← België

Arrest 203218 - Jacht - Reglementen - 22/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.218 Rolnummer: A. 142092/VII-38053 Zaak: Arrest 203218 - Jacht - Reglementen - 22/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-03 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 203.218 van 22 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Reglementen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.218 van 22 april 2010 in de zaak A. 142.092/IX-3943 In zake: de VZW VOGELBESCHERMING VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de VZW HUBERTUSVERENIGING VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert en Tom Gevers kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 september 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 145.441 van 6 juni 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit en de vordering tot het opleggen van een dwangsom verworpen. IX-3943-1/17 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 september 2005. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Jan Clement heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij en de tussenkomen- de partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 mei 2009. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Fitzgerald Temmerman, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Tine Gernaey, die loco advocaten Jan Bouckaert en Tom Gevers verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. IX-3943-2/17 III. Feiten 3.1. Artikel 4 van het jachtdecreet van 24 juli 1991 (hierna: het jachtdecreet) luidde op het ogenblik van het bestreden besluit als volgt: “De Vlaamse Executieve bepaalt minstens vijfjaarlijks na advies van de Vlaamse Hoge Jachtraad, de Vlaamse Hoge Raad door Natuurbehoud en de in artikel 10 derde lid van het koninklijk besluit van 15 september 1924 tot inrichting van de officiële vertegenwoordiging van de landbouw zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 12 april 1977 bedoelde gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad, voor het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het Gewest, voor elke categorie, soort, type of geslacht van wild en voor elke jachtwijze de data van de opening van de sluiting van de jacht. De besluiten betreffende de opening en de sluiting van de jacht worden ten minste dertig dagen voor de op grond van het eerste lid bepaalde datum bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.” 3.2. Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 wordt de jacht geregeld in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 1998 tot 30 juni 2003. Bij arresten nrs. 104.550 tot 104.553 van 11 maart 2002 vernietigt de Raad van State sommige bepalingen van dit besluit. 3.3. Nog vooraleer de Vlaamse minister van Leefmilieu een voorontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit heeft opgemaakt, brengen de Vlaamse Hoge Jachtraad, de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud, de gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad, respectievelijk op 24 september 2002, 26 november 2002 en 11 december 2002 een advies uit, waarin met het oog op de vaststelling van een nieuw jachtopeningsbesluit wijzigingen worden voorgesteld ten aanzien van het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998. 3.4. Op 28 mei 2003 brengt de inspectie van financiën advies uit over het voorontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008. 3.5. Op 2 juni 2003 vindt het Benelux-overleg plaats over dat voorontwerp. IX-3943-3/17 3.6. Op 3 juni 2003 zendt de Vlaamse minister van Leefmilieu naar de minister van Landbouw en Landelijke aangelegenheden van het Waalse Gewest en naar de minister van Leefmilieu van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een brief, met de volgende inhoud: “Waarde collega, Ik vraag uw aandacht voor het jachtopeningsbesluit 2003-2008 van het Vlaamse Gewest waarvan u de tekst in bijlage kan terugvinden. Gezien dit besluit in voege moet treden op 30 juni 2003 wens ik voor het overleg conform de bijzondere wet van 8-8-1980 tot hervorming van de instellingen de schriftelijke procedure te volgen. Ik stel volgende beslissing voor: 1. De ICL neemt nota van het Ontwerp van besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van de regelgeving betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest; 2. De ICL constateert dat de overlegprocedure bepaald in artikel 6, § 2, 2/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen met betrekking tot het voormelde ontwerp van besluit van de Vlaamse regering hiermee is afgesloten; Gezien de Vlaamse regering uiterlijk op vrijdag 13 juni een principiële beslissing zal nemen in dit dossier had ik graag voordien eventuele opmerkin- gen ontvangen.” 