittingen bij monde van de voorzitter aan dr. Dengis volop en bij herhaling de gelegenheid heeft geboden om stukken aan het dossier toe te voegen, maar dat de werkelijkheid is dat dr. Dengis van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, met uitzondering van een afschrift van het Reglement van Orde van de Medische Organisatie van het Emmanuelziekenhuis dat door mter. Beuselinck nog in extremis werd doorgefaxt tijdens de afronding van de laatste hoorzitting door de raad * het trouwens niet geheel duidelijk is wat de raad zich moet voorstellen bij het verwijt dat ‘het dossier waarop de raadsleden zich moeten baseren om een beslissing te nemen slechts de helft van de stukken bevat die in het dossier zouden moeten aanwezig zijn’ * het trouwens onzinnig is om te klagen over de afwezigheid van gegevens betreffende ‘de personeelsleden aanwezig tijdens de bewuste wacht’ aangezien dr. Dengis volmondig toegeeft dat hij op 1 september 1991 niet in het ziekenhuis aanwezig is geweest, of nog over de afwezigheid van gegevens betreffende ‘een voorafgaand verhoor door het Beheerscomité van belangrijke getuigen’ als dergelijk verhoor nooit plaats gevonden heeft, en als aan betrokkene volop de gelegenheid is geboden om de getuigen van zijn keuze door de raad te laten oproepen”. 8.
  43. Het door de OCMW-raad in aanmerking genomen tuchtfeit is “dat dr. Dengis nagelaten heeft om op zondag 1 september 1991 de medische permanentie in het Emmanuelziekenhuis waar te nemen, en dat hij eveneens verzuimd heeft om op een ernstige en verantwoordelijke wijze in zijn vervanging te voorzien aangezien hij met zijn vervang(st)er nooit een rechtstreeks contact heeft gehad en zelfs niet wist wie verondersteld werd om die dag zijn wachtdienst voor zijn rekening waar te nemen”. Het belang voor verzoeker om in het tuchtverhoor getuigen op te roepen of bepaalde documenten te doen voorleggen moet in het licht van wat nuttig is als verweer tegen dit tuchtfeit worden geapprecieerd. Het algemene betoog van verzoeker doet zelfs geen poging om de hiervoor aangehaalde overwegingen van het tuchtbesluit, waarmee de OCMW-raad reeds een concreet antwoord gaf op dezelfde grief, te weerleggen en kan bijgevolg niet aantonen dat bepaalde feiten onterecht voor bewezen zijn gehouden. 8.
  44. De toelichting die verzoeker verder nog geeft bij het derde middel is een herhaling van grieven die hij reeds uiteenzet in de toelichting bij het eerste en XII-5912-14\31 het tweede middel. Om dezelfde redenen die de Raad van State doen besluiten dat de in die middelen aangevoerde bepalingen en beginselen niet gegrond zijn, inzonderheid dan nog de vaststelling dat verzoeker geen recht kan doen gelden om door de medische raad te worden gehoord, is ook de “plicht tot zorgvuldige bewijsvoering” niet geschonden. 8.
  45. Het middel is ongegrond. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  46. In het vierde middel wordt de schending aangevoerd van het recht op een onpartijdige behandeling en van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Verzoeker wijst er op dat de leden D.L. en V.M. die zetelden bij de thans bestreden beslissing ook betrokken waren als lid van het beheerscomité bij het nemen van de eerste onwettige beslissing van de afzetting. Dokter V.M. fungeerde ook als getuige. Aldus is volgens verzoeker het recht op een onpartijdige behandeling geschonden. Dit argument werd door de minister volgens verzoeker geenszins beantwoord. Beoordeling 10.
  47. De waarborgen die artikel 6.
  48. EVRM biedt voor een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige “rechterlijke instantie” zijn van toepassing op gerechtelijke beslissingen, en kunnen niet betrokken worden, zoals te dezen, op een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als orgaan van actief bestuur. Uit het oogpunt van de vereisten die gesteld zijn bij artikel 6 EVRM is het voldoende, dat uiteindelijk een beroep mogelijk is bij een rechterlijke instantie die aan de bij artikel 6 EVRM gestelde vereisten voldoet. Er blijkt niet -en verzoeker voert zelfs niet aan- dat daar door de Raad van State te dezen niet aan voldaan zou zijn. Het middel, gesteund op artikel 6 EVRM, faalt in rechte. XII-5912-15\31 10.
  49. Aangenomen wordt wel dat het algemeen rechtsbeginsel dat besloten ligt in de rechtsspreuken “Justice should not only be done, but should also be seen to be done” en “Likelihood of bias” ook toepassing vindt in tuchtaangelegenheden die binnen het actieve bestuur hun beslag krijgen. De Raad van State vermag op grond van de schending van het besproken algemeen rechtsbeginsel een beslissing slechts te vernietigen voor zover de eigen aard, meer bepaald de specifieke structuur van het bestuur de toepassing van het genoemde beginsel niet onmogelijk maakt. De toepassing ervan mag ook de totstandkoming van regelmatige beslissingen niet verhinderen. Als de OCMW-raad na een vernietiging door de Raad van State van een tuchtmaatregel die hij aan een personeelslid heeft opgelegd opnieuw het tuchtdossier in overweging neemt en de procedure herneemt, oefent hij de hem door de wetgever opgedragen tuchtmacht uit. Het enkele feit dat die bij een eerste poging niet regelmatig werd uitgeoefend levert op zich niet het bewijs dat het bestuur bij dit hernemen de zaak niet langer onpartijdig kan behandelen en belet bijgevolg niet dat opnieuw tot het opleggen van een tuchtmaatregel wordt besloten. Objectieve onpartijdigheid is dan ook niet aangetoond. 10.
