← België

Arrest 203211 - Milieuvergunningen - 22/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.211 Rolnummer: A. 195235/VII-37639 Zaak: Arrest 203211 - Milieuvergunningen - 22/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-03 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 203.211 van 22 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 203.211 van 22 april 2010 in de zaak A. 195.235/VII-37.

  1. In zake: de VZW NATUURPUNT BEHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Hendrik Schoukens kantoor houdend te Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de CVBA KONINKLIJKE GOLFCLUB OOSTENDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 18 januari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 9 oktober 2009 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 27 november 2008, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de CVBA Koninklijke Golfclub Oostende om een golfclub te exploiteren, gelegen aan de Koninklijke Baan 2 in De Haan. VII-37.639-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 april
  4. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hendrik Schoukens, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jo Goethals, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest anders- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. De feiten
  6. De betwisting houdt verband met de exploitatie van een golfterrein, meer bepaald van een grondwaterwinning dienstig voor het besproeien van grasvelden. Het terrein wordt geëxploiteerd door de tussenkomende partij, en ligt in een duingebied aan de kust in De Haan. Volgens het gewestplan ligt het terrein in natuurgebied. Het wordt beheerst door een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : GRUP) "Gebied voor golfinfrastructuur met Natuurverweving Koninklijke Golfclub van Oostende in De Haan", goedgekeurd bij het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei
  7. Volgens dit GRUP is het gebied bestemd voor de aanleg van een golfterrein en voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu. Het terrein ligt tevens in het habitatrichtlijngebied "Duinengebieden VII-37.639-2/11 inclusief IJzermonding en Zwin". Naast het golfterrein beheert de verzoekende partij een natuurreservaat dat deel uitmaakt van hetzelfde habitatrichtlijngebied.
  8. Op 7 december 1999 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Haan een vergunning voor een grondwaterwinning van 48 m³ per dag en 2.400 m³ per jaar, voor een termijn van een jaar. Na het verstrijken van deze vergunning blijft de tussenkomende partij jarenlang water oppompen zonder vergunning. Pas op 23 mei 2008 wordt een nieuwe vergunnings- aanvraag ingediend, die zal leiden tot de thans bestreden beslissing. Er wordt vergunning gevraagd voor een grondwaterwinning van 452 m³ per dag en 95.000 m³ per jaar. Er zou water worden gewonnen uit drie boorputten, waarvan de diepste 28 meter is, en twee vijvers. Er wordt gevraagd om een vergunning te verlenen voor een termijn van twee jaar op proef, termijn die zou worden gebruikt om een eco- hydrologische studie op te maken.
  9. Nadat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Haan gunstig heeft geadviseerd, voor een termijn van twee jaar op proef en onder voorwaarden en met beperkingen, en de Provinciale Milieu- vergunningscommissie ongunstig heeft geadviseerd, verlengt de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de beslissingstermijn, om bijkomende informatie te verzamelen.
  10. Op 27 november 2008 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een vergunning voor de gevraagde capaciteit, voor een termijn op proef van twee jaar. Binnen een termijn van achttien maanden moet de aanvrager de aangeboden eco-hydrologische studie bezorgen.