3.7. Op 3 juni 2003 legt de Vlaamse minister van Leefmilieu het voorontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit voor aan de Vlaamse Hoge Jachtraad, de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud en de gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad. Op 5 juni 2003 brengt het vast comité van de Vlaamse Hoge Jachtraad advies uit over dat voorontwerp. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld: “Aanleiding voor deze vergadering was een tekstvoorstel over het nieuwe jachtopeningsbesluit vanwege het kabinet van minister Sannen dat dinsdagna- middag (3 juni) ter beschikking werd gesteld en waarover het advies van de Raad tegen vrijdag (6 juni) verwacht werd. Het Vast Comité betreurt het feit dat deze tekst pas in extremis ter beschikking werd gesteld. Ondanks het feit dat de Raad reeds op 24 september 2002 een eerste advies gaf, werd de tekst vanwege het kabinet slechts drie weken vooraleer het nieuwe openingsbesluit reeds gepubliceerd zou moeten zijn in het Belgisch Staatsblad aan de Raad ter advisering voorgelegd. Het Vast Comité vreest dan ook voor een juridisch vacuüm indien het nieuwe besluit niet tijdig [wordt] gepubliceerd en drukt de vrees uit wat er te gebeuren staat onder andere op het vlak van wildschade.” Op 5 juni 2003 brengt de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud een “spoedadvies” uit. Van de zesentwintig leden van de Raad zijn er tien aanwezig. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld: IX-3943-4/17 “De Raad betreurt de laattijdige consultatie van de raad waardoor over een dergelijk belangrijke materie een spoedadvies op zulke korte termijn moet gegeven worden.” Op 6 juni 2003 brengt de gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad advies uit. 3.8. Op 27 juni 2003 legt de Vlaamse minister van Leefmilieu het voorontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit voor aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering beslist om haar principiële goedkeuring te hechten aan het voorontwerp, op voorwaarde dat aan artikel 14 van het ontwerpbe- sluit een paragraaf 6 wordt toegevoegd, waarvan de tekst als volgt luidt: “Indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, kunnen broedsels van de fazant, die beschadigd zijn door maaiwerkzaamheden, overgebracht worden voor verdere uitbroeding, het opkweken en het voor 1 juli van hetzelfde kalenderjaar opnieuw in de natuur brengen van de jongen. Het overbrengen van eieren en jongen wordt gemotiveerd en geregistreerd bij de woudmeester.” Met betrekking tot het voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State beslist de Vlaamse regering: “[...] de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, te gelasten over voornoemd voorontwerp van besluit, aangepast conform de in punt 1 vermelde beslissing, het advies in te winnen van de Raad van State, met verzoek om spoedbehandeling zoals bepaald in artikel 84, § 1, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (advies mee te delen binnen een termijn van vijf werkdagen).” 3.9. Op 1 juli 2003 legt de Vlaamse minister van Leefmilieu het overeenkomstig de beslissing van de Vlaamse regering aangepaste ontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit ter advies voor aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. 3.10. Het advies nr. 35.653/3 van 3 juli 2003 van de afdeling wetgeving van de Raad van State stelt onder meer het volgende: “Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan. IX-3943-5/17 In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd ‘door de omstandigheid dat de jacht op reebok in juli plaatsvindt en het feit dat het huidige jachtopeningsbesluit afloopt op 30 juni 2003’. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. [...]” 3.11. Op 28 juli 2003 wordt in het Belgisch Staatsblad het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008 bekendgemaakt. Dit is het bestreden besluit. 