  50. Blijft dan de vraag of “een aantal leden” van de OCMW-raad beschuldigd kunnen worden van subjectieve, persoonlijke partijdigheid, of tenminste de schijn ervan. Die beschuldiging kan slechts worden aangenomen indien ze gewettigd voorkomt, hetzij dus voldoende gerechtvaardigd is door concrete en precieze feiten. De OCMW-raad heeft op de bezwaren van verzoeker met betrekking tot de vermeende partijdigheid geantwoord : “dat de bezwaren wat betreft de beweerde partijdige behandeling van de zaak ongegrond zijn omdat - de leden van de raad die alle hoorzittingen bijwoonden en hierbij tot de beraadslaging over de tuchtstraf overgaan allemaal in de raad zetelen overeenkomstig alle wettelijke bepalingen ter zake - het feit dat ‘een aantal leden’ (waarmee dr. Dengis vermoedelijk de voorzitter bedoelt ?) ‘zetelden bij het nemen van de eerste onwettige beslissing van afzetting’ geen bezwaar kan zijn aangezien vanaf het ogenblik van de herneming immers een volkomen nieuwe tuchtprocedure afgehandeld wordt, gebaseerd op de elementen van het actueel dossier zoals het nu door de raad is samengesteld en aan dr. Dengis samen met de ten laste gelegde feiten is medegedeeld en gebaseerd op de elementen die nu uit de actuele getuigenissen naar voor komen XII-5912-16\31 - het feit dat dr. [V.M.] destijds vanuit zijn functie als hoofdgeneesheer alle nodige initiatieven nam die nodig waren voor de goede medische organisatie van het ziekenhuis, waaronder de verzekering van de medische permanentie, geen bezwaar vormt om zoals door de wet voorzien de zittingen van het Beheerscomité bij te wonen, laat staan om in dergelijke aangelegenheid als getuige opgeroepen te worden!” Verzoeker leidt de partijdigheid van de voorzitter en van dokter V.M. louter af uit hun aanwezigheid bij eerdere beraadslagingen in 1991 en, wat dokter V.M. betreft, ook uit het feit dat hij als getuige is opgeroepen. Hij laat na om in het inleidend verzoekschrift zelfs maar de minste aanwijzing bij te brengen van mogelijke vooringenomenheid bij deze beide personen en houdt het daaromtrent bij vage en algemene beweringen. Ten overvloede moet worden vastgesteld dat dokter V.M. in de periode 2003-2004 slechts als getuige is opgetreden en dat hij geen lid was van de tuchtoverheid. Het middel kan ook in dit onderdeel niet worden aangenomen. 10.
  51. Nu verzoeker geen twijfel heeft doen rijzen met betrekking tot de onpartijdige behandeling van zijn zaak door het OCMW, was er ook geen reden voor de minister om het tuchtbesluit om die reden te vernietigen. Het is voor verzoeker dan ook zonder belang of de minister op dit argument wel of niet heeft geantwoord. 10.
  52. Het middel kan in geen van zijn onderdelen tot nietigverklaring leiden. D. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  53. In het vijfde middel noemt verzoeker het recht van eenieder op de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn geschonden, middel dat “eveneens als onderdeel kan aanzien worden van de schending van het recht op behoorlijk bestuur”. Verzoeker argumenteert dat hij zich pas in 2003 voor het eerst kon verantwoorden voor de feiten, die dateren van
  54. Het OCMW was er meermaals op gewezen dat vooraf een advies gevraagd moest worden aan de medische raad. XII-5912-17\31 Verzoeker stelt als gevolg van dit tijdsverloop niet meer in de mogelijkheid te zijn alle getuigen op te sporen die hij zou willen laten ondervragen ter weerlegging van de getuigenis van V.M., zoals de verpleegkundigen die deel uitmaakten van de dienst en geneesheren die ondertussen al gestorven zijn. Ook is hem ondertussen de kans ontnomen om advies te krijgen van de toenmalige medische raad. Beoordeling
  55. In het bestreden tuchtbesluit kreeg de grief van verzoeker met betrekking tot het overschrijden van de redelijke termijn de volgende aandacht : “Overwegende dat de argumenten wat betreft de beweerde schending van het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, het recht op het respecteren van de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces betreft, ongegrond zijn omdat - er volkomen ten onrechte geklaagd wordt over ‘het niet meer kunnen opsporen van getuigen’ als die niet bij naam vernoemd worden en als de raad al het nodige heeft gedaan om alle getuigen op te roepen waar betrokkene om verzocht heeft (zelfs in die mate dat hij er zelfs tijdig op gewezen werd dat een door hem verstrekt adres van een van zijn getuigen klaarblijkelijk foutief was en die getuige toch nog tijdig opgeroepen kon worden) - er volkomen ten onrechte geklaagd wordt over ‘het niet meer kunnen opvragen van documenten’ als die niet nader geïdentificeerd worden en als uit het verloop van de hoorzittingen blijkt dat geen enkel door hem met naam vernoemd document, dat in het bezit was van de raad, voor opname in het dossier is geweigerd; dat door de raad bij herhaling en bij monde van de voorzitter de gelegenheid