id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.208 Rolnummer: A. 172069/X-12790 Zaak: Arrest 203208 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-04 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 203.208 van 22 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.208 van 22 april 2010 in de zaak A. 172.069/X-12.
- In zake:
- François VERLINDEN
- Monique DEWEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristiane Hubrechts en Carl Hubrechts kantoor houdend te 3010 KESSEL-LO Tiensesteenweg 305 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Soquet kantoor houdend te 3080 TERVUREN Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 april 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 16 februari 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep van de verzoekende partijen tegen het besluit van 23 augustus 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lubbeek tot weigering van de vergunning voor de wijziging van een verkaveling met het oog op de regularisatie van een houten tuinafscheiding op een perceel aan de Bloemstraat 16 te Binkom (Lubbeek), kadastraal bekend sectie B nr. 354/x (lot 3), niet wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. X-12.790-1/13 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michel Boghe, die loco advocaten Kristiane Hubrechts en Carl Hubrechts verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partijen zijn sinds 2002 eigenaars van een perceel dat is gelegen aan de Bloemstraat 16 te Binkom (Lubbeek) en dat kadastraal bekend is onder sectie B nr. 354/x. Op dat perceel bevindt zich de woning van de verzoekende partijen die is opgericht ingevolge een stedenbouwkundige vergunning van 15 februari
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven is het perceel gelegen in woongebied met landelijk karakter. Voor het gebied waarin het perceel is begrepen, bestaat er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Het is echter wel als lot 3 gelegen binnen het gebied van een op 5 mei 1998 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lubbeek behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Luidens de algemene stedenbouwkundige voorschriften van de voormelde verkavelingsvergunning “bestaat (de afsluiting van het terrein) uit een X-12.790-2/13 levende haag van maximum 2 m hoogte of uit een paal met draadafsluiting met een horizontale dwarsplaat van maximum 0,40 m hoogte” en “(bestaat de afsluiting) (t)ussen de rooilijn en de achtergevellijn (...) uit een haag of een paal met een draadafsluiting van maximum 0,80 m hoogte”.
- In de aankoopakte van 4 november 2002 waarbij de verzoekende partijen het voormelde perceel hebben verworven, is vermeld dat “lot 3 (...) ten eeuwige dage en ten kosteloze titel uitweg (zal) moeten verle(n)en over een breedte van drie meter vijftig centimeter, zoals afgebeeld op voormeld metingsplan, ten voordele van de achterliggende eigendom van Pypen-Vangramberen Norbert Joseph”.
- Op 1 juli 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lubbeek een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning voor het wijzigen van de verkavelingsvergunning van 5 mei 1998 met het oog op de regularisatie van het “plaatsen (van een) gedeeltelijke houten schutting als afscheiding (van een) erfdienstbaarheid” op het voormelde lot
- Blijkens de toelichting bij die aanvraag en het daarbij horende plan gaat het om “een houten schutting van maximaal 2 m hoogte” die “op minimaal 3,5 m van de perceelsgrens (wordt) geplaatst” en die “begint op dezelfde lijn als de achtergevel van de woning tot aan het voetpad”. De eigenaars van de loten 1 en 2 van de verkaveling verklaren zich akkoord met de gevraagde wijziging.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat is gehouden van 12 juli 2005 tot en met 10 augustus 2005, worden twee bezwaarschriften ingediend. Het betreft bezwaarschriften van twee landbouwers, met name René ANDRIES en Maurice OVERSTEYNS. Zij beklagen er zich over dat door de plaatsing van de houten afsluiting door de verzoekende partijen de doorgang naar hun landbouwgrond te smal is geworden voor sommige van hun landbouwvoertuigen. René ANDRIES verklaart voordien reeds in een “proces-verbaal van verhoor” van 9 juni 2005 : “Heden wens ik aangifte te doen van volgende feiten: Ik ben landbouwer en heb een stuk grond liggen te BINKOM in de Bloemstraat achter de woningen nrs 14 en
- De enige doorgang ligt eveneens tussen beide woningen en dit met erfdienstbaarheid. Vroeger had de woning nr 16 een haag en was de doorgang breder. X-12.790-3/13 Nu staat er een houten afspanning. De breedte vooraan aan de rijbaan is 3,50 meter. In het midden is de doorgang smaller, namelijk 3,20 meter en op het einde aan het veld is het 3,60 meter. Ik kan er nu niet meer door met mijn zaaimachine. Deze heeft een ruimte nodig van minstens 3,70 meter. Ik kon vroeger altijd door. Ik wens dat de toestand terug hersteld wordt zodat ik op mijn te bewerken landbouwgrond kan komen. Volgens de technische dienst van de gemeente LUBBEEK is er geen vergunning voor de afspanning. Ik heb geen enkele mogelijkheid om via een andere weg tot op de landbouwgrond te komen”.