3.12. Op 26 september 2003 vorderen veertien verzoekende partijen, waaronder de VZW Hubertusvereniging Vlaanderen, die in de voorliggende zaak tussenkomende partij is, eveneens de nietigverklaring -zij het slechts gedeeltelijk- van het met het voorliggende beroep bestreden besluit (zaak A. 142.110/IX-3945). 3.13. Bij besluiten van de Vlaamse regering van 21 oktober 2005 en 7 maart 2008 wordt het bestreden besluit gewijzigd. Deze wijzigende besluiten worden door de verzoekende partij niet met een beroep tot nietigverklaring bestreden. IV. Verzoek tot samenvoeging 4. De verwerende partij vraagt in haar laatste memorie dat de voorliggende zaak zou worden samengevoegd met de zaak gekend onder het nummer A. 142.110/IX-3945. Zij voert aan dat zij in de beide zaken optreedt als verwerende partij, dat de beide zaken hetzelfde besluit als voorwerp hebben, en dat in de beide zaken de schending wordt aangevoerd van artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 5. In de zaak A. 142.110/IX-3945 vorderen veertien verzoekers, waaronder de VZW Hubertusvereniging Vlaanderen, de nietigverklaring van sommige bepalingen van het thans bestreden besluit. IX-3943-6/17 Hoewel de verwerende partij in de beide zaken dezelfde is en de beroepen in de beide zaken gericht zijn tegen hetzelfde besluit, moet worden vastgesteld dat een behoorlijke rechtsbedeling te dezen niet gediend is met de samenvoeging van de beide zaken, gelet op de onmiskenbaar tegenstrijdige belangen van de betrokken verzoekende partijen. Terwijl de verzoekende partij in de voorliggende zaak zich gegriefd ziet door de jacht als zodanig, betwisten de verzoekende partijen in de zaak A.142.110/IX-3945 daarentegen sommige beperkingen van de jacht. Op het verzoek tot samenvoeging wordt derhalve niet ingegaan. V. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen 6. De tussenkomende partij werpt in haar memorie tot tussenkomst een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij. Zij voert vooreerst aan dat de verzoekende partij, krachtens haar statuten, zich tot doel stelt een volledige afschaffing van de jacht te verkrijgen. Vermits het jachtrecht deel uitmaakt van het eigendomsrecht, vormen de beperkingen die eraan worden gesteld, en zeker de volledige afschaffing ervan, tevens beperkingen van het eigendomsrecht, die overeenkomstig artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag over de rechten van de mens slechts mogelijk zijn, mits een afdoende compensatie. Voor zover de verzoekende partij met haar beroep de afschaffing van de jacht nastreeft, zonder enige compensatie, beoogt zij volgens de tussenkomende partij een onwettige situatie te creëren. Voorts laat zij gelden dat het collectief belang waarvoor de verzoekende partij opkomt, onvoldoende specifiek is, en dat de verzoekende partij al evenmin aantoont dat zij als reservaatbeheerder een afdoende persoonlijk belang bij haar beroep heeft. Het morele nadeel dat de verzoekende partij beweert te lijden, komt volgens de tussenkomende partij niet voort uit het bestreden besluit, maar uit het jachtdecreet zelf. Voor zover de verzoekende partij zich ter verantwoording van haar belang beroept op de bedreiging van flora en fauna, andere dan avifauna, IX-3943-7/17 ingevolge de jacht, moet -zo stelt de tussenkomende partij- worden vastgesteld dat zij op dat vlak bijna geen activiteiten ontwikkelt. Volgens de tussenkomende partij draagt de jachtbeoefening daarentegen bij tot het behoud, het herstel en de aanleg van kleine landschapselementen die zowel flora als fauna ten goede komen. 7. De verzoekende partij verwijst in haar memorie van wederantwoord vooreerst naar de rechtspraak van de Raad van State waarin het persoonlijk belang van de VZW Koninklijk Belgisch Verbond voor Bescherming van de Vogels wél wordt aanvaard. Zij laat gelden dat zij minstens even specifiek de bescherming van in het wild levende vogelsoorten tot doel heeft en haar werkingsgebied specifiek het Vlaamse Gewest betreft. Voorts wijst zij erop dat zij, krachtens haar statuten, zich tot doel stelt iedere vorm van wreedheid tegenover individuen behorend tot wilde soorten te voorkomen of aan te vechten, en voert zij aan dat het bestreden besluit dergelijke wreedheid mogelijk maakt. Zij betoogt dat in de “vogelrijke gebieden” die in het bestreden besluit worden omschreven, de jacht op een aantal vogelsoorten wordt toegestaan. Ook haar statutaire doelstelling betreffende de bescherming en het