id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.218 Rolnummer: A. 142092/VII-38053 Zaak: Arrest 203218 - Jacht - Reglementen - 22/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-03 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 203.218 van 22 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Reglementen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.218 van 22 april 2010 in de zaak A. 142.092/IX-3943 In zake: de VZW VOGELBESCHERMING VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de VZW HUBERTUSVERENIGING VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert en Tom Gevers kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 september 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 145.441 van 6 juni 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit en de vordering tot het opleggen van een dwangsom verworpen. IX-3943-1/17 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 september 2005. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Jan Clement heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij en de tussenkomen- de partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 mei 2009. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Fitzgerald Temmerman, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Tine Gernaey, die loco advocaten Jan Bouckaert en Tom Gevers verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. IX-3943-2/17 III. Feiten 3.1. Artikel 4 van het jachtdecreet van 24 juli 1991 (hierna: het jachtdecreet) luidde op het ogenblik van het bestreden besluit als volgt: “De Vlaamse Executieve bepaalt minstens vijfjaarlijks na advies van de Vlaamse Hoge Jachtraad, de Vlaamse Hoge Raad door Natuurbehoud en de in artikel 10 derde lid van het koninklijk besluit van 15 september 1924 tot inrichting van de officiële vertegenwoordiging van de landbouw zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 12 april 1977 bedoelde gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad, voor het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het Gewest, voor elke categorie, soort, type of geslacht van wild en voor elke jachtwijze de data van de opening van de sluiting van de jacht. De besluiten betreffende de opening en de sluiting van de jacht worden ten minste dertig dagen voor de op grond van het eerste lid bepaalde datum bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.” 3.2. Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 wordt de jacht geregeld in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 1998 tot 30 juni 2003. Bij arresten nrs. 104.550 tot 104.553 van 11 maart 2002 vernietigt de Raad van State sommige bepalingen van dit besluit. 3.3. Nog vooraleer de Vlaamse minister van Leefmilieu een voorontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit heeft opgemaakt, brengen de Vlaamse Hoge Jachtraad, de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud, de gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad, respectievelijk op 24 september 2002, 26 november 2002 en 11 december 2002 een advies uit, waarin met het oog op de vaststelling van een nieuw jachtopeningsbesluit wijzigingen worden voorgesteld ten aanzien van het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998. 3.4. Op 28 mei 2003 brengt de inspectie van financiën advies uit over het voorontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008. 3.5. Op 2 juni 2003 vindt het Benelux-overleg plaats over dat voorontwerp. IX-3943-3/17 3.6. Op 3 juni 2003 zendt de Vlaamse minister van Leefmilieu naar de minister van Landbouw en Landelijke aangelegenheden van het Waalse Gewest en naar de minister van Leefmilieu van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een brief, met de volgende inhoud: “Waarde collega, Ik vraag uw aandacht voor het jachtopeningsbesluit 2003-2008 van het Vlaamse Gewest waarvan u de tekst in bijlage kan terugvinden. Gezien dit besluit in voege moet treden op 30 juni 2003 wens ik voor het overleg conform de bijzondere wet van 8-8-1980 tot hervorming van de instellingen de schriftelijke procedure te volgen. Ik stel volgende beslissing voor: 1. De ICL neemt nota van het Ontwerp van besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van de regelgeving betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest; 2. De ICL constateert dat de overlegprocedure bepaald in artikel 6, § 2, 2/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen met betrekking tot het voormelde ontwerp van besluit van de Vlaamse regering hiermee is afgesloten; Gezien de Vlaamse regering uiterlijk op vrijdag 13 juni een principiële beslissing zal nemen in dit dossier had ik graag voordien eventuele opmerkin- gen ontvangen.” 3.7. Op 3 juni 2003 legt de Vlaamse minister van Leefmilieu het voorontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit voor aan de Vlaamse Hoge Jachtraad, de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud en de gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad. Op 5 juni 2003 brengt het vast comité van de Vlaamse Hoge Jachtraad advies uit over dat voorontwerp. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld: “Aanleiding voor deze vergadering was een tekstvoorstel over het nieuwe jachtopeningsbesluit vanwege het kabinet van minister Sannen dat dinsdagna- middag (3 juni) ter beschikking werd gesteld en waarover het advies van de Raad tegen vrijdag (6 juni) verwacht werd. Het Vast Comité betreurt het feit dat deze tekst pas in extremis ter beschikking werd gesteld. Ondanks het feit dat de Raad reeds op 24 september 2002 een eerste advies gaf, werd de tekst vanwege het kabinet slechts drie weken vooraleer het nieuwe openingsbesluit reeds gepubliceerd zou moeten zijn in het Belgisch Staatsblad aan de Raad ter advisering voorgelegd. Het Vast Comité vreest dan ook voor een juridisch vacuüm indien het nieuwe besluit niet tijdig [wordt] gepubliceerd en drukt de vrees uit wat er te gebeuren staat onder andere op het vlak van wildschade.” Op 5 juni 2003 brengt de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud een “spoedadvies” uit. Van de zesentwintig leden van de Raad zijn er tien aanwezig. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld: IX-3943-4/17 “De Raad betreurt de laattijdige consultatie van de raad waardoor over een dergelijk belangrijke materie een spoedadvies op zulke korte termijn moet gegeven worden.” Op 6 juni 2003 brengt de gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad advies uit. 3.8. Op 27 juni 2003 legt de Vlaamse minister van Leefmilieu het voorontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit voor aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering beslist om haar principiële goedkeuring te hechten aan het voorontwerp, op voorwaarde dat aan artikel 14 van het ontwerpbe- sluit een paragraaf 6 wordt toegevoegd, waarvan de tekst als volgt luidt: “Indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, kunnen broedsels van de fazant, die beschadigd zijn door maaiwerkzaamheden, overgebracht worden voor verdere uitbroeding, het opkweken en het voor 1 juli van hetzelfde kalenderjaar opnieuw in de natuur brengen van de jongen. Het overbrengen van eieren en jongen wordt gemotiveerd en geregistreerd bij de woudmeester.” Met betrekking tot het voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State beslist de Vlaamse regering: “[...] de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, te gelasten over voornoemd voorontwerp van besluit, aangepast conform de in punt 1 vermelde beslissing, het advies in te winnen van de Raad van State, met verzoek om spoedbehandeling zoals bepaald in artikel 84, § 1, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (advies mee te delen binnen een termijn van vijf werkdagen).” 3.9. Op 1 juli 2003 legt de Vlaamse minister van Leefmilieu het overeenkomstig de beslissing van de Vlaamse regering aangepaste ontwerp van nieuw jachtopeningsbesluit ter advies voor aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. 3.10. Het advies nr. 35.653/3 van 3 juli 2003 van de afdeling wetgeving van de Raad van State stelt onder meer het volgende: “Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan. IX-3943-5/17 In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd ‘door de omstandigheid dat de jacht op reebok in juli plaatsvindt en het feit dat het huidige jachtopeningsbesluit afloopt op 30 juni 2003’. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. [...]” 3.11. Op 28 juli 2003 wordt in het Belgisch Staatsblad het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008 bekendgemaakt. Dit is het bestreden besluit. 3.12. Op 26 september 2003 vorderen veertien verzoekende partijen, waaronder de VZW Hubertusvereniging Vlaanderen, die in de voorliggende zaak tussenkomende partij is, eveneens de nietigverklaring -zij het slechts gedeeltelijk- van het met het voorliggende beroep bestreden besluit (zaak A. 142.110/IX-3945). 3.13. Bij besluiten van de Vlaamse regering van 21 oktober 2005 en 7 maart 2008 wordt het bestreden besluit gewijzigd. Deze wijzigende besluiten worden door de verzoekende partij niet met een beroep tot nietigverklaring bestreden. IV. Verzoek tot samenvoeging 4. De verwerende partij vraagt in haar laatste memorie dat de voorliggende zaak zou worden samengevoegd met de zaak gekend onder het nummer A. 142.110/IX-3945. Zij voert aan dat zij in de beide zaken optreedt als verwerende partij, dat de beide zaken hetzelfde besluit als voorwerp hebben, en dat in de beide zaken de schending wordt aangevoerd van artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 5. In de zaak A. 142.110/IX-3945 vorderen veertien verzoekers, waaronder de VZW Hubertusvereniging Vlaanderen, de nietigverklaring van sommige bepalingen van het thans bestreden besluit. IX-3943-6/17 Hoewel de verwerende partij in de beide zaken dezelfde is en de beroepen in de beide zaken gericht zijn tegen hetzelfde besluit, moet worden vastgesteld dat een behoorlijke rechtsbedeling te dezen niet gediend is met de samenvoeging van de beide zaken, gelet op de onmiskenbaar tegenstrijdige belangen van de betrokken verzoekende partijen. Terwijl de verzoekende partij in de voorliggende zaak zich gegriefd ziet door de jacht als zodanig, betwisten de verzoekende partijen in de zaak A.142.110/IX-3945 daarentegen sommige beperkingen van de jacht. Op het verzoek tot samenvoeging wordt derhalve niet ingegaan. V. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen 6. De tussenkomende partij werpt in haar memorie tot tussenkomst een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij. Zij voert vooreerst aan dat de verzoekende partij, krachtens haar statuten, zich tot doel stelt een volledige afschaffing van de jacht te verkrijgen. Vermits het jachtrecht deel uitmaakt van het eigendomsrecht, vormen de beperkingen die eraan worden gesteld, en zeker de volledige afschaffing ervan, tevens beperkingen van het eigendomsrecht, die overeenkomstig artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag over de rechten van de mens slechts mogelijk zijn, mits een afdoende compensatie. Voor zover de verzoekende partij met haar beroep de afschaffing van de jacht nastreeft, zonder enige compensatie, beoogt zij volgens de tussenkomende partij een onwettige situatie te creëren. Voorts laat zij gelden dat het collectief belang waarvoor de verzoekende partij opkomt, onvoldoende specifiek is, en dat de verzoekende partij al evenmin aantoont dat zij als reservaatbeheerder een afdoende persoonlijk belang bij haar beroep heeft. Het morele nadeel dat de verzoekende partij beweert te lijden, komt volgens de tussenkomende partij niet voort uit het bestreden besluit, maar uit het jachtdecreet zelf. Voor zover de verzoekende partij zich ter verantwoording van haar belang beroept op de bedreiging van flora en fauna, andere dan avifauna, IX-3943-7/17 ingevolge de jacht, moet -zo stelt de tussenkomende partij- worden vastgesteld dat zij op dat vlak bijna geen activiteiten ontwikkelt. Volgens de tussenkomende partij draagt de jachtbeoefening daarentegen bij tot het behoud, het herstel en de aanleg van kleine landschapselementen die zowel flora als fauna ten goede komen. 7. De verzoekende partij verwijst in haar memorie van wederantwoord vooreerst naar de rechtspraak van de Raad van State waarin het persoonlijk belang van de VZW Koninklijk Belgisch Verbond voor Bescherming van de Vogels wél wordt aanvaard. Zij laat gelden dat zij minstens even specifiek de bescherming van in het wild levende vogelsoorten tot doel heeft en haar werkingsgebied specifiek het Vlaamse Gewest betreft. Voorts wijst zij erop dat zij, krachtens haar statuten, zich tot doel stelt iedere vorm van wreedheid tegenover individuen behorend tot wilde soorten te voorkomen of aan te vechten, en voert zij aan dat het bestreden besluit dergelijke wreedheid mogelijk maakt. Zij betoogt dat in de “vogelrijke gebieden” die in het bestreden besluit worden omschreven, de jacht op een aantal vogelsoorten wordt toegestaan. Ook haar statutaire doelstelling betreffende de bescherming en het behoud van andere wilde flora en fauna en hun biotopen komt volgens haar in het gedrang. Zij stelt voorts een juridisch en moreel belang te kunnen laten gelden, nu het bestreden besluit het arrest nr. 104.550 van 11 maart 2002 van de Raad van State, dat een aantal bepalingen van het vorige jachtbesluit heeft vernietigd, negeert. Volgens de verzoekende partij brengt het bestreden besluit schade toe aan de activiteiten van de vereniging en haar leden, aangezien de jacht onder meer plaatsvindt nabij gebieden waar zij actief zijn. Zij betwist dat de bedoelde nadelen zouden voortvloeien uit het jachtdecreet en niet uit het bestreden besluit. Zij spreekt ook tegen dat zij te weinig activiteiten zou organiseren ter bescherming van andere fauna dan avifauna. 8. Ter terechtzitting laat de verwerende partij gelden dat de verzoekende partij hoe dan ook geen actueel belang meer heeft bij haar beroep, vermits de geldingsduur van het bestreden besluit inmiddels is verstreken. 9. De verzoekende partij van haar kant wijst er in verband met het actueel karakter van haar belang op dat de Raad van State in andere zaken waarbij zij tijdelijke maatregelen aanvocht, bijvoorbeeld in verband met de bevoorrading van de vinkeniers, haar actueel belang heeft aangenomen. Zij wijst er voorts op dat nog gerechtelijke procedures aan de gang zijn waarin de onwettigheid van het bestreden besluit kan worden aangevoerd. IX-3943-8/17 IX-3943-9/17 Beoordeling 10. De door de verzoekende partij neergelegde statuten bepalen haar statutaire doelstellingen als volgt: “Art. 4. § 1. De vereniging heeft tot doel om in het werkingsgebied iedere actie of activiteit te ontplooien die bijdraagt tot verbetering van de bescherming, het behoud, het statuut, het leefgebied en de studie van iedere in het wild levende vogelsoort die voorkomt in het werkingsgebied, waarbij het geen rol speelt of deze soort behoort tot de Vlaamse, Europese of mondiale avifauna. Ook kan de vereniging in dezelfde zin acties of activiteiten ontplooien met betrekking tot de bescherming en het behoud van de andere wilde fauna en flora en hun biotopen. § 2. De vereniging kan zonder beperking en met alle mogelijke wettelijke middelen iedere daad stellen en bepaalde prioriteiten nastreven ter verwezenlijking van haar doelstellingen. Daaronder worden onder andere begrepen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.