id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.101 Rolnummer: A. 175868/XII-4837 Zaak: Arrest 203101 - Schooltucht - 20/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 203.101 van 20 april 2010 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 203.101 van 20 april 2010 in de zaak A. 175.868/XII-4837 In zake:
- Gaël RENIER
- Evelyne NICOLAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de STAD ANTWERPEN - ONDERWIJS - LERENDE STAD,
- het STEDELIJK INSTITUUT VOOR SIERKUNDE EN AMBACHTEN, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 16 augustus 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 19 juni 2006 van de adjunct-directeur van het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten en Ambachten te Antwerpen, om Gaël Renier definitief uit te sluiten uit de school met ingang van 31 augustus
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. XII-4837-1\8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 februari
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ivo Flachet, die loco advocaat Raf Jespers verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Jim Deridder, die loco advocaat Christophe Coen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2005-2006 leerling aan het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten en Ambachten (SISA) te Antwerpen. Hij wordt met ingang van 12 mei 2006 preventief geschorst. Dit wordt via de agenda meegedeeld, met de vermelding dat een aangetekend schrijven volgt. Op 12 of 14 mei 2006, maar alleszins voor 15 mei 2006, stuurt verzoekster, moeder van verzoeker, een e-mail aan de bedrijfsdirecteur van de bedrijfseenheid Lerende Stad en aan de schepen van onderwijs om te protesteren tegen de schorsing. Zij klaagt procedurefouten aan en verwacht dat de schorsing in een normale procedure per aangetekend schrijven aan de ouders gemeld wordt. Zij klaagt aan dat een 18-jarige veroordeeld wordt tot ongeschoolde arbeider. Een consulente van Lerende Stad antwoordt met een e-mail op 15 mei
- Hierin geeft zij toelichting bij de maatregel preventieve schorsing en de tuchtprocedure. Gewezen wordt op het schoolreglement en de aldaar beschreven beroepsprocedures indien zou worden beslist tot definitieve uitsluiting. XII-4837-2\8 In een eveneens 15 mei 2006 gedateerde en aan verzoekster gerichte brief deelt de adjunct-directeur van SISA mee dat een tuchtmaatregel wordt overwogen en dat verzoeker ondertussen vanaf 12 mei 2006 preventief geschorst wordt. Op 16 mei 2006 adviseert de begeleidende klassenraad om verzoeker als tuchtmaatregel de definitieve uitsluiting met ingang van 31 augustus 2006 op te leggen. De voorgestelde datum biedt volgens dit advies aan verzoeker nog de mogelijkheid om aan de proeven deel te nemen en effectief de lessen bij te wonen “op voorwaarde dat er zich geen nieuwe gedragsproblemen voordoen”. Op dezelfde dag nodigt de adjunct-directeur met een aangetekend schrijven verzoekster uit om zich te verdedigen tegen de voorgenomen tuchtmaatregel, hetgeen gebeurt op (maandag) 22 mei
- Aansluitend beslist de adjunct-directeur en deelt hij per aangetekende brief aan verzoekster mee dat verzoeker definitief wordt uitgesloten uit de school met ingang van 31 augustus
- Er wordt op gewezen dat tegen deze beslissing schriftelijk beroep kan worden ingesteld bij de tuchtraad binnen drie werkdagen na ontvangst van deze kennisgeving. Het afgiftebewijs van deze aangetekende zending is op (woensdag) 24 mei 2006 afgestempeld. Met een (zondag) 28 mei 2006 gedateerd schrijven tekent verzoekster beroep aan tegen de tuchtmaatregel bij de tuchtraad. Blijkens de kopie van de poststempel in het administratief dossier is deze brief verstuurd op (dinsdag) 30 mei
- Verzoekster schrijft in haar beroepschrift onder meer : “[...] een strafstudie op 3 mei werd ons niet gemeld. Ondanks de meerderjarigheid van Gaël werd er duidelijk tussen alle partijen tijdens het oudercontact afgesproken dat de communicatie ook verder zou lopen na 26/4/2006, dag waarop Gaël de meerderjarigheid werd [...]”. De tuchtraad deelt verzoekster mee dat haar beroep behandeld wordt op 16 juni 2006 en vult aan : “Uzelf en uw zoon hebben op deze zitting de kans om gehoord te worden”. Op 19 juni 2006 deelt de tuchtraad aan verzoekster mee dat hij op 16 juni 2006 is bijeen gekomen, dat “uzelf, als vertegenwoordiger van uw zoon” is gehoord en dat beslist werd om de opgelegde tuchtsanctie te bevestigen. XII-4837-3\8 VII. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- Verwerende partij werpt op dat verzoeker het georganiseerd beroep niet heeft doorlopen, dat het administratief beroep enkel is ingesteld door verzoekster, dat verzoeker is uitgenodigd voor de hoorzitting, dat hij niet is verschenen. De communicatie tussen de school en verzoekers is volgens afspraak steeds verlopen via verzoekster maar dit geldt niet voor het georganiseerd beroep. Als meerderjarige moest verzoeker zelf voor zijn belangen opkomen. In het eerste middel beroepen verzoekers zich precies op die meerderjarigheid om te stellen dat de uitsluitingsbeslissingen onregelmatig zijn. Volgens verwerende partij moet het beroep ook onontvankelijk worden verklaard ten aanzien van verzoekster, die als moeder van verzoeker niet het vereiste persoonlijk belang heeft bij het beroep.