behoud van andere wilde flora en fauna en hun biotopen komt volgens haar in het gedrang. Zij stelt voorts een juridisch en moreel belang te kunnen laten gelden, nu het bestreden besluit het arrest nr. 104.550 van 11 maart 2002 van de Raad van State, dat een aantal bepalingen van het vorige jachtbesluit heeft vernietigd, negeert. Volgens de verzoekende partij brengt het bestreden besluit schade toe aan de activiteiten van de vereniging en haar leden, aangezien de jacht onder meer plaatsvindt nabij gebieden waar zij actief zijn. Zij betwist dat de bedoelde nadelen zouden voortvloeien uit het jachtdecreet en niet uit het bestreden besluit. Zij spreekt ook tegen dat zij te weinig activiteiten zou organiseren ter bescherming van andere fauna dan avifauna. 8. Ter terechtzitting laat de verwerende partij gelden dat de verzoekende partij hoe dan ook geen actueel belang meer heeft bij haar beroep, vermits de geldingsduur van het bestreden besluit inmiddels is verstreken. 9. De verzoekende partij van haar kant wijst er in verband met het actueel karakter van haar belang op dat de Raad van State in andere zaken waarbij zij tijdelijke maatregelen aanvocht, bijvoorbeeld in verband met de bevoorrading van de vinkeniers, haar actueel belang heeft aangenomen. Zij wijst er voorts op dat nog gerechtelijke procedures aan de gang zijn waarin de onwettigheid van het bestreden besluit kan worden aangevoerd. IX-3943-8/17 IX-3943-9/17 Beoordeling 10. De door de verzoekende partij neergelegde statuten bepalen haar statutaire doelstellingen als volgt: “Art. 4. § 1. De vereniging heeft tot doel om in het werkingsgebied iedere actie of activiteit te ontplooien die bijdraagt tot verbetering van de bescherming, het behoud, het statuut, het leefgebied en de studie van iedere in het wild levende vogelsoort die voorkomt in het werkingsgebied, waarbij het geen rol speelt of deze soort behoort tot de Vlaamse, Europese of mondiale avifauna. Ook kan de vereniging in dezelfde zin acties of activiteiten ontplooien met betrekking tot de bescherming en het behoud van de andere wilde fauna en flora en hun biotopen. § 2. De vereniging kan zonder beperking en met alle mogelijke wettelijke middelen iedere daad stellen en bepaalde prioriteiten nastreven ter verwezenlijking van haar doelstellingen. Daaronder worden onder andere begrepen:

  1. a)het beperken van de oorzaken van verminderen en/of uitsterven van iedere in het wild levende vogel- en andere wilde diersoort en hun ondersoorten (hierna ‘wilde soorten’ genoemd);
  2. b)de strikte toepassing eisen -voor zover wettelijk toegelaten- van iedere wettelijke beschikking, van welke aard ook, met betrekking tot de bescherming en/of het behoud van wilde soorten;
  3. c)het voorstellen en/of de toepassing vorderen van gewestelijke, nationale en internationale beschikkingen die tot doel hebben wilde soorten te beschermen;
  4. d)alles in het werk stellen om de volledige afschaffing te bekomen van de voor de vereniging ethisch en ecologisch onverantwoorde jacht en van de vogelvangst, maar ook van iedere onverantwoorde vorm van bezit, bestrijding en vernietiging van en handel in wilde soorten;
  5. e)iedere vorm van wreedheid tegenover individuen behorende tot wilde soorten voorkomen en/of aanvechten;
  6. f)de ontwikkeling aanmoedigen van bestaans- en overlevingskansen van wilde soorten, zoals door het huren of verwerven, hetzij persoonlijk of in samenwerking met andere verenigingen of instanties die een gelijkaardig doel nastreven, van ieder terrein, biotoop of habitat waar wilde soorten leven of zouden kunnen leven, ter bevordering van hun behoud, hun bescherming, hun voortplanting en hun rust;
  7. g)de educatie en sensibilisatie van de publieke opinie ontwikkelen door om het even welke activiteit te ontplooien ter bevordering van de kennis en de bescherming van wilde soorten en hun habitat;
  8. h)alle nuttige stappen ondernemen bij de bevoegde overheden, controlebeambten, verbaliserende en gerechtelijke instanties -zowel op Vlaams, Brussels, federaal als Europees niveau- om een strikte toepassing van de wettelijke beschermingsmaatregelen van de hierboven bedoelde wilde soorten te bekomen;
  9. i)het oprichten en coördineren van Opvangcentra voor Vogels en Wilde Dieren (VOC) om de nodige zorgen te kunnen verstrekken aan noodlijdende individuen behorende tot wilde soorten. Het doel van deze centra is gericht op het opnieuw in vrijheid stellen van deze dieren, en dit met de grootste overlevingskansen in een geschikte biotoop en op een voor het dier gepast tijdstip;