tot opname van alle door klager zelf aan te brengen stukken is aangeboden - het verloop van de procedure met enkele maanden vertraagd is omdat het eerste deel van de hoorzitting op verzoek van betrokkene zelf, verdaagd is van, de voorgestelde data 12 maart of 9 april naar 7 mei 2003, en het derde deel van de hoorzitting eveneens op zijn verzoek verdaagd is van 2 juli naar 3 september 2003”. In de memorie van antwoord voegt eerste verwerende partij daar nog aan toe wat volgt : “Verzoekende partij beweert dan wel dat de redelijke termijn werd overschreden, maar laat na dit concreet aan te tonen. Zo wordt niet aangetoond dat de tuchtoverheid nodeloos heeft getalmd, noch dat de zaak heeft stilgelegen zonder dat hiervoor een aanwijsbare reden bestaat of dat de tuchtprocedure onverantwoorde vertraging heeft opgelopen. Het kan het OCMW van Wetteren niet ten kwade worden geduid dat zij de tuchtprocedure na meer dan 10 jaar heeft heropgestart. Immers, het initiële raadsbesluit dd. 15 oktober 1991, evenals het ministerieel goedkeuringsbesluit dd. 13 november 1991, maakten het voorwerp uit van een annulatieberoep bij Uw Raad. Pas bij arrest van Uw Raad van 29 april 2002, hetzij meer dan 10 jaar na de feiten, werden beide voormelde beslissingen vernietigd. XII-5912-18\31 Het OCMW van Wetteren had derhalve geen andere keuze dan de procedure voor de Raad van State af te wachten, alvorens een nieuwe tuchtprocedure op te starten. Om te oordelen of de tuchtprocedure de redelijke termijn heeft geschonden, quod non in casu, dient als aanvangsdatum dan ook het arrest van Uw Raad van 29 april 2002 te worden weerhouden. Het hiernavolgende overzicht toont aan dat de tuchtoverheid de redelijke termijn allerminst heeft overschreden. Reeds kort na het arrest van Uw Raad van 29 april 2002, heeft het OCMW van Wetteren de tuchtprocedure een eerste maal hernomen op 15 januari 2003, hetgeen resulteerde in het raadsbesluit van 30 oktober 2003, dat evenwel van goedkeuring werd onthouden bij ministerieel besluit dd. 6 april
  56. Deze laatste beslissing werd niet aangevochten bij de Raad van State. Het besluit van de Vlaamse minister van 6 april 2004 waarbij het beroep van het OCMW werd verworpen, is derhalve definitief. In dit besluit oordeelt de Vlaamse minister dat het OCMW van Wetteren de procedure tijdig hernomen heeft. De minister kwam tot de conclusie dat ter zake de procedurevoorschriften dienden gevolgd te worden, zoals die in 1991 van toepassing waren. Daaruit leidt hij af dat de tuchtoverheid bij het hernemen van de tuchtprocedure enkel de verplichting had ‘met bekwame spoed’ op te treden. Uit een analyse van de feitelijke gegevens en in het bijzonder het gegeven van de fusie met het A.S.Z. oordeelde de minister vervolgens dat het OCMW in deze daadwerkelijk met bekwame spoed is opgetreden. De tuchtprocedure werd derhalve tijdig hernomen. De minister verwierp het beroep van het OCMW omdat zijn inziens het advies niet door het bevoegde orgaan aan de juiste medische raad gevraagd werd. Het besluit stelde anderzijds letterlijk: ‘Overwegende dat dit niet verhindert dat de tuchtoverheid de zaak herneemt rekeninghoudend met de supra vermelde argumenten en opmerkingen’. Het OCMW van Wetteren heeft aan deze beslissing navolging gegeven en heeft de zaak andermaal met de vereiste spoed hernomen. Reeds op 5 mei 2004 - amper een maand na het ministerieel besluit van 6 april 2004 - heeft de tuchtoverheid de procedure terug opgestart. Evenwel diende de eerste verwerende partij de tuchtprocedure te onderbreken ingevolge het verzoek tot schorsing en nietigverklaring van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis bij Uw Raad tegen het ministerieel besluit van 6 april
  57. Uw Raad verwierp dit verzoek tot schorsing bij arrest van 25 oktober
  58. Het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis heeft vervolgens op 10 december 2004 afstand gedaan van het verzoek tot nietigverklaring, waarop eerste verwerende partij onverwijld haar vraag tot advies aan de medische raad van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis heeft herhaald op 21 december
  59. De tuchtprocedure resulteerde uiteindelijk in het raadsbesluit van 13 april
  60. Ook de procedures bij de bestendige deputatie van de provincie Oost- Vlaanderen en bij de Vlaamse regering zijn binnen een redelijke termijn afgehandeld”.
  61. Wanneer geen wettelijke of reglementaire bepaling een termijn oplegt voor het afhandelen van een tuchtprocedure, moet een redelijke termijn in acht worden genomen. Om de redelijkheid van de termijn te beoordelen waarmee de voorliggende zaak door het bestuur is afgehandeld, moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van de zaak, en zo in het bijzonder met XII-5912-19\31 inachtneming van het belang ervan voor het betrokken personeelslid, met het gedrag van de betrokken partijen en met de complexiteit van het dossier.
