← België

Arrest 203105 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.105 Rolnummer: A. 184650/X-13389 Zaak: Arrest 203105 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-23 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 203.105 van 20 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 203.105 van 20 april 2010 in de zaak A. 184.650/X-13.

  1. In zake: André WUYTS wonende te 2290 VORSELAAR Zegbroek 55 tegen: de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 16 juli 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 24 mei 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van de heer en mevrouw Wuyts-Versmissen tegen het besluit van 28 november 2006 van het college van burgemeester en schepenen van Vorselaar, houdende de weigering van de vergunning tot nieuwbouw van een opslagplaats en tuinberging, op een terrein gelegen aan de Zegbroek 55 te Vorselaar, kadastraal bekend sectie D, nr. 167/h, niet wordt ingewilligd en geen vergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
  4. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. X-13.389-1/5 De verzoekende partij, en afdelingschef Hildegard Pettens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 4 september 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker, samen met zijn echtgenote, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vorselaar een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in voor de nieuwbouw van een opslagplaats en tuinberging, op een perceel gelegen aan de Zegbroek 55, kadastraal bekend sectie D, nr. 167/h.
  7. Het perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Herentals-Mol, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978, gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het achterliggende gebied is gelegen in agrarisch gebied. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen het gebied van een bijzonder plan van aanleg, gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of vergunde verkaveling.
  8. Op 12 september 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen een gunstig preadvies over de aanvraag.
  9. Op 17 november 2006 verleent de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies.
  10. Op 28 november 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vorselaar de gevraagde vergunning. X-13.389-2/5
  11. Bij het bestreden besluit van 24 mei 2007 beslist de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de verzoeker en zijn echtgenote niet in te willigen en de stedenbouwkundige vergunning te weigeren. IV. Ontvankelijkheid Uiteenzetting van de exceptie
  12. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, omdat het is opgebouwd rond enkele geciteerde passages die kort worden besproken of aanleiding geven tot het formuleren van een wedervraag, zonder dat het een feitenrelaas of een uiteenzetting van de middelen bevat, zoals wordt vereist door artikel 2, § 1, 3° van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het algemeen procedurereglement). Evenmin bevat het het opschrift “verzoekschrift tot nietigverklaring”, ook al werd enkel een beroep tot nietigverklaring ingesteld en geen vordering tot schorsing. Beoordeling
  13. Luidens artikel 2, § 1, 3/ van het algemeen procedurereglement, moet het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de middelen bevatten. Onder “middel” moet de voldoende duidelijke omschrijving worden verstaan van de rechtsregel of het beginsel dat de verzoekende partij geschonden acht en van de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel, volgens de verzoekende partij, door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden.
  14. Het verzoekschrift luidt als volgt: “Graag zouden wij ons beroep willen verduidelijken aan de hand van enkele citaten uit het besluit van de bestendige deputatie (in cursief): In het besluit staat: Het perceel waarvoor wij de aanvraag indienen situeert zich in woongebied met landelijk karakter. Woongebied met landelijk karakter is bestemd voor wonen alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf. Wij zijn een klein bedrijf met activiteiten elders (op de werf). Niet iedereen kan in KMO zone gevestigd zijn, in Vorselaar en de omringende gemeentes is er geen KMO grond meer vrij. Het zou een bijkomende kost zijn die we niet kunnen dragen. In het besluit staat: X-13.389-3/5 De bedrijven, voorzieningen en inrichtingen zijn maar toegestaan (in woongebied met landelijk karakter) op voorwaarde dat zij met de onmiddellijke omgeving te verenigen zijn. In onze directe omgeving zijn er verschillende kleine bedrijven met opslagplaats (in functie van het bedrijf, niet in functie van wonen). De vergunning wordt aangevraagd voor een opslagplaats, waar enkel opslag plaats vindt, activiteiten vinden plaats op de werf. De opslagplaats heeft weinig of geen impact op de omgeving, overdag is er niemand en er wordt niets gemaakt. Langs achter ligt er bos (eigendom van ons), dit is reeds een groenscherm. Langs links staat er reeds een hoge haag, maar we zullen het groenscherm nog verbreden door aanplanting van streekeigen beplanting. Voor het uitzicht hebben we gekozen voor dezelfde materialen als onze woning (gevelsteen en Roof Tile paneel met pannenmotief). In het besluit staat: De aanvraag is in overeenstemming met de planologische bestemming en met de decretale en reglementaire bepalingen In het besluit staat: Bijgebouwen in de tuinstrook op percelen met een breedte tussen 25 en 40m mogen slechts een gezamenlijke oppervlakte van 3% van de perceelsoppervlakte innemen. Ons perceel heeft een totale oppervlakte van ±7529m². Als we hiervan 3% nemen, is de toegelaten oppervlakte voor een bijgebouw 226m². Wij hebben veel aandacht besteed aan de indeling en de oppervlakte van de opslagplaats en tuinberging (224 m²), zodanig dat later geen bijgebouwen meer nodig zijn, wat een goede ruimtelijke ordening in het gedrang zou brengen. Wij hebben niet de ambitie om ons bedrijf uit te breiden. Om de verharding te beperken, gaan we voor de nieuwe oprit geen klinkers gebruiken maar grastegels, die waterinsijpeling toelaten. In het besluit staat: Het door de gemeente aangehaalde magazijn schuin tegenover kan niet in beschouwing worden genomen, omdat het in agrarisch gebied gelegen is en niet in woongebied. Het betreft hier ook de opslagplaats voor een aannemersbedrijf. Zouden we dan onze opslagplaats wel op het agrarisch gebied achter het woongebied mogen zetten? We zullen nog een compensatievoorstel indienen voor de te rooien bomen. We hebben (...) op de hoorzitting van 8 mei 2007 deze standpunten niet kunnen toelichten. Het besluit om geen vergunning te verlenen leek ons reeds genomen voor de hoorzitting. Ons besluit: Wij zijn een kleine bouwfirma met 6 werknemers en meewerkend zaakvoerder. Wij hebben nood aan een opslagplaats, om onze minigraver, aanhangwagen, schoren, juffers, bestelwagens… ordelijk te kunnen wegzetten. We hebben de plaats hiervoor op het perceel waar we wonen. Samen met onze architect hebben we advies gevraagd aan de gemeente en een bouwaanvraag ingediend conform de vooropgestelde voorschriften. De gemeente Vorselaar heeft twee keer gunstig advies gegeven. We hebben een brief ter motivatie van onze bouwaanvraag gestuurd naar het kabinet van minister Van Mechelen en van minister Leterme. Wij hopen op gunstig advies en dat wij dezelfde kansen krijgen als de andere ondernemers in de buurt. Wij nodigen u vriendelijk uit om ter plaatse onze situatie te komen bekijken”. X-13.389-4/5
  15. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat het verzoekschrift bestaat uit een louter feitelijke argumentatie met betrekking tot verscheidene onderdelen van de motivering van het bestreden besluit die veeleer neerkomt op opportuniteitskritiek. In het verzoekschrift wordt ook niet aangegeven welke rechtsregelen geschonden worden geacht en waaruit die schending zou bestaan. Zelfs indien hij dit in het gegeven geval zou kunnen, komt het de Raad van State niet toe uit het betoog van de verzoeker zelf een of meer ontvankelijke middelen af te leiden. De argumentatie in het verzoekschrift beantwoordt bijgevolg niet aan de vereisten van het zo-even aangehaalde artikel 2, § 1, 3° van het algemeen procedurereglement. De verzoeker kan dit euvel niet meer ongedaan maken in de memorie van wederantwoord. De exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig april 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jeroen Van Nieuwenhove, wnd kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Jeroen Van Nieuwenhove X-13.389-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.105 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.