- Bij besluit van 23 augustus 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lubbeek de gevraagde vergunning. In dat besluit wordt gesteld wat volgt: “(...) Behandeling bezwaarschrift: Zowel op het goedgekeurd verkavelingsplan als in de aankoopakte van lot 3 van de verkaveling met kenmerk 176/V/386 wordt melding gemaakt van (een) uitweg die ten eeuwige dage en ten kostenloze titel moet uitweg geven aan het achterliggend perceel eigendom van Pijpen-Vangramberen. In deze akte wordt zelfs de breedte van deze uitweg omschreven nl. 3,50m. Het is niet ondenkbaar dat door de plaatsing van het houten schutsel de bruikbaarheid en de toegankelijkheid van de weg wordt verkleind, maar de erfdienstbaarheid verbreden om de toegankelijk(heid) te verhogen is eerder een geschil dat voor een burgerlijke rechtbank (vredegerecht) moet behandeld worden. (...) Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening: De afsluiting heeft als doel een zekere privacy te bieden ten opzichte van de aanpalende eigendom. Gelet op de voorgestelde inplanting en de aard van de materialen past deze afsluiting niet binnen de bestaande en gangbare afsluitingen in deze omgeving (paal en draad of groenscherm). Door de voorgestelde inplanting wordt bovendien afbreuk gedaan aan de bestaande erfdienstbaarheid die gevestigd is op dit kavellot. (...)”.
- Tegen het voormelde weigeringsbesluit van 23 augustus 2005 stellen de verzoekende partijen op 29 september 2005 een beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant.
- Bij het bestreden besluit van 16 februari 2006 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het voormelde beroep van de verzoekende partijen niet in. Daartoe wordt overwogen: “• Wettelijke en reglementaire voorschriften (...) X-12.790-4/13 (...). Het oprichten van een afscheiding bij een zonevreemde woning is niet in strijd met de planologische bepalingen voor de plaats. (...) •Verenigbaarheid met een goede ruimtelijke ordening De aanvraag is gesitueerd aan de Bloemstraat, een lintvormige uitloper van de kern van Binkom, ten oosten van de kern, die gekenmerkt wordt door een kleine verdichting van de bebouwing rond de steenweg Aarschot-Tienen. De plaats is landelijk, met lintbebouwing en verspreide bebouwing. De woningen zijn voornamelijk in open orde opgericht. Het omliggende landschap is een versnipperd en licht glooiend landbouwlandschap. De aanvraag beoogt de wijziging van de verkavelingsvoorschriften met tot doel de regularisatie van de plaatsing van een houten afsluiting mogelijk te maken ter hoogte van de begrenzing met een erfdienstbare uitweg langs de rechtse perceelsgrens en met een lengte van 26.5m tot ter hoogte van de achtergevellijn, met een hoogte van 2.00m, met tot doel de privacy te verbeteren. Aangaande de bestaande erfdienstbaarheid van uitweg kan gesteld worden dat deze volgens notariële akte op een breedte van 3.50m is vastgesteld. Voorheen bevond zich hier een haag. Door de plaatsing van de schermen is volgens het PV van overtreding de breedte plaatselijk tot 3.20m herleid. Twee van de drie landbouwers die van deze uitweg gebruik maken, blijken een probleem te ondervinden omdat de breedste machines tot 3.70m zouden zijn. Zij pleiten voor een open breedte van 4m, in uitbreiding op de vastgestelde breedte. Door de schutting zou de toegankelijkheid niet meer gewaarborgd zijn. Een dergelijk geschil is een burgerlijke aangelegenheid die buiten de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening valt, zoals terecht ook door de gemeente wordt gesteld. Het weigeringsmotief omtrent dit gegeven is dan ook niet terecht. Een vergunning wordt maar afgeleverd onder voorbehoud van de schending van burgerlijke rechten. Het tweede weigeringsmotief heeft betrekking op de aard van de afscheiding, dewelke een gesloten aspect heeft. Dit weigeringsmotief kan bijgetreden