  11. De Vlaamse Milieumaatschappij en de afdeling Milieuvergun- ningen dienen beiden een administratief beroep in, die laatste op verzoek van het agentschap Natuur en Bos. Alle adviezen, meer bepaald van het agentschap Natuur en Bos, de Vlaamse Milieumaatschappij, de afdeling Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, de afdeling Milieuvergunningen, en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie zijn ongunstig. VII-37.639-3/11
  12. Op 9 oktober 2009 wordt de bestreden beslissing genomen : de beroepen worden verworpen en de in eerste aanleg verleende vergunning op proef wordt bevestigd. De voor dit geschil relevante elementen worden als volgt samengevat en weergegeven : "Overwegende dat het golfterrein van de Koninklijke Golfclub Oostende (KGCO) met een oppervlakte van 50,8 ha integraal gelegen is binnen het habitatrichtlijngebied (SBZ-H) 'Duingebieden inclusief Ijzermonding en Zwin' bekrachtigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002; dat dit gebied werd aangeduid op basis van het voorkomen van verschillende kwalificerende habitats en soorten waarvan 2 prioritaire habitattypes namelijk habitattype 2130 'Vastgelegde duinen met kruidvegetaties (grijze duinen)' en habitattype 2150 'Eu-atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Galluno-Ulicetea)'; dat er bovendien 7 habitats van internationaal belang aanwezig zijn volgens de Europese habitatrichtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992; Overwegende dat de huidige ecologische waarde van het gebied bijzonder hoog is; dat het golfterrein bijzonder hoog scoort in aantallen Rode lijst-soorten (10-tallen Rode lijst-plantensoorten, 5 Rode lijst-sprinkhaansoorten, 3 Rode lijst-vlindersoorten en 5 Rode lijst-vogelsoorten); dat dit in eerste plaats te danken is aan het feit dat dit golfterrein de belangrijkste resterende oppervlakte goed ontwikkeld duingrasland van de gehele duinstrook tussen Bredene en Wenduine bevat; Overwegende dat het gebied valt onder het natuurrichtplan 'Duinen van de Middenkust tussen Oostende en Blankenberge' definitief goedgekeurd op 17 december 2007; dat een begeleidingscommissie werd opgericht conform het natuurrichtplan; dat deze commissie er op toe moet zien dat de instandhou- dingsdoelstellingen voor de aanwezige habitats nageleefd worden en dat het beheersplan van het golfterrein indien nodig wordt bijgesteld; Overwegende dat er in 1999 een vergunning werd afgeleverd voor een termijn van 1 jaar voor een grondwaterwinning uit 3 pompputten met een diepte van 6,5 m, 7 m, 25,55 m en een vijver met een maximaal debiet van 2.400 m³/jaar; dat in het overwegend gedeelte van de vergunning van 7 december 1999 werd vermeld dat het mogelijk moest zijn om binnen het jaar een alternatieve watervoorzieningsmethode te realiseren; dat na afloop van de vergunning noch alternatieven in gebruik werden genomen, noch de winning werd stopgezet, noch een nieuwe vergunning werd aangevraagd; dat er de voorbije 8 jaar illegaal grote debieten grondwater werden opgepompt ondanks het feit dat de winning gelegen is in een speciale beschermingszone die gevoelig is voor verdroging en verzilting; Overwegende dat beroep werd ingediend door de afdeling Milieuvergun- ningen West-Vlaanderen in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos omdat er geen passende beoordeling werd voorgelegd ter advisering (de passende beoordeling ontbrak in de milieuvergunningsaanvraag); dat conform artikel 36ter §3, van het natuurdecreet een vergunningsplichtige activiteit die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, moet onderworpen worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone; dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het opstellen van de passende beoordeling; Overwegende dat conform artikel 36ter, §4, van het natuurdecreet de overheid die over een vergunningsaanvraag moet beslissen, de vergunning slechts mag toestaan indien de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle VII-37.639-4/11 aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale bescher- mingszone kan veroorzaken; Overwegende dat de aanvrager op 18 november 2008 (na de samenkomst van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 22 augustus 2008 en dus na advisering van de afdeling Milieuvergunningen West-Vlaanderen en het Agentschap voor Natuur en Bos) bijkomende stukken aan het dossier heeft toegevoegd waaronder een passende beoordeling, analyseresultaten van het opgepompte grondwater, een verslag van de begeleidingscommissie van 7 oktober 2008, een prijsraming voor opvang van regenwater, een offerte voor het plaatsen van debietsmeters en een offerte voor