  62. De duur van de door verzoeker zelf opgestarte procedure voor de Raad van State, die op 29 april 2002 geleid heeft tot de nietigverklaring van de eerst uitgesproken tuchtstraf, leidt op zich niet tot het verstrijken van de redelijke termijn en tot de onbevoegdheid van de tuchtoverheid. Verzoeker heeft, hangende die procedure voor de Raad van State, ook nooit uit eigen beweging op een sneller verloop aangedrongen, onder verwijzing naar de redelijke termijn. Ook heeft hij zijn belang bij een spoedige oplossing van de zaak niet benaarstigd door tegen het goedgekeurde tuchtbesluit ook een vordering tot schorsing in te dienen. Het tijdsverloop tussen de betekening van het arrest van 29 april 2002 en het hervatten van de tuchtprocedure op 15 januari 2003 wordt gerechtvaardigd door de fusie van het toenmalige Emmaüsziekenhuis met het ASZ Aalst, hetgeen voor juridische complicaties zorgde die noodzakelijk uitgeklaard dienden te worden. Onderzocht moest worden, onder meer, welk statuut verzoeker had en bijgevolg welk bestuur als tuchtoverheid beschouwd moest worden en, vooral, hoe na de fusie gevolg kon worden gegeven aan het vernietigingsarrest wat het vereiste advies betrof van de medische raad. Het na de hervatting van de tuchtprocedure op 15 januari 2003 op te tekenen tijdsverloop tot het tuchtbesluit van 30 oktober 2003 is in niet geringe mate het gevolg van de herhaalde verzoeken, vanwege de raadsman van verzoeker, tot uitstel van de hoorzittingen. Na de niet-goedkeuring van het dan genomen tuchtbesluit door de deputatie op 18 december 2003 en door de minister op 6 april 2004, heeft het OCMW reeds op 5 mei 2004, rekening houdend met de motieven van het ministerieel besluit, de derde bestreden beslissing genomen. Aan het OCMW kan niet ten kwade worden geduid dat het ondertussen de uitkomst wenste af te wachten van de procedure die het ASZ Aalst AV op 4 juni 2004 instelde tegen het ministerieel besluit van 6 april
  63. Op 25 oktober 2004 is de vordering tot schorsing verworpen en daarop heeft de tuchtoverheid op 21 december 2004 met de vierde bestreden beslissing opnieuw XII-5912-20\31 aangedrongen om het advies te krijgen van de medische raad van het ASZ Aalst AV. De besluitvorming heeft vervolgens geen vertraging opgelopen. Op 3 februari 2005 heeft de medische raad het advies verleend. Dit is op 23 maart 2005 meegedeeld aan het OCMW, dat vervolgens reeds op 13 april 2005 het bestreden tuchtbesluit heeft genomen. In de daarop volgende procedure bij de beroepsinstanties is het dan weer verzoeker die op uitstel van de hoorzitting heeft aangedrongen. Ook in de huidige procedure voor de Raad van State vordert verzoeker niet de schorsing van tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten, noch dringt hij anderszins aan op een versnelde behandeling.
  64. Betrokken op de geschetste gegevens van het voorliggende dossier en afgewogen tegen, vooral, de complexiteit van het dossier en, in ondergeschikte mate, de respectievelijke houding van verzoeker en van eerste verwerende partij, acht de Raad van State de redelijke-termijneis niet geschonden. Voor zoveel verzoeker zich door het tijdsverloop ook geschaad noemt in zijn rechten van verdediging, heeft de Raad van State hierop al geantwoord bij de beoordeling van de vorige middelen. E. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  65. Het zesde middel is geput uit de schending van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, van het gelijkheidsbeginsel en van artikel 10 en 11 van de Grondwet. Verzoeker verwijst naar de eerste vijf middelen. Hij voegt daar vier opmerkingen bij: - de OCMW-raad heeft nagelaten de nodige stukken bij het dossier te voegen en de procedure op een correcte manier te voeren; - de wettelijke bepalingen met betrekking tot het advies van de medische raad zijn niet nageleefd; - de secretaris stelt ten onrechte in zijn verslag dat er recidive is; XII-5912-21\31 - verzoeker is onterecht op dezelfde wijze behandeld als de geneesheren S. en U. die diverse malen foutief hebben gehandeld. Beoordeling
  66. Het middel valt grotendeels samen met reeds besproken en verworpen grieven van verzoeker in de vorige middelen. Wat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, stelt de Raad van State vast dat verzoeker voorts slechts in zijn laatste opmerking een grief onder woorden brengt die te begrijpen valt als een zaak van gelijke of ongelijke behandeling. Het blijft echter bij een algemene bewering dat verzoeker onterecht even streng zou zijn gestraft als twee andere geneesheren, zonder die grief te concretiseren of te onderbouwen. Het valt niet toe aan de Raad van State om dat in zijn plaats te doen, en evenmin om uit het administratief dossier vervolgens de gegevens te puren die deze stelling zouden kunnen onderbouwen. Nochtans is niet ipso facto een schending van het gelijkheidsbeginsel aangetoond, wanneer een tuchtoverheid bij veronderstelling een zelfde straf oplegt voor uiteenlopende tuchtvergrijpen. De Raad van State merkt overigens op dat het bepalen van een tuchtsanctie behoort tot de discretionaire beoordelingsvrijheid van de tuchtoverheid, waarbij deze onder meer rekening houdt met de van geval tot geval en van persoon tot persoon verschillende omstandigheden. In zoverre het is geput uit de schending van het gelijkheids- beginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het als middel niet ontvankelijk. Het wordt bijgevolg in zijn geheel verworpen. F. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
  67. Het zevende middel is geput uit de schending van de motiveringsplicht. Volgens verzoeker zijn zowel “de beslissing van de OCMW- raad” (verzoeker bedoelt wellicht het tuchtbesluit) als de beslissing van de minister onvoldoende gemotiveerd. De OCMW-raad mocht zich niet beperken tot een verwijzing naar de raadsbeslissing van 30 oktober 2003 maar moest ook verwijzen XII-5912-22\31 naar processen-verbaal van verhoren, motiveren waarom verzoeker niet meer gehoord werd over de briefwisseling met en het advies van de medische raad en waarom de bemiddelingsprocedure niet werd opgestart, waarom de tuchtoverheid tot een tuchtmaatregel vanaf 16 oktober 1991 kwam en waarom geen rekening werd gehouden met de diverse geneesheren-getuigen die vonden dat een ontslag niet in verhouding is tot het spijtig voorval. De minister van zijn kant houdt in de motivering van zijn besluit geen rekening met de argumenten die verzoeker heeft aangevoerd in zijn nota en ter zitting en de minister verwijst naar niet-ondertekende processen-verbaal van verhoor die geleid hebben tot het nemen van een onwettige beslissing van 30 oktober
  68. Beoordeling
  69. Uit de toelichting bij het middel blijkt dat verzoeker er een schending mee wil aanbrengen van de formele-motiveringsplicht, aangezien hij de verwerende partijen verwijt niet uitdrukkelijk te hebben geantwoord op bepaalde van zijn grieven.