- Verzoekers betwisten dat er een “afspraak” was om de communicatie na verzoekers meerderjarigheid uitsluitend met zijn moeder voort te zetten. Het feit dat verzoeker nooit de administratieve beroepsprocedure doorliep is een gevolg van het feit dat hem nooit enige beslissing is overgemaakt. Verzoekster betoogt, als moeder van de bij haar inwonende zoon van wie zij de studies betaalde, een materieel en moreel belang te hebben bij het beroep “daar de uitsluiting een langere studieperiode impliceert”. Bespreking
- Verzoeker is geboren op 26 april 1988 en was meerderjarig op het ogenblik dat hij preventief werd geschorst en ook, vanzelfsprekend, bij alle volgende procedurestappen en beslissingen.
- De bestreden beslissing wijzigt de rechtstoestand van verzoeker, niet die van verzoekster. Aangenomen wordt niettemin dat ouders van een minderjarige leerling in onderwijsgeschillen ook in eigen naam kunnen optreden. De ratio legis XII-4837-4\8 hiervoor is te vinden in het gegeven dat de ouders als titularis van het ouderlijk gezag over hun kind tevens de bevoegdheid én de plicht hebben om keuzen te maken voor het onderwijs en de opvoeding van hun pupil. De bevoegdheid om ook in eigen naam op te treden in rechte wanneer een administratieve beslissing nopens dit onderwijs hen onwettig lijkt is derhalve een corollarium van de rechten en plichten van dit ouderlijk gezag. Op het ogenblik echter van het instellen van het voorliggend annulatieberoep -en reeds bij het instellen van het administratief beroep- was verzoekster niet meer de wettelijke vertegenwoordiger van verzoeker. Zij had -en heeft- niet meer de hoedanigheid om zijn definitieve uitsluiting uit de school aan te vechten in eigen naam. Dat verzoekster bezorgd is om het welslagen van haar zoon en dat zij zijn studies bekostigt vormt een onvoldoende onrechtstreeks belang om haar nog procesbevoegd te achten. Haar beroep is niet ontvankelijk. Overigens merkt de Raad van State op dat het aan verzoeker toegelaten bleef om zijn studies verder te zetten en om examens af te leggen, aangezien de uitsluiting pas op 31 augustus van dat schooljaar effect kreeg. Uit de bestreden beslissing vloeien dan ook geenszins de materiële en morele nadelen voort waar verzoekster zich op meent te kunnen steunen. Eveneens ondergeschikt merkt de Raad van State op dat verzoekster in de laatste memorie niets onderneemt om het auditoraatsverslag tegen te spreken, waar dit argumenteert dat het administratief beroep van verzoekster een dag te laat was ingesteld, hetgeen een bijkomende reden is om haar annulatieberoep onontvankelijk te verklaren.
- Het beroep bij de tuchtraad is een georganiseerd administratief beroep dat op ontvankelijke wijze uitgeput moet worden opdat een beroep bij de Raad van State toegelaten kan worden. Wie niet -of op niet ontvankelijke wijze- dit administratief beroep instelt, kan vervolgens ook niet op ontvankelijke wijze een annulatieberoep indienen. 9.
- Verzoeker voert in zijn eerste middel aan dat hij meerderjarig was en dat verwerende partij in de tuchtprocedure volledig zijn handelingsbekwaamheid heeft genegeerd. XII-4837-5\8 9.