worden. Het werken met schermen schaadt het groene karakter van de plaats. De schermen accentueren de perceelsverdeling en maken een open doorgroening onmogelijk. Er kan in alle omstandigheden gepleit worden voor het werken met hagen. Een tuinscherm creëert een beslotenheid die afbreuk doet aan het specifieke open en groene karakter dat in achteruitbouwstroken en de bouwvrije stroken wordt verwacht. In alle omstandigheden is het aangewezen om met afscheidingen uit hagen en/of heesters te werken, welke een versterking bieden van het groen karakter van de plaats. Ook hagen kunnen de gewenste privacy waarborgen. Er kan niet ingestemd worden met de harde en onnatuurlijke oplossing die hier voorgesteld wordt, ook al hebben de schermen een natuurlijk karakter. Het voorstel heeft een percedentenwaarde voor de omgeving, en kan een voorgaande vormen voor het plaatsen van schermen allerlei die de goede aanleg van de plaats en de inrichting ernstig zouden schaden. De bestaande schermen aan de andere zijde van de losweg zijn vervallen en dateren duidelijk van een periode waarin er nog geen vergunningsplicht bestond. Deze ongelukkige toestand kan bezwaarlijk als motivering voor de voorliggende ingreep ingeroepen worden, de inzichten omtrent een goede ruimtelijke ordening hebben de laatste decennia grondige evoluties doorgemaakt. Het ontwerp is, gelet op de voorgaande beschouwingen, niet verenigbaar met een goede ruimtelijke ordening. De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de bestendige deputatie het beroep niet inwilligen om volgende redenen: -de schermen schaden door hun harde karakter en de gecreëerde beslotenheid het doorgroende aspect van de plaats. X-12.790-5/13 -er kan in alle omstandigheden gepleit worden voor het werken met hagen om de gewenste privacy en geluidsdemping te bekomen. -het plaatsen van schermen zou een nefaste precentenwaarde hebben die het open karakter van de percelen ernstig kan schaden”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren het volgende eerste middel aan: “1.SCHENDING VAN DE WET: 1.
- schending van art. 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22/10/96: Aangezien de Bestendige Deputatie in haar besluit de met de goede ruimtelijke ordening verbandhoudende redenen waarop zij haar beslissing steunt dient aan te geven; De redengeving is echter tegenstrijdig, dubbelzinnig en niet duidelijk: Zo stelt de Bestendige Deputatie enerzijds dat de schermen een harde en onnatuurlijke oplossing zijn, en stelt zij anderzijds dat zij een natuurlijk karakter hebben; Vervolgens stelt de Bestendige Deputatie dat er in alle omstandigheden kan gepleit worden voor het werken met hagen om de gewenste privacy en geluidsdemping te bekomen; Het ‘pleiten voor’ is echter geen redengeving om de door verzoekers uitgewerkte oplossing strijdig te achten met de ruimtelijke ordening; Tot slot stelt de Bestendige Deputatie dat het plaatsen van schermen nefaste precedentwaarde (heeft) die het open karakter van de percelen ernstig kan schaden; Terzake is er echter een precedent: vlakbij aan de losweg zijn er betonnen schermen geplaatst; Nergens uit blijkt dat deze dateren van voor de periode dat er vergunningsverplichting bestond; Deze schermen bewijzen juist dat het plaatsen van een scherm geenszins strijdig is met het karakter van de omgeving; Bovendien worden houten schuttingen in alle maten en alle vormen in ontelbare gevallen in Vlaanderen in gelijkaardige omgevingen aangewend; Er dient ook te worden opgemerkt dat bedoelde schutting slechts één achtste uitmaakt van het betrokken perceel bouwgrond; Tot slot antwoordt de Bestendige Deputatie niet op het argument dat binnen de verkaveling iedereen volledig akkoord was met de voorgestelde wijziging; BESLUIT: De aangehaalde redenen voldoen niet aan de kwalificatie van gespecifieerd wettelijk verantwoord motief; 1.