  70. In tuchtzaken moet de tot uitdrukking gebrachte motivering de bestuurde duidelijk maken welke feiten het bestuur in aanmerking heeft genomen, waarom die feiten, indien zulks niet duidelijk is, een inbreuk op de tucht uitmaken en waarom zij de uiteindelijk opgelegde tuchtstraf rechtvaardigen. De formele- motiveringsplicht vereist evenwel niet dat verzoeker in de bestreden beslissingen op élk van zijn grieven en argumenten een antwoord moet kunnen terugvinden. Het volstaat dat de bestuurde er de redenen in kan terugvinden die de beslissing verantwoorden en die, minstens impliciet, aangeven waarom de aangevoerde tegenargumenten niet konden overtuigen. De bestuurde moet alzo kunnen inschatten of het zinvol is zich tegen de beslissing op te komen met de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen.
  71. Het bestreden tuchtbesluit, door zich de motieven van het tuchtvoorstel van 5 mei 2004 uitdrukkelijk eigen te maken, gaat niet alleen breedvoerig in op de feiten maar ook op de omstandigheden ervan die als verzwarend worden aangemerkt. Daarmee is onrechtstreeks maar duidelijk gesteld waarom volgens het OCMW het “spijtig voorval” toch een zware sanctie moest krijgen, zelfs al waren sommige geneesheren die destijds zetelden in de medische raad een andere mening toegedaan. Het tuchtbesluit heeft ook puntsgewijs aandacht XII-5912-23\31 voor dit en de andere elementen van verweer die verzoeker deed gelden. Hiervoor is reeds vastgesteld dat verzoeker geen aanspraak kon maken op een nieuw verhoor na het advies van de medische raad; de vaststelling dat dit advies geen inhoudelijke elementen bevat volstaat als formele redengeving.
  72. Betrokken op het ministerieel besluit laat verzoeker na in de uiteenzetting van zijn middel aan te duiden welke van zijn argumenten niet zouden zijn beantwoord door de minister. Zoals hiervoor is aangehaald, heeft de minister uitdrukkelijk uiteengezet waarom naar zijn oordeel verzoeker niet opnieuw moest worden gehoord na het advies van de medische raad. Over de feiten, het tuchtrechtelijk laakbaar karakter ervan en de opgelegde sanctie geeft de minister volgende, formele motivering : “Overwegende dat het raadsbesluit van 13 april 2005 verwijst naar het raadsbesluit van 5 mei 2004 waarin op uitvoerige wijze de feiten en tenlasteleggingen worden uiteengezet en gemotiveerd; dat ook de argumentatie van de verdediging in dit besluit wordt besproken; Overwegende dat wordt ingestemd met de motivering van het tuchtbesluit en dat moet aangenomen worden dat de feiten bewezen zijn; dat haar aanleiding van het verhoor van zijn zogenaamde vervangster op 3 september 2003 bij de heropgestarte tuchtprocedure, ingevolge het vernietigingsarrest van de Raad van State van 29 april 2002, betrokkene niet ontkent dat hij mogelijk niet zijn vervangster heeft gecontacteerd maar een ander persoon die zich zelf liet vervangen; dat het procesverbaal van dit verhoor weliswaar niet werd ondertekend maar dat dit gevoegd werd bij het dossier dat werd ingediend bij de beroepsinstantie dat door betrokkene werd ingekeken; dat betrokkene dit essentieel stuk kon zien en er aldus opmerkingen kon over maken, quod non; dat bijgevolg die verklaring zowel van zijn zogenaamde vervangster betreffende het feit dat zij nooit enig contact heeft gehad met betrokkene, als zijn eigen verklaring inzake die vervanging waarover supra, ertoe leiden van te moeten stellen dat betrokkene niet al het nodige heeft gedaan om in zijn vervanging te voorzien zodat de dienst kon verzekerd worden; Overwegende dat het niet volstaat van iemand te contacteren om in te springen, maar dat, indien men geen sluitende garantie heeft dat die vervanging effectief plaatsvindt, men al het nodige moet doen om de dienst te verzekeren; dat niet wordt ontkend dat het de verantwoordelijkheid is van de betrokken geneesheer om de dienst te garanderen door hemzelf of via vervanging; Overwegende dat zoals door de tuchtoverheid tijdens het verhoor door de beroepsinstantie nogmaals gesteld, de medische raad in de loop van 1991 en dus in de tijdspanne kort voor het voorval, meerdere malen gewezen heeft op het belang van de permanenties voornamelijk met het oog op de riziv-controles die kunnen leiden tot intrekking of stopzetting van de ziekenhuiserkenning bij niet-verzekering van de permanenties; dat dit door betrokkene niet wordt tegengesproken; dat gelet op het belang dat gehecht wordt aan de verzorging van de permanenties en de melding hiervan aan het medisch personeel, de feiten zwaarwichtig zijn omdat het voorkomt dat betrokkene zich hier geen rekenschap van gegeven heeft ondanks de recente berichten van de medische raad hierover; dat dit zijn betrouwbaarheid ernstig hypothekeert”. XII-5912-24\31 Waarom die verwijzing door de minister naar de voorgaanden in deze procedure of naar niet-ondertekende processen-verbaal de formele- motiverings-plicht zou schenden wordt niet toegelicht en door de Raad niet ingezien.