- De tuchtraad refereert in zijn beslissing aan verzoekster als “vertegenwoordiger van uw zoon”. Hiervoor is reeds vastgesteld dat verzoekster toentertijd geen wettelijke vertegenwoordiger was van verzoeker. De vraag zou evenwel kunnen rijzen of, ten tijde van het instellen van het administratief beroep, verzoekster op een andere wijze gemandateerd was door haar zoon en, hiervan afgeleide vragen, of en onder welke voorwaarden dergelijk mandaat in rechte aanvaardbaar is en het te dezen uit afdoende stukken zou moeten blijken. Die vragen hoeven echter niet gesteld, en zeker niet beantwoord te worden. Verzoeker verklaart immers in zijn verzoekschrift met de grootste stelligheid dat van een vertegenwoordiging door zijn moeder hoegenaamd geen sprake was en steunt er mede zijn eerste annulatiemiddel op, waar hij onder meer aanvoert dat de wet verbiedt dat zijn moeder voor de tuchtraad zou worden uitgenodigd en niet hijzelf. Met de hypothese dat verzoekster het geding voor de tuchtraad zou gevoerd hebben als deugdelijk gemandateerd vertegenwoordiger van haar zoon, hoeft de Raad van State dus geen rekening te houden. 9.
- Als verwerende partij dan de handelingsbekwaamheid van verzoeker heeft genegeerd, dan heeft verzoeker dit óók gedaan. Als meerderjarige was hij handelingsbekwaam om de oorspronkelijk genomen tuchtbeslissing aan te vechten met het administratief beroep dat hem geboden werd. Zoals hiervoor is vastgesteld vermocht verzoekster dat niet te doen, noch in eigen naam, noch in naam van verzoeker. Het viel dus aan verzoeker zelf toe, en aan hem alleen, om de tuchtraad in te schakelen. Dat heeft hij niet gedaan. 9.
- Het verweer van verzoeker daartegen is dat de beslissing van de adjunct-directeur enkel aan zijn moeder ter kennis werd gebracht en dat hij “zelf nooit geïnformeerd werd” over zijn uitsluiting. Dat hij er geen administratief beroep tegen instelde is daarvan “evident het logisch gevolg”. De Raad van State stelt vast dat verzoeker van de uitsluiting die hem nooit persoonlijk is ter kennis gebracht, dan toch in staat is gebleken de nietigverklaring te kunnen vorderen bij de Raad van State, hetgeen aantoont dat hij niet zo onbewust was van wat er zich rondom hem afspeelde. XII-4837-6\8 Wetende, zoals verzoekster beklemtoont, dat verzoeker steeds inwoonde bij verzoekster en wetende dat verzoeker kort voordien voorwerp was van een preventieve schorsing, is dat ook niet verrassend. Evenmin kan dan echter door verzoeker geloofwaardig gesteld worden dat hij na die preventieve schorsing, toen hij onder strikte voorwaarden weer naar school mocht komen tot het einde van het schooljaar, en in de periode waarin zijn moeder bij de tuchtraad in beroep ging tegen zijn uitsluiting, van die uitsluitingsbeslissing geheel niet op de hoogte was. Als hij meent dat dit een reden is om ze ongedaan te maken, dan had verzoeker het argument dat die beslissing aan hem persoonlijk moest zijn aangezegd wel degelijk door middel van een georganiseerd beroep kunnen voorleggen aan de tuchtraad. Als er daarentegen van uit gegaan wordt dat die gebreken in de kennisgeving niet de wettigheid van de beslissing aantast, maar ten hoogste de termijnen om er tegen in beroep te gaan, dan blijft de vaststelling dat verzoeker nog geen definitieve eindbeslissing van het bestuur heeft uitgelokt. De Raad van State ziet niet in waarom verzoeker uiterlijk op het ogenblik dat hij dan toch voldoende kennis had vergaard om een annulatieberoep bij de Raad van State in te stellen, niet in staat zou zijn geweest om eerst het ter beschikking staande georganiseerd beroep uit te putten. Dat de tuchtraad ten onrechte, want zonder op ontvankelijke wijze gevat te zijn, wél het beroep van verzoekster heeft behandeld doet aan die vaststellingen geen afbreuk. Ook ten aanzien van verzoeker is het beroep onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. XII-4837-7\8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 april 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-4837-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.