- Schending van het gelijkheidsbeginsel (art. 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens): Aangezien door de beslissing te doen gronden op: ‘het plaatsen van schermen zou een nefaste precedentwaarde hebben die het open karakter van de percelen ernstig kan schaden.’ X-12.790-6/13 terwijl er aan de andere kant van de losweg een betonnen afsluiting staat, de bestreden beslissing een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel; Dat de Bestendige Deputatie stelt dat het voorstel een precedentwaarde voor de omgeving heeft en een voorgaande kan vormen voor het plaatsen van schermen allerlei die de goede aanleg van de plaats en de inrichting ernstig zouden schaden; Verzoekers hadden hierop geantwoord dat er aan de overkant van de losweg betonnen schermen stonden; De Bestendige Deputatie wuift dit argument weg stellende dat: ‘de bestaande schermen aan de andere zijde van de losweg zijn vervallen en dateren duidelijk van een periode waar er nog geen vergunningsplicht bestond.’ Deze ongelukkige toestand kan bezwaarlijk als motivering voor de voorliggende ingreep ingeroepen worden, de inzichten omtrent een goede ruimtelijke ordening hebben de laatste decennia grondige evoluties doorgemaakt.’ Dat het gelijkheidsbeginsel alleszins wordt geschonden wanneer op één plaats een scherm strijdig wordt geacht met de ruimtelijke ordening omdat het een precedentwaarde zou hebben, terwijl er op die plaats reeds een betonnen scherm staat”. Beoordeling
- Gelet op de uiteenzetting van het eerste middel moet vooraf worden vastgesteld dat de aangevoerde schending van “art. 53” van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) meer specifiek moet worden beschouwd als een schending van de motiveringsplicht zoals omschreven in het toentertijd geldende artikel 53, §3 van dat decreet.
- Overeenkomstig artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen wordt, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan, de vergunning slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de aanvraag voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke ordening. De Raad van State mag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd om na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij X-12.790-7/13 deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
- Wanneer de bestendige deputatie op grond van het toentertijd geldende artikel 53, §3 van het gecoördineerde decreet in beroep uitspraak doet over een aanvraag tot wijziging van een verkavelingsvergunning, treedt zij niet op als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur. Daaruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe is gehouden om al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden, maar dat het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke met de goede plaatselijke ordening verband houdende redenen zij is verantwoord, zodat de aanvrager of belanghebbende derde met kennis van zaken tegen de beslissing kan opkomen en de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen.
- Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening dient de vergunningverlenende overheid in de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling moet in concreto gebeuren en uitgaan van de bestaande toestand. Al naar gelang de aard en de omvang van de aanvraag kan ook rekening worden gehouden met de ordening in een ruimere omgeving. Daarbij is de ordening in de ruimere omgeving uiteraard minder doorslaggevend en mag zij er alleszins niet toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, buiten beschouwing wordt gelaten.
- De verzoekende partijen kunnen niet worden gevolgd waar ze stellen dat de overweging in het bestreden besluit dat “(e)r (...) niet (kan) ingestemd worden met de harde en onnatuurlijke oplossing die hier voorgesteld wordt, ook al hebben de schermen een natuurlijk karakter”, tegenstrijdig en dubbelzinning is. Uit de overwegingen die aan die overweging voorafgaan, blijkt immers dat met “de harde en onnatuurlijke oplossing” wordt gedoeld op “het gesloten aspect” van de houten schutting, het feit dat “(d)e schermen (...) de perceelsverdeling (accentueren) en (...) een open doorgroening onmogelijk (maken)” en het feit dat “(e)en tuinscherm (...) een beslotenheid (creëert) die afbreuk doet aan het specifieke open en groene karakter dat in achteruitbouwstroken en de bouwvrije stroken wordt verwacht”. Het “natuurlijk karakter” van de schermen waarvan sprake is in het bestreden besluit duidt duidelijk op het houten karakter van de betrokken schutting. X-12.790-8/13 In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord en hun laatste memorie nog aanvoeren dat “(e)en natuurlijke, goed verzorgde houten afsluiting niet van aard kan zijn om het groene karakter van een plaats te schaden”, dat “bruine en groene kleuren de meest natuurlijke (zijn) die er zijn, zodat het doorgroende aspect van de omgeving intact blijft”, dat “het open karakter van de omgeving (...) zeker niet meer (wordt) geschaad door een houten schutting dan door een haag (...) (aangezien) beiden (...) niet doorzichtig (zijn) en ook een haag (...) gemakkelijk een hoogte van om en bij de 2 meter (bereikt)”, dat “(d)e houten schutting werd (opgetrokken) (...) in samenspraak met een landschapsarchitect, net om het open karakter van de omgeving te respecteren, hetgeen ontegensprekelijk gelukt is”, en dat de “(v)erwerende partij (...) niet (kan) voorhouden dat een houten schutting zoals die in casu werd geconcipieerd een tegennatuurlijke, te harde oplossing is” gelet op het feit dat “indien de houten schutting wordt verwijderd, men een onbedekt uitzicht krijgt op de stenen constructie van de gevel van de woning van verzoekers”, maakt dit een persoonlijke appreciatie uit die op zich niet aannemelijk maakt dat de beoordeling van de verwerende partij van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk is.