een ecohydrologische studie; Overwegende dat het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) in het kader van de beroepsprocedure de passende beoordeling ontving en hierover op 24 maart 2009 een negatief subadvies uitbracht; dat het ANB in dit subadvies stelt dat er momenteel onvoldoende gegevens en referentiemateriaal zijn om de mogelijk negatieve effecten van deze grondwaterwinning op de aanwezige duinhabitats in te schatten; dat er geen gegevens beschikbaar zijn over de hoeveelheid grondwater die er verdampt en infiltreert; dat de aard van impact op het habitatrichtlijngebied echter wel gedefinieerd is; dat er met name kans is op daling van het freatisch grondwaterpeil met mogelijke standplaatsverdro- ging tot gevolg wat aanleiding zou geven tot achteruitgang van grondwater- afhankelijke natuurlijke habitats, dieren- en plantensoorten; Overwegende dat uit recent vergelijkend vegetatieonderzoek is gebleken dat in de afgelopen decennia enkele grondwatergebonden soorten verdwenen zijn op het golfterrein; dat er wordt aangenomen dat dit kan wijzen op verdroging, maar dat dit niet met zekerheid gesteld kan worden; dat de door de exploitant voorgestelde ecohydrologische studie een stap in de goede richting is om tot betere kennis en inzicht te komen over de mogelijke negatieve effecten van de grondwaterwinningen; dat tot deze kennis beschikbaar is, conform het voorzorgsprincipe alles in het werk moet gesteld worden om een eventuele verdere aantasting van het habitatrichtlijngebied te vermijden; dat het ANB op basis van de verstrekte informatie van oordeel is dat een betekenisvolle aantasting ten gevolge van deze aanvraag niet kan uitgesloten worden; Overwegende dat er in de voorgestelde ecohydrologische studie sprake is van bijkomende monitoringsstudies om de 4 jaar; dat het echter aangewezen is om de vegetatieopnames jaarlijks uit te voeren zodat er voldoende informatie voor handen is om een kwalitatieve opvolging van het beheer en een correcte evaluatie naar het halen van de instandhoudingsdoelstellingen mogelijk te maken; Overwegende dat in de passende beoordeling verschillende mitigerende maatregelen worden vermeld; dat een voorgestelde maatregel de afbouw van de gebruikte hoeveelheden beregeningswater met 10% per jaar inhoudt gedurende de eerste twee jaar; dat mits gedetailleerde analyse van het gebruik van beregeningswater een nog verdergaande beperking hiervan kan doorge- voerd worden en er geen nood is aan de aangevraagde hoeveelheid van 95.000 m³ grondwater op jaarbasis; Overwegende dat er slechts zeer beperkt onderzoek naar alternatieve bevoorradingsbronnen werd gedaan meer bepaald voor de opvang van regenwater van de daken van het clubhuis en het caddyhuis; dat er sprake is van 4 regenwaterputten van 10.000 liter ter hoogte van het clubhuis en 1 regen- waterput van 10.000 liter ter hoogte van het caddyhuis; dat bij navraag bleek dat het onduidelijk is hoeveel hemelwater er zou kunnen opgevangen worden; dat er van onderzoek naar andere alternatieve bronnen verder geen sprake is; dat een onderzoek naar alternatieve wateropvang, afbouw beregening, enzovoort deel moet uitmaken van de voorgestelde ecohydrologische studie; dat de uitwerking van dergelijke maatregelen echter niet aan bod komt in voorliggende offerte voor een ecohydrologische studie; VII-37.639-5/11 Overwegende dat de exploitant voorstelt om een 10-jaren actieplan op te maken om het golfterrein tot een 'links' om te vormen; dat het idee van 'links' beantwoordt aan de vraag om een meer natuurgericht beheer te voeren en tot doel heeft om conform de instandhoudingsdoelstellingen aan habitatherstel en -ontwikkeling te doen; dat dit een actieplan is dat slechts op langere termijn voltooid zal zijn en geen onmiddellijk milderend effect biedt op de mogelijke negatieve effecten van de aangevraagde grondwaterwinning; Overwegende dat de verdere opgesomde mitigerende maatregelen een beschrijving zijn van het plan van aanpak om tot een gedocumenteerde referentiesituatie van de ecohydrologie op het golfterrein te komen om de impact van de grondwaterwinning op de aanwezige habitats te kunnen inschatten; dat dit geen werkelijke mitigerende maatregelen zijn; dat het uitvoeren van deze maatregelen enkel zal leiden tot een correctere inschatting van de effecten van de grondwaterwinning, maar het risico op een betekenis- volle aantasting van het betrokken habitatrichtlijngebied niet verminderen; (...) Overwegende dat er een drastische verhoging van het debiet wordt aangevraagd (van maximum 2.400 m³ in de milieuvergunning die gold in 1999 naar 95.000 m³); dat dit volgens de exploitant geen uitbreiding van de