  73. Het middel is ongegrond. G. Achtste middel Uiteenzetting van het middel
  74. In het achtste middel voert verzoeker de schending aan “van de wet op de bepalingen van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, w.o. art. 125, 7/ en volgende (w.o. art. 127 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen) van de gedeeltelijk reeds uitgewerkt in de bepalingen van het inwendig reglement (w.o. art. 18 en 25 van het reglement)”. Verzoeker schetst hoe volgens artikel 125, 7/, van de ziekenhuis- wet de procedure gevoerd moet worden bij afzetting van een geneesheer, hetgeen volgens hem niet is gebeurd: geen onderzoek vooraf door de hoofdgeneesheer, geen verhoor onmiddellijk na de feiten, geen advies van de medische raad die de geneesheer moet ondervragen, geen bemiddelingsprocedure en geen verhoor nadien door het OCMW. Beoordeling
  75. Artikel 125, 7/, van de ziekenhuiswet schrijft enkel voor dat bij afzetting -tenzij om dringende reden- een advies van de medische raad gevraagd moet worden. De weigering om advies te geven over de grond van de zaak vertoont analogie met de situatie waarin een medische raad geen advies geeft. Luidens artikel 126, § 2, van de ziekenhuiswet mag een beslissing worden genomen indien na het verstrijken van de termijn van een maand door de medische raad geen advies is uitgebracht. Die bepaling wijst uit dat de wetgever aan de betrokken geneesheer wel de waarborg heeft gegeven dat de medische raad bij zijn zaak betrokken moet worden, zonder evenwel de medische raad tot het geven van een advies te verplichten of de tuchtoverheid bij ontstentenis van een regelmatig gevraagd maar niet of niet tijdig gegeven advies te willen verlammen. XII-5912-25\31 De bemiddelingsprocedure waar verzoeker voorts naar verwijst, is luidens het toenmalig artikel 127, § 1, van de ziekenhuiswet vereist indien de medische raad “een schriftelijk en gemotiveerd advies uitbrengt met een meerderheid van tweederde van de stemgerechtigde leden en indien de beheerder zich niet kan aansluiten bij het advies”. Te dezen heeft de medische raad gemeend onvoldoende affiniteit te hebben met het dossier, en heeft hij bijgevolg géén inhoudelijk advies verleend. Zelfs in de veronderstelling dat voor het ontslag als tuchtmaatregel dezelfde procedure te volgen is als bij de afzetting, dan nog is de voorwaarde voor de bemiddelingsprocedure niet vervuld.
  76. De overige vermeende procedurele tekortkomingen zijn, anders dan verzoeker het beweert, niet in de ziekenhuiswet te lezen. Hoe dan ook is hiervoor reeds vastgesteld dat verzoeker wél werd opgeroepen door het OCMW voor een verhoor maar zelf gemeend heeft met een schriftelijk verweer te kunnen volstaan. Niet blijkt voorts dat een voorafgaandelijk onderzoek door de hoofdgeneesheer of een verhoor onmiddellijk na de feiten substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurestappen zijn, noch toont verzoeker aan op welke wijze hij door de afwezigheid ervan geschaad is geworden. Dit verwondert niet, nu de bedoelde hoofdgeneesheer precies dokter V. M. is die dan toch de feiten aan de tuchtoverheid heeft gesignaleerd en die door verzoeker van partijdigheid wordt beschuldigd. Tenslotte is de grief dat de medische raad geen advies heeft gegeven zonder feitelijke grondslag en is hiervoor reeds vastgesteld dat die medische raad verzoeker niet moest horen.
  77. Het middel is ongegrond. H. Negende middel Uiteenzetting van het middel
  78. Het negende middel is geput uit de schending van het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeker “is [het] duidelijk dat er een kennelijke onredelijkheid bestaat tussen de feiten en de tuchtmaatregel”. Hij meent daarbij te worden gesteund door de getuigenverklaringen van de geneesheren R., B., P. en herhaalt dat geen sprake kan zijn van recidive, waarvan het bewijs louter afhangt van de “totaal waardeloze” verklaring van dokter V.M. Integendeel heeft verzoeker XII-5912-26\31 naast de algemene wachten ook regelmatig de oftalmologiewachten opgevangen van zijn afwezige collega oftalmoloog. Beoordeling
  79. Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Die discretionaire bevoegdheid is begrensd door het redelijkheidsbeginsel, wat inzake tucht impliceert dat een tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid moet staan tot de tuchtfeiten.