  10. j)het oprichten van Vogelwachten die als voornaamste doel hebben het aanklagen van misdrijven, het indienen van klachten en het doen beteugelen IX-3943-10/17 van inbreuken op elke wetgeving waarvan wilde soorten het slachtoffer zijn, en ook elke overtreding van de wetgeving die de natuur en de open ruimte in de meest ruime zin beschermen, onder meer die betreffende natuurbehoud, bossen, jacht, vogelbescherming en ruimtelijke ordening. De werkzaamheden van deze dienst kunnen worden toevertrouwd aan hetzij vrijwilligers, hetzij personen bezoldigd door de vereniging of gesubsidieerd door de overheid;
  11. k)het oprichten van werkgroepen die specifiek rond een bepaald thema werkzaam zijn, bijvoorbeeld rond de bescherming van één bepaalde vogelsoort. Er kunnen ook bestaande werkgroepen worden opgenomen op voorwaarde dat hun doelstellingen passen in die van Vogelbescherming Vlaanderen;
  12. l)het organiseren van educatieve activiteiten, uitstappen en manifestaties, het oprichten van onthaallokalen en informatiecentra, het uitgeven van publicaties en het ontplooien van alle andere soorten activiteiten die nodig blijken voor de realisatie van het maatschappelijke doel van de vereniging;
  13. m)bovenstaande lijst is een loutere opsomming en zeker niet beperkend.” In zijn arrest nr. 104.550 van 11 maart 2002 over een beroep, ingesteld door de VZW Koninklijk Belgisch Verbond voor Bescherming van de Vogels, tot nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 1998 tot 30 juni 2003 heeft de Raad van State overwogen: “[dat hij] reeds eerder, meer bepaald in het arrest nr. 41.467 van 22 december 1992 -gewezen over de vordering tot vernietiging van de regeling betreffende de opening en de sluiting van de jacht in het seizoen 1986-1987- en in het arrest nr. 46.102 van 14 februari 1994 -over het jachtopeningsbesluit voor het seizoen 1988-1989-, gesteld heeft dat, in acht genomen haar statutaire doelstellingen, de verzoekende partij een specifiek moreel belang heeft om de vernietiging te vorderen van bepalingen die de jacht op bepaalde in het wild levende vogelsoorten mogelijk maakt en die ook het bestrijden van en de handel in bepaalde vogelsoorten toelaat; dat voor de onderhavige zaak die stelling wordt bijgevallen; dat dienvolgens de verzoekende partij blijk geeft van een persoonlijk en rechtstreeks belang bij de vernietiging van de bepalingen die verband houden met de jacht op vogels.” De Raad van State ziet geen reden om in de voorliggende zaak anders te oordelen en bevestigt dan ook in de voorliggende zaak deze redenering met betrekking tot het belang van de huidige verzoekende partij bij haar beroep. Daargelaten of -zoals de tussenkomende partij beweert- het nastreven van de volledige afschaffing van de jacht een onwettig belang zou uitmaken, moet worden vastgesteld dat zulks niet de statutaire doelstelling van de verzoekende partij lijkt te zijn, aangezien zij enkel de afschaffing nastreeft van “de voor de vereniging ethisch en ecologisch onverantwoorde jacht” en van “iedere onverantwoorde vorm van bezit, bestrijding en vernietiging van en handel in wilde IX-3943-11/17 soorten”. Overigens zou niet aan de verzoekende partij kunnen worden verweten dat zij niet zelf in een compensatie voor de door haar beoogde afschaffing van de jacht voorziet. De door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie is niet gegrond. 11. De omstandigheid dat de geldingsduur van het bestreden besluit inmiddels is verstreken doet geen afbreuk aan het actueel belang van de verzoekende partij. Besluiten met een beperkte geldingsduur zijn immers niet buiten de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State gehouden, terwijl de verzoekende partij bovendien niet verantwoordelijk is voor het feit dat de Raad van State het annulatieberoep onderzoekt op een ogenblik dat het besluit geen gelding meer heeft. Ook al zou de verzoekende partij in beginsel geen rechtstreeks voordeel meer kunnen halen uit de vernietiging van bepalingen van het bestreden besluit die verband houden met de jacht op vogels tijdens de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008, dan dient te dezen te worden opgemerkt dat het besluit geen alleenstaande regeling betreft, maar dat de verwerende partij met betrekking tot opeenvolgende periodes de opening van de jacht regelt met gelijkaardige besluiten en voorts de voorwaarden van de jacht bepaalt, zodat het onderzoek van de voorliggende zaak ertoe kan leiden dat een herhaling van onwettige beslissingen wordt vermeden. In dat opzicht behoudt de verzoekende partij haar belang bij het beroep. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is niet gegrond. 12. Het bestreden besluit werd gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 21 oktober 2005 en 7 maart 2008, die door de verzoekende partij niet met een beroep tot nietigverklaring zijn bestreden. De Raad van State stelt evenwel vast dat uit niets blijkt dat de verzoekende partij door deze besluiten genoegdoening zou hebben verkregen. De aangebrachte wijzigingen laten het bestreden besluit in essentie bovendien voortbestaan, zodat de verzoekende partij haar belang bij het bestrijden van dat besluit behoudt. IX-3943-12/17 VI. Onderzoek van de middelen Vijfde middel Standpunt van de partijen 13. In een eerste onderdeel van het middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, doordat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd ingewonnen bij hoogdringendheid, die werd gemotiveerd door de omstandigheid dat de jacht op reebok in juli plaatsvindt en het vigerende jachtopeningsbesluit afliep op 30 juni 2003, terwijl deze motivering ontoereikend is om het inwinnen van het advies bij hoogdringendheid te verantwoorden. De verzoekende partij betoogt dat de startdatum van de jacht op reebok geen nieuw, dringend gegeven kon zijn, aangezien hij reeds was bepaald in het jachtopeningsbesluit van 23 juni 1998, en dat ook het aflopen van dit jachtopeningsbesluit op 30 juni 2003 reeds vijf jaar bekend was. Zij laat voorts gelden dat de annulatieprocedure tegen het jachtopeningsbesluit van 23 juni 1998 niet in aanmerking kan worden genomen voor het beoordelen van de hoogdringendheid, vermits meer dan vijftien maanden waren verstreken sedert het arrest dat daarover uitspraak had gedaan. Ten slotte vraagt de verzoekende partij zich af waarom pas eind juni 2003 het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd gevraagd, terwijl reeds op 24 september 2002 het advies zou zijn ingewonnen van de Vlaamse Hoge Jachtraad en op 26 november 2002 het advies van de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud. 14. In een tweede onderdeel van het middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 4 van het jachtdecreet en van artikel 190 van de Grondwet. Zij betoogt dat het bestreden besluit ten minste dertig dagen vóór de opening van de jacht, dit wil zeggen uiterlijk op 30 mei 2003, diende te worden bekendgemaakt, terwijl het slechts op 28 juli 2003 werd bekendgemaakt. IX-3943-13/17 15. De tussenkomende partij laat in haar laatste memorie met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel gelden dat de termijn waarin artikel 4, tweede lid, van het jachtdecreet voorziet, een termijn van orde is, waarvan de niet-naleving niet wordt gesanctioneerd. Zij leidt zulks af uit de wetsgeschiedenis van de bepaling die leidde tot artikel 4, tweede lid, van het genoemde decreet. Zij voegt eraan toe dat het middelonderdeel hoe dan ook niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, aangezien de laattijdige bekendmaking van een reglementair besluit de wettigheid van dit besluit niet aantast, maar hoogstens een invloed kan hebben op de tegenstelbaarheid van het besluit. Beoordeling 16. De afdeling wetgeving van de Raad van State is de eerste beoordelaar van de rechtmatigheid van de “bijzondere redenen” die in een haar overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State overgelegde adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van de spoedeisendheid van die aanvraag. Er mag worden aangenomen dat indien zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, zij van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert. De overheid die het advies heeft aangevraagd, mag er alsdan in principe op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten. Dit principe is evenwel niet absoluut. De overheid kan er zich met name niet op beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving misleidend heeft voorgelicht omtrent de “bijzondere redenen” die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht, of