werkelijk opgepompte hoeveelheden betreft; dat de exploitant verwijst naar het feit dat er in 1999 onduidelijkheid was over de juiste bepaling van het begrip grondwaterwinning (waardoor niet alle waterbronnen waaronder een vijver en bijhorende debieten werden opgenomen in de vergunningsaanvraag); dat in het overwe-gende gedeelte van het besluit van 7 december 1999 nochtans duidelijk werd vermeld dat het ging over een tijdelijke vergunning van 1 jaar voor het oppompen van grondwater uit de betrokken 3 putten en één vijver; Overwegende dat volgens het voorzorgsprincipe van het Decreet Integraal Waterbeleid, het treffen van maatregelen ter voorkoming van schadelijke effecten niet moet worden uitgesteld omdat na afweging het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het handelen of nalaten en de gevolgen ervan niet volledig door wetenschappelijk onderzoek is aangetoond; dat bovendien volgens het standstill-beginsel van het Decreet Integraal Waterbeleid voorko- men moet worden dat de toestand van het watersysteem verslechtert; Overwegende dat er in de aanvraag tegenstrijdigheden voorkomen; dat er een dagdebiet van 445 m³ volgens bijlage 3 en 452 m³ volgens bijlage 5 wordt aangevraagd; dat er in bijlage 5 een werkelijk opgepompt debiet wordt opgegeven van 4 m³/uur voor elk van de drie pompputten; dat echter, volgens de resultaten van de grondwaterstudie, het dagdebiet van pompputten 1 en 3 werd geschat op respectievelijk 300 m³ en 348 m³, wat overeenkomt met uurdebieten van 12,5 m³ en 14,5 m³; dat het aangevraagde jaardebiet hoger is dan 365 maal het maximaal aangevraagde dagdebiet; Overwegende dat het aangevraagde jaardebiet niet gelijkmatig verdeeld over de 210 aangevraagde dagen zal opgepompt worden; dat er tijdens periodes van langdurige droogte per dag meer opgepompt zal worden dan in korte droogtepe- riodes; dat indien een jaardebiet van 95.000 m³ onttrokken wordt, het niet uit te sluiten is dat er dagen zijn dat er meer dan 1.000 m³ wordt onttrokken; dat in dat geval de activiteit MER-plichtig is omdat het golfterrein in een speciale beschermingszone ligt en de activiteit een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken; dat bovendien voor het bepalen van het dagdebiet, bij het onttrokken debiet uit de boorputten, ook het debiet dat onttrokken wordt uit de vijvers moet opgeteld worden; Overwegende dat het aangevraagde debiet niet voldoende wordt gemoti- veerd; dat er weliswaar een waterverlies kan verwacht worden ten gevolge van verdamping en insijpeling in de doorlaatbare bodem; dat er desondanks vragen VII-37.639-6/11 rijzen over het efficiënt en zorgzaam gebruik van de beschikbare grondwater-reserves; Overwegende dat uit de resultaten van de grondwateranalyse geen aanwijzingen zijn voor mogelijke verzilting ten gevolge van het huidige pompregime; dat in deze studie de huidige grondwaterkwaliteit van de putten wordt vergeleken met stalen van 2001 en 2004; dat deze resultaten echter enkel informatie geven over de grondwaterkwaliteit ter hoogte van de filter en niet over het mogelijk optreden van verzilting van de strandzone door overmatig pompen ter hoogte van het golfterrein; Overwegende dat gelet op de schaarsheid van zoet grondwater in het kustgebied hoge debieten voor laagwaardige doeleinden (beregening) niet kunnen worden toegestaan; dat gelet op de diepte van de winning, het debiet en de ligging relatief dicht bij de strandzone, een verzilting vanuit de strandzone niet uitgesloten kan worden; dat er lokaal een verlaging van het grondwater kan veroorzaakt worden met mogelijke verdroging tot gevolg; dat enkel een ecohydrologische studie de nodige informatie kan geven over het effect van de grondwaterwinning op de verzilting van het grondwater en de grondwater- stand"; - waarna tenslotte de conclusie luidt : "Overwegende dat een betekenisvolle aantasting van het habitatrichtlijn- gebied ten gevolge van deze aanvraag niet volledig kan uitgesloten worden; dat het aangewezen is om het bestreden besluit, waarbij de deputatie een proefver- gunning voor 2 jaar verleent met als bijzondere voorwaarde dat een ecohydrolo- gische studie moet worden opgesteld binnen een termijn van 18 maanden vanaf de bestreden beslissing, te bevestigen". IV . Tussenkomst
  13. Met een op 9 februari 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de de CVBA Koninklijke Golfclub Oostende om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. V. Beoordeling De voorwaarden van de vordering tot schorsing
  14. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat VII-37.639-7/11 de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunten van de partijen