- Wat betreft de overweging in het bestreden besluit dat “er (...) in alle omstandigheden gepleit (kan) worden voor het werken met hagen om de gewenste privacy en geluidsdemping te bekomen”, dient te worden vastgesteld dat daarbij wordt overwogen dat “(h)et werken met schermen (...) het groene karakter van de plaats (schaadt)”, dat “(d)e schermen (...) de perceelsverdeling (accentueren) en (...) een open doorgroening onmogelijk (maken)”, dat “(e)en tuinscherm (...) een beslotenheid (creëert) die afbreuk doet aan het specifieke open en groene karakter dat in achteruitbouwstroken en de bouwvrije stroken wordt verwacht” en dat “afscheidingen uit hagen en/of heesters (...) een versterking bieden van het groene karakter van de plaats”. Uit die overwegingen blijkt duidelijk waarom “de door verzoekers uitgewerkte oplossing” door de verwerende partij niet verenigbaar wordt geacht met de goede ruimtelijke ordening.
- Inzake de betonnen schermen aan de rechterzijde van de losweg tonen de verzoekende partijen niet aan dat de verwerende partij in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat ze “zijn vervallen en (duidelijk) dateren (...) van een periode waarin er nog geen vergunningsplicht bestond”. De foto’s die de verzoekende partijen bij hun wijzigingsaanvraag hebben gevoegd, blijken het voormelde eerder te bevestigen. Er wordt niet aangetoond dat de overweging van X-12.790-9/13 de verwerende partij dat “deze ongelukkige toestand”, mede gelet op het feit dat “de inzichten omtrent een goede ruimtelijke ordening (...) de laatste decennia grondige evoluties (hebben) doorgemaakt”, “bezwaarlijk als motivering voor de voorliggende ingreep (kan) ingeroepen worden”, gesteund is op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk is.
- Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit terecht tot de onverenigbaarheid van het gevraagde met de goede ruimtelijke ordening besluiten. In het raam van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, doet het enkele feit dat “alle betrokken eigenaars zich akkoord verklaarden met de wijziging” niet ter zake. De door de verzoekende partijen aangevoerde omstandigheid dat de verwerende partij “niet op het argument (antwoordt) dat binnen de verkaveling iedereen volledig akkoord was met de voorgestelde wijziging” is niet van aard het bestreden besluit te vitiëren.
- Het gelijkheidsbeginsel, waarvan in het tweede middelonderdeel de schending wordt aangevoerd, is geschonden als in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De verzoekende partij die de schending van dit beginsel opwerpt, moet dit met concrete en precieze gegevens in haar verzoekschrift aantonen. De verzoekende partijen tonen in hun verzoekschrift niet met concrete en precieze gegevens aan dat in gelijke of in vergelijkbare omstandigheden aan anderen de vergunning werd gegeven die aan hen is geweigerd. Het loutere feit dat er “vlakbij aan de losweg (...) betonnen schermen (zijn) geplaatst” en de loutere bewering dat “houten schuttingen in alle maten en alle vormen in ontelbare gevallen in Vlaanderen in gelijkaardige omgevingen worden aangewend” zijn niet van aard daarvan het bewijs te leveren. In hun memorie van wederantwoord en laatste memorie voeren de verzoekende partijen nog aan dat “is gebleken dat reeds verschillende malen op het grondgebied van de gemeente Lubbeek een gelijkaardige houten schutting werd vergund, zo ondermeer bij de families VERHAEGEN (Staatsbaan 195 te Lubbeek) en VERMAELEN (Rozenveldstraat 13 te Linden-Lubbeek)”. Los van het feit dat ook hiervoor geen voldoende precieze gegevens (foto’s, situering ten opzichte van verzoekers perceel, vergunningen) worden aangevoerd die van aard zijn een schending van het gelijkheidsbeginsel aan te tonen, moet worden opgemerkt dat de verzoekende partijen die gegevens, om ontvankelijk te zijn, in hun verzoekschrift hadden moeten aanvoeren. X-12.790-10/13
- Het betoog in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie van de verzoekende partijen dat ze “niet eens een vergunning nodig (hebben) voor hun houten schutting”, gelet op artikel 3, 9/, e) van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is “sedert 01/09/2006”, mist, daargelaten de juistheid ervan, pertinentie omdat een eventuele post factum vergunningsvrijstelling niet kan worden betrokken op de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren het volgende tweede middel aan: “2.SCHENDING VAN DE BEHOORLIJKE BEGINSELEN VAN BESTUUR: 2.