nog wanneer achteraf - na de adviesaanvraag- aan het licht komende gegevens er doen van blijken dat die “bijzondere redenen” in weerwil van de bij de aanvraag opgewekte schijn iedere overtuigingskracht ontbeerden. In gevallen als aangehaald kan de overheid immers niet staande houden dat haar vertrouwen werd beschaamd. Te dezen heeft de verwerende partij op 1 juli 2003 het verzoek om spoedbehandeling in de zin van artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gemotiveerd “door de omstandigheid dat de jacht op reebok in juli plaatsvindt en het feit dat het huidige jachtopeningsbesluit afloopt op 30 juni 2003”. De afdeling wetgeving heeft daaromtrent geen opmerkingen gemaakt, zodat de verwerende partij erop mocht vertrouwen dat zij aan het IX-3943-14/17 ontworpen besluit voortgang mocht verlenen -wat zij ook heeft gedaan door het besluit op 18 juli 2003 te nemen en het op 28 juli 2003 bekend te maken in het Belgisch Staatsblad- en dat zij dienvolgens niet meer op het rechtmatigheidsbezwaar van het gebrek aan spoedeisendheid zou stuiten. Uit niets blijkt dat de afdeling wetgeving te dezen zou zijn misleid, aangezien de jacht op reebok krachtens het bestreden besluit inderdaad op 1 juli aanving en het vigerende jachtopeningsbesluit op 30 juni 2003 verstreek. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de adviesaanvraag niet spoedeisend zou zijn geweest, in de zin van artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. 17. De omstandigheid dat krachtens artikel 4, tweede lid, van het jachtdecreet de besluiten betreffende de opening en de sluiting van de jacht ten minste dertig dagen voor de opening van de jacht moeten worden bekendgemaakt, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Te dezen gebeurde de bekendmaking weliswaar pas op 28 juli 2003, maar de voormelde decretale bepaling verbindt geen sanctie aan de overschrijding van de termijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de voormelde decretale bepaling teruggaat op artikel 1 van de jachtwet van 28 februari 1882 (Parl. St. Vlaamse Raad 1990-91, nr. 481/1, p. 2). Het tweede lid van artikel 4 van het jachtdecreet vindt zijn oorsprong in een amendement dat destijds in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd aangenomen omwille van volgende redenen: “1/ De jagers vragen eensgezind dat de besluiten tot opening van de jacht niet meer zo laat bekend worden gemaakt als geschied is; zo hoort dat volgens hen en er is niets op tegen hen daarin tegemoet te komen. 2/ Het Ministerie van Binnenlandse Zaken is duidelijk altijd geneigd geweest de jacht te vroeg te openen, voordat de oogst helemaal van het veld was. Doordat het ministerie genoodzaakt zal zijn te wachten op de verslagen van de landbouwcommissies of van de provinciegouverneurs, die redelijkerwijze pas uitgebracht kunnen worden wanneer de oogst al vrij gevorderd is, zal de voorgestelde maatregel het openen van de jacht uiteraard een aantal dagen uitstellen, tot grote tevredenheid van de landbouwers.” (Parl. St. Kamer 1880-81, nr. 20, p. 6-7) (vertaling) IX-3943-15/17 De tussenkomende partij moet worden bijgevallen in haar standpunt dat hieruit de bedoeling van de wetgever kan worden afgeleid, om met het opleggen van de termijn van bekendmaking aan de partijen die betrokken zijn bij de jachtbeoefening, de jagers enerzijds en de landbouwers anderzijds, de gelegenheid te bieden tijdig kennis te hebben van de nieuwe jachttijden. Het betreft een termijn van orde en geen vervaltermijn. De niet-naleving van de opgelegde termijn tast dan ook de wettigheid van het besluit zelf niet aan en kan slechts invloed hebben op de tegenstelbaarheid ervan aan de betrokkenen. Het tweede middelonderdeel kan derhalve niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. 18. Vermits het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van het vijfde middel is er aanleiding voor een aanvullend onderzoek. BESLISSING 1. De debatten worden heropend. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. IX-3943-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Daniël Moons IX-3943-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.218 Gerelateerde publicatie(
  14. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.441 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.492 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.