  15. De verzoekende partij herhaalt wat eerder werd gesteld over het waardevolle karakter van het gebied, dat ook blijkt dat verschillende beschermings- maatregelen terzake reeds werden getroffen. Zij verwijst naar en citeert uit de tijdens de vergunningsprocedure verleende ongunstige adviezen. Zij verwijst naar het betreffende natuurrichtplan, waarin wordt vastgesteld dat twee van de aanwezige habitattypes zich in een "ongunstige staat van instandhouding" bevinden, en naar een vegetatie-onderzoek waaruit is gebleken dat met name de grondwatergebonden vegetaties en soorten sterk gedegradeerd zijn. Uit de administratieve beroepen en de unaniem ongunstige adviezen blijkt duidelijk dat het risico op negatieve effecten reëel is, zodat men vergeefs zou tegenwerpen dat die negatieve effecten niet zeker zijn; de verzoekende partij verwijst hiervoor naar verschillende arresten van de Raad van State, en voegt daar aan toe : "Stellen dat in voorliggende constellatie geen sprake zou zijn van een MTHEN in hoofde van de verzoekende partij omdat het optreden van de natuurschade niet met zekerheid zou vaststaan, zou in elk geval strijdig zijn met de hoger reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie aangaande de verplichte toepassing van het voorzorgsbeginsel. Het Hof van Justitie stelt immers dat van zodra er een risico bestaat op schade aan Europese beschermde natuurwaarden, het betrokken project en/of plan moet worden stopgezet (in dubio pro natura), tenzij sprake zou zijn van een dwingend groot openbaar belang (quod non). Er anders over oordelen zou het nuttig effect (effet utile) van het beoordelingsregime uit de hoger ingeroepen bepalingen uit de Habitatrichtlijn danig op de helling zetten (artikel 10 EG-Verdrag)". Wat betreft het persoonlijk karakter van het nadeel stelt de verzoekende partij : "Tevergeefs zou te dezen worden opgeworpen dat niet kan worden ingezien in welk opzicht de (verdere) aantasting van de Europees beschermde habitats de verzoekende partij een persoonlijk of specifiek nadeel zou kunnen opleveren. De bestreden exploitatie heeft immers evenzeer schadelijke effecten op de gebieden die zij in gebruiksbeheer of eigendom heeft. Het spreekt immers voor zich dat de schadelijke effecten die door het ANB worden onderkend in haar adviezen zich evenzeer zullen voordoen in de omliggende natuurreserva- ten, die evenzeer zijn aangeduid als speciale habitatbeschermingszone én waarin zich eveneens dezelfde habitattypes bevinden. Op dit punt kan ten VII-37.639-8/11 overvloede worden gewezen op de specifieke beheersdoelstellingen uit het voorliggende beheersplan voor het reservaat. Zo wordt onder meer het behoud en herstel van vochtige duinvalleien en natte duinpannen vooropgesteld, een habitattype dat, zoals gezegd, zwaar te lijden heeft onder verdroging (...). Bovenstaande (...) doet overigens niet terzake. De focus van de verzoekende partij is conform haar statutaire visie immers ruimer: de verzoekende partij focust zich niet uitsluitend op het beheer van (eigen) natuurgebieden, maar op de kwaliteit en de instandhouding van de biodiversiteit en de belevingswaarde. Ook in dit opzicht bestaat een voldoende geïndividualiseerd verband tussen de verzoekende partij en het ingeroepen nadeel. Ook de reputatieschade die de verzoekende partij met de aantasting van het gebied en de eraan verbonden belevingswaarde ondergaat, wordt onmiddellijk, concreet en, gelet op het doelstellingkader van de verzoekende partij, persoonlijk ondergaan". Ze noemt het nadeel moeilijk herstelbaar : "De als nadeel gekwalificeerde verstoring van het habitatrichtlijngebied die als gevolg van de uitvoering van de bestreden beslissing valt te verwachten is tenslotte moeilijk te herstellen. Het behoort immers tot de algemene ervarings- regels dat het herstel van ecologische schade, voor zover al herstelbaar, een proces is van zeer lange adem, waarbij bovendien vaak heel veel middelen en inspanningen moeten worden ingezet. Dit zal natuurlijk des te meer het geval zijn bij habitattypen waarvan wetenschappelijke studies aantonen dat zij uitermate verdrogingsgevoelig zijn (...). Ook de aangevoerde reputatieschade en de aantasting van de belevingswaar- de zijn nadelen die moeilijk te herstellen zijn, nu het noodzakelijk is gekoppeld aan de ecologische waarden waarvan vaststaat dat de verstoring van die waarden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel oplevert. De reputatieschade en de geschonden belevingswaarde zullen immers pas 'herstelbaar' zijn indien ook de natuur- en landschapswaarden (voldoende) zijn hersteld, en zij haar beheeractiviteiten opnieuw ten volle kan ontplooien in het gebied".