  80. Bij het beoordelen van de strafmaat heeft de OCMW-raad het volgende overwogen : “Overwegende dat uit de verklaringen van de hoofdgeneesheer blijkt dat hij aan dr. Dengis voor eerdere, gelijkaardige voorvallen reeds verschillende mondelinge verwittigingen gegeven had omdat er al bij herhaling niemand was opgedaagd wanneer dr. Dengis de medische permanentie moest waarnemen; Overwegende dat, alhoewel de hoofdgeneesheer daarbij geen concrete data vermeldt of briefwisseling aanhaalt, hij zich ter zake toch zeer formeel uitspreekt en dat zijn verklaringen ook ondersteund worden door het feit dat er naderhand door de Medische Raad, daarin bijgetreden door het Beheerscomité, in dezelfde zin aan alle geneesheren een zeer formele waarschuwing is uitgestuurd precies omdat er regelmatig problemen waren rond het vervullen van de medische permanentie. Overwegende immers dat dr. Dengis er twee maand voor de feiten door de Medische Raad per aangetekende of tegen ontvangstbewijs overhandigde brief van 4 juli 1991 nog op gewezen werd ‘dat de medische permanentie correct diende vervuld te worden door de geneesheer van wacht’, waarbij hij/zij zich weliswaar kon laten vervangen maar diende te onthouden dat hij/zij ‘steeds verantwoordelijk bleef voor het eventueel aanwezig zijn van die vervanger’, en dat het dus goed was met de persoon in kwestie duidelijke afspraken te maken’; dat dr. Dengis twee weken voor de feiten per brief van 20 augustus 1991 door het Beheerscomité nog aan het schrijven van 4 juli 1991 van de Medische Raad herinnerd werd; Overwegende dat het feit dat dr. Dengis op 1 september 1991 zijn wachtdienst verzuimde na herhaalde mondelinge verwittigingen van de hoofdgeneesheer en na een uitdrukkelijke (want aangetekende of tegen ontvangstbewijs te overhandigen) schriftelijke verwittiging van de Medische Raad, hierin naderhand en eveneens schriftelijk bijgetreden door het Beheerscomité, een verzwarende omstandigheid is. [...] Overwegende dat de verklaringen van dr. [V.M.], met name dat hij dr. Dengis bij eerdere problemen omtrent het niet waarnemen van zijn medische wacht al bij herhaling mondeling verwittigd had, door betrokkene afgedaan worden als zijnde totaal ongeloofwaardig en tegengesproken door al de andere getuigenissen; XII-5912-27\31 Overwegende echter dat uit de procesverbalen van de hoorzitting blijkt dat de verklaringen van de getuigen ter zake, in tegenstelling tot de verklaringen van dr. [V.M.], niet zo formeel zijn als betrokkene laat uitschijnen aangezien: - dr. [R.] inzake het al dan niet recidiveren geen enkele uitspraak heeft gedaan - dr. [P.] enkel verklaard heeft dat er ‘onder collega’s’ geen problemen waren met dr. Dengis, wat wellicht iets zegt over de omgangsvormen van en de onderlinge professionele relatie met dr. Dengis, maar ook niet meer dan dat - enkel dr. [B.] verklaard heeft ‘dat hem zeker niet bekend was dat er in hoofde van dr. Dengis sprake was van recidive’ Overwegende dat deze verklaring van dr. [B.] enkel betekent dat hij geen weet had van mondelinge verwittigingen van dr. [V.M.] aan dr. Dengis, wat niet verwonderlijk is aangezien het om mondelinge en dus persoonlijke gesprekken ging waarvan moeilijk kan aangenomen worden dat zij systematisch door de hoofdgeneesheer aan de andere ziekenhuisgeneesheren bekend gemaakt werden. Overwegende dat de verklaringen van dr. [V.M.] integendeel wel ondersteund worden door het feit dat er naderhand door de Medische Raad, daarin bijgetreden door het Beheerscomité, in dezelfde zin aan alle geneesheren een zeer formele waarschuwing is uitgestuurd precies omdat er regelmatig problemen waren rand het vervullen van de medische permanentie. Overwegende dat de bewering van dr. Dengis, dat de verklaringen van dr. [V.M.] betreffende de recidive ‘tegen de waarheid in en tegen de getuigenverklaringen in van alle andere getuigen en tegen de inhoud van de stukken die voorliggen’ zouden zijn nergens op slaat aangezien - een nauwgezet onderzoek van de hoorzittingen uitwijst dat enkel dr. [B.] ter zake een uitspraak heeft gedaan die bij nader onderzoek de verklaringen van dr. [V.M.] niet tegenspreekt, maar enkel aangeeft dat hem geen recidive ‘bekend was’ - het niet duidelijk is welke ‘voorliggende stukken’ de verklaringen van dr. [V.M.] tegenspreken - de stukken die zich in het tuchtdossier bevinden, met name de brieven van de Medische Raad en van het Beheerscomité, en die een zeer formele waarschuwing inhouden precies omdat er regelmatig problemen waren rond het vervullen van de medische permanentie, de verklaringen van dr. [V.M.] veeleer ondersteunen en er zeker geen afbreuk aandoen C.Overwegingen met betrekking tot de bezwaren van dr. Dengis / mter. Beuselinck aangaande de verklaringen van dr. [V.M.] Overwegende dat dr. Dengis zich niets ongelegen laat om de verklaringen van dr. [V.M.] direct en indirect in twijfel te trekken en daarbij - zoals hierboven reeds aangetoond ten onrechte beweert dat de verklaringen van al de andere getuigen de verklaringen van dr. [V.M.] tegenspreken waar het de recidive betreft - ten onrechte beweert dat dr. [V.M.] met betrekking tot dr. Dengis een persoonlijk dossier zou aangelegd hebben, terwijl uit de verklaringen van dr. [V.M.] niets meer kan afgeleid worden dan dat hij uit hoofde van zijn aanwezigheid als hoofdgeneesheer op de zittingen van het Beheerscomité en zijn lidmaatschap van de toenmalige Medische Raad automatisch over