- het redelijkheidsbeginsel: Aangezien de beoordelingsvrijheid van de overheid de redelijkheid als grens heeft; Het weigeren van de wijziging van een verkavelingsvergunning, daar waar alle betrokken eigenaars zich akkoord verklaarden met de wijziging, met als motief van ‘nefaste precedentwaarde’ terwijl er een precedent vlakbij ligt schendt het redelijkheidsbeginsel. Het ‘pleiten’ voor hagen, het aanhalen van het harde karakter van schermen terwijl die dan in een andere zinsnede dan weer ‘natuurlijk’ worden genoemd, maakt een schending uit van het hierboven genoemd beginsel; 2.
- het beginsel van de rechtszekerheid: Wanneer een oude betonnen afsluiting als aanvaardbaar wordt beschouwd omdat zij zou dateren van vóór de periode van vergunningsverplichting, doch een nieuwe gedeeltelijke houten afsluiting op dezelfde plaats strijdig wordt geacht met de ruimtelijke ordening, omdat zij een nefaste precedentwaarde zou hebben, dan tast deze beslissing het beginsel der rechtszekerheid aan; BESLUIT: De juiste toepassing van art. 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22/10/96, art. 6 van het EVRM, het gelijkheidbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid, vereisen dat de wijziging van de verkavelingsvergunning zou worden toegekend”. Beoordeling
- De verzoekende partijen zetten in hun verzoekschrift niet uiteen op welke wijze “art. 6 EVRM” en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. In X-12.790-11/13 zoverre de schending van deze bepaling en dit beginsel wordt aangevoerd, is het middel onontvankelijk.
- Om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het eerste middel, waarin werd geoordeeld dat het bestreden besluit terecht tot de onverenigbaarheid van het gevraagde met de goede ruimtelijke ordening kon besluiten, kan de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel niet worden aangenomen.
- De verzoekende partijen tonen met de loutere verwijzing in hun verzoekschrift naar een “oude betonnen afsluiting” die “als aanvaardbaar wordt beschouwd omdat zij zou dateren van vóór de periode van vergunningsverplichting” evenmin een schending van het rechtszekerheidsbeginsel aan. Inzake de schending van dit beginsel verwijzen de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord en laatste memorie ook nog “naar de gevallen waarin op het grondgebied van Lubbeek wél zulke houten schuttingen werden vergund (families VERHAEGEN en VERMAELEN, ...)”. De verzoekende partijen hadden deze gevallen reeds in hun verzoekschrift kunnen aanvoeren. In zoverre is hun middel onontvankelijk. De verzoekende partijen voeren in hun memorie van wederantwoord en laatste memorie, in verband met de voorgehouden schending van het rechtszekerheidsbeginsel, bijkomend aan dat de betrokken houten schutting niet de “afsluiting van het terrein” vormt zoals bedoeld in de algemene stedenbouwkundige voorschriften van de verkavelingsvergunning, aangezien ze volledig op hun terrein staat “waarbij de erfdienstbaarheid van meer dan drie meter nog tussen de houten constructie en de perceelsgrens ligt”. Zij geven met dit betoog, op onontvankelijke wijze, een nieuwe grondslag aan hun middel.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. X-12.790-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig april 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.790-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.208 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div