  16. De verwerende partij noemt het aangevoerde nadeel "louter hypothetisch" en niet ernstig. De tussenkomende partij stelt dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden verworpen omdat de verzoekende partij een rechtspersoon is, en dit naar analogie met een arrest van het Grondwettelijk Hof. Zij betoogt dat de verzoekende partij, door geen administratief beroep in te dienen, zelf heeft tegengesproken dat er een ernstig nadeel dreigt. Vervolgens zet zij heel uitvoerig uiteen dat uit het dossier zelf blijkt dat er van een ernstig nadeel geen sprake is. Zij benadrukt dat het te dezen gaat over een proefvergunning die vervalt in november
  17. Dit betekent volgens haar dat de verzoekende partij moet aantonen dat een schorsingsarrest vóór november 2010 een verschil in de concrete situatie met zich mee zal brengen. De verzoekende partij VII-37.639-9/11 toont dat volgens de tussenkomende partij niet aan, en houdt het bij algemene beweringen. De tussen-komende partij meent dat bovendien niet wordt aangetoond dat het eventuele nadeel te wijten zou zijn aan de bestreden beslissing. Beoordeling
  18. Artikel 8, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, zoals vervangen door artikel 63, van het koninklijk besluit van 25 april 2007, bepaalt dat het enig verzoekschrift "een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen", moet bevatten. Een verzoekende partij mag zich ter zake niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaat of dreigt te ondergaan, wat inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter blijkt. De verzoekende partij beperkt zich te dezen tot een zeer algemene uiteenzetting over de mogelijke negatieve milieueffecten van de bestreden beslissing, die slechts geldt tot 27 november 2010, maar laat na te preciseren welke de concrete gevolgen ervan zijn die zij rechtstreeks ondergaat en die een nadelige weerslag hebben op haar maatschappelijk doel. Zij maakt bijgevolg niet aanneme- lijk dat de aangevoerde nadelen dermate ernstig zijn dat zij zelfs niet gedurende de proefperiode kunnen worden verdragen. De verwijzing naar de mogelijk nadelige gevolgen van de bestreden vergunning op het omliggende natuurreservaat dat de verzoekende partij in beheer heeft is onvoldoende gestaafd. In haar betoog laat de verzoekende partij dus na aan te tonen dat de verwezenlijking van haar maatschap- pelijk doel, te weten de duurzame instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur, het veilig stellen van natuurgebieden, het in beheer nemen en verder ontwikkelen en het opkomen voor de ruimtelijke- en milieucondities voor de duurzame instandhouding en optimale ontwikkeling van natuurwaarden (...), door VII-37.639-10/11 de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, dat een vergunning op proef verleent tot 27 november 2010, ernstig in het gedrang komt. Het aanvoeren van ernstige middelen en de uiteenzetting van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn twee cumulatief opgelegde grondvoorwaar- den om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Het gaat om twee onderscheiden voorwaarden. Er kan niet nuttig worden verwezen naar de ernst van de middelen ter adstructie van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  19. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken. BESLISSING
  20. Het verzoek van de CVBA Koninklijke Golfclub Oostende tot tussenkomt in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  21. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig april tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-37.639-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.211 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.