bepaalde documenten kon beschikken en die bewaard heeft - ten onrechte de verantwoordelijkheid voor de praktische organisatie van de medische permanentie bij dr. [V.M.] legt, terwijl elke ziekenhuisgeneesheer daar zelf persoonlijk voor verantwoordelijk was; dat dr. [V.M.] terzake immers enkel zijn verantwoordelijkheid als hoofdgeneesheer diende op te nemen, t.t.z. een algemene verantwoordelijkheid voor de goede werking van het medisch departement van het ziekenhuis die wat betreft de medische permanentie uit een controlerend en een coördinerend aspect bestond: controle op de effectieve aanwezigheid van de geneesheren met wachtdienst en coördinatie door te XII-5912-28\31 zorgen voor een beurtrol waarvan alle geneesheren tijdig op de hoogte werden gesteld en waarbij hij als vrijblijvende dienstverlening via zijn secretariaat een lijst van mogelijke vervangende geneesheren ter beschikking stelde - ten onrechte de getuigenis van dr. [V.M.] ‘totaal waardeloos’ noemt omdat hij ‘destijds lid was van het Beheerscomité en zetelde op het ogenblik dat het Beheerscomité de beslissingen nam’, terwijl het lidmaatschap van de hoofdgeneesheer volkomen regelmatig was en hij bovendien met raadgevende en niet met beraadslagende stem de vergaderingen bijwoonde Overwegende echter dat waar dr. [V.M.] als hoofdgeneesheer een vlekkeloze reputatie heeft, in die mate zelfs dat hij na de fusie van het Emmanuelziekenhuis met het toenmalige Aalster Stedelijk Ziekenhuis is aangesteld tot hoofdgeneesheer van het nieuwe Algemeen Stedelijk Ziekenhuis, het integendeel echter dr. Dengis is die zich op onjuiste verklaringen laat betrappen waar het zijn contacten met zijn toenmalige vervangster dr. [S.] betreft. Overwegende immers dat waar dr. Dengis aanvankelijk verklaarde dat - dr. [S.] hem reeds bij eerdere gelegenheden vervangen had - dr. [S.] ook andere collega's reeds bij herhaling vervangen had - dat hij dr. [S.] persoonlijk gecontacteerd had - dat hij achteraf met dr. [S.] contact had opgenomen om er haar op te wijzen dat op zondag een ander uurrooster diende gevolgd te worden, naderhand is gebleken en uiteindelijk door dr. Dengis niet betwist werd dat hij dr. [S.] nog nooit gesproken of gezien had, en dat dr. [S.] de enige wachtdienst die zij in haar carrière ooit heeft waargenomen in feite had overgenomen van een collega-assistent en zeker niet van dr. Dengis, met wie zij ‘nooit enig contact’ had gehad, ‘noch afspraken’ had mee gemaakt, en die haar ‘toen en tot voor kort onbekend was’. C
  81. Overwegingen tot besluit Overwegende dat er uit de hierboven vermelde stukken en overwegingen blijkt dat dr. Dengis op zondag 1 september 1991 zijn afgesproken beurt om de medische permanentie in het Emmanuelziekenhuis te verzekeren niet nagekomen heeft, en verzuimd heeft om op een ernstige en verantwoordelijke wijze in zijn vervanging te voorzien. Overwegende dat dr. Dengis door zijn verzuim niet alleen de continuïteit van de verzorging van de ziekenhuispatiënten in het algemeen en de (potentiële) patiënten van de dienst spoedopname in het bijzonder, maar ook de erkenning van het Emmanuelziekenhuis in het gedrang heeft gebracht. Overwegende dat dr. Dengis op deze wijze kennelijk tekort is gekomen aan zijn beroepsplicht om zijn ambt op een loyale en integere wijze uit te oefenen. Overwegende dat het feit dat het verzuim plaats vond na voorafgaande mondelinge verwittigingen van de hoofdgeneesheer en na een uitdrukkelijke (want aangetekende of tegen ontvangstbewijs te overhandigen) schriftelijke verwittiging van de Medische Raad, hierin naderhand en eveneens schriftelijk bijgetreden door het Beheerscomité, een verzwarende omstandigheid is. Overwegende dat er bijgevolg aanleiding is tot het opleggen van een tuchtsanctie aan dr. Dengis”.
  82. Bij het beoordelen van de evenredigheid van een tuchtmaatregel mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid. Er kan slechts sprake zijn van de schending van het evenredigheidsbeginsel wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar XII-5912-29\31 is dat enige andere zorgvuldige overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. In het licht van de overwegingen van het tuchtbesluit, ziet de Raad van State te dezen geen redenen om te stellen dat de opgelegde straf niet voldoende in verhouding is tot de feiten, op een dergelijke wijze dat moet worden vastgesteld dat de tuchtoverheid bij het opleggen van de sanctie de grenzen van haar beoordelings-bevoegdheid te buiten is gegaan. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de tuchtoverheid geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid lag. Het is nu eenmaal eigen aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid zoals de tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn, die nochtans alle de toets aan de proportionaliteit doorstaan.
  83. Nu niet is aangetoond dat de opgelegde sanctie buiten elke redelijke verhouding staat tot de gepleegde feiten, kan ook de minister niet worden verweten dat hij het tuchtbesluit niet strijdig heeft bevonden met het evenredigheids- beginsel.
  84. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  85. De Raad van State verwerpt het beroep.
  86. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. XII-5912-30\31 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 april